(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Makassaarsch- Hollandsch woordenboek, met Hollandsch-Makassaarsche woordenlijst: en verklaring ..."

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 






% 




''^^^RA?^'^ 



mmmm 



MAKASSAARSCH-HOLLANDSCH 

WOORDENBOEK, 

MET • 

HOLLANDSCH-MAKASSAARSCHE WOORDENLIJST, 

01»0AVE VA» 

MAKASSAARSCHE PLANTENNAMEN, 

BN . . : 

VERKLARING 

VAN EEN TOT OPHELDERING BIJGEVOEGDEN 

ETHNOGRAPHISCHEN ATLAS, 

DOOR • V-» 



D\ B^n^rMlTTHES^ \^^^ - >^^<^ 



AFGEVAARDIGDE VAN HET NEEJERLANDSCH BIJBELGENOOTSCIIAP OP CELEBES. 



UITGEGEVEN VOOR REKENING VAN 



HET NEDERLANDSen BIJBELGENOOTSCHAP, 
TE AMSTERDAM, BIJ FREDERIK MULLER. 



OETlRrKT BIJ C. A. 8PTN ^ ZOON. 

1859. 



f.T^t VOORBERIGT. 



tjindelijk mag het mij dan gelukken, om het reeds in 1854 van Makaaear naar Holland ver- 
zonden Woordenboek door den druk algemeen te maken. Van weinig belang zou het mijns inziens 
zijn, om hier de redenen op te sommen, die de uitgave van mijn werk zoozeer vertraagd hebben. 
liever deel ik beknoptelijk het een en ander mede, dat tot juiste beoordeeling van mijn arbeid strek- 
ken kan, te meer dewijl hieruit tegelijkertijd blijken zal, hoedanig gebruik men daarvan te maken 
hebbe. 

Gelijk ik reeds in het voorberigt voor mijne Makassaarsche Spraakkunst te kennen gaf, hel 
ik niet alleen bij de bearbeiding van dat werk, m^ar ook bij die van mijne Chrestomathie, en inzon- 
derheid bij die van het Woordenboek, dat thans aan het publiek wordt aangeboden, steeds op het oog 
gehouden, dat de beoefening van het Makassaarsch een arbeidsveld was , nog nooit te voren door 
iemand ontgonnen, zoodat men in de eerste jaren de kennis dier taal enkel en aUeen uit mijne 
schriften zou te putten hebben. 

Ik hield het daarom in de eerste plaats voor noodzakelijk, om niet enkel bij ieder woord de 
oorspronkelijke beteekenis voorop te plaatsen, maar ook steeds zooveel mogelijk duidelijk aan te 
toonen , hoe de andere beteekenissen daaruit afgeleid waren. 

Ook achtte ik het verder van groot belang om een menigte van voorbeelden, zoowel uit ds taal 
van het dagelijksch leven, als uit Handschriften ontleend, tot opheldering bij te brengen. Baarb'^ 
koos ik dikwerf zoodanige voorbeelden, als den beoefenaar der Makassaarsche taal, vooral in den 
beginne, moeijelijk te verklaren zouden zijn. Wenschelijk ware het zeker geweest, om eerst de 
Makassaarsche Chrestomathie uit te geven , en dan daaruit voor het Woordenboek de voorbeelden 
te ontleenen, dewyl ik in dat geval naauw keurig had kunnen vermelden, waar zij te vinden waren. 
Edoch het was van den anderen kant ook zaak, om, tot bevordering van spoed, beide werken tege- 
lijkertijd te doen afdrukken. Om intusschen toch te doen zien, in welke soort van geschriften de 
aangehaalde woorden of spreehcyzen voorhcamen, heb ik steeds de titels der Handschriften opge- 
geven. De voornaamste door mij geraadpleegde bronnen zijn: 

Bid., d. i.: Bidas&ri, een verhaal vrij gevolgd naar het Maleisch, Vergel. v, HoëvelTs Bidasdri. 

Brief. Hieronder te verstaan een verzameling van brieven van allerlei aard. 

D. Tjam., d. i..- D&ëng-Tjamo'^mmde. Verg. Makassaarsche Chrestomathie, bl. 413. 

I>jay., d. %.: Dj&yalangkara.. Verg. Mak. Chrest., bl. l. 

D. Moes., d. i,: D&toe-Mdfeseng. Verg. Mak. Chrest., bl. 321. NB. De aanhalingen in het 
Woordenboek z^n volgens een ander Handschrift, dan dat, hetwelk in den tekst der Chrestomathie 



lY 

gevolgd t«, doordien ik dit laatste tijdene de zamensteUing van mijn Woordenboek nog niet bezai. 
Van daar welligt nu en dan eenig voorbeeld uit dit heldendicht ontleend, dat men in de Chresto- 
mathie te vergeefs zou zoeken, 

G, G., d, L: Geschiedenis van Gowa en eenige andere rijken van Zuid-Celebes. Vergel, 
Makaas, Chrest.y iZ. 137. 

Godsd. Hieronder te verstaan een Handschrift, dat den gang der openbare Godsdienstoef e- 
•ningen, alsmede preek eyi gebeden bevat. 

I-latt., d, i.: I-lattobadja. Dit is slechts eeyi smerig nietsbeduidend verhaal. 

Inl. Wetb., d. «..• Inlandsch Wetboek. Bit Handschrift bevat een Compendium van Wetten, 
door Inlanders op last van het Gouvernement opgemaakt uit den Eitpaiig, en geraadpleegd bij de 
zittingen der Landraden, Vergel, Mak, Chrest, ^/. 4G2. ' . 

Kei., d, i,: Kêloiïg. Bit is eene verzameling van Kêloiig's. Verg. Mak, Chrest., bl, 419. 

Kdferrde, d, %.: Ko'brroe-ko'brrde-djangang. Verg. Mak, Chrest. bl. 415. 

Lal., d, %,: Lal&koeng. Hieronder eigenlyk hetzelfde te verstaan als onder sinrili. Vergel. 
Mak, Chrest. bl, 492, reg, 12, vlgg, 

Atódi. Verg. Mak. Chrest., bl, 357. . • 

NB. Hier geldt ïêetzelfde als ik reeds hoven bij D. Moes. heb aangemerkt, nameljjk, d^it de 
aanhalingen meestal geschied zijn volgens een ander Handschrift, dan het in den tekst der Chres- 
tomathie gevolgde. 

Maoct., d. i.: Madbtoe-1-anbiyai (^Lx-x-j Y I vajyo). Be titel van dié werk {lett,: de dood 
der profeten) zou stellig niet doen verwachten, dxit de inhoudt van zoo smerigen en puur zinnelij- 
ken aard w. Het behandelt de geheimenissen van den coitus, alsof het de hoqfdwaarheden des 
geloof s Karen. ^ 

Minnebrief. 

Rap., d. i.: Rapaiig. Verg Mak. Chr., bl, 199 , 238 en vooral 456. 

Rap. K. G., d. i.: Rapang Kali-Gowa. Bit is een Handschrift over Mpang, afkomstig van 
den Kali, of: Opperpriester, van Gowa. ■ 

Rap. T. Dj., d. i.: Rapaiïg Töpe-Dj&wa. Bit is een Handschrift,. afkomstig van den Imaiig 
(|»L«r) van Tópe-Bjdwa, een plaatsje in de Zmderdistrikten van het Gouvernement van Celebes 
en onderhoorigheden. 

Ik heb dit eenvoudig aldus betiteld, detcijl het van bl, 31 tot bl. 53 over R&pang handelt. 
Voorts vindt men bl. \ tot \% eene soort van almanak, bl, 2^ tot ^(^ de Makassaarsche vertaling 
van eèn Boegineesch scheepswetboek , dat ik later in het oorspronkelijk met bijvoeging van een* 
Hollandsche vertaling aan het publiek hoop mee ie'deelen ; en bl, 54 tot 62 eenige stukken over 
voorteekenen, alsmede over gelukkige en ongelukkige tijden. Verg. Mak, Chr., bl, 260. 

Roy., d. i.: Royoiïg, of: Toerinaoeng, of: Padja-pa dkëng. Verg, Mak, Chrest., bl. 417. 

Sinr., d. i,; Sinrili. Bit Handschrift bevat een groote menigte sinrili's. Verg, Mak, Chrest, 
bl. 311. 

Sinr. K. G., d. i,: Sinrili K&li-Gówa. Bit Handschrift is afkomstig van den K&li, of: Op- 
perpriester, van Gowa, en bevat insgelijks eene menigte van sinrili's. 

S. Tjin., d. i.: Siti-Tjina ri-Bantaëng. Bit is een sinrili, waarin een bijzonder mooi mei^e, 
genaamd Siti-Tjtna te Bantdeiig, de hoofdper sone is. 

Tam., d. i,: Tamim, een verhaal gevolgd naar het Arabisch, Vergel. d'Herbelat in zynt^ 
Bibliothèque Oriëntale, op: Tamim. 



^ Tar., </. t..- Tar&89ol6. Dit Hand%chr\ft w aldua door mij betiteld^ omdui kei van bl, Itot 2^, 
en van bl. 46 lot 69 tarassoló's en dergel, bevat y ver gel. Mak, Chrest. bl. 304. Bla^e. 26 tot 4b 
en bl. Q9 toé 102 vindt men insgelijks eene verzameling van kêlong's, vergel. Mak. Chrest. ó^. 419. 

T}(km. Vergel. Mak, Chrest., bl, 411. 

Behalve het aanhalen van zooveel voorbeelden, achtte ik ook een vergelijking met andere, in- 
zonderheid de verwante Polynesische, talen , voor het HoUandsch publiek van groot gewigt. Deze 
tiUen en dialecten zijn op de navolgende wijze door mij aangeduid: 

Arab., = Arabisch. 

B. of: Boeg., = Boegineesch, 

Boel., = Boeloeköembaasch dialect. 

Bontbv, = Bonthainsch, of juister: Bantdèngsch dialect. 

Ch., qf: Chin., = Chineesch. 

Jav., = Javaansch, 

Mal., == Maleisch. 

Port., = Fortugeesch, 

Sal., = Salegereesch dialect., 

Sn8kr., of: Sanskr. = Sanskritsch. 

Sd., of: Sund., = Sundaasch, 

Toer., = Toeratéyaasch dialect. Men vergel. hierbij myne "Inleiding op de Mak. Spraakkunst^' 

Dat ik het Maleisch en Javaansch aanvankelijk met de voor die talen gebruikelijke karakters 
en later met Romeinsche letters liet drukken, geschiedde enkel tot bevordering van den spoed, dewijl 
ik bemerkte, dat het bezigen ^van onderscheiden alphabeth's in één en hetzelfde werk, bij het druk- 
ken geen geringe moeite en oponthoud veroorzaakte. Be transcriptie van het Maleisch geschiedde 
steeds volgens het U^oordenhoek van Roordav. Eijsinga, niet zoozeer wegens sympathie, maar en- 
kel en alleen, omdat dit Woordenboek tot dusverre in ons Fad^land het meest in gebruik is. Bij 
de transcriptie van het Javaansch ging ik eenvoudig slechts zoo te werk, dat ik de Javaansche 
letters één voor één met Romeinsche wedergaf, opdaJt een ieder, die slechts het alphabeth dier taal 
fnogt kennen, in staat zou zijn , om de woorden in het Javaansch Woordenboek van J. F. C. Gericke, 
uitgegeven door T. Roorda, op te zoeken. 

Niet minder dan de overgroote tnenigte van voorbeelden, en de overvloedige vergelijking met 
andere talen, getuigt voorzeker menige opinerking omtrent Makassaarsche zeden en gebruiken van 
myne zucht, om, bij geltrek aan andere hulpmiddelen, den beoefenaar van het Makassaarsch zoo 
spoedig mogelijk al datgeen te verschaffen, wat hij voor zijne studiën van noode heeft Beter ware 
ket wettigt geweest, om dergelyke onderwerpen in eenig ethnographisch werk te behandelen. Doch 
daartoe ontbrak m^ tot dusverre de tijd; en ziedaar de reden, dat ik in m^n Woordenboek daar- 
van voorloopig opnatn^ wat tot het verstaan van sommige spreekwijzen noodzakelijk diende meege- 
deeld te worden. 

Eindelijk merke men nog de drie volgende bijzonderheden op, die evenzeer als al het andere, 
dat ik tot dusverre in het midden bragt, enkel en alleen een gevolg zyn van het boven door mij 
aangegeven sta$uipunt. 

Vooreerst heb ik steeds zorg gedragen, om de Makassaarsche woorden met Romeinsche letters 
t€ transcriberen, en dat wel volgens een vasi, reeds in het eerste Deel myner Makassaarsche 
S/nraakkunst meegedeeld systeem. 



VI 

Ten andere heb ik, ofschoon dit niet voUtreki noodzakel^k geweest ware, gedurig bjj de naam- 
woorden, die niet op eene nasaal (ng) eindigden, met voorvoeging van bep., d, i..- bepalend, aan- 
geduid, op welke wijze het achtervoegsel a, dat dikwijls gebezigd wordt, om ons bepalend Udwoord 
uit te drukken, wordt aangehecht, men vergelijke Makass. Spraakk,, § 60. 

Ten derde heb ik H meestal bij de naamwoorden bekend gesteld, indien zij tot aanhechting van 
de persoonlijke voornaamwoorden, een nasaal aannemen, te weten: door het woord met het voor- 
naamwoord van den eersten persoon enkelv. er achter, op te geven en er vóór te plaatsen vnw., 
d. i,: voornaamwoord. FergeL Makass. Spraakk. § 137, lett. b. 

Nadat ik in dezer voege mijn Makassaarsch-HoUandsch Woordenboek voltooid had, begreep ik, 
dat het voor den beoefenaar der Makassaarsche taal, vooral voor Zendelingen en ambtenaren des 
Gouvemements , ook niet ondienstig zou zijn, om eene soort van Hollandsch-Makassaarsch fFoor- 
denboek te hebben. Na rijp overleg achtte ik het best, om, in stede van een gewoon woordenboek, 
eenvoudig een Hollandsch Register op mijn Makassaarsch Woordenboek te leveren, en daarin tel- 
kens bij ieder woord naar de rubriek, of liever het Makassaarsche wortelwoord, waaronder het 
voorkomt, te verwijzen, ten einde den Lezer in staat te stellen, om niet enkel de beteekeyiis der 
woorden, maar ook de wijze waarop zij gebruikt worden, en in welk verband zij voorkomen, te 
leeren kennen. 

Aan het einde van dit Register vindt men ook nog een aanhangsel betreffende Botanie. Daar- 
over het volgende: In het laatst van mijn verblijf ie Makassar trachtte ik mij de welwillendheid 
en kunde van den vooral in de botanie zeer bedreven Dr. Bauer ten nutte te maken, en met zijyie 
hulp zooveel mogelijk de wetenschappelijke benamingen voor de onder de Makassaren voorkomende 
planten op te sporen. Door mijn vertrek naur Holland werd ik tot mijn leedwezen verhinderd, om 
ZEd. alle in het Woordenboek vermelde gewassen behoorlijk te vertoonen. En zoo restte mij bij 
mijn terugkeer in het vaderland nog menig voortbrengsel uit het plantenrijk, waarvoor ik enkel en 
aUeen de Makassaarsche benaming kende. Wel had ik nu en dan eenige dienst van HasskarVs 
Aanteekeningen over het nut, door de bewoners van Java aan eenige planten van dat eiland toege- 
schreven {Amsterdam bij JoJuinnes Müüer 1845). Doch meestal liet dit werkje mij onbevredigd, 
aangezien het zich, gelijk de titel zelf aanduidt , geJieel tot Java bepaalde, en ik bovendien, zoo de 
besproken plant ook al insgelijks op Celebes te huis behoorde, toch dikwerf niet wist, onder welke 
benaming zij in het Makassaarsch bekend stond. 

Toen ik hierover met den Heer F. A. W. Miquel, vroeger Hoogleeraar in de botanie te Am- 
sterdam, thans sedert kort in diezelfde betrekking te Utrecht geplaatst, sprak, gaf ZHG. mij 
den raad, om het Herbarium Amboinense van G. E. Rumphius te doorloopen; dewijl deze bekende 
botanicus wel hoofdzakelijk de planten van Amboina, waar hij zich gewoonlijk ophield, beschre- 
ven, doch ook hetgeen hem van elders met Inlandsche vaartuigen werd aangebragt, niet versmaad 
had. In dit werk vond ik dan ook verscheidene Makassaarsche plantennamen. En dit gaf mij 
aanleiding, om, daar mijn Woordenboek reeds grootendeels afgedrukt was, een aanhangsel daar- 
aan toe te voegen , waarin ik al die bij Rumphius voorkomende Makassaarsche woorden , door zijne 
onbedrevenheid met de taal niet weinig onkenbaar geworden, excerpeer de en zooveel mogelijk ver- 
beterde. 

Dat ik hierbij meestal de tegenwoordig in de wetenschap gebruikelijke benamingen konde opge- 
ven, heb ik enkel aan Professor Miquel te danken, ten deele aan zijne Flora, ten deeU aan zijne 
mondelinge mededeelingen , waarvoor ik ZHG. bij dezen mijn^ hartelijken dank betuig. 

Op dit aanhangsel liet ik vervolgens ook nog eene Lijst volgen van alle Makassaarsche 



VII 

plantennamen^ die in mijn Woordenboek voorkwamen. Ik acht het overbodig, de doeUrtffend- 
keid hiervan aan te toonen. Ik vertrouw , dat een ieder die gereedel^k zal erkennen. 

^^Maary^ hoor ik^ dunkt mij^ menigeen bij den eersten aanblik uitroepen , ^'waartoe die ver- 
"gameling van platen , bij een taalkundig Woordenboek? Fan zoo iets was immers nog nooU te 
*^voren sprake*' Ik acht mij dus verpligt hiervan rekenschap te geven. 

Reeds bij de eerste zamenstelling van mijn Woordenboek ^ zag ik duidelijk in, dat het moeije- 
lyky ja volstrekt onmogelijk was, om van onderscheidene voorwerpen, die in Europa geheel onbe- 
kend, of geheel anders zyn, enkel door omschrijving eenig juist denkbeeld te geven. Een getrouwe 
afbeelding was hier noodig. En dit bragt mij op het denkbeeld om eene zooveel mogelijk volledige 
verzameling te maken van alle voorwerpen , die tot het leven en de huishouding der Makassaren 
behooren. 

In HoUand teruggekeerd ^ had ik aanvankelijk zeer veel moeite^ om iemand te vinden, die 
bereid en bekwaam was, om grootendeels enkel uit liefde tot de schoone en verheven taak die het 
Nederlandsch Bijbelgenootschap zich gesteld heeft, verreweg de meeste tot die collectie behoorende 
en nog enkele andere van elders ontleende voorwerpen af te teekenen. Dank zij der welwillend- 
heid van den Heer J, van Maurik, Architekt te dezer stede, die niet enkel geheel belangeloos 
toestond, dat zijn leerling, de Heer C, A, Schröder Jr., tot zelfs de uren welke hy anders in 
zijne dienst besteedde, voor een groot gedeelte aan deze moeijelijke taak wijdde, maar bovendien 
den jeugdigen kunstenaar steeds met raad en daad ter zijde stond. Het voegt mij niet, om over 
de voortreffelijke wijze, waarop de Heer Schröder zich van zijne taak gekweten heeft, uit te wei- 
den. Doch ik vlei mij, dat het publiek, zoowel met het werk van den Heer Schröder, als met de 
Uihographiën van den in zijn vak zoozeer bedreven' Heer T. Brüggemann tevreden zal zyn. 

Aangezien deze platen welligt ook voor de ethnographie van eenig belang zijn, wordt er een 
zeker aantal exemplaren voor het publiek afzonderlijk verkrijgbaar gesteld. Ik heb daarom ge- 
meend, behalve de verklaring aan het einde van het Woordenboek, nog bovendien voor den Atlas 
een beknopte duidelijke Uitlegging te moeten plaatsen. De uitvoerige beschrijving van de Makas- 
s€utrsche gebouwen, in eerstgemelde Verklaring voorkomende, heb ik grootendeels aan de Heer en 
van Maurik en Schröder te danken; en deze heeft daardoor gewis, uit een architektonisch oogpunt 
beschouwd, wetenschappelijke waarde. 

Bij de overige platen heb ik meestal eenvoudig naar het Woordenboek verwezen. Hier en 
daar echter zal men ook nog het een en ander vinden, dat eigenlijk in het Woordenboek te huis 
behoord had, doch daar door mij over het hoofd gezien werd. En dit brengt mij als van zélf tot 
de Lijst van Verbeteringen en Toevoegsels aan het einde van mijn werk, die tot mijn leedwezen 
groater geworden is, dan ik verwacht had. 

Veel zou ik tot verontschuldiging kunnen bijbrengen. Doch de voorname oorzaak van het kwaad 
is gelegen in den spoed, waarmede ik myn werk heb trachten uit te geven. En wie zal het den 
man, die nog zooveel land ter beploeging voor zich ziet liggen, die nog een Spraakkunst, Chres- 
tomathie en Woordenboek voor het Boegineesck, die nog een Bijbelvertaling, zoowel in Makas- 
êoarsch als Boegineesch, te bearbeiden heeft; wie, zeg ik, zal het dien man ten kwade duiden, dat 
hij alles in het werk stelt, om terug te spoeden naar Celebes, en zijn werk met ijver voort te zet- 
ten? — Mcuir bovendien was er nog een dubbele reden, die mij bij dag en nacht aanzette, om niet 
te vertragen. 

De Zendelingen in het Gouvernement van Celebes, de Heeren W. M. Donselaar, en A. Gouds- 
waard, mannen die van wege hunne kunde en bezadigden ijver, van wege hunne braafheid en waar- 



VIII 

acUige godwrucht , van wege kunne verdiensten omtrent de vroeger zoozeer verwaarloosde Euro- 
pescke gemeente te Banidëng^ de achting van aUe tceldenkenden in die gewesten wegdragen, zij 
wenschten, overeenkomstig de vroeger van de Jffooge Regering te Batavia bekomen magtiging, zoo 
spoedig mogelijk insgelijks in kunne eigenlijke betrekking van Zendelingen op te treden. Daarvoor 
was het hun noodzakelijk , om eerst de Makassaarsche taal grondig te beoefenen. Geen wonder 
duSy dat het kun niet genoeg was^ dat ik hun reeds vroeger mijne Spraakkunst en Chrestomathie 
in manuscript ten gebruike afstond. Zy hadden ook behoefte aan een uitvoerig Woordenboek. En 
mijn pligt was het, hun dit hoe eerder des te liever te bezorgen. 

Doch niet enkel bij de Zendelingen y maar ook bij het Gouvernement bestond groote behoefte aon 
een werk van dien aard, — Bij herhaling wendde het pogingen aan, om door zijne Jmbtenaren een 
Makassaarsche woordenlijst te doen vervaardigen. Doch vruchteloos. Eindelijk besloot de Gouver- 
neur-Generaal, zoo ik wél onderrigt ben, op voorstel van den Gouverneur van Celebes en onder- 
hoorigheden, den Hoog Edel Gestrengen Heer D, F, Schaap, om geen verdere pogingen in het 
werk te stellen , maar de uitgave van m^n Makassaarsch Woordenboek af te wachten, 

Mogt die goede verwachting niet geheel beschaamd, en mijn werk, ofschoon nog zeer gebrek- 
kig, ten minste dienstig bevonden worden, om, nevens m^ne Spraakkunst en myne Chrestomathie, 
den Zendeling en Ambtenaar meer en meer den weg te banen tot een grondige beoefening der 
Makassaarsche taal 1 Mogt alzoo mijn arbeid eenmaat blijken , zoowel voor de wetenschap als 
voor Kerk en Staat eenige vrucht te hebben voortgebragtl 

B. F. MATTHES. 

Amsterdah, December 1859. 



MAKASSAARSCH WOORDENBOEK. 



^^ (ka). Eerste letter van het Makassaarsch 
alphabeth. 

•• (!•. ka.) Vergel. d N^ 1. 

(2^ ka). (Vergel. het Jav. tmx) WeUigt oor- 
spronkelyk niets anders, dan een woordje, om de 
aandacht ergens op te vestigen, waarvoor wij 
bijv. ritf/, de Arabieren Li, ^1, enz., de He- 
breenwen T^i de Latijnen ecct!^ anderen wederom 
wat anders, bezigen; bijv. Têdonga bêdeng, ka- 
nitcfenoe-bembe-mSlmi, de huffeU^ ziel e^ werden 
in zoo ffroote menigte geslagt, dai het was, aU of 
kei maar geiien waren. (S. T^in.) — Inaï-ka noe- 
palangcri ?,wieiê hei, ziel van wien g^ dat gehoord 
hebt? (Djay.) — InSÏ-kaftntoe arenna? lett. wie 
ie hei, zie! die, zyn naam?, d. i. Hoe heet hig? 
(Bid.) — Inaï-ka-köntoe?, lett. wie? zie! gij 
daar? dat is: fri^ zijtgij? (Tamim.) — Taoe èpa- 
ka-kontoe, anrong? lett. wai voor mensch? zie/ 
gÜ daar, moedertje? d. i. wai zyt gij voor inenech, 
moedertje? (Tam.) — Kodiya-ka-niyd tioe angkana, 
dai hei met gebeure, zie! er ie iemand, die zegt, 
d. i. dai niemand zegge. (Djayal.) — Pisiy&pa^&re- 
mi-ka bnnginna lebi kochviiioQ?, hoeveel dagen, ziel 



is dat geleden? ik weet hel niet regt, d. i. zie! 
eenige dagen geleden, ben ik gekomen. 

Areka. Vergcl. are N°. 1. 

ly&reka. Vergel. are N°. 1. 

lyaka. Vergel. iya. 

Kaïa. Vergel. éUa N°. 1. 

Aiydjo-ka, enz. Vergel. dnjdjo. 

Ng&pa-ka iy&i^djo, na-iya nikasoesang ? , Hoe ! 
zie dai eens! daarover zoo bezorgd te zyn! d. i. 
wat reden bestaai er, om daarover zoo bezorgd te 
zijn? 

Van daar dit ka, al naar het verband, op on- 
derscheidene wijzen te vertalen: 

fl) ka . . . ka, (ƒ . . . o/; lett. ziel . . . ziel, 
byv.: Têdong-ka, 3jftrang-ka, lett. ziel buffels!, 
zie! paarden! v. d. qf buffels, of paarden. (Djay.). 
— Kafya . . . kafya. Vergel. tga. 

b) ka, dewyl, daar, want; lett. zie! bijv. la- 
lAmpa-m^, ka-bêlla-doêdoewi, lett. ik zal gaan, 
zie! het is zeer ver, v. d. : want het is zeer verre. 

c) ka == 't Maleische ^Sba, och of! ware hei 
<ki! (='i Makass. k6d(f) lett zie! bijv.: ka-niyi- 
djannc, och of ik ware, enz. lett. zie! men neme 

1 



eens aan^ dat, enz. (Sinr.) — Ka-niya-djuuuc nak- 
koé nipapikato'bwang, enz., ware het, dat ik mijn 
hartstogt voor de geliefde honde overzenden, enz. lett. 
ziel neem eens aan, dat, enz. (Sinr.) 

Ka-kamma. (Verg. op: kdmma N°. 2.) Letter- 
lijk: zie/ neem eens aan, dat het zoo ware, d. i.: 
ware het zoo. 

Kata = het Maleische tjóba tigdda, lett.: zie! 
neem eens aan , dat het niet het geval ware , d. i. 
ware het niet, bijv.: Kata panrita-dja m^palêwa-lê- 
wa nSlkkod; k&ta m^tatta-djd mangêraf^ simpoeng- 
para^ï; sikade djilmmeng-dja, enz.; ware het niet, 
dat ik in staat was, om myn^ hartstogt in evenwigt 
te honden; ware het niet dat ik vermogt mijn 
hartzeer te dragen; zoo zou het weinig schelen of 
ik stierf, enz. (Sinr.) — Volgt op een volzin, met 
kfUa beginnende, het werkw. van zweren met eene 
ontkenning; zoo wordt de negatie niet uitgedrukt; 
bijv.: Men zegt, wanneer kata niet voorafgaat: 
Koepasapattangi ta-lama^êkoe, ik bezweer hel, dat 
ik niet zal gaan ; doch wanneer kata voorafgaat , bij v . : 
kata toe-mdlompowa dsdbro; zegt men : koepasa- 
pattang lamangêkoe, ware het niet dat de Gou- 
verneur het bevolen had, ik zweer dat ik niet zou 
gaan , of: mdsap&tta-dj^ lamangeya ; absoo : la- 
mangêkoe, ofschoon men zou verwachten: ta-la- 
tnangékoe; en : lamingeyd, ofschoon men zou ver- 
wachten: ta-lamMngeyd, — Van waar dit verschijn- 
sel?, te meer daar het zonder het werkwoord 
zweren niet schijnt plaats te vinden; te meer nog, 
daar éen' stellende phrase achter het werkwoord 
van zweren niet omgekeerd negatief sch^'nt ver- 
taald te worden; men vergelijke slechts het vol- 
gende voorbeeld: kidé ta-toc-mdlompówa apisang- 
kai; asapatta-djd lamangêkoe, ware het niet, dat 



de Gouverneur het verboden had, zoo zweer ik dal 
ik zou gaan, (Sinr.) — Kata padat&ri-djiinne, ma- 
sapatta-djd labêiki, ware het niet dat ik moest 
sterven; zoo zou ik zweren, om niet te sterven. — 
Otai tdbwang anjdj6reng, asap&tta-dja Idb&ki, 
zoo mijnheer daar niet woonde, zweer ik, dat ik 
er nimmer kwam, — Welligt wordt de negatie 
slechts daarom weggelaten, dewijl de^lve ten ge- 
volge van het in de praemisse voorkomend kata, 
duidelijk uit het verband blijkt. 

d) ka, soms = het Maleische aü? als onaf- 
scheidbaar vraagwoord, bij voorbeeld: Apa-ka, 
lett.: zie , wat? — Lanaoengka-ko?, zuU gij neder- 
dalen? — Lalampa-ka-ko?, zvli gij heengaan? 

(3°. Arfl), gebezigd als bepalend lidwoord. Verg. 
a N^ 3. 

(4**. ka), soms welluidendheidshalve tusschcn 
het werkwoord en persoonlijk voomaamw. ingc- 
lascht. Vergel. o N^ 6. 

(5°. ka), ook gebezigd als onafscheidbaar voor- 
voegsel tot vorming van woorden , even als in het 
Javaansch en Maleisch, als: 

a,) Van zelfstandige naamwoorden , bijv. : ka- 
lompowang. Vergel. op: Umpo; en vergel. mijne 
Makass. Spraakk. § 51. — b,) Van bijvoegelijke 
naamwoorden, bijv. : kamcdla-m^a. Verg. mdüd; 
en vergel. myne Mak. Spraakkunst, § 73. — c.) 
Van rangschikkende telwoorden, by voorb.: ka- 
tdüoe, of mdkatdüoe, derde. Vergel. tdUoe; en 
vergel. mijne Makk. Spraakk., $ 119. — d.) Van 
werkwoorden, bijv.: katoegdbri, vergel. toegoe- 
roe -, kaëróki, vergel. éró. Men vergel. ook mijne 
Mak. Spraakk., § 182. 

•• (l** kang) vnw. 1. pers. meerv. mannel. en 
vrouw. (Boeg. kfing en ikSng, idem.) by voorb. 



erü-ngasei7g-makang , tcij tcilleti allen. (Q*ay.,-enk. en mecrv. gebezigd tegen minderen ; of ook 



Rap.) 

(2** kang.) Vergel. at^, 

>^ (r ki.) Vergel. t N^ 1. 

(2° ki), vnw., 2.per8., mann. en vrouwelijk, 
enkel en meerv., alleenlijk tegen meerderen gebe- 
zigd. B. idem. (verg. ko); bij voorb.: SaEmaki ri- 
lampata, tdfewang, vees voorspoedig cp uwe reis, 
m^nkter^ d. i. gelukkige reis, mijnheer, of geluk- 
kige reis, mijne heer en! 

(3** ki), vnw., 1. pers., m. mann. en vrouwe- 
lijk. Boeg. id. B^v.-. lampa-maki, wij gaan. 

(4** ki.) Vergel. . N^ 2. 

^f {Y koe), vnw., 1. pers., enk., mann. 
en vrouwl. (B. idem.) Vergelyk het Maleische 
ViJ, het Jav. *n| ; bijv. Niya-koeb&Qa, t^ ó^ lezende, 
d. i. ik lees, — Djarangkoe, het paard van mij, 
d. i. m^n paard, 

(2® koe), onafecheidbaar voorvoegsel, byv. koe- 
sTssili, van: «M«/t (Boeg.); koet^nang, van : ilnaiig, 

A ^ 

(verg. 't Mal. ^U ); koesissing, van«M««^ N° .1, enz. 

\^^ (1** ke.) Soms in het dagelijksch leven 
gebezigd voor: kére^ bijv.: b&ttoe kê-ko-maë? 
voor: b&ttoe kêre-ko-maë ? , waar komt gij van 
daan? — Kê-ko-maë?, waar gaat gjj heen ? 

(2° ke), welligt = e, ons o! in de woorden 
kc»brroe-ke-djangang, kom eens hier, o haan! 

(3* ke) = keng; v. d. tyake;tti v. d. met ach- 
tervoeging van pa, (vergel. beneden,) iyaké-pa, zelfs* 
Vergel. het Boeg. ke en igakdnneng, idem. 

\^^ (keng), bijwrd., zelfs; bijv.; lya-keng 
anjdjo Pdbtiri-Kaana-Kassiyang êro ampamate- 
mateï manggena, zelfs wüdie vorstin Radna-kasst- 
yang voor haren vader sterven. (Djay.) 

^«^•v (ko), vnw. 2. pers., mann en vrouwl.. 



tegen menschen, die in rang gelijk met ons staan, 
I mits wy op gemeenzamen voet met hen zijn. 
I Insgelijks gebruikt, wanneer men het Oppertvezen 
aanroept. (Boeg. idem en ook ^••'n (ïko). 

Mal. yS en Jav. vfêfnt\) byv.: llLmpa-mako, ga gij 
heen. Vergel. noe. 

•••• (V kaka) = 't Mal. ^J^, ouder 
broeder of zuster. (Boeg. idem; Jav. mimis idem), 
bep. kakSlya; vnw.: kakangkoe, kakanta, kakan- 
na. Bij voorb. : kakanna bsLdjika, de oudere (d. i. 
de oudste) zusier, d. i. de eerste (voornaamste) der 
schoonen. — Kakanna i^wang, is een doorschijnend 
kleedje , doch dat minder transparant is , dan de 
patóla-rawaf^ , en daarom ook door oudere meisjes 
gedragen wordt. — Kakaï ascya, leii. de paddie 
is een' ouder" zuster, d. i. staat beter, bijv. dit jaar 
dan een vroeger. Vergel. anN°. 1. 

(2° akakd), kwaken, eenden bijv. B. idem. Verg. 

't Mal. ijS"}^, kakelen. 

(3° kakkd), iïgakka, rukken, v. d. iigakka rolj- 
koe, gras uUrukken. V. d. ook: ngakk^ rinriiïg, 
eene muur omver rukken, (omverhalen.) — Tatai 
mangakkd , de dysenterie hebben (omdat die onge- 
steldheid gepaard gaat met hevige persingen. Men 
doet zijne behoefte als 't ware met rukken. 

Sikd.kka, elkander rukken, d. t. elkander by /iet 
l\if pakken en de kleêren van het l^ scheuren. 

•••• (1° kangkang), krabben. B. idem. 

(2°k2Lngkang) = 't Mal. éJJo de vuist of hand 
toesluiten, met de vuist vatten. — Si-kaiïgkang 

= Mal. aAJULm» een handvol. 

•<^ >• (kaki) Mal. dl^-en 't Jav. »ai»^s. Si- 
kaki , (fói voet (maat.) 

^^ ^^ ^ (kako). Kakowi, en pasikakowi liman- 

1* 



na, één qf beide handen van toren tegen zjjn lijf 
aanhouden. 

^^ ^^ N (kftngkong), eooirt van groenie, Con- 
volmUui reptans, L, 

>4f >^ (r kïki), of kiki-kiki, (verg. het Mal. 
JJu^ knagen^ hnaböelen), afkhtwen^ qfknabbelen. — 
Takiki battangkoe, ik krimp inéén van de pjn 
in het Ijjf. — TÜaki-mi , hij krimpt al inéén; geb, 
van iemand die op sterven ligt, 

(2°kiki),ie — , ie— schreeuwen^ van blijdschap 
byvoorbeeld. Ook gebez. van het geluid dat de 
Marêgé's big het dansen maken. Zoo insgelijks 
van het hmneken der paaiden. Vergel. ngisi. 
Boeg. idem. 

(8*^Kiki)==:kSkó, b^ten. Veigel. het Mal. 



(é'^mépakiki b&djoe-gadoe), e^ngdddê onder het 
loopen een weinig opnemen qf cpUgten. (S. Tjin.) 

^^ /!^ (kïngking), de sarong eventjes opUgien, 
gelijk de Inlandsche vrouwen loopende dikwijls 
doen. 

Kingkingang, instrumentje dat de weefster 
aan de pakardkkang vastmaakt , om die te kunnen 
opligten tot 't doorlaten der draden. 

_ A 

Pakingkingaiig, de kleéren opUgten voor iets 
(opdat z\j daardoor niet besmet worden). (Sinr. Tar.) 

^f ^^ (kdbkang), wees^ v. d. ookoverdragtelyk 
geb. van iemand, die verlaten^ die aüeen^ die 
zonder minnaar is. — Kdbkaiïg lappa8sé,ö«i tvees, 
die beide ouders verloren heeft, (lett. die los is, 
door niets meer gebonden.) 

^f^f (X koekoe), geraakt, gevoelig ^ gram- 
storig, gramschap, bep. koekoeka Pangalarro- 

wang koekoe , liartstogt, gramschap. 

KakoekoHaiig, '/ verstoord zijn, H misnoegen. 



(2° akdbkoe), kirren (duif). Bdbkocroe badji 
ékdékoe, eene aangenaam kirrende duif, v. d. eena 
verleidelijke slechte vrouw. B. idem. 

(3° kdbkoe), met beide armen vUgooijen^ bijv. 
een net, (Dat. Moes.) 

^f^f (kdfengkoeng), akdbngkoeng,ATfwi^tf», 
inkrimpen. — Tdkdbngkoe^, idem; bigv.: Ta- 
kcfengkoengi lim&iigkoe, ik Icrijg de klem in mijne 
handen. 

\ ^^ ^f (kêkoe) = rék<^. 

\^^\^^ (r keké), bep. kekeka, scheur, in 
een kleed bijvoorbeeld, scheuren, gescheurd; v. d. 
een gat; v. d. datgeen wat men afgescheurd heeft, 
d. i. een stuk, bijv.: karattasa si-kéii:é, één stuk 
papier, van daar : één brief, (Tar.) 

Paiïgékêkang, datgeen wat men, bij het scheu- 
ren van de stof voor een kleed, weggooit. 

(2^ kêke), bep. kekêya, klein. 

(3° kêke) ^^ kekesé; v. d. pakêii:e, schop, 
spade, bep.: pakekêya. — Pakêke-pa ampasis^- 
Uki, een spade, (wij zouden zeggen: de dood) al^ 
leen kan hen scheiden; geb. van echtgenooten. Ver- 
gel. kaltbong, — Pakêke nikówang. Vergel. ko- 
toang. — Pakêke panröli. Vergel. panrdlt. 

/!^ 'S /!^ 'N (1** kóko), bep. koköwa, (vnw. 
kokdngkoe, kokdnta, kokonna), tuin. 

Pakêko, tuinman, (bep. pakokówa). 

Pakokowang, lett. tuiniering, v. d. tuin, die 
bewerkt wordt. 

(2** ékoku-kokd), kakelen {hen); ook geb. van 
het geluid van kalkoenen. (Djay.) = 't Jav. 
«^ foi t «^ «oi t «^ ^ r m «oi t «mAx 

(3° akdko), b^ten, h^Y.i een hond, (B. dko^ 
raSko). — P^risi-b&ttAiïg ing^ó, bijtende, d. i. sn^- 
dende buikpijn. 



Kokokang , atang (paard). 

Nipikókoki boembêra anjdjo tadbwa. Vergl. 
hoembêra, 

Pasikokd, ia elkander doen è^ten, d. i. in elk- 
ander doen sluüen, d. i. zamenkUnken; bijv.: ^noe 
nipasikokd, ieU dat zamengeklonken is, 

(4® kokó), ieü sterk ^ in hooge mate doen; (B. 
okd) bijv.: Nakdkoki llüi ^aranga, het paard is op 
de kol. — Nakokóki l&ri bisêyanga, het sckip 
wordt (bijv. door storm) met aUergeweldigste vaart 
voortgedreven f zoodat er aan geen sturen meer te den- 
ken valt. — Nakoküki malld tad^wa, de menschen 
Korden door de allersterkste vrees voortgejaagd, « 

•^ "N ^^ "N (kóngkong), kond. Ook ab scheld- 
woord gebezigd, en alsdan minder bdeedigend 
dan télaug-dnrong anne^ en deigel. 

Kongkong-kongkong, soort van waterhoen, ge- 
noemd naar zijn geluid^ dat wel iets heeft van het 
blaffen van een' kond. De Europeanen bestempelen 
dezen vogel soms met den naam van verklikker. 
Vergel. bintdpoe en poenróró, — De kongkong- 
kongkong wordt op Bonthain genoemd : boka^boka. 

Kóngkong-djené, otter. NB. op Bima ge- 
noemd: lako-oi, insg. lett. toaterkond. 

Bij het dldgo en andere spelen, wordt het woord 
kóiiykong gebezigd voor ons : een streepje aan kragen. 

Alasdbro-kóngkong ri, kondsch zijn jegens. 

Ag^oié-kongkong» Kondsch behandelen ^ b^v.: 
X^yik inakke noegaoe-kongkong , i^ sm/ niet kondsch 
(als een hond) door u behandeld worden. 

^^ ^^ X (kakambang). Yergel. kdmhai^. 

^^ ^^ r\ ^^ (kakatdbwa), bep. kakatoewa- 
ya, n^ptang, l^lal. kakatdbwah. (B. idem.) 

^^ 'S •• 'S *0 (kokoQi), bep.kokóQika, soort 
van vogel die gedurig roept koko^i. (B. idem.) 



•^ /!^ ^ (1** kakkara), getornd zjjn. (Sinr.) — 
Takakkard, idem. •^JLkkka-luBkküji.tomsel (Kei.) 

(2"* kakkara sombalaka), de zeilen losmaken, 
ontrollen. — Tiki]skiiiiy losgemaakt, geepend zyn, 
bijv. een' baarmoeder b^ de bevalling. 

4^^4^^h\ (kikiri), bep. kikirika, v^l. B. 
idem. Jav. en Mal. ktkir. 

Têboe-kikiri = 't Mal.: qrai^ kikir, vrek. 

^f^f^ (koekcferang), Saleyer. ^=^pakeróe, 
rasp. 

^<^ ^ /!^ ^ ^ "\ (kokkoro), t^okkelen, bijv. 
eene muur, of de oever eener rivier, v. d. ook 
overdragt. geb. van menschen, die b^'v. in hun 
fortuin achteruitgaan. 

>^>^^^^^^^ (kïkiri-kSlkarS), bep. ki- 
kin-kakaraka,'tMal.kikir kakar, soort van bloem, 
Ageratum Conyzotdes, L. 

^^ •• ^ (k^kalé), hgchen. B. k^kd. — Kd- 
klLli, iemand belagchen, bespotten. (Sinr.) 

^^ ^^ ^ (kakMoe). Vergel. kdloe N**. 1. 

^f^f^ (kdbkkoelde), bep. kdbkkoeloeka, 
afgestroopte huid. Verg. boekdèleng. — Kdfekkoe- 
l(>e-bawi, zwoord. 

^^ ^^ O (kakkasd.) — Kakk&sang, uitschud- 
den, een doek bijv.; openslaan. — Bombong ta- 
kakkasa, of takakk^ng , ^'o»^ geopende uUsprwt- 
sels der bladen. (Midi.) — Kakk^iïg boQênna. 
Vcrgel. bóijeng. (Boeg. wakkdsaiig, idem). — Kak- 
k^ng banr&nganga. Vergel. banrdngai^. — 
Kakk&sang lé.b^ya ri-dallek&ngkoe, den tegenzin 
uitschudden voor mij , d. i. mjj laten Uyken. (Kei.) 

>^ ><^ O (kikkisi), schrapen, afkrabben. (Mal. 
^juJiiS.) NB. op Gowa niet verstaan, alleen te 
Makasser. 

\^^\^^\K^ (kekcsd), graven; bijvoorb.: 



Aujdjo biring-binangaya, nakckcscki djen^, die 
oever van de rivier wordt door het water uitgegraven, 
d. i. ajgêifokkeld. 

^^ ^ (kapa). KsLpa-kapa, bep. k^pa-kap^ya, 
een kabaai, B. idem. 

/s^ ^ (kapang), meenen, gissen, denken, mee- 
ning, vermoeden, achter doch t,suspicie, (B.idem.) — 
Kodi-k&pang, wantrouwend, — K&pang-slila, arg- 
waan, — Taena kap&nna, ta-nibdëntoeloe , het ia 
niet te denken, dat hij niet gevonden zou worden, — 
T^-nikilpang, iemand die verdacht is, — Dj^ri 
k&panga, lett. de achterdocht wordt, v. d. men 
krijgt suspicie. (Rap. T. Dj.) — Taoe nipaka- 
naiya nik&pang, de man, op wien men zegt sus- 
piciete hebben, te weten: van ditfstaloï iets anders, 
(Brief.) — Kapaiïg-djiya, het is slechts eene mee^ 
ning, d, ï, het is te betwijfelen, te wantrouwen, 
(Sinr. K. G.) 

Piti-kapang-kilpang , iets verkeerd meenen, zich 
vergissen, het mis hebben, bijy. ka-gsissingki piti- 
kapangkap^i£gi, daar wy het dikwjjls mis hebben, 
(Brief.) 

/!^/0 (kSimpi), hoeden, vee bijv. Boeg. idem. 
— Pakampi, bep. pak^pika, hoeder, oppasser, 
b\jv. y au paarden, van buffels, enz. Verg. kdmmt, 

^^ JO (k&mping) , bijwerk, byv. gcb. van een 
(iouvemements-ambachtsman, die in zijne leêge 
uren bovendien voor anderen werkt. B. idem. 

^^ /O (k&poe) digt maken, sluiten (doch zoo , 
dat er een kleine opening bl^'ft), b^v. een baadje, 
de oogen, enz. Bo^ idem. — Sassang-k^poe, 
donker, doch zoo, dat de sterren byv. nog zigt- 
baar zijn. — Romang sikapoe, een digt bosch, (S. 
ijin.) 

^^ ^ (kampoe), bep. kampo'bwa, = 't Mal. 



«•AéJ, werkdoosje.(Ï2ir, Sinr. K. G.) — Kampoe 
n^wa-nuwa, lett. doosje van het denken, d. i. het 
verstand. (Tar.) 

•• \ ^ (l°k&pe), bep. kapêya, lam. 

(2** k&pe), wenken, toewenken, (B. idem.) Bijv. Ni- 
kape-mi s&ngge k&pe; nipanjdjddj6kaug-mi empo- 
wang, h^ werd herhaaldelijk gewenkt, terwijl men hem 
eene zitplaats aanwees, QUldi.) — Nikape-ana-gaMr- 
rang, als eene gaÜdrrang*s dochter gewenkt wor- 
dm, (S. Xjin.) 

(3** Songkó kape-k&pe), bep. kape-kapêya, 
soort vaii muis of kap, die oude menschen soms 
opzetten tegen de koude, bedekkende niet slechts 
het hoofd van boven , maar ook de ooren en dcii 
nek. B. idem. — Pakape-k&pe , iemand die dik- 
wijls zulk een muts draagt. 

(4"* kapé), bep. k&peka, doek om te kipassen, of de 
vliegen te verjagen, van daar ook : waayen met een waai- 
jer, wuiven met een doek of vlag. (B. idem); bijv.: Ni- 
kapé-mo bandera ko'bnji ; men wuifde met (deed wappe- 
ren) eene groene vlag, (Djay). — K&pé soemaiiga , 
door middel van wuiven met een doek , den levens- 
geest van een ziek kind trachten te behouden , of 
anders terug te roepen, gelijk soms door een sdnro 
geschiedt. Verg. soemö^d, 

^^\^ (r kampe). Takampe = tdkdppo, 
aankomen, (Sinr.) Vergel. kdppo N®. 3. 

(2'*kampe), bep.kampêya, baai, bijv. kampcna 
Dima, baai van Bima, (B. idem.) 

^^^^ (1° k&ppd), bep. kappoka, bogt; 
deuk, (in zilverwerk bijv.); bogt in den grond, v. d. 
lage uitgeholde grond, — Xkappo, een' deuk hebben. 
— Nikappo gebezigd van het in de breedte vouwen 
der stukken kapas, voordat men ze op de kuic 
met een mes glad snijdt. — Bontowa nakana 



kappó, den hoogen grond houdt hij voor een uüge- ' men , cl. i. aanvallen zonder weêrkeerig aangevallen 

holden. NB. gebez. van iemand, die uit verlegen- , te worden, (S. Tjin.) 

heid of kwaadheid niet meer weet, wat hg zegt i •• ^ 'N (k&mpong). Mal. een kampong , een 

of doet. (Dat. Moes.) — K^ppd-kappd nike- 1 omheinde plaals, 

kesé; bonto-bonto nitambo'bngi, lett. een lage\ ^^ ^ (ko'bpa), soort van schelp. 



uitgeholde grond wordt gedurig meer uitgegraven^ 
een hooge grond wordt gedurig meer opgehoopt. 



^f ^ (kdfepoe). Vergel. 't Mal. ^^en 't Jav. 
»ni<L«\. Kdbpoe-ko'bpoe , bep. kdfepoe-koepdl»\va , 



Zin: De armen worden steeds armer, de rijken al- 't Mal. f«it^, kapel. 

t4x>s rijker. \ •^ ^ (kêppaiïg), Boeg. = têmpang , mank, 

(2® akiLppo), zich vereenigen , zamenkomen, kreupel. 

(3* takappo), aankomen, (Boeg. idem.) Van ^•^^^'N (kêppo), bep. kêppoka, deuk, bogt. 

daar: takappo-mi, het is reeds klaar; lett. reeds ^ Boeg. kippo. — Akêppo, met deuken zijn, v. d. 
aangekomen. ingetogen, gedrukt, ingedrukt worden, 'bijv.: de 

^<^^^ (k^ppong). Aldus op Tope-Dj&wa ^or«^; als: antêmpa-têmpa barambang; s&la kêppó, 
genoemd: de groote slsooi hó^o. Vergcl. kapóteré. zich op de borst slaan, zóó, dat het weinig scheelt 

•^ ^ 'S (1° k^mpo). PakSjnpowi bid^na, i of dezelve wordt ingedrukt. (M^di.) Vei^el. kdppó 



zijne Sarong zoo vastbinden, dat dezelve aan reg- 
ter- en linkerzgde met ruimte of met een boezem 



N°. 1. 

^.^ ^ /O (1° kompa), soort van muzijkinstru- 



valt Vergel. gdmpoeng, (Koyong). ment, eertijds in gebruik. (G. G.) 

(2* mdk&mpo), rijk zijn. (Sinr.) Byv.: toe-mé- i 2) kómpd, = tdngkoe, = tdngkiri, spalken. 

kampowa tinröna, zij, wier slaap ryk is, d. i. zij I ^-^ ^ JO (kópi), bep. kopiya, koffij. 

die alles hebben, wat gevorderd wordt, om lekker; ••^^^ (kopé), = tdddUng. — So'bsoc 

te kunnen slapen, die bijv. een goed en van dikke | akópé. Vergel. sóksoe. — Bclblo köpé. Vergel. bóelo. 

i' 
gordijnen omhangen bed hebben , wier slaap door ! (B. idem.) 



geen gedruisch of iets anders gestoord wordt, 
enz. Waar echter in de Sinrili's vooral op ge- 



•^ 'N ^ ^ (kompong), hulp, hulptroepen , = 
tómboi^. — Nikómpong, = nitómbong, gehol- 



doeld wordt, is, dat zij niet aU^én in bed liggen. \pen worden met werkvolk, met hulptroepen en der- 

(Sinr. K. G.) gel., bgvoorb.: Po'fenna nis&oeroeka, kompongiya , 

i 
(3** k&mpo of tdkampo), komen tot, doordringen \ zoo ik overwonnen word, help m^ dan met hulp- 

tot, bereiken; bijv. pole t^kampo ri-bangkênna troepen. 



sapan^ya, komen tot aan den voet van de trap. 
(Midi). — Tdkampo t^le ri-k&mpong, doorgaan 
tot , hereiken een kampong aan de overz^'de. (Tar. , 
Sinr., en Dat. Moes.) — Mdkimpo ta-nik4mpo , 



Kompöngang, soort van koker, meestal van 
tdld-blad, soms ook van goud, tot beveiliging 
van den nagel des linkerduims, dien voorname da- 
mes soms zeer lang laten groegcn. 



komen, zonder dat een ander tot ons durft Ie ko-] •• Ai*\^^*\ *^ (kapongkólafïg), gcb. van 



8 



deboTêieH yan een jong meisje, die reeds een weinig 
begim^en op te ztceUen. Ook geb. van 't hertebeeeL 
Vergel. djönga. 

^^^^^ (kapanggarang), hei sigtbaar wor- 
den van het zand en mn de deenen door het vallen 
van het water. 

•.^^'N^ (1" kapopang) zoom (van naai- 
werk.) 

(2° kapopang), (Boeg. apopang,) een bókngket^ 
oïpinang-ichaal^ gevouwen, en gebezigd om riJ8t> 
of ook om kleêren, in te wikkelen. NB. wordt 
digt genaaid, terwijl de taiempingang maar digt 
gebonden wordt. 

^^\^^\ (kapeta), bep. kapétaya, zegen, 
zegenen, gezegend; b^v. : Alla kapeta, de zegenryke 
Ood. (Sinr.) — Tdbna-kapeta, gering maar geze- 
gend (tevreden,) (Tar.) 

Pangap^tai, het zegenen, (Bap.) yA.de gunst. 

^^^?\<^ (kapatïyang). Yergpl.pdti N**. 1. 

^^ ^ 'N \ ^\ \ ^ (kapotere'), bep. kapótere- 
ka. Aldus op Tope-Djawa ook genoemd de kleine 
bódjo, of 8Ïso. Vergel. kdppong. 

^^ ^ /s^ /^ <^ (kompaniya), bep. kompani- 
y^ya. Vergel. ons woord compagnie. Van daar: bi- 
dili si-kompaniya, 24 geweren. (MadL) 

^-^ 'S ^ ^tt' (kopanja), soort van wapen, eer- 
tijds in gebruik. 

^^ Jsi <^ ^ '^ (kapiy&lo), bep. kapiyalowa, 
zware drukking boven op het hoofd, zoodat men de 
oogen slechts met moeite kan opslaan (meestal ten 
gevolge van koorts). — Kapiyaldwangó,iA;Atfd zware 
drukking boven op het hoofd. NB. Volgens sommi- 
gen te lezen: kapedloe en kapealöhoaf^d. 

^^^^ (kilppara), bep. k&pparaka, soort 
van metalen schenkblad, grooter dan de talang; 



(Boeg. idem). — Kapparii t^ngkoeloc. Vergcl. 
tdngkoeloe, 

•-^ /O ^ (kapdbrroe), bep. : kapdbrroeka, rim- 
pel. (Boeg. idem). — Akapo'brroe, gerimpeld. (Bid.) 

•• \ ^ \ ^ (k&peré), bep. : kftpereka, 't Ara- 
bische J^ ongeloovige. 

••/si*\^'N (1* k&poró), bep. k&poroka, 
't Mal. jjii^, 't Jav. «oiai^N — Kftpor<5-b&roesoe,= 
't Mal. (jmjLj )^^i kamfer van Baros opSumatra, 
('t Jav. taitu^KmTto^y) 

(2° k&por6)« bep. kllporoka , eene manier van 
geld opzetten bij het ^^i^spel. 

^^ 'N Ai ^ (kómpara), bep. komparaka. Dit 
heet t>ij het omispel, zoo één der spelers geen en- 
kel prentje, noch spadille, manille, basta of ponto, 
in zyne hand krijgt, als wanneer er moet over- 
gegeven worden. 

^^^^^ (y kapsLla), bep. kapallLya, Mal. en 
Jav. 't hoofd, de voornaamste, byv. : Bone-balla ka- 
pêJa, voorname hof-Juffers. (Midi). — Van daar: 
T^e-angkapalaiyangkang, de man die als hoofd 
over ons staat, ons hoofd. 

De kapdla van eene sarong is het middelste, dus 
als 't ware 't hoofd van depdenj^. (yerg.pöênjtja). 
Nevens de kapala ook nog wel andere strepen, en 
deze genoemd, ter onderscheiding van de eigenlijke 
kapdla, de kleine koala's of kapdlaJjadikS. 

De kapdla' s van een pasdpoe of Makass. hoofd- 
doek z^n vier in getal, aan iedei^ hoek één, 

Kap&la dêltjing. Vergel. deling, 

(2'' k&pala), bep. kapalaka, dik; gebezigd van 
hwd bijv. , of van planken, — Dj&ri kapal^ dik 
worden, vereelten. — K&pal^ki kerena djdbkoeka, 
dik zijn de moten van de viseh. — KHpalaki poc- 
rofena, h^ is vol met pokken. — Kapala-biberé , 



1) 



dik van lippen, diklip;&\x^ genoemd een' soort vau 
visch. 

(3** kappala), bep. kappalaka, schip, 't IVIal. Jüi^ 

•^JO^ (kjipili), aanvallen. Boeg. idem. 
(GO.) 

•• JO ^ (kampili), bep.: kampilika, zak van 
karong. (Jav. kampil.) Boeg. idem. 

•• /O ^ (kapdbloeng), = katdèloeng, 

•• ^ ^ Ai (kapoe%a), bep.: kapoelag^ya, 
Mal. en Jav. kardamon, Amomum Cardainomum , L. 

^^^O (k&pasa), bep.: kapasaka, 't Mal. 
jm3D, hoomtod, katoen, kaioenheeater, Gosnypium 
indicum Lam. 't Boeg. dpa, idem.— Nikapasa ge- 
bezigd van de bewerking der kapasvrucht, waarbij 
men de kttrópeng met de hand er afdoet. 

Kapa-kapasa, 1°) de slapen van het hoofd. 

2" soort van stfndk, welks hout slechts goed is 
om te branden. 

3" soort van voffeL 

4" soort van visch, veel overeenkomst hebbende 
met de béte-hête, en van glinsterende schubben 
voorzien. 

^^ Jsi O (kappisi), sUnken ; = kémpesé. 

•<^\^0 (kapêsa), zachtjes of voorzigtig 
roeien of belasten. Boeg. kapês^. 

••^O (kipasa), bep.: kipasaka, 't Mal. 
{j»*iuS, waaijer (Djay). 

^••\/0\O (kêmpesé), 't Mal. kimpes, 
ëünken; bijvoorb. Kêmpesé b^ttang-lompóna , zijn 
dikke buik slinkt. — Kêmpesé poeroekannoe , uio* 
zak (mi^ beurs) slinkt. 

^^^/OO (kopasa), bep.: kópasaka, één 
van de vier soorten van kaarten bij het owj-spel , 
hebbende één of meer ananas-vruchten op het 
pren^e; gelijk staande met één der beide roode 



kleuren in het quadrille- en omber-spel; het Poriu- 
gesche copas, Jiarten. 

•^ ^ ^ O (kompasoe), bep. : kompasoljwa, 
(verbastering van het Hollandsche kompas), passer. 

•• \ /O ^^ ^ (kapeftloe). Vcrgel. kapiydlo. 

••X (1° k^ba), bep. klhokA, ondoordringbaar, 
moeijelijk om door heen te dringen , door heen te ko- 
men; bijvoorb.: rómang k^ba, een ondoordringbaar 
bosch, een bosch, dat zoo digt begroeid is, dat men 
er naauwelijks door kan, — K^ba-idji rdbkoeka , 
het gras staat nog zoo hoog en dik, dat er geen door- 
komen aan is. (NB. Antwoord van iemand die ge- 
vraagd wordt, of men al zou kunnen jagen.) 

(2" K^ba), bep.k^baka. Si-k^ba, eexibo^e (Sirih). 
B. idem. — NB. één bosje Sirih bestaat uit tien 
lónjSj&s, elk van r^ bladen, alzoo vijftig bladen. 

(S^'k^ba), bep. kdb&ya, 't Arabische aUx^, naam 
van den tempel te Mekka. Vergel. Mr. S. Keijzer's 
Handboek voor het Mohammed. Kcgt, blz. 47, 
Noot 1. 

^^ X (k^mbang) , gezwel, opzwelUng, opgezwol- 
len. — Kambang-lolo , opzweUing van het tand- 
vleesch. — Kambang-^i,/icA^. — KfiLmbang-djené, 
waterzucht. — Kambang-dinging, opgezwollen van 
koude. — Klmbaiïg bawang. Vergel. bdwang. — 
Omhang bambang, opgezwollen van hitte. — 
Akambang, opzwellen, zwellen, vloeijen, bijv.: pa- 
pier ; ook gebez. van een' baarmoeder bij de be- 
valling. — Garriiig-akambang, waterzucht. — Ka- 
rattasa-akambang, vloeipapier. 

Kak&mbang, = 't Mal. êJüLi**#, soort vau 

sJiawl. Vergel. 't Maleische ^jj^ixS^, doek die 
rondom het Ingeslagen wordt. 

••X (1° kamboe), bep. kamboWa; vnw. : 
kambo'biigkoe, het hart, of binnenste van iets, de 



10 



kern, — MUtc-kamboe, gebez. van een* kdUang of 
Inlandsche schrapen, die van binnen vergaan ia. — 
K&mboe-pal&pa. Yergd.pidapa, op Idpa N"*. 1 . — G6- 
gofld-kilmboe. Vergel. ^^om^. — Mak^boe-kiyoe, 
in kotUf d. i. in een' doodkut nederUggen, (Sinr. D. M.) 

Nik&mboe-boel^ng , met goud gemdd, geb. van 
iets, dat bijv. van bittnen van goud en van buUen 
van güver is. — Ang&mboe, indringen y (oen wapen 
bijv.) staat t^n over: sodtpd, 

(2"* K&mboeki oena), zijn hoofdkaar, hetzy van 
vreugde, hetzij van droef enieofuüverlegenheidyfnetde 
handen wreven, en daardoor geheel in de war bren- 
gen. Men vergelijke hiermede onac phrase: met 
de handen in het haar zitten, — K^mboeki kalênna, 
z^n ligchaam^ hetz^ van vreugde, hetzij van droefe- 
ma of uü verlegenheid, met de handen wrijven. — 
NB. de beteekenis van dat kdmbde wel te onder- 
scheiden van die van kd^kang, krabben. (B. idem.) 

•^ \ X (1° kAmbe), v.n.w. 1 pers. mannl. vrl. 
meerv. — Ikambe, = kdmbe. 

(2"kambêï, mingambêï, aannemen, grijpen, iets 
dat ons toegereikt wordt. (Tar.) B. idem, v. d. ie- 
mand, die, bijv. ineen gevecht, vervolgd wordt, als 
't vfd^aannemen, v. d. z^ zaak opnemen, hem te 
hulp schieten. (M^i.) 

Sikambêi, elkander aannemen, bijvoorb.: Si- 
kambêi kanjnjinna mat&nna, zyne wenkbraamoen 
en oogen nemen elkander aan, d. i. kommen digter b^ 
elkander; geb. van oude menschen, wier wenk- 
braauwen door veelvuldige zorg en moeite digter 
tot de oogen zijn zamengetrokken. (Tam.) Verge!. 
Siydüe, op dUe. 

^^X^ (kimboiïg.) — Pakimboiïg djeneka 
bijv. gebez. van jongens, die, bezig zijnde met ba- 
den, het w'ater al spelende opscheppen en in de 



hoogte gooijen. (Kêlong.) — Takimboiïg-kimboogi 
djeneka , het water wordt door de volte van het vat 
er bij het versjouwen als *t ware tutgeschept, springt 
er ais 't ware uit. — Op de vraag, waarom een 
jongen by het overbrengen van een glas wijn ge- 
morst heeft, (Ng^pa na-tdbidle &nggoroka? Hoe 
komt het dolde wyn gemorst (gestort) is ?) zou deze 
kunnen antwoorden: T4kimbong-kimbongi , tdb- 
wang , het is bij het dragen als 't ware opgeschept, 
als het ware opgesprongen, d. i. : Het komt door de 
schommeling, door het verdragen, 

^^ X (koebang), = 't Arabische iLo, koepel, 
gewelf, verweef set boven een graf 

\^^X (keboe), sluiten, (Bap.) — Nak^boeki 
kidónna nag^ya, de Naga heeft haar staart gesloten, 
de staart van de Naga is gesloten, d. i. in malkander 
gekronkeld. (Bap. T. Q.) 

Pakeboe, bep. pak^boeka, deur. — Anrong- 
pakeboe, post van de deur. 

\ •^ X 'N (kebo) , bep. kêboka , wit, grijs. — 
Bappo-r&ppo-kêbd, = rdppo kaldwasd. Verg. kald^ 
wasd. — Bo'biïga-kêbo , witte- of melattie-bloem. — 
Djené-kêbo , wit water. Zkh) soms genoemd de ba- 
rimboe, dewijl daardoor de zee met schuim over- 
dekt wordt.— Kêbd-pobtta. Nqx^, poetta. — Kêbó- 
t&rring. Verg. idrrirtg. — Kebona mat&ya, het wit 
van ïiet oog. — Kebókaiig, soort van duif, kanarie- 
duif 

•• ^ X (komba), Sal. = lêko, sirih. 

•^ ^ X (kómbang). — T&na-kómbang , lo^id 
dat braak ligt. (Boeg. idem.) V. d. overdragtelijk 
geb. van een* ongetrouwde vrouw, of van eeue we- 
duwe, 

•• 'N X (kobi) eventjes met den wijsvinger aan- 
raken, of aansioolen, ten einde de aandacht op 



il 



iemand of iets te vestigen; bijvoorb.: K^i-kdbi- 
slLÏ karaënga, dooi dm vord eens eventjes aan (daar 
ik hem gaarne apart wenschte te spreken.) Boc^. 
kSbi. 

K^i-m&ta, iemand mei de oogen op hd een of 
amder opmerkzaam maken; hem bijvoorb. wenken, 
dat het t^d is, om heen te gaan. 

Kóbikang, üU^ (van een geweer). 

Pakdbi, trekker; (van een geweer). 

Pakobikang, a) het een of ander bezigen , om 
daarvoor met den wijsvinger aan te raken of aan ie 
dooien: bijv.: Toenakoe nipakobïkang, men stoot 
elkander aan, om de aandacht op myne ellende ie ves- 
Ogen. (Sinr.) 

h) Pakobikang. Verg. ètssoró. 

2) k^i , bep. k^bika, soort van timmerhout. 

^<^ 'N \ X (kómbé), gebez. van het eenigzins 
loshangen van iets, bijv. van een touw, dat gespan- 
nen is. Boeg. mddmpeng, 

•<^ "N X 'S (1** kómbong), zwellen, rijzen. Verg. 
het Mal. gumèong, zwellen. -— Tdkomboiig, ge- 
zwollen zijn; bijv. geb. van kleêren, die wijd zitten, 
mei aan het Ugchaam sluiten. — Van bloemen ge- 
bezigd , beteekent het: ontluiken. 

Pakómbong, doen zwellen, doen tdt elkander 
gaan , uU elkander halen, bijv. de blaadjes eener ge- 
sloten melatOe-bloem. (Sinr.) 

(2* dj^mng^komhong), een paard, welks staart 
in hei midden wit en overigens van andere kleur is. 

•<^X*\^^ (kimbokang, soort van koperen 
handewttsch-kommetje f waarvan men zich bij het 
diner bedient, even als onze in Oost-IntUe alge- 
meen gebruikelijke vingerglazen. 

^^X'^^s (kambóti), bep. kambotïya, een 
van bladeren gevlochten mandje. B. ampdli. 



••X^/0 (Kambódja), bep. Kambo^aya, 
naam eener landstreek in Azië. Van daar: b&koti- 
b&koe- en: papangadjafyang Kambódja. 

•• 'S X <^ (kobftya), bep. kobayaka, kahaai. 
— Kob&yd Bantang, Baniamsche kabaai. Boeg. 
idem. 

^^XCs (kambard), bep. kHmbaraka, (Mal. 

^K^i) geeft het dubbele te kennen van mensehett , 
huizen, garen, enz. B^v.: B&nnang kllmbara- 
iMoe, of: lima , drie- of v^jfdraads-garen. — Bidla- 
kllmbaré , twee huizen die te zomen door middel van 
eetC soort van hruggdje vereenigd zijn. — AniUkam- 
bard, iweeUngen. — K&mbar^ êmba, lett. overspe- 
lige tweelingen, aldus genoemd een tweelingpaar, 
waarvan de een een jongen, de andere ecu 
meisje is. — K&mbard padarewang. Vergel. op da- 
rêwa. 

Kambllri (v«rg. *t Maleische ^^La^^), bjj nood- 
weer iemand te hulp springen, lett. nuiken dat hij 
niet meer alleen is, hem als 'l ware tot' een iweding- 
paar maken. Bijv.: kambdriyd lintd , help mij 
spoedig, bijv. bij het dragen van zware lasten. 
NB. kambdri ook gebezigd, ofschoon de persoon, 
die hulp vcrkngt, niet alléén is, aangezien men 
ook van kambard-tdlloe, kdmbard-éqfpd, enz. spreekt. 
Men zie slechts boven .- bdnnai^ kdmbard4dlloe , enz. 

•<^i^ (kabïri), bep. kabiriya, gehtbi, ont- 
mand. Mal. en Jav. idem. — Bjmgang kabiri, 
een kapoen. Mal. ^jjjS^^As^. NB. op Gowa 
niet begrepen; daar slechts geb. djangang nipaka- 
^omd , vet gemeste haan. 

•• i ^ (kambiring), = kamtring. Vergel. op 
èirif^. (Sinr. K. G.) 

>.^ X ^ (kimbo'feroe), bep. kimboerdbwa. Verg. 
't Mal. •^yJL^, jaloersch. B. empdhroe, idem. 



12 



Pakimbdbroe , het jaloersch zijn , jaloerèchheid. 
■— Baïnne pakimbdbroe , eene jaloersche vrouw,, 

^^ X 'S ^ ^ (kimboro). — Djangaiïg dngim- 
borowi , een kip die voor het eerst een ei zal leggen. 

— Bainne dngimborówi, eertijds gebez. van een 
vrouw die voor het eerst zwanger is ; thans ook 
wd geb. van een meisje dat reeds begint te blozen 
bij den aanblik van een' jongeling. 

•ƒ X ^ (kdfebocroe), bep. kcibboeroeka, 't Arab. 
^yj3, 'tmeerv. van -p, graf. — Pakoebo'brang, 
begraajplaais^ kerkhof, 

•^ X ^ (k^bala), bep. k^balaka, 't Maleische 

{yól onkwetsbaar^ yzervast. Boeg. mékabang, 
Pakabala, middel om ijzervast te maken. 
^^ X^ (k^bili), knieën. Boeg. kdb&Uiy idem. 

— KSbili-t&nroe , bep. k^bili-tanroeka , gierig, 

•<^ X *^ ^ (kambilo) , bep. kambilówa, soort 
van doos of kist van lontarblad {lekMdUó), Boeg. 
kampïlOf idem. 

•<^X^ (k^boelo'e), stoeijen, — Klboeloe 
ammanoe. Allergemeenst scheldwoord, gelijk 
staande met ons: neuk Je möhr, en zeer ligtelijk 
aanleiding tot amok gevende. 

Sik^boe-kSboelo'e, met elkander stoeien, Gebez. 
van coitus, — Bainne-kdbdfelang , eene 'vrouw, die 
voor niets anders deugt dan voor coïtus, 

^^\S:\^ (KabeleO, bep. K&beleka, 't Ara- 
bische Ju>U, Kain, (Bap. T. ^j.) 

><^X^ kïbala), bep. kibalaka, 't Arab. 
ULo, de hemelstreek, waar Mekka ligt, en wer- 
waarts de Mohammedaan zich bij zijn gebed met 
het aangezigt wendt. (Maoet.) 

><^ X 'N *^ ^ (1® kimbolong), iets van voren 
indeplooijen van zijn kleed stoppen ^ en daarmede 
bedekken. (Tar.) V. d. overdragtelijk : iemand koes- 



teren, bijzonder voor hem zorgen, — Akimbolongi 
l&yang-l&yanga , geb. van den vlieger, wanneer het 
touw niet strak staat , maar met een bogt is , (als 't 
ware met ploojjen.) 

Tdkimbolong, ergens toe behooren , bijv. Sam^ta 
takimbolongi ri-G6wa, Samdla behoort tot Gdwa, 
zit als 't ware in de plooien van het gewaad van 
Gówa, — Toewang anoe takimbolongi ri-toe-ma- 
lompówa empow&nna, het ambt van N. N, staat in 
naauw verband tot dat van den Gouverneur, is als 
't ware in de plooijen van het gewaad des Gouver- 
neurs. — D^i-dasi kitdkimbolofïg ri-kasalamak- 
kanna, weUigt worden wij als het ware in de plooi- 
jen van het kleed zijns heus gewikkeld, d. i. : worden 
wij zijn heil deelachtig, (Tar. D. M.) 

(2° kimbóloOg), eertyds in gebruik, = tiydnang, 

•ƒ X *^ (kdfembald), bep. kdbmbalaka, Uout, 
ondeugend, — Kako'bmba-koembal^nna-mi, hjj is al 
op den leeftijd, dat de kinderen gewoonlijk een beetje 
ondeugend worden; hij begint al een beetje ondeugend 
te worden. 

•^ X ^^^ ^ (kaboewarrang). Vergel. op boe- 
ward, 

^<^XO (k&boesde), iets geheel ry«. Verg. 

't Mal. J^iÜD. Bijv. : 

iya nak&boesoeki pSlno, hij is geheel en al met 
vlekken. — Iya nakaboesoeki pdbroe, hy is geheel 
en al met pokken, — Sikête-kête-dji na-m&nglboesoe 
niboöng, (het stuk stof) is weinig slechts, doch het 
is genoeg, om mij geheel meê te omslwjeren, (Sinr.) 
— Ngalle-kaboesoe, iemand of iets geheel en al ne- 
mefi, geheel en al tot zyn eigendom maken; v. d. 
iemand tot slaaf maken; v. d.: iets verbeurd ver- 
klaren ; V. d. de volle waarde van personen of zaken 
doen betalen; v. d. iemand iels geheel en cd ontne- 



13 



MMy d. i. zonder hem eenige schadevergoeding te 
geven. (Rap. en Inl. Wetboek.) 

•^XO^ (kambdbssoeloe), bep. kambdbs- 
soeloeka, huily v. d. alles wat uUsieekt; v. d. kleine 
hoogte van den grond, (kleiner dan htfetoeng,) — 
Kambdbsaoelóe-ngHseng kalênna , zijn ligchaam is 
geheel mei buUjes overdekt. 

•• \^ (1" Hmi), bep. ktoaka, 't Arabische 
ILolS (Godsd.), de verheffing by het gebed, 

(2^kkmm&), bep. kamm^ya; vnw. kamm&ng- 
koe, lo^ze, v. d. k&mma-sLnne, k&mma-minne , 
k&mma-monne, op deze wyzey d. i. aleoo. Mal. 
^jjiXj. — K&mma-^ntoe, k^mma4njdjo , klLmma- 
mintoe, k^ma-m5ntoe , k&mma-minj9jo , k&m- 
ma-mónjdjo , op die w^ze, d. i. aldus. Mal. ouJC). 
— Kdjnma-todong-^njdjo , insgelijks op dietDijze^ 
y. d. insgeï^ks aldus, — Xanun&ya-mami-^njdjo , 
zoo slechte (pp die mjze slechts) ^ zoo voorts , zoo 
verder , verder, — • Kamm^ya-töng-ilnjdjo pole, zoo 
ook verder. — Ri-&llo kamm&ya-d.njdjo,<^ den zoo- 
danigen , d. i. zoooeelsten dag. (Tar.) 

V. d. komma en kammaya , zonder bijvoeging 
van anne of anjdjoy of andere deigelijke voornaam- 
woorden, aldus of alzoo; bijv.: tacna t^, k^ma 
matoew&na, er is niemand , wiens geluk zoodanig 
{zoo grooC) is. Pjay.) — Omma kan&nna ahalon- 
ndbdjoenga, aldus was het woord der sterrewigche- 
laars. (Djay.) — K^mma-idji pakan^nna, na-niyd- 
mo bslttoe ly&noe , aldus was nog zyn tpreken, ziel 
daar kwam NN., d. i. terw^l hy nog aan het spre- 
ken was ^ kwam NN. (Midi; Djay.)— Kèmmai, 
hel is zoo. — Kilmma todong, insgelyks zoo. — 
KHmma tönjdji, het is immers insgelijks zoo, v. d. 
is Mei insgelijks zoo? — B^ng kllmma, weüigt 
zoo. — K&mma-idji élepina (köaka), na-lanjnja- 



mo, zoo is 't f nog likt, (d. i. roMy of gaai ergens 
langs) de bliksem y en reeds is hij weder verdwenen y 
d. i. zoodra de bliksem treft , is hij ook weder ver- 
dwenen. — Kilmma-pinne, na-koeb&ttoe, wanneer 
het zóó isy kom ik. Ak^na ta-kamma, iets zeg- 
gen, dat niet zoo is, d. i. onwaarheid spreken, — 
M&nna oemb&rang ta-k&mmaki-^nne , al waren wij 
ook niet zoodanig, d. i. in zoodanige y oï gelijke om- 
standigheden, — Taoe kamm&ya^ de zoodanige men- 
scheny d. i. de menscheny zooals zy zijn; v. d. ikat- 
ihïU%\ê^o%}Lfiramk^% zoodanige m.enschen als wijzen. 
(NB. dit is in den mond van een' Inlander y zoo 
veel als: wij Inlanders: en in den mond van 
een Europeaan y zoo veel als: w^ Europeanen. 
(Brief.) — Na-erSnoe-dja k&mma &lari-lino, &la ri- 
Ahera, uw wil geschiede/ (letterl. zy aldus I) zoowel 
op aardcy als in den Hemel. — Kammaya tömpa- 
p61e, zoo ook verder. — Kllmma-k^ma, aldus, niet 
zoo als het stellig is, maar zooals hei ons voorkomiy 
of toeschijnt, v. d. waarschijnlyk. NB. deze w^zi- 
ging in de oorspronkelijke beteekenis van het 
woord wordt in het Makassaarsch meermalen 
door deszelfs verdubbeling aangeduid. Yergel. 
mijne Mak. Spraakk. § 46, lett. a, en § 72, 
lett.d. — KlUnma-m^i. Veigel. mdndo^ma N^ 1. 

Ka-kimma, lett. ware het aldus. Veigel. op 
/ta N**. 2 , lett. c. Bijv. : Ka-k&mma na-nïyd koel- 
ley&nna, ta-koepabeySlnga-mi dl^pa Dj&yalang- 
kllra, zoo het aldus ware, dat er mogelijkheid op 
bestond, zou ik Bjdyalangkdra niet laten gaan. 
(Djay.) — Ka-kamma-dji ta-niySllle, m&teï, ware 
hei maar eens aldus, dat {hei kind) er niet uitgehaald 
was, d. i. ware het kind er niet uitgehaald, zoo zon 
het dood zyn, (Bap.) 

K^mma-dji wordt insgelijks in de beteekenis 



van ka-kdmma^i gebezigd, bij?.: K&mma-dji 
ta-mate, koesc^ro allêyang lidbwaiïg, hei is immerê 
200^ (d. i. h het niet zoo?) het {paard) ie niet dood, 
d. i. Ie het niet zoo? loanneer men eene aanneemt, 
dat het (paard) niet dood ware, d. i. ware het 
(paard) maar niet dood; zoo zou ik het voor m^n- 
heer laten halen. (Brief.) — K&mma-dji ta-niy& 
ioe-m&lompówa ii&ya mfó> ware de Öoitvemeur 
maar niet hier in het ooeten, te weten: in het ten 
ooêten van Mdkaeear gelegen Gówa. (Brief.) 

BSlrang-klLmma-djiy&pa, en: bllrang-k^mmaiyh- 
pa, gebezigd om een wensch te kennen te geven , 
bijv.: b&rang-kilmma-djiy&pa kisi^ini poie, mogen 
w^ dkander weder zien/ (Bid.) lett. hoedanig iets, 
of wat voor iets gebeurt er weüigt nog? — Dat wy 
elkander wederzien. — B4rang-k^mma-djiy&pa ki- 
liba nipasi^ini ! , Mogen wif spoedig bij elkander ge^ 
bragt worden, d. i. elkander spoedig ontmoeten/ 
(Bid.) — Mrang-k&mma-djiy&pa kisallLmd ri-gar- 
nnta, ki-nalaboewiyang oemoerc^ta Alla taala! 
Moogi gij herstellen van uwe ziekte en moge God uw 
leven verlengen! — Mrang-k^mma-djiy^pa na-n&ï 
empow&ntal Moogt g^ ryzen in rang, tot hoogere 
betrekkingen geroepen worden/ — NB. op dezen 
wensch wordt doorgaans geantwoord : Delsi-d^si , 
lett. weüigt. Dit bevestigt alzoo de boven aange- 
geven letterlijke beteekenis der phrase: b&rang- 
klLmma-djiy&pa. Men vertale alzoo woordelijk: 
ÏFat voor iets zal er weüigt gebeuren? — dat uw rang 
r^st, d. i. weüigt zal uw rang rijzen; en zeer goed 
past dan hierop het antwoord: ja, weüigt, (ddsi- 
ddsi). — B^ng-k^mma-djiy&pa, na-niy& todong 
kipaltiingi, atlLnna Alla taala; mogen wy ook be-^ 
scherming vinden by hem, wij, die de dienaren z^ 
van Aüah, (Tar. D. M.) 



14 r:;i 

T^iimma = 't Mal. v:>Aioüf, lett t» zooda- 
nigen toestand gebragi, v. d. zoo. (Bid.) Vergel. 
mijne Makass. Spraakkunst, § 177. 

Kdmma en kammdya zijn in het Hollandsch 
dikwijls met ons gel^k te vertalen , ofschoon de 
letterlijke beteekenis die van zoo of akkts blijft; 
bijvoorb.: Taëna &noe kSlmma sdbsa-pamaïna 
lyanoe, er is niets gelyk aan het hartzeer van NN.; 
lett. het hartzeer van NN, , er is niets, dat aldus is, 
(Djay.) — NiyiipamatêïriyaWlnna k&mma bdfelafïg 
sampd^lo-ang&pp4 ^'ay&na, er was een teeken op 
zijn voorhoqfd met een* glans, als van de maan op 
den 14^^" der maand; lett. een glans van de maan 
op den 14*^*" der maand, aldus was het teeken , enz. 
(Djay.) — Ta-k&mma riyolowanga djaina, niet 
zoo veel als te veren; lett. het vroegere, niet zoo, of 
aldus, was de menigte er van. — Ta-kamm&nna, of 
ta-k&mma-kammUnna, (verg. het Mal. ^^vi^<> 
^h^^JLiéi), het ongeli/ke van iels, hetgeen ergens 
niet bij behoort, v. d. iets onèehoorl^ks , in zedelij- 
ken zin, d. i. iets onbetamelijks; v. d. ook: al dat- 
geen wat *s menschen geluk verstoort, als: ongeluk y 
rampspoed, enz., bijv.: 6njdjongi ta-k^mma-kam- 
m&nna, des te grooter is zijne zonde qf schuld, 
(Brief.) — B&rang niyd ta-kammanna, weüigt heeft 
hem eenig ongeluk getroffen. (M^di en Bidas.) — 
Ngêrang ri-ta-kamm&ya, in ongelegenheid brengen. 
(Kei.) — hlhni riyoebdbnna kammaya m&ta-allo , 
het teeken op de kruin van zijn hoofd gelijk eene zon ; 
lett. een* zon, aldus was het teeken, enz. (Djay.) 

Kammêga in het Hollandsch ook soms te ver- 
talen met: gél^k ook, alsmede, bijv.: Sikamma 
baïnne mantariya, siyagang bainuênna toe-m&bi- 
^arllya, kanun&ya bainnênna soedagaraka, al de 
vrouwen der mantrCs, benevens de vrouwen der 



11 



raadsJkeereHf gelijk ook de vrouwen der koop" 
üedeu, lett. zoo ook de vrouwen der kooplieden. 
(l^ay. Rap.) 

Kamméfya en kammaya-mi soms in het Hol- 
landach te vertalen met: alê:, ie weten:, dat is:, 
en dergeL meer: b^v. poenggawa talldëwa, kam- 
maya : karftëng Bontop&no, kar^ng Mam&mpang, 
kar&ëng PiLsi, de drie poenggawa*»^ aU: (te weten:) 
lett. aiduêy of alzoo: kardeng Bontopdno, kardëiig 
MamampoMg^ kardeng Pdn. (Bap.) — Na-noes^re- 
lalokang ^nne-kamma d&llé m^jai, kamm&ya-mi: 
kido ^o-all6mang, geef ons heden veel leeftogt, 
aU: (dat ia: of te weten:) lett. aldue:, of alzoo : 
onze dagelykache rijgt, 

Kammdya^ even als het Mal. vs^UUm, soms 
geb. in het begin van een zin, en alsdan best over 
te zeiten met ons: wat betreft, bijv. kamm^ya toe- 
ma^mpowanga, toot hetreft de in pand gegeven 
penonen. (Eap.) — Kammaya toewa^katoewöwaï 
lyanoe; wat betreft degenen, die zorgen voor NN. 
(Bap.) 

Anne-kamma, kamma-k^mma, k&mma-k&mma 
annc» inne-ri<kamma-kammêlya, in deze of de te- 
genwoordige wyze van bestaan , d. i. o^ den tegen- 
woordigen tijd, d. i. tegenwoordig, thans. — Sang- 
genna kamma-kamma, tot nu toe. 

Sakamma-kamml^na, = saU^nggoe-toefïggcibna, 
voortdurend, altoos; lett. terwijl het tegelijkertijd 
voortdurend zoo was. Vcrgcl. Mak. Spraakk. § 209. 

Kammé^a, soms de manier van bestaan zelve, 
d. i. de zonder hulp van anderen bestaande, de mag- 
tige, bijv.: kaminang kammaya, de Almagtige, 
d. i. God. — AUa-taala kamm&ya, lett. God 
is de magtige; v. d. ik laat het geheel aan JUa/i's 
beechikking over. — Na-anjdjo kanuiï5:koc , toc-raa- 



lompowa kamm&ya, zoo is mjjne meemng, maar de 
Gouverneur is de magtige , d. i. de Gouverneur moet 
het weten, of: ik laat het aan zjjne beslissing over, 
of: ik dien n^j aan z^jne uitspraak te onderwerpen. 
(Brief.) — Na-anJdjo kantingkoe, ikatte kamm&ya, 
Zoo is mijne meening, maar gij zjjt de magtige, 
d. i. ik moet de zaak geheel aan ü overlaten. 

Angkammüi, magt hebben, heerschen over, v.d.: 
bezitten. — T&oc angkamm&yai, of : angkammafyai, 
de magtigen, de menschen, die de magt, het bewind, 
in handen hebben. — K&mma-todjeng , waarheid, 
lett. : ware wijze van bestajan. Vergel. op tó^eng. 

Ani si-kamma-kslmma, lett. kind, één w^ze of 
soort geheel op zich zelf genomen, v. d. een eenig 
kind; = and si-tdoe^aoe. — Niya-idji aganna an- 
ne? — Si-k»lmma-kammanna-mami, is er nog meer 
van? Neen, dit is het eenige. VergeL myne Makass. 
Spraakk. §46,lett. <?. 

PakiLmma, aldtu doen zjjn, doen blijven, aldus 
maken, qf doen, aldus uitwerken ; b\jv.: pak&mma- 
sa-mintoe riyolo , laat die zaak nu vooreerst maar 
zoo. Bedoeling : later zal ik die wel afdoen. (Brief). 
NB. Deze zelfde phrase wordt ook gebezigd, om 
op beleefde wijze een ons aangeboden geschenk te 
weigeren , letterlijk : laat het nu vooreerst maar zoo 
blijven, te weten: zonder geschenk. — Pakamma- 
sa-minjdjo riyolo dmslntang irawangang parentana 
pêtoró-MSlroeso'e, laat het land vooreerst maar zoo 
blijven, onder het bestuur van den Assistent-Resident 
van Maros. (Brief.) — Lari-mi tadëwa, na-pa- 
k&mma mMla, de man is weggeloopen, aldus heeft 
vreeze hem doen handelen, d. i. h^ is van vrees 

& A 

weggeloopen. — Na-ta-tinro , ta-kanre tommo napi- 
saringi tdbwang-pobtiri , na-pakamma soesana, 
anjtjiniki manggena, en de vorstin had geen' Imi 



16 



tot slapen, noch eten taeer; en wat haar zoo deed zijn, 
was de kommer by den aanölik haan vaders. (Djay.) 
— Na-^^djo sanggênna, napalolokiya nagêlya, 
ddjslri kMoro-ngasengi, na-pakllmma lompona na- 
g^ya, en overal, wdar de naga lange ging, werd al^ 
leê heek, de grootte van den naga deed dit aldus z^, 
d. i. hei werd alles heek ten gevolge van de grootte 
van den naga, (Pjay.) 

SingkSLmma , lett. van één wijze , v. d. géUjk ; 
= Sangkdmma. 

Sikimma, a) gelyk; bijv.: Sik^mma ^njdjo, 
sik&mma &ntoe, sik&mma minjdjo, sikAmma min- 
toe, sikSkmma monjdjo, sikêLmma montoe, gelijk 
dat, Y, d. aldus, — Sik^ma &nne, siksLmma 
minne, sikiLmma monne, gelyk dit, van daar: 
alzoo, 

b) aldus, ahoo, byv. sik&mma lompona, zoo- 
danig was zjjne grootte. (Djay.) — Sik&mmai se- 
nglLnne, (of: sengHntoe,) kan^koe, alzoo, (of: 
aldus,) is wederom dit, (of: dat,) mijn woord. 
NB. dit is het gewone alot der brieven; w^ zouden 
zeggen : en hiermede eindig ik; of, dit is het wal ik 
u te zeggen had. — Sik^masallona biLttoewi-seng 
Kompaniya BalsLnda, na verloop van zekeren tyd, 
lett. zoo en zoo lang daarna^ kwam wederom de HoU 
landsche Compagnie. (Brief.) — Sik&mma-töng sila- 
lonna, lett. zoo aanstonds ook , d. i. oogenbUkkelijk, 
Verg. silaldnna, op : Idlo. — Bl-sikammanna ^nne 
bo'^langa, op den zooveelsten van deze maand. (Tar.) 
^ Na-p6nna paleng ta-nasareya toe-malompowa 
sikamma, siy&pa-siyapa pangamaseyanna, en m- 
dien de Gouverneur zoo veel stuks niet kan missen , 
dan zoo veel als zyne barmhartigheid maar geven 
fct/. (Brief.) — Sikamma-pi pole djaïna , nog eens 
zoo veel, lett. nog eens aldus, — Sikamma-mi, Ict- 



terl. : het is nu zoo, (en daar moet het thans maar 
bij blijven), d. i. het isgenoeg. — Sik&mma tömma- 
kontoe a^ini badji, gjj hebt thans ook genoeg zegen 
genoten , d. i. van dit oogenbÜk af, zult gy geen ze- 
gen meer ondervinden. — Sik&mma töng-mintoe 
batto'bkoe ri-ballanoe, dat is ook genoeg, mijn komen 
tot uw huis , d. i. ik kom voortaan niet meer by u 
aan huis. — Sik&mma tommakontoe adj^ri taoe 
(= a^ini b&Sji. Vergel. op: tdoe), gij hebt thans 
ook genoeg zegen ondervonden, d. i.: voortaan zult 
gy geen zegen meer ondervinden. — Pasikamm&ya, 
het voor genoeg houden, v. d. de tevredenheid. 

c) Sik&mma, lett. zoo te zamen; v. d. al, aüen , 
bijv. sik&mma tadbwa, al de menschen. 

SangksLmma, lett. van één wjjse, v. d. gelijk. 
(Verg.: sikamma lett. a en sit^kdmma.) Bijv.: 

A 

baïnne ta-sangkammannaya, de vrouw die niet 
zijns gel^ke , maar van minder afkomst is. (Bap.) — 
Ani la-sangkammanna, iemands kinderen, b^ eene 
vrouw van minder a/komst. — BcAswa sangkiLmma- 
kamma, twee tegelijk. 

Sangkammangi, gé^jk zijn aan iemand, hem 
evenaren, byv.: kv^i^o tdbwanga, taëna nasang- 
kammangi manggêna, die heer lijkent niet op, 
evenaart niet zjjn' vader. (Djay.) 

Antekslmma, op welke wyze? hoe? hoedanig? 
Vergel. het Saleyeresche ante-kamdewa, hetwelk 
dezelfde beteekenis heeft, alsmede het Sal. dnle* 
mdë en nnte-mdè', die beide gelijk staan met het 
Makassaarsche kére-mde. — Kade inakke; ante- 
sai-sêdeng-kamma, zoo ik eens in uw geval ware, 
dan zoudt gij eens wat anders zien , lett. (dan zoudt 
g\D eens (zien) hoe ik te werk ging. (M^di.) — 
Ante-are-kamma, ik weet niet, hoe? d. i. op welke 
wijze dan ook. — Antekamma niyaka nisoerokana 



17 



inne ri-Bapanga, leiterl. koedamg U, hetgeen ver- 
wêM daat im desen Rapang^ d. i. zoodU vermeld 
Miaai im desem Rdptmg, (Inl. Wetb.) — Lebi-mi 
koesdbio pakHmma pallclbnna, antek&mma kipaka- 
nlLya, ik heb eoo laien koken dU gy gezegd hebt. 
(Brief.) — Taëna lömpo aniek&mma , mei bijaonder 
grooi. — Ta4nte-cloeddbwai-k&inina ranndbnta, 
lett. ome vreugde, hoe zou het andere kunnen e^n ? 
ie miei b^fgonder groot, d. i. ie naiuurlifk mei by- 
zonder grooi. (Bap. K. G.) — Bi-antêna-k2lmma* 
of ri-antey&nna k&mma, lett. op het hoe van de 
w^zen, d. i. op hoedanige wyze, hoe; b^TOorb.: ri- 
antêDak&iiiina,of:ri-antey&nnay^ma, na-kikllna, 
koekaloepalki; hoe kuni gy zeggen, dat ik u 
vergeei? 

Kammana, = kdmma, bijvoorb.: kammllDa- 
i^jdjoy = kdmma^dnjdjo, aldus, (Djay.) — Kam- 
m&na-monjdjO, es» kdmma-m^njc^o , aldus. (Djay.) 
— Lanii (of: ri) - kamTntoa-minjdjo, of: monjdjo, 
wegene hei aldus z\jn, omdat het aldus is, d. i. des- 
wegens, om die reden. 

Kammdbwa, Toer. dialect :== kdmma, gelijk, 
bg?. : kamindbwa-m&mi kalh, gelykeene omheining. 

^^\y (kammi), hoeden ^ bewaken; b^v.: na- 
kanmuki Setang, lett. een Satan hoedt, v. d. bezieli 
hem, 

Pakammi, bep. pak&mmika, hoeder, bewaker. 
(Djay.) — Pakammi-^êra, grqfwachier. 

^^ \X (kammoe), bep. kainmo'bwa,t0an;t. Boeg. 
mdkammoe, idem. — K&mmoe-k&mmoe, laauw. — 
Kayoe-k&mmoe, soort van hout met georige bast, 
Sassafras, Parthenoxglon N. v. E.? 

••\X% (k&mo), ieis afvegen, oïqfdroogen, 
door er even^es met een' doek op te drukken , = 
kimasd. Boeg. idem. 



^f \y (kdbma). — Kófema-kofema, bep. kfifema- 
koemaya, soort van welriekend hout. Verg. het 
Mal. UJu^ het Jav. •mgM(u\,S&n9kt.koei0koema; 



^f \y (koemang), mtii. Boeg. idem. 

\^^\ét (kemoeng), a) zichsluUen, tot matkan- 
der komen, byv. 't water, waar een raartuig door 
heen gevaren is. 

b) zich doen sluiten, tot malkander doenhmen, 
bgvoorbeeld: de lippen. 

Pakêmoeng, zich doen sluiten, tot malkander 
doen komen. 

Pasikêmoeng, idem, doch meer gebezigd van 
twee voorwerpen, die geheel en al van elkander 
gescheiden zijn, bijv. twee stukken van een' tafel. 

\^^\^'^ (kemo).— Anrong-kémokang, zoog- 
sier. (l^ay.) — Saribattang-këmökang, «^oe^owfcr. 
NB. Men vindt ook kémókai^ = sariódttaug-ke' 
mékaüg. (G. G.) 

^^\y\y (kammdëmmo'e), bep. kammdbm- 
moeka, paarsch, purperkleung. Boeg. idem. — 
Kamm(A$mmde-mi, lett. hy ziet reeds paarsdi in 
eÜn gezigt, d. i. hp herft te diep in het glaasje ge- 
keken. Verg. éé^a. — NikammtAjmmoe, paarsch 
geverwd o( gekleurd worden. 

^^\^\^^^ (kam&mfdlang), obstructie, ver- 
stopping in den onderbuik. 

^^\^\^0 (koemimisi,) een zeker geluid 
met de lippen maken , ten teeken dat men verdriet 
heeft. Boeg. mdkoemtmt. 

^f\\^\r\\^ (koemêtcré) , bep. koemc- 
tereka. Gecommitteerden. (Bap. K. G.) 

^^\X^ (kamdbdi), bep. kamoediya. Mal. 
roer. \erge\. gdhling. 

^^ \y /^ (kammana). Vcrgel. kdmma N°. 2 . 



18 



^^\^ Ks (kaminang), geb. om den overtref- 
fenden trap uit te drukken, bijv. kaminang-lómpo, 
zeer groot ^ grootst. — Kaminang-kamma, (^ ^Zwio^- 
%e, d. i. God, Vergel. op kdmma W, 2. 

^^ \jt /Tv kamdëning), soort van boom, welks 
hout voor meubels en voor kris-scheeden gebezigd 
wordt, AuratiMacea {glycosmia). Soms vervaardigt 
men ook van den wortel van dezen boom de bc^ 
lêmbeng en pang(feloe-9élé, 

•• \y ^S' kam&njnjang), benzcnn. Boeg. idem. 

Ook naam eener negory bij Maros. Verg. ka- 
minjnjang. 

•• \y ^^ {kam%njnjang)y = 't Mal. ^j-^a^^ 
benz&m, (Sinr.) = kamdnjnjar^. 

^^\^<^ (kammayang), verzakking en ver- 
harding van de nier of lever, gepaard met koude 
koorts , bekend onder den naam van koek. 

•^ \ \y «^ ^ (kammey&ra). ~ Aiiging-kam- 
meyara, wind, die niet vergezeld gaat van regen. 

•^ %• ^ (kamllnra). Vergel. op mdnra, 

•• %• \ ^ kamslnre), bep. kamanrêya, boom 
welks wortels geb. worden als geneesmiddel , en 
bij het maken van e/o^/M», genaamd: Caüecarpa, Sp. 

•• <• ^ (kamiring). Vergel. biring, 

•• \y ^ (kamdbroe), bep. kamoerdëwa, vnw. 
kamoero'biTgkoe , kamoerdbnta, kamoerdbnna, neus. 
— Kalibo^-kamdferoe, neusgateti. — Appa-ka- 
mo'broe , neustop. — Bataug-kamdbroe , neusbeen. 

•• \> *^ ^ (kamalo), bep. kamalowa, (Boeg. 
idem), soort van heester, welks harst als roodach- 
tige klomp uit China wordt aangevoerd, en waarop 
men warm water gooit , ten einde het aftreksel te 
bezigen tot het rood verwen van zijden stoffen. 
Het drabbige, dat aldus overblijft, en tdi-kamnlo 



heet, wordt door de goudsmeden gebruikt, om 
vormen van te kneden. Ook bezigt men deze tdU 
kamdlOy om het staal of ijzer van messen, parang's, 
en dergelijke meer, in het gevest vast te maken. 

Nikamalo, met kamdlc rood geverwd worden. 

^f\^^ (kc&mili), bep. koemilika, taai. 

\^^\>*^ (kêmald), bep. kêmalaka, ver- 
knoeijing van ons kaaiman. 

•^v^^^^^N (kamalêti), bep. kamaletiya, 
soort van geweer, eertijds in gebruik. (Bap. G. G.) 

•^ v^ ^N^ (kammdëwa). Vergel. kdmma. 

•^ \y O (k^masd), = kdmo. 

^^ \x O (kclmisi), bep. ksimisika, Arab. Don- 
derdag. Boeg. idem. 't Mal. (j<xa # r ^^^yJ^. 

NikHmisiki djo'bkoeka. Dit ziet op eene bepa- 
ling in Sêgeri en aangrenzende distrikten, volgens 
welke alle visch , die des donderdag's in de bila's 
(of sêro's) aan strand gevangen wordt, van het 
eerste ploegen af tot aan het paddie-stampen toe , 
den regent van het distrikt toekomt. 

•^ /N (1" kata). Vergel. op ka N°. 2, lett. c. 

(2** kattó), bep. kattaka, kanker. B. kdUa, 
idem. — Kattó ipantard, uitwendige kanker. — 
Kattd ilalang, inwendige kanker. 

•<^y\ (l°kattang), 'tMal.^, sckaqf. Boeg. 
idem. 

Akattang bdbnga , de pandangbladen mH de pa- 
kerékang niet fijn snyden, maar schaven. Vergel. op 
kêré^\ 1. 

Nik&ttang, eigenl. afgeschaafd worden, en v. d. 
geb. van de besnijdenis der vrouwen , dewijl daarbij 
slechts zulk een klein gedeelte van het pudendum 
wordt weggenomen, dat het meer een afschaven 
dan een afsnijden is. NB. Voor het besneden van 
mannen bezigt men: nisoennd. Vergel. «(^/i« N". 1. 



19 



(2^ kllttang), soort van vrouwen-siricdoos. Veig. 
l6pA-Kfpd, — KSLtiang-nisingkoelde. Deze kdUang 
Terschilt slechts hierin van een' gewone kdttang , 
dat de koeken (nn^koeloe) mei ffoud belegd zyn, 

•<^>\ (1° kati),bep. katiya, geeft eene gelds- 
waarde te kennen. Één kdü = 10 ^^, = 80 
reaal. (Bap.) B. idem. 

Ponto-k&ti, soort van armband. Vergel. op 
p{mio. 

(2** kati), het Jav. £ii^, honderd duizend. 
Boeg. en Mal. idem. Yei^el. het Skr. kóU, tien 
vUUioen. 

(3" k&tti), bep. kattïya, het Mal. ^^a^, soort 
van gewigt,= * Amsterd. pond. Boeg. kdUi, idem. 

Baldbkangi ^kSLtti, 6y het kdUi verkoapen, 

(4''. k^ltti-katti), bep. k^tti-kattiya, soort van 
insekt , veel overeenkomst hebbende met bijen en 
weepen. B. idem. — ASjalld-kSltti-k&tti, lett. amok 
maken als een zwerm kdUirkdttCa. Bijv. gebezigd 
vaneen' hoop soldaten, die zich, in den strijd, 
met de grootste woede verdedigt, en alles om zich 
nederlegt. 

KAtti-mdëmmo'e , soort van hommel. 

^^r\ (1" kato'e), ak&tde-k&to'e, veel praten^ 
mappen^ saniken ^ pruüelen. (Bid.) 

(2* ^pik^toe), zenden. Boeg. mddedioe, idem. 

Pikatdbwi, zenden aan; b^v. b&rang £ko'bllei 
napikatdëwi »déri pêtoro Tope-Dj^wa , welUgt kan 
hy een brief zenden aan den Gezaghebber van Tópe- 
Bjdxa, (Brief.) — Na-koepikatdfewi löntar^ Pê- 
toro Miroesde, ik zend eetC brirf aan den AdsistenU 
Resident van Maroe. (Brief.) — Ko'ë^^ocSg ^'^' 
pikatdbwiki ^nne sdbraka, ik wil u zenden dezen 
brief. (Brief.) 

Pikatoewiyang, zendeti aan , bijv. : Na-kipika- 



toewiyang-lalowa , zend het mij toch. — Taoe nipi- 
katoewiyaiïgai lyanoe, de slaven ^ die NN. toege- 
zonden zijn. 

Papikatoe, vnw. papikatdbngkoe, doch liever-, 
papikato'bkoe, zending y commissie^ bootschap y ge- 
schenk y (Djay.) waren die men iemand toezendt om 
mee te handeleti , commissiegoederen (Bap.) 

PapikatoWaiïg riy iets ten geschenke zerukft aan. 
(Brief.) 

PapikatoWi, laten overbrengen aan, bijv.: Toe- 
nipapikatoewiya, zij die gebezigd worden om iets 
over te brengen, bijv.: goederen. (Bap). — Taoe na- 
papikatoewiya 'so'fera toebi^'araya-bo'fetta , de niany^ 
men de bitjdra-boetta bezigt, om een brief te zenden. 
(Brief.) 

(3° katoe-pêpé). Vergel. op: toetoe N^ 1. 

(4° katoemamai). Vergel. op: t(^toe W. 1. 

^^\^\ (1° katte), bep. katteka, = 't Arab. 

_r^^^ , prediker. 

(2° katte), of: ik^tte, vnw. 2 pers. mann. en 
vrouw. enk. en meerv., gebezigd tegen meerderen 
in jaren of stand, of ook tegen gelijken, welke men 
slechts weinig kent. Verg. mijne Mak. Spraakk. 
$ 146. 

(3° k&tte), of: ik&tte, vnw. 1 pers. mann. en 
vrouw, meerv. wij. Vergel. mijne Makass. Spraakk. 
§ 163. 

•• \ r\ (kUteng). — Sikateiig-katei^, = si- 
kdtong-kdtong. (Dat. Moes.) Veig. katofig N°. 1. 

••X\% (1** katto), maaijeny snijdefiy af- 
sneden. 

Pakatto, bep. pakattowa, mesje om de paddie 
te snijden. 

Pak&tto-katto, iemand die van onder, de vloer 
van het huis openbreekt, om zoo bij de geUefde t^ 



kunnen kotnen en haar tot gijn' 0Ü ie brengen. 
NB. Gewoonlijk bedient aoo iemand zich van 
eene pinang-eehaar^ (kalakdUi), dewijl Ii\j daaimede 
de bindsels loe kan knippen en alzoo minder ge- 
raas behoeft te maken. 

Pftkattówang, oogit, oogMjd; byvoorb.: t&l- 
loeng-mi pakattówang oemoeroena, hij is reedê 
drie oogHtijden aud^dA, twee jaar oud^ (e= idüoeng- 
mi bard, Veig. bard N^ 5.) 

KdUo wordt ook gebezigd in de beteekenis van 
afgesneden^ af geroken worden; bijv.: lakitto-mi 
nJawêLna, tijn leven zal zoo aanziondê ttfgesneden 
worden^ d. i. h^ ligt op t^eiT^. — Pakattówi-njUwa, 
emands levenedraad trfznijden. 

Pangattowi, daigeen wai de vrouw, in geval van 
scheiding f den man moet aanbieden, als 't ware tot 
afsnijding van den huwel^ksèand. Yergel. Ukó-pa- 
pantka, op: nika. — AsSlre pangattowi, eenpangat- 
tówi geven. 

{T kikttd-kMtd), bep. k&tto-k&ttoka. Dns ge- 
noemd de kleine gof^s , waarbij de padjdg^z, of 
publieke dansmeiden, dansen. Boeg. kdüó-kiüó, 

•^ ^s -s (1* k^tong). — Sikitong-k&tong, te- 
gen elkander aanklotsen, aanslaan. Geb. van de riTs 
van een vaartuig. (Dat. Moes.) 

(2"" kattong), ducaion. 

•• r\ (V* kita), geen Macass. maar Maleisch, 

v^Uji", wij. (Tar.) 

(2* kittó), bep. kittaka, 't Arab. V^^'> ^ 
B^bd, de Koran. 

(3° pakitta,), Boeg. iemand in 't spel wai voor- 
geven. 

••r\ (1° kiti), bep. kitika, eend. Boeg. iti. 
— Kiti mkni 3jangang. Verg. dji^ang. — KÏti- 
l&ki, het mannetje van de eend. — Kiti-g&na, het 



wijfje. -— Kiti-b&lang, kraal- of wilde eend. — 
Kiti-biLM, huis- of tamme eend, — Kiti-maradj&la, 
kleine soort van eend. — Kiti-êdja, roode eend, 
iets grooter dan de k^ti-maradjdla. — Kiti-mara- 
U^a, grootste soort van eend. 

(2"" kiti-kiti), bep. kiti-kitika, soort van medi- 
cinaal plantjje. 

^f ^\ (kdëtang), borstrok, keurslijf, (Mal. en 
Sd. idem, Jav. «^»mft»i\). 

^f r\ (1*. kdfetoe), bep. koetdfewa), luis. Mal. 
idem,Bo^. (Moe. — Kcfetoe-kftngkong, vloo. Mal. 
^^t ^^' — Ako'btoe, luizen, luizen vangen. 

(2'' kcibttoe, bep. koettc(ëwa, traag, lui. Boeg. 
idem. 

\^^^\ (kéntoé), met de knieën naar binnen 
en het onderde der beenennaar buiten gebogen loopen. 

\^^\y\ (kéte), = kade N°. 8, weinig. — 
Sikête B» sikdde. (Sinr.) 

\ ^^ •s 'N (kêntong). — Mikêntong, reeds 
half verdord, verdroogd, verrot of dood zijn endaar- 
door op het punt van te vallen. (Tar.) 

••'N^s (r kota), bep. kot&ya, kaauwsel, 
pruimpje, te weten van sirih. (M.ldd.) — Kótai, iets 
kaamoen, (sirih bijv.) Boeg.: ^, mSta, kammen. 

— Si-kotüng, één pruimpje. — K6ta (ngóta) po- 
lêang, herkaauwen, sirih bijv. 

Pakóta, doen^ of laten kaauwen, bijv.: A.pak6ta 
béros^, rjjst laten kaauwen. NB. Dit geschiedt 
door den waarzegger, of den Sanro, tot ontdek- 
king van den schuldige. 

Pikotai, iemand te kaauwen geven. (Kei.) 
(2^k^ta), bep. kot&ya, eene bevestigde plaats, 
vesting, kasteel, hoofdplaats. Mal. en Jav. idem. 

— Kóta, dikwyk het Fort bij uitnemendheid, d. 
i.: het fort Rotterdam, gelijk bénteng tanga, het 



SI 



ftnH Vredenburg. — Il&laiïS: kotóna, geb. van alles, 
wat binnen hei eigenlijk territoor van een land gele- 
gen is y van daar bij Tam.: na-koeHna-mo: oem- 
mana MoehiLmma, toe-ilMang-kot&na-töngd, ik 
bekoor tot de Sekte van Móhammedy en hen nog teel 
afkomstig uit den eigenlijken zetel van het Islamisme. 
NB. hij was een inwoner van Medina. 

^^^^\ (1* könta), bep. kontóya. (B. idem.) 

— Könta-bisêyang, = Idngga hisiyang. Veig. op 
r/pé-^, 2. 

Pakonta, iemand die kónia's maakt. 

(2* könta), bep. kontóya, half-gaar, bijv. geb. 
van r\jst yTBüvleeschf van gebak, enz., bijv. : kontai 
kanrêya, de r^st is half -gaar, 

•• 'N ^N (kéntoe), = kdmma N'. 2. Verg. 
boven. B^v. kdntoe-mi^djo, of k6ntoe-mintoe , 
aldn», dus, (Rap.) — Kontoe-minne, alzoo, zoo, — 
Kontoe, aldus, alzoo, zoo, bijv.: Kontoe-ngasênta, 
soo z^wij aüen, (Kei.) — Kftntoe, gelijk, (Sinr.) 

— Kontd^wa, = kammdya, wat betreft, enz., (Bap.) 

— Ka-kóntoe, = ka-kdmma, ware het aldus; by v. : 
Kai-k6ntoe-dj& djangang-djangang,«7ar« ik slechts 
een vogd, (Tar.) — Kontdbnna , lett. zoo zij het, v. d. 
laai hei, enz., bijv., kontd^nna ta-djUri, laai het 
mei gebeuren, — P6nna bêlla-k&mma padjöiiganga, 
kontdbngkoe têya llLmpa, indien de jagtplaais zoo 
ver is , laat m^ dan niet gaan. — Kontdénna si- 
gdba-^óbaki, laat ons elkander op de proef stellen, 
d. i. elkanders krachten beproeven; d. i. zien, wie 
de sterkste van ons is, (Bjay. en Dat. Moes.) 

Anne-kdntoe, = anne-kdmma, = kamma-kdm- 
ma-^nne, thans, tegenwoordig, (G. G.) 

Anne-mónne-kóntoe, ^=^ onte-mi-kêmnM, (R6- 
yong. 

Sikdntoe, = sikSmma, al, aüe. 



Paköntoe, zoo doen zijn, zoo maken, zoo doen, 
V. d. maken, veroorzaken, (Sinr. M&li.) 

•• 'N \ ^s (koté), kakelen, Geb. van kippen. 

Mal. (J5^, Boeg. *(^^. 

Köté-kdté, overdragtelijk geb. van veelvuldig 
praten, zooals wij ook soms ons woord kakelen 
gebruiken. (Bid.) 

•<^ % \ ^s (könteng), 't Mal. koenUng, zynde 
volgens Boorda v. E. "de grootste soort van 
^'schidt met een schuinsch zeil of layartandja. (Tar.) 

^^^r\^ (kdttd). — Ti\A\^:=:tdbdkiide, 
= dsdnrd, = tdsdnrd. 

^^ r\ é^ (katóngka), bep. katangk^ya , naam 
eener soort van boom. (Bap. K. G.) Boeg. oMkka 
V. d. n^ï-katóngka, lett. even staüg als een katang- 
kaboom cpkUmmen, naar boven gaan. (Madi.) 

^f >s ^^ (koetika), = kotika. 

•<^ "N >s •• (kotika), bep. kotik&ya, = 't Mal. 
«^JLaa^ Aldus door den Inlander genoemd alles, 
hetzij geschrift, of tabel , of figuur, of wat het ook 
wezen moge, waaruit hij zien kan, welke tijd hem 
gunstig is, welke niet. 2iOo heeft hij bijv. een ko- 
^ka Bjóhoró, die hem leert, wanneer hi|j uit of 
t'huis moet varen, om gelukkig tegen de roovers 
te zijn. — Zoo heeft hij een koüka Fdiima, (NB. 
Hierbij te denken aan Eatimah , de dochter van 
Mohammed!) om te zien, of de persoon, welke hij 
ontmoet, op dat tijdstip goed of kwalijk gezind is. 
— Zoo heeft hij nog verscheidene andere kotika's. 

•<^ XN^ «^ (katagiyang), soort van ziekte 
van iemand, die lang en sterk opium geschoven 
heeft, en zulks nu moet nalaten, als wanneer er 
gedurig vocht uit neus en oogen komt. B. idem. 

•<^ r\ ^ ^ 'N (kating&lo), bep. katingalöwa, 
vlieg. — Kating&lo lompo, en: kating&lo lao'bloeilg. 



22 



soorten van vlii^n. — B.i-tanrib^na katiSgalöwa, 
des morgefCs zeer vroeg , bijv. te vier ure, toanneer 
de vliegen nog niet vliegen, 

^^ X\ ^ (katapang), naam eener soort van 
boom , wier vrucht eenige overeenkomst heeft met 
die van de angkdëng ; de kern heeft in smaak wel 
iets van de kanarie, de TerminaUa Catappa L, IVIal. 
idem. Boeg. atdpang, 

^^^^ (kat(^pa), bep. katdbpaka. Men 
neemt het uitbotsel van een' klapper-, ook wel 
van een tal^blad, maakt hiervan een peperhuisje, 
en vult dit half met rijst {héraad-hówcaéL), Wan- 
neer men dit gekookt heeft, verkrijgt men een' 
zeer goeden kost voor de reis, bekend onder den 
naam van katoepd. Soms wordt ook het blad der 
pandat^-rampe gebezigd, hetgeen aan de rijst eene 
aangename geur mededeelt. 

^^/\\^\^ (katoepêpé.) Vergel. kdtoe 
N^ 3. 

•••N^^O (katoempirisi), bep. katoem- 
pirisika, naam van een klein medicinaal planije , 
gebez. tot verkoeling. 

^^^\X (katambi), bep. kat^mbaka, naam 
eener soort van visch. Boeg. idem. 

Katamba-b&toe, naam eener soort van katdmbd. 

^^y\X (1° katimbang), sprinkhaan. — Ka- 
tïmbang-&se (lett. paddie-sprinkhaan), naam eener 
soort van sprinkhaan, 

(2° Katimbaüg), naam eener soort van struik, 
met groote bladen. 

•<^r\X (kato^eba), bep. katoeb&ya, verbas- 
tering van 't Arabische ILüa^, preek, — NB. De 
eerste katoeba wordt 's morgens zeer vroeg na het 
eindigen der vasten van roemallang voorgelezen, 
en is van bijzonder groot gewigt voor den In- 



lander; v. d. de phrase: na-êpéki katoeba. Vergel. 
épéW. 1. 

••rs'NX'N (katomboiig.) — Djdfekoe ka- 
tombong, naam eener soort van visch. 

•<^r\X^ (katdfembara) , bep. kat<^mba- 
raka , Koriander , Coriandrum Sativum L. Boeg. , 
Mal. en Jav. idem. 

•^^s\X (katSlmmoe), = ddmpoelde N°. 2. 
Van daar : kat&mmoe-dandaoercya, hetgeen iemand 
te kennen geeft, die nergens zijn weerga he0. (S. 

•• r\ \x 'N (katammong) , de pitten en het 
vleezige van eev^ rdppo-tjidóe, — NB. Het vUes om 
de katdmmoi^ heet: sdUoe. Vergel. sdüoe N°. 3. 
— Het vlies om dit pit alleen, heet: bddjoe, 

•<^y\\X\^^ (katoemamaï). Vergel. kd- 
toe N^ 4. 

^^y\r\ (katinting), doom, prikkel; ook 
overdragtelijk : de punten aan den rand van een 
schenkblad. 

Akatinting allowa, de zon steekt. 

Bclblo katinting , naam eener soort van bamboe 
met groote doornen, ook wel genoemd : bóklo toto- 
wang , dewijl men deze soort van bamboe niet kap- 
pen kan, zonder eerst de doornen afgehouwen te 
hebben. Vei^el. toto N^ 2. 

•• \ X\ ^N (katenta). — Angkatentaï, = 
angkatentiiigi, iets het laatst doen. (Eap.) Vergel. 
katêntang, 

^^\^\r\ (katêntang), gebez. van het laatste 
kind, wel te verstaan, wanneer men berekent geenc 
kinderen meer te zullen krijgen. — Ook spreekt 
men van lald katêntang , de laatste kam van een pi- 
sangboom, de eenige kam die er overbluft, nadat men 
de and^e reeds afgesneden heeft. 



23 



Angkatentangi , iets het laaUt doen. 

•••N^^^ (katoetdbwi). Vergel. töeéoe 
N*. 1. 

•• X\ 'N \ vy (katondeng), naam eener soort 
van boorn^ geschikt voor timmerhout. 

•• ^s\ vy (koet&deng) , toelUfft, (Djay.) Ver- 
gel, koeidef^. 

•<^ >\ vy ^ 'N (kS-tting-dèppong). — Mdk&t- 
ting-dappong, gUmmend-donher van kleur; b^y.: 
lelengm^k^tting-dSlppong, glimmend donker zwart. 

•/ X\ ^v (koetlnang), vragen. Boeg. oet&na, 
makoetana. — Na-nakoet^nang tlLoe, napanagal- 
liya» en hij vroeg naar den man, (d. i, wie de man 
was)i van wien hij het in pand genomen had, (Brief.) 

PakoetdnSlngang, iemand of iets bezigen om er- 
gens naar te vragen; iemand ergens naar vragen; 
bijvoorb.: lya-dji koepakoetanSlngai^ ri-katte, en 
dai sleehis, (of: hiernaar slechts) , vraag ik van u. — 
NipakoetaniLngang &noe, ergens naar gevraagd 
«orden. (Bap.) — Ampakoetanslngang ri-anoe &noe, 
NJi, ergens naar vragen. (Bap.) — Ampakoeti- 
nangangi ilnjdjo tan&na lyanoe, hem vragen naar 
dai land va» N.N.(Bnd.) — Na-nipakoetansL^ang 
pat4nna têdong, er worde navraag gedaan naar den 
eigenaar van den buffel. (Inl. Wetb.) 

•^XN«^'N^^'N (katiyóld), bep. katiyo- 
loka, gUnsterworm.) — Kanj^i^gkammakatiyoló, 
wenkbraauwen, zoo schoon als een gUnsterworm^ de- 
wijl deze in de duisternis een' blinkende licht- 
streep vertoont. NB. Welligt ook heeft men het 
derde van de vergelijking te zoeken in het uitste- 
kende^ het in H oog vallende van beide. 

^^ y\^ (kataraiïg), vorm. 

Akatarang, vormen (steenen bijv. en alles , wat 
met een* vorm gemaakt wordt.) Boeg. idem. 



Naï-katarang, lett. zoo opklimmen ^ dat men als 
*t ware tot vorm, tot model of voorbeeld strekken 
kan, d. i. hetzy op een bevallige, hetzy op een ge- 
paste wijjze, byv. niet scheef, maar regttoe, ergens 
opklimmen. (Madi). — Bd.li-katllrang , op boven- 
gemelde wijze ergens heengaan of terugkeeren. 
(Madi en S. "^ïn.) 

•• ^ ^ (katirang) , traag y lui. 

••A^V (katiri), bep. katiriya, = dtUi, 
kittelaar. 

^^\^\\^ (kSltteré), scheren. — Nik^tteré 
oe-^er^na, ^^ ^or^y knippen, (niet hei scheren ^ 
zoo als de letterlijke beteekenis van kottere zou 
aanduiden) van het bloedhaar^ of het haar , waar- 
mede het kind ter wereld gekomen is. NB. Dit ge- 
schiedt naar 't goedvinden der ouders, vroeger of 
later, meestal, wanneer het kind één of twee jaar 
oud is; alsdan djadjdkkang, gepaard metfeestel^k- 



•• 'N ^N ^ (kontdbroeng), naam eener soort 
van plant, wier bladen als groente gebruikt 
worden. 

•••N^^^ (katoenr&paU), bep. katoen- 
rslpalaka, roode vlekken of builtjes op het lig- 
chaam , ten gevolge van muggebeten , of 't steken 
van brandnetels en dergelijjke meer. 

•• ^N^ k^tald), bep. katalaka, jeuk. Mal. 
JjU , Boeg. kdtd, idem; = gdtald. — Taoe-ka- 
tala, geil, weUusUg mensch. — l^oe k&tala pa- 
djana, iemand, wiens achterste jeukt, d. i. iemand 
die nooit kan blijven zitten. — Bisêyang katala pa- 
djana, een schip dat altoos op reis is. 

•••\^ (k&ntala), bep. k&ntalaka, dik, 
bijvoorbeeld: pap, of brei. Vcrgel. op tjéoró. 
= gdnti. 



34 



•• r\ ^ (k&ttili), inzamelen, afplukken , bijv- 
bloemen of vruchien. Yergel. pifepoeloe, 

^^ ^ ^ (katoeldé), bep. katoeloeka, hiel, 

Siyo£^djó-k&toeloeki , zjj trappen elkander op de 
kielen i d. i. focHgen elkander onmiddellijk op, maken 
^zonder veel spoed. (G. G.) 

•••\^ (katcifeloeng), zich verzamelen. — 
M&te-todjeng-mi kadjawo, na-katdëloeng bêre-bere, 
hij is werkelijk dood als een kadjdtoo (soort van 
schelpdier), waar zich mieren om heen verzame- 
len, NB. wordt bijv. toegepast op een' dief of 
schelm, dien men ergens dood vindt liggen, terw^l 
zich terstond eene groote menigte om het lijk 
verzamelt. 

Katoeldëngi, zich ergens op of om verzamelen ; 
bijv.: Nakatoeldbngi mantegiLya kaloewllra, er 
verzamelen zich op de boter mieren, d. i. de boter 
geraakt vol mieren, 

^^ ^ ^s^ 'N (kato'bwo). Vei^el. op toewo. 

••X\^^N^ (katowang), aarden pot. Boeg. 
idem. — Katdwang-Tjina, soort van kaiéwang^ 
die van binnen groen is, en uit China komt. Boeg. 
idem. — Katdwang-bdbnga, bloempot. 

^^r\0 (k&ttasa), uitsneden, met een mes 
bijvoorbeeld, als: htoemen, ai male "S^, 1. 

^<^>\0 (k^ntisi), slapen, wetten. VergeL 
hieib^: péyó. — Tjini-slli linjdjo tadbwa, nak&n- 
tisiki giginna riniLkke, ziet eens dien man, hoe hy 
zyne tanden slijpt, hoe boos h^ op m^ is, 

Batoe-kantisang, slijpsteen. 

^frw^^ (koetaëiig), = koetddeng, (Djay.) 

^^vv (kada). — Pakadangi matdrnna, zijne 
oogen sluiten. (Djay.) 

•^vy (kSlndoe), = mdri, (^houden-, byv.: 
taena kando'fena bosiya, = taëna pamartnna bosiga. 



hei hoitdi niet op met regenen. — Taëna kanddbna 
pamaïna, (of: njaw&na), gebez. van iemand, die 
zeer moedig of brdni is. 

^^ \ \V (l"" k^é), och of/, gesteld dal; ware 
het dat; welligt lett.: ei lieve/ ziel eens aangenO' 
men, dai, enz. Yergel. ka N^. 2 lett. c ea de 
N°. 2; bijv.: k^é-dja-k&na k&na si-boekdbwang! 
och of ik één enkel woord kon spreken / (Sinr.) ~ 
Kadé-dji na-êró-m&mo inne Dj&yalangk&ra ri- 
tdbwang-Fdbtiri-Baana-Dêwi; b&rang anggilppa» 
tènjcyi Qdë^oe kar&ënga t&oe b^i-b&dji, lett.: 
och qf deze Djdgalat^kara maar verlüfd wierd cp 
de prinses Raana-Déwi, v. d.: zoo deze Djdgalang' 
k&ra eens verhef d wierd op de prinses; weüigt 
kreeg de vorst dan nog schoons kleinkinderen. (Djay.) 

Ka-k^é, = kade, bijv.: ka-k^é-dji na-niya 
an^na boer&nne; koek&na, enz., ware het maar, 
dat hij een* zoon had; zoozouik meenen, enz. (Djay.) 
Ka-k^é-dji na-koem&te, ware ik gestorven, enz. 

(^ay.) 

(2*^ kftde), = klda. Boeg. kêde. Mal.vjLflL^. 

Si-pak^e-mUta , één oogenèlik; v. d.: Na-si- 
paklUie-m&ta-dji, nabtooe-mo,/<^oo^eji^^ slechts, 
en hü kwam. 

(3"" kade). VeigeL het Javaansche Qn&êmj^ , 
weinig. Sikdde, ^= sikéde, = sikéte, een weinig ; b^ v. : 
Sikl^de-m&mo, namHte, een weinig slechts, en hij 
was dood, d. i. het scheelde maar weinig, of hij was 
dood. — Sik^e badjma, lett. zou het goede daar- 
van slechts een weinig zijn? A. i. het is bijzonder 
goed. Dikwijls gebezigd door den overwinnaar, 
die de volkeren, welke in onderwerping komen, 
in genade aanneemt, zooveel als : £^ w goed van 
u gedaan, dat verheugt mij, dai is mij bijzonder aan- 
genaam. — Tasik&de, b^ beetjes. 



d5 



^^\^^ (kadeng), *t Arab. |^jX3', eeutoiff. 
(Kclofig.) 

••\vv (k&nde). — Mnde-kande-dblara, 
Momordiea BdUamina L. Var, Boeg. kdnde-kdnde 
dêlé, idem. 

•<^vyN {rkèd6)y bep. kSdoka, = *a«r^, 

A 

«<rti, fv«<. Vergel beneden. — K^dó-tmo. Vergel. 
iznó. - K^ld-nidedé. Vergel. d/^N^ 2. — KL 
do-kadamang (D. Moes), = tódó^idédé, — Ki 
do ta-8ira. Vergel. nra W. 3. — Kld<5-kalótoró. 
Vergcl. ittldtoró. — KSdó-mfaïiigkoeloe. Vergel. 
êSi^ioeloé. - Kidó-bdblo. Vergel. èdklo. - K^dó- 
lêkó-lêkd, eene lekkernij, bestaande in rijst met 
^n geraspte welriekende bladen van allerlei aard , 
alsmede gebakken en gedroogde yisch.trassie, enz. 
Dit geregt wordt gegeten in de nachten van de 
maand roemllllang, en ziet er zeer mooi uit, v. d. 
in de Sinrili's een' sierlijke haarvlecht hiermede 
Teigekken. (Dat. Moes.) — K^ó-bïssoe, = Jtadó- 
lSkó4êió. ^ K2dd-p61e. Dus te Makassar ge- 
noemd: de portie gekookte r^'st met toebehooren, 
die ieder van de gasten , bij gelegenheid van brui- 
loften en dergel^'ke meê naar huis kr^gt. Op het 
madbdc^feest worden die portie's , al naar gelang 
van den rang der personen , voor wie zij bestemd 
zijn, in meer of min met gekleurd papier, nage- 
maakte bloemen , geverwde eijeren , enz. versierde 
bakken, te huis bezorgd. B^ dit póle vergelijke 
men érang-póle op: póle N^ 2. NB. In Gowa 
spreekt men eenvoudig van: kadó^ niet van: kadó- 
p6U. — Bêmbeng-k^ó. VergeL bémèen^, — B^lla- 
k^ó, = 9(mgk6kcmg, Vergel. op aói^kó. — Lontara , 
na taëna IdLd^na, 6rief zonder iets tm van te eten, 
d. i. zonder Ingevoegd cadeau. (Tar.) 

Akidu, r=r kdnrey ngdnre, eten (werkwoord), 



doch gewoonlijk tegen meerderen in stand of jaren 
gebezigd. 

Sêsa-mak£ddkoe, of: sêsa-pêpé-mékaddkoc , 
Oüerbl^aelen van hetgeen y waarvan ik gegeten, of van 
hdgeen waarvan ik m^n eten gekookt hdt , d. i. Tiei- 
geen ik, na aftrek van begrafeme-ankosten, van 
êcktdden, en dergelijke meer, nalaat. (Rap. T. Dj.) 

— Ana ta-nak^ó nika, een kind, waar geen ntka 
voor gegeten m, d. i. plaats gehad he^, d. i. een 
kind, uU onwettige gemeenschap geboren, onecht kind. 

— Nakaddki pêpé parasanganga, vuur versUndt 
{verteerf) het land. (Rap.) — Ikambe ta-nak^dd 
bassinoe, ikaoe ta-nakldd bassimang, lett. ons ver- 
slindt niet, d. i. ons doodt niet uw zwaard, en u 
doodt niet ons zwaard. (Rap.) — K&id-pêpe, over- 
wonnen landen, als zijnde grootendeels door vuur 
verwoest. — BitjSlra-mSimi angkiddki, lett. de 
Raad eet slechts, d. i. laat boete betalen. (Rap.) — 
I^oe-nakiddka ^dbke, lett. : de menschen, van wie 
de salaris eet, d. i. de menschen van wie salaris ge- 
nomen wordt. (Rap. K. G.) — AnjSjari &noe-ni- 
kSdd-kaddna, letterl. datgeen van hem, wat gegeten 
wordt, groeit, v. d. hy krijgt allerlei boonwruchten 
van zijn land. (Rap. K. G.) 

Pak^d, lett. het eten, v. d.: het beboeten; v. d.: 
beboeting, boete. (Rap.). NB. ook gebezigd van het 
geld, dat men terstond na z^n huwelijk, aan den 
vorst, of, zoo men van geringen stand is, aan den 
toe-mail&lang of gallUrrang brengt, doch gewoon- 
lijk terug krygt, alzoo letterlek: hetgeen de vorst, 
(of anders, hetz^ de toe-maïlalang, hetzij de gallar- 
rang), eet, d. i. in ontvangst neemt. 

Kadokang, toespijs, bestaande in: visch en der- 
gelijke, die men bij de rijst eet. Wel te onder- 
scheiden van: lapdkkang. Vcrgol. op: lapd N**. 2. 

4 



36 



-- Bailo-alling Bal^nda sikade, lya kik^do-kidd- 
kanga, een weimg HóUandsche azijn ^ die wig dl» toe- 
»p^8 bjj het den gebruiken kunnen, d. i. aüeen om 
b^ ons eten te doen^ dus: deckts een weimgje. — 
S&reyd ^ela k^o-k^ókang, geef my wai zout^ om 
h^ het eten te gebruiken, waisout voor dagelijkschge- 
bruik, d. i. bUcMs een weimg. — La-ki-apaï? — 
La-koek2dó-k6d6kang-9ji, wat euU gij er mei doen? 
--Ik wühet slechts voor dagelyksch gebruik hebben. 

Pak^ókang, datgeen, waarin men het eten 
doet» of datgeen, waarop men het neerzet, van 
daar: ons schoteVa^ en ook: ons etensti^fel. 

G&óe-pakddókang, of: papakddókang, feest- 
maaU^d. (Eap. K. G.) — Ponna nipapanacfengang 
^, mélibai nipapak^okang toe-m&te (of: nipa- 
pa^iddkangi ri-toe-m&te), eoo men daarop, (d. i. 
op dien dag,) paddie plant, zal die paddie spoedig ge- 
bruikt worden, om den menschen te eten te geven bij 
gelegenheid van een der fgeval, mei andere woorden: 
gebruikt worden voor een lykmaal, (Kotika.) 

(2'' kado), knikken met het hoofd. Boeg. idem. 
NB. Eene achterwaartsche beweging met het hoofd 
geeft toestemming; eene voorwaartsche daarentegen 
een roepen, een tot zich wenken, te kennen. 

Tak&do-kado, = tdrddo-rddo, (vergel. ddo), ge- 
durig met hei hoofd voorover knikken. Gebesdgd 
van een' oud' man , die onder het gaan gedurig 
met het hoofd voorover knikt. Zoo ook gebez. van 
ccn ruiter, die niet vast op zijn paard zit, en daar- 
door hetzelfde doet. 

Qangang-djangang pakttdo, een lokvogel, die 
als 't ware den anderen vogels toeknikt, om toch 
maar te naderen. 

>^Ny (kïda),= 't Mal. sj^^, met de oogen 
knippen, blikken, ooglongkjes geven. — Akida-kïda, 



overdragtel^k gebez. van het fonkelen van een 
diamant, gel^k ook van het glinsteren en gedurig 
bewegen van sommige kleedsieraden ; v. d. kida- 
kida , naam eener soort van versiersel, dikw^lsaan 
den rand van de Umbdwo gehangen. 

Si-pakidang, ééi oogenblik. Yei^el. 'tMaleische 

vsi>|joutt:0jCMi, en 't Javaansche «ftAaAj^N, 

Bintoeng sikida-kida, sterren, die elkander als 
't ware todonken, fonkelen. 

>^<V (r kidi), Saley, klein. 

(2** sikidi), Bonth. = sikdde. Veigel. kdde N". 3. 

>^NyN (kïdo). Boeg. idem. — Akido kanj- 
nji^, de wenkbraauwen optrekken , of zamentrek- 
ken. — Sikido-kanjnji^» elkander wenken geven. 

Akido-kido-m&ta, de oogen op en neer slaan. 
NB. bij het d^dllïng, slaat men de oogen r^ts 
en links. Veig. beneden. 

A - 

>^^VN (kidong), = ingkong, staart. 

Kidong-m&ta, mierste hoek, (letterl.: daarf) 
van hd oog. (Bid.) — Kidong koelitja. Vergel. 
op: kodt^, 

Dlbëng m^Uudong, lotteri.: een ddaig md een 
staart. Aldus soms genoemd een rat. 

^•<^\vv (kêde), = k&de N^ 8, weinig. — 
Sikêde, = sikdde. 

\ •«^ \ NV (kêndé). — Takende, opschrikken. 

'^^.^vy^ (kêdo). Vergel. het Boeginesche 
kédo, bewegen. 

Takêdo-kêdo, op en neer wippen. 

Papêkafigpakêdo-kêdo, hengdaars, die de hen- 
gd nid stil houden, maar gedurig doen op- en neer 
wippen; hetgeen men vooral tot het vangen van 
enkele soorten van visschen pleegt te doen. (üat. 
Moes.) 

•• N vy (konda), bep. kondèya. Boeg. idem. 



27 



Kdnda djcneka , gebez. van water, dat niet bijzon- 
der laag, en ook niet bijzonder hoog staat, alzoo 
de middeUtand van kei waier, (noch eb, noch vloed). 

•<^^^ (r k6di), bep. kodiya, sleekt, boos, 
cmdeugend; bijvoorb.: k6di paQinina, sUcU is z^n 
zie», V. d. hij wordt dmzelig, — Kodi-tllppa, 
deckt van voorkomen, v. d.: Uel^k, — Pamai- 
kddi./so»»^. — K6di-pan)&f, fiaauw. — Ködi- 
bawa, slecht van mond, v. d. verklikker, aanbren- 
ger. 

Kodiya, lett.: het slechte, het kwade, v. d. geb. 
achter werkwoorden van vreezen, bijv.: m&llikd 
kodiya nak&na, ik vrees, dat hy zegge, lett. ik vrees 
het kwade, (hierin bestaande:) dat hy zegt, enz., 
vervolgens bezigt men: kodiya, en insgelijks ko- 
étga-ka, zonder dat er een werkwoord van vreezon 
voorafgaat, bijv.: kodiya-ka iya-dji ^nglllleï s^eka, 
ik vrees dai hij het is, die de kris heeft weggenomen. 
(Brief.) Lett. i Dit is het kwade, d. i.: hier ben ik 
bang voor, dat, of nog letterlijker : daar hij het wel 
wezen zal, die, enz. 

Kakodiyang, 2) slechtheid \ h) in slechten toestand 
verkeeren; c) kwaad ondervindenvan;bi^y.: Nikanaya 
taoe-t6djeng, m&nna la-nakakodiyang, ka-leba-na- 
kanangi , ta-nasassaliyai , h^, die een tdoe^tocfjeng 
heet, ef schoon hjj daardoor in dechten toestand, d. i. 
M ongelegenheid zou geraken, enz. (Bap. K. 6.) — 
Bi-gade nakakodiyanga kalênnoe, in eene zaak, 
waardoor gij zelf ^ slechten toestand zoudt kunnen 
geraken, d. i. ongelukkig zoudt kunnen worden. (^1^. 
K. G.) — Noekakodiyang-(iji,lett.^'(WMfem«£tó er 
immers kwaad van, ^.i.ihetis immers slecht voor u, 

Kodi, ^ngodi, kwaad doen, iets slecht maken, 
ide sieckt doen. 

{T kodi), bep. kodiya, = 't Maleische ^J^ 



twintig stuks, geweren bijv. , oï pieken, of bijlen , of 
sdroSgs, of kleedjes, of wat het ook zij. 

••^'^NV (1° kondé), bep. kóndeka, 't Ma- 

leische ^Ju^ een* haarknoop, cene manier om 
het haar op de kruin van het hoofd op te rollen , 
en vast te steken, gelijk de Chincsohe vrouwen 
doen. 

(2° Konde), soort van kaarten b\j het patdèwi- 
en kówa-gonggong-^el. 

•^ % vy N (1" ködo), = bcfekkoé N^ 3. 

Kódo-kadangkang. Verg. ddiigkang. 

(2° k6d6-kod6kang), iets willen spreken of doen, 
doch door vrees daarvan teruggehouden worden. 

•<^^vy^ (r kondo), bep. kondówa, re^<fr. 
Mal. ^ó^y- — Kondo-têdong. Kleine soort van 
reiger met een bosje gele veeren in den nek. — 
Kondo-po'bra, kleiner dan de k6ndo4êdong, en met 
donker-vale veeren. — Tai-kóndo, reigerdrek; en 
dew^'1 dit wit van kleur is, ook gebez. om het se- 
men virile aan te duiden; v. d. tdrdt^i-mi tdi- 
kondóna, het seinen virile is mtgespat. — Nat^i- 
kóndo mat^nna, zijn oog is met reigerdrek, spot- 
tenderwijze gezegd van iemand die een boéUUdk^ 
kang heeft. Vergel. op: boelaldkkang. 

(2** kóndo-kóndo), bep. kóndo-kond6wa, naam 
van een struik voor omheiningen, behoorende tot 
de familie der Acanthaceae. 

•• NVN •• vy •• (kÉLdo-kadSliigkang). Ver- 
gel. kédo-kadd^kang. 

•• 'N NV ^ •• vy •• (kodo-kaddngkang). 
Vergel. kédo N°. 1 en ddngkang. 

••Ny^ (kandSiga), bep. kandag^ya, soort 
van Moluksche kist of koffer, van roew^y^o-bladen 
gemaakt en met schelpen belegd, veel overeen- 
komst hebbende met de tatoemboe; en alleen 

4* 



38 



hierin van de laatste onderscheiden, dat deze hoo- 
ger, en niet zoo langwerpig is. Vergel. taidemboe. 
(Sinr. Tar.) Boeg. idem. 

•• vy ^ ^ (kadapangang), soort van visch. 

••^^\X (kad&mang). — K^dó-kadSmang; 
verg. kadó N". 1. 

••vV^s'N (kadatong). — Kadatongi, z^n' 
of haaf' amttpieren staan sterk gespannen. Gebe- 
zigd van een' barende vrouw, van iemand, die iets 
zwaars voorttrekt, van iemand, die een groot net 
wil uitgooijen , enz. (Dat. Moes.) 

^^^^^^ (kAdSLro), bep. kWarowa, schaal. 
Boeg. idem. — K&daro-kalo'bkoe, klapper schaal. 
Ook gebez. als nuud. — Kad&ro-dbloe, lett. hoofd- 
schaal^ V. d. schedel. Bo^. idem. — KadlLro-kanj- 
njïng, lett. wenkbraautoschaaly v. d. : been van bin- 
nen onder de wenkbraauwen, wenkbraautoèoog. 

Akadaro , spelen met de beide helften van een' 
klapper-schaal. 

•• ^ %s (Kadiri). — Tamb&ko-Kadïri. Ver- 
gel, tambdko. 

••\Ny^ (kadêra), bep. kader^ya. Port. 
stoel. Boeg. idem. 

•^vVN^ (kandora), bep. kandSraka. — 
Mme-kandoré. Vergel. lome. 

•• vVN ^ ^ (kSdord) , bep. k^oroka, stijfs 
onbuigzaam. Boeg. mdkddó, — Kldord tangara, 
stijf, onbuigzaam in het oordeelen, v. d.: sterk op 
zyn stuk blijvende staan ^ anverbiddel^k^ enz. — K2- 
dord-dtloe, styfhoofdig, hoofdig. — K^or6 ri-ka- 
teyanga , stijf in het niet willen , d. i. halstarrig. — 
Taoe kidoró , een hoerelooper. — K^ordki c(bra- 
battanna, de spieren van zijn^ buik staan stijfs d. i. 
zijn buik is opgezet^ gespannen. — Nj&wa mak^doró, 
lett.: stevige^ sterke^ goede levenskracM, v. d. : 



goede gezondheid. Dikwijls verbonden met bóbkoe 
mdgassiiig, en gezegd: njdwa mdkadoró, siigagüi^ 
boekoe mdgdssif^. Vergel. bdèkoe N". 1. — P6nna 
timoró, k^oróki boekdbwa, in de Oostmoeson gyn 
de beenderen siyf^ d. i. hard^ stevig y d. i. gevodi 
men zich sterk. 

Pak^oró boekdbwa, de beenderen stüf^Y.d.vaii, 
stevig j sterk maken, d. i. maken , dat men zich sterk 
gevoelt, 

K^o-k&lord-dji, hij is gezond , = éikdèUe-kóèl- 
le-dji, = gdssif^-gdssing-dji. Vergel. ki^üe en gas- 
nng N^ 2. 

^^vV^K^ (kiLdali), bep. k^alaka, het Ma- 
leische J Jo , melaatschheid. 

••vv\^^ (kadUlle), bep. kadallêya, soort 
van heester met eetbare peulvrucht. 

^^ \V ^^^ 'N (kad^wo), bep. kadawówa, soort 
van boom, welks boontjes gebrand, en met idt- 
duging, tdpoe-bêrasd en köenjt gekaauwd, en dan 
op den buik van het kind, d^t p^n in het l^f 
heeft, gespuwd worden, (nip^asd.) — De bast 
van dien boom heet solda , en wordt op een' steen 
f^n gewreven met water. De pap, die hierdoor 
ontstaat, aangewend b\j verzwikkingen, en b^ in- 
of uitwendige kneuzingen. Bo^. idem. 

^^ \V ^N^ 'N (1* kand&wo), mei een gleuf, of 
een weinig uiigehold zijn. 

(2" nikandSlwo malêla), met staal doorstoken of 
verwond worden, (D. Moes.) 

•• vy /s^ ^ (kandaw&ri), bep. kandawariya, 
soort van bordes op zij van een huis, of ook op zij 
van de bandtoa's, (vergel. banSwa), wel te onder- 
scheiden van de tdla-tdla, die niet zoo lang en altoos 
achter aan het huis is. Vergel. tdla N°. 4. Boeg. idem. 

•• \ vv \ O (koendêse), — Akoendêse, soort 



29 



Tan IdndeTspcl, veel overeenkomst hebbende met 
het éêtpard, (vergel. beneden). Alleenlijk wordt 
dit niet met bamboesjes , maar met boonijes ge- 
speeld, en moet men hierbig nog ten slotte de 
boontjes voor een gedeelte in zijne regterhand ne- 
men. £n zoo de ander raadt, hoeveel men opge- 
nomen heeft, ontloopt h^ daardoor de kdi^kon^, 
w^ zonden zeggen : het dreepfe. 

•<^^v (1® kSLna), bep. kanllya, vnw. kan&ng- 
koe , kaniLnta , kan&nna, woord. — K^na si-boe- 
kcihrang, é^ék woord. — KSLna-sitSlppd, waarachtig 
woord^ eed. Vergel. tdppd N". 4. — K&na-toJyeng. 
VcigcL tddjeng. — Pard^nto'e-k&na. Vergel. rdkn- 
tée. — Óèroe-kana. Vergel. dhoe. — Bdrang-kllna. 
Veigel. hênó^. — Ap&M-kiLna. Vergel. pM 
N*. 4. — Boko-kana. Vergel. bóko. — Ona-ni- 
tdfeSggeng. Vergel. tdénggeng. — Paleko kan^ya. 
Vergd. l/ko N*. 2. — Pabêlo kan^ya. Vergel. bélo. 
— Ta^a kaningkoe, lett. ik heb geen woord, d. i. 
a heb niets ie zeggen, ik onderwerp m^j geheel aan 
MOM wü. — Ap&ré-k&na, een woord maken, zamen 
9tea€»,\n}Y.: aplré-k^na ri-parftnnakana, een woord 
zamendeüen op medewoorden , d. i.: een antwoord op 
ietnandê woorden gamensteüen. (Bap. K. G.) Ver- 
gel, verder op pdr<f N". 1. — Ap&ré-p&ré kana. 
Vergd. oi^pêréW. 1. — Taëna antoe 4kdfelle am- 
püampai k^na, daar kan niemand een woord tegen 
doen gaan, d. i. een woord tegen zeggen. — Têya- 
tongi lya r^ kaniLnna, hü wil ook niet, dat t^n 
woord volley d. i. h^ wü ook met erkennen, dat hij 
kH PM gehad heeft. (Bap. K. G.) 

AkiLna, spreken, zeggen. 

Nakana kalênna kaloem^nijnjang, hij roemt 
giek zeïven r^k. — Nakana kalênna, h^ verbeeldt 
riek ^sel^k veel, bijv. dat hij mooi, dat hij kundig. 



dat hij rijk w, enz. — KoekSna, inclkke, ik voor 
mij, zeg, d. i. meen, vermeen. — Toe-m^kana, 
iemand die spreekt, v. d. soms geb. voor een regter. 
(Bap.) — S^pi, Sjangting, kiti, djdbkoeka tani- 
kanS.-mo, koeyen, hoenders, eenden, terwijl de vis- 
schen niet meer te noemen zyn, lett. niet meer te 
zeggen is, namelijk: hunne menigte. Pjay.) — Ak&- 
na-tödjeng. Vergel. tódjeng. — T^oe êrd-nik&na, 
iemand die van zich wil laten spreken. Wordt dit nu 
bijv. gezegd van iemand, die veel op zijne schat- 
ten pocht ; zoo geeft het te kennen iemand, die 
voor ryk wil doorgaan, rijk wil genoemd worden. 
Ziet het op iemand, die hevig dreigt, zoo staat het 
gelijk met: éró-nikamaUakkang , wenscht gevreesd 
te worden, wü van zijne magt laten spreken. Ziet 
het op iemand, die zich veel op zijn goed voorko- 
men laat voorstaan, zoo beteekent het zoo veel als: 
iemand die algemeen voor mooi (bddjt-bddjt) wü 
doorgaan, enz. — Kaërcinikanang, zucht om van 
zich te laten spreken. 

Ak^na-k^na, zeggen, vertellen. Vergel. mijne 
Mak. Spraakk. § 166 1" en 2*. — Toe-mttana- 
kana, iemand die spreekt, wiens voortdurende bezig- 
heid het is, om te spreken, boodschappen over te bren^ 
gen; vandaar: een sdêro, of zendeling. (Bap. K. G.) 

Xana-kanangi, of kana-kanangangi, iemand 
(iets) zeggen, vertellen. 

Pakana, laten spreken, bijv.: koepakana riyölo 
bainnêngkoe. Dit gezegde gebezigd, wanneermen er- 
gens gemviteerdwordt,enhet antwoordvan 't goed- 
vinden z^ner vrouw wil laten afhangen. Het be- 
teekent letterlek: ik zal eerst mijne vrouw laten 
spreken, d. i. : haar laten zeggen, of zjj al dan niet 
van de invitatie gebruik wü maken. — Zoo ook: 
pakana-baianda, met Hollandsche woorden doen zijn. 



30 



d. i.: m hd HoUaudsch ooerzeUen. — Kanai, let- 
terl. ^eken tot iemand; doch gewoonlijk gebezigd 
in den zin van : ieffen iemand uitcaren en hem uit' 
schelden. Het staat alzoo in het gebruik tegen- 
over pakandij dat altoos een' vriendel^ke heetraf- 
fing of tereffttoijzing te kennen geeft. Yergel. be- 
neden. 

Pakan&i, a) spreken tot iemand; bijvoorb. : 
Mlinna ta-nipakan&iki, ofschoon het ons met gezegd 
is, (Bap K. 6.) — Napakan&iy^, letterl.^^'«^«^ 
iff^' tóe, V. d. hy bestrqft mij. (Eap. K. G.) = 
Êró-dji nipakanai, lett. hjj wil zich immers laten 
toespreken, teregkoijzen, d. i. hy is gezeggelijk. 

b) spreken met hd oog op, spreken oüer, omtrent, 
of van iemand qfids; b^ voorbeeld: Taoe nipaka- 
naïya nik&pang, de man van, of omtreni wien ge- 
zegd toordt, dat suspicie (bijvoorb. van diefdaJ) 
bestaat (Brief). — tya tonjdji ampakanHi b&te-ba- 
têya, letterl.: h^ spreekt immers zelf van de hdte- 
hdte's, d. i. h^ wijst zelf degenen aan, die mee moe" 
ten gaan. (Bap. K. G.) — Pak&mma palldbnna, an- 
tek&mma kipakanafya, zoo koken, als gjj gezegd 
heet , letterl. : zoo als is, hetgeen gij daaromtrent ge- 
zegd hebt. (Brief.) 

Apakanangi, voor, ten gevalle, ten behoeve van 
iememd, of iets, spreken, bijvoorb.: apakanangi 
boett&ya, spreken voor het land, y. d.i Bitjara- 
btfetta of Ryksbestierder zijn. (Bap., G. G.) — Na- 
napakanSngd toWang lySlnoe, NN. heeft voor mijy 
ten behoeve van mij, gesproken, dat is: is mijne voor- 
spraak geweed. — Nipak&na-kanangi pole ri-toV 
wang, letterl.: er werd verder gedurig ten zij- 
nen gevalle gesproken door den Arabier, d. i. hy 
werd verder door den Arabier onderwezen, (Bap. 
K. G.) 



Fak&na-todjêngaug', een eed doen (^klLna-t5- 
^j^^)> uweren voor, ten behoeve van, d. i. beëe^- 
gen , {iets). 

Fak&na-sitappakkang Bewat&ya, een* eed doen 
(^£Lna^itl^pp6) voor Ood, d. i. een* eed van trouw 
aan God doen. (Bap. K. G.) 

AmpakSkna-boettöngi, voor de waarheid van het 
een of ander dien eed afleggen, waarbij men niet 
slechts zijn eigen persoon, maar ook zijn gansche 
land met zich verwenscht, zoo men z^ne lippen met 
leugentaal mogt bezoedelen. NB. deze eed natuur- 
1^'k slechts af te leggen door hen die een land te 
besturen hebben. 

SipakiLna, a) elkander laten spreken, 

b) tot elkander spreken, te zamen spreken. (Bap. 
K. G.) 

Pati-k^a-k^na , allerlei praatjes houden, bab- 
belen. 

Sangkanai, het ergens omtrent eens 9^, (S. Tjin.) 

(2° k&nna) , het Boeg. kènna , = het Makas- 
saarsche tdba N**. 1. Vergel. rdmbo. 

^^ ^\ (1° kanang), regterzijde, regtsch, han- 
dig, geschikt, passend. Mal. ^^1^ idem. — Ka- 
nang-giyo, handig, geschikt in $^ bewegingen. — 
Kanaiïg-giLde , handig, geschikt in zijn doen, — 
K^ang-pam&ï, handig, geschikt van aard, d. i. 
ieder overeenkomstig zijn aard en inborst behande- 
lende , en onder allerlei soort van menschen op zijn 
gemak. Vergel. kaïri. 

(2*^ k&nang) , stuurboord, als zijnde aan de reg- 
terzijde van het schip. B. idem. 

(3** kanang), soort van boom, welks gom als 
geneesmiddel gebezigd wordt. 

^^\/^ (k^ne), bep. kancya, soort van 
brandhout. 



31 



^f^^ (kdbna). — Pak()bna, aldus maken 
NB. Bonthainsch, of nog juister : Boegineesch, za- 
meogesteld uit: paköe^ aldus maken^ van koe^ =: 
kifêma » aldus^ -f m, vnw. 3 pers. 

\^^ r^ (kênna), = kéreW*. 2, «war, mi^ voor^ 
wai voor iets^ wdk^ waiy \ Mal. ^Lo en 't Boeg. 
kênmay idem. Bijvoorb.: kênna tangkênna, enz., 
waar is desz^s iak^ enz. (M^i.) — Kênna-mo 
ta-milanntoi?, lett.: waar is het niet verliefd doen 
worden? d. i. hoe! zon ik met verliefd worden? 
(Sinr.) — Kênna-g§loe koegadbkang? lett. wai voor 
daad gal ik doen? d. i. wat eal ik doen? (Kei.) ^ 
KénnanoengafyaPiM^ is het^ dat gij verkiest? (Kei.) 

\^^/^ (kenang), menschen^ 't Maleische 
^gAJjo (Tar. Godsd.) 

Ikén&nne, = kénang^ of welligt = kénang dnne. 
— KéiAmSgf = kenmg, 

••"N^^s (konne), Bonth. en Sal., = ««- 
rtnni^ hier. Vergel. het Boeg. ko of koe^ aldaar, 
(Midi.) 

Konne-konne» Bonth. en Toer, = kawma-kdmma 
dtme^ iegemwooré^. Veigel. 't Boeginesche koe- 
koemae^ idem. Men zie ook op komma N*'. 2. 

^<^ ^ ^^ (kaniki), bep. kanikika, de plaats 
boren op een padoewakang, of handelsvaartuig, ter 
weêfBzgde van de èdêkkoé, (veigel. èóhkkoe N°. 3) , 
wordt van onderen geformeerd door de paddnffkó*s, 
(Yeigel. ddMffkó'S\ 2.) Boeg. idem. 

^^ /^ ^^ (kaningldng), pink, = 't Maleische 

^^ ^ ^f (kandbkoe), bep. kanoekoWa, vnw. 
kanoekdbngkoe, nageld klaauw. B. idem. MaL 
^^l57 — Pokó-kandbkoe , als 't ware de stam of 
oorsprong van den nagel, dus : dat gedeelte, waar hij 
mi de vingertoppen te voorschyn kotnt. — Kano'^koc- 



maQaiïg, tyger-klaauw. Gebezigd als amuleet. — 
Kandbkoe-djangang-djÊngang, lett. vogd-klaauw, 
V. d. de krul boven aan het lemmet der kris, doch 
onder de kdnj^u^, Yergel. kdnjQing. 

^<^^\X (kanlinga), bep. kanang&ya, soort 
van bloemdragenden boom, de Uvaria Cananga, L. 
Mal. en Boeg. idem. 

•<^/^>s (kaniti), Saleyer., = kabüi, 
•^/^./ï^ (kano'fenang), soort van boom, 
welks hout veel gebruikt wordt voor masten en 
roeiriemen, 

^f}^}^ (koenini), = koentya, (D. Moes.) 
\ •• /i\ ^ kénö,ning). Vergel. kénang, 
^^ /5\ «> 'N (kan&yong). — KiLna-kaniyong, 
kinderspel, waarbij de kinderen om het andere 
de vuistjes op elkander zetten, en wel zoo, dat de 
duim altoos naar boven steekt , en dient om we- 
derom de vuist van een' ander op te doen rusten. 
Ondertusschcn zingen de kinderen: „K&na-kana- 
„yong karcfenroeng; têpó, pariyepinoe, paribcfenga- 
„simbolênnoe." Bij de woorden :^4P^, pariyepênoe^ 
steekt het kind, welks vuist de bovenste is, zijn 
duim onder den arm, (veigel. op: êpd), en b^ de 
laatste w(X)rden, brengt het die aan de bloem van 
de simbóleng. (Vergel. op : simbdleng). 

^fh\<^ (koeniya), bep. koeniy&ya, woord. 
— M&nna koeniya, (of: kclbni-koeniy&na) ta-niya, 
men vernam zelfs geen woord, hoorde letterlek niets, 
M^koeniya , spreken, (Sinr.) 

^^/^\^ (kan&re), bep. kanarêya, 't Ma- 
leische f^\[jS^, soort van amandelboom, Canarium 
sp. Van daar: tokeng kanare, een tokeng met den 
vorm van een kanarie-noot. Vergel. op: tokeng, 

^^/^^^^ (kanawa), bep. kanaw&ya, soort 
van boom. 



3S 



^^^sO (k&nnass^), bep. k^nnassaka. Dit 
wordt gebez. van alle eetbare waren , welke door 
middel van sotd^ azijn y dij of hrandewijn of iets 
anders van dien aard, tegen bederf gewaarborgd 
worden: ingelegde eetwaren, (Bo^. idem.) Zoo kan 
men er bijvoorbeeld onder verstaan: zotd vleesck, 
üuropeschehamy zoute vischy haring, aQar*8 (zuren\ 
als: augurkjesy enz., vruchten op brandewijn , aar- 
dijnfjeê in óL^y enz. 

Pakannëlssang, de plaats waar, of: depot, waarin 
men de kdnnasêd bewaart. 

>• /^ O (kinisi), = kade^"*. 3. — Si-kunisi, 
een weinig, een klein stuk. 

^^^ (1* k&^a). bep. kaQ&ya, glas. Boeg. 
Mal. Sd. Jav. Sskr. idem. 

(2<' k&^i), bep. kl^aka, ondeugend. — K^Q^ 
ki, h^ is ondeugend. Van daar ook gebez. van 
verboden omgang met vrouwen. Boeg. mdk&tjd, idem. 

•• ^ (k^tQi), bep. katQiya, zuur. Boeg. k&t^i, 
idem. — Nik&t^i-lêmo, met Umoensap gezuurd, of 
zuur gemaakt worden. 

PaklLt^i, datgeen wat zuur maakt. Alzoo ge- 
noemd de navolgende ingrediënten voor de groente 
bij de rijst y als: btCinang, ^aramêlé, bdlló dUtng, 
tjdmba, ^dmba djdwa, sdttoeloe, Umo k^pasd, 
lémo pakasdkmba, lêmo mar^a, lemo kdmbang, enz. 
Men zie op de aangehaalde woorden. 

•• ^ (l^kanjSing), (vergel. 'tMal. Sund. en 
Jav. kdnj^ng , knoop) , het bovenste deel van het 
lemmet eener kris , dat uit de scheede pleegt uit te 
steken. Boeg. idem. — KIl^Qing mandappong, 
soort van gouden halssieraad, van voren op de 
borst hangende. Yergel. manddppo^. 

(2**. k&nj^ing), één van de vorstelijke ;w5^/^- 
ka-8étang*s, bestaande in twee kleine bekkens, die 



tegen elkander geslagen worden. (S. Tjin.) Vergel. 
bé^ka. 

•• *^^ (kaQoe), buigen. 

Taka^oe-k&^oe, gebogen, te buigen, buigzaam, 
bijvoorb.: een stuk rottan, of een boomtak. 

Pak&^o^, buigen, bijv.: paka^oe-s&i ^^cljo, 
buig dat eens. 

Ka^dbki, ergens op qf over buigen; b^v. : Ka- 
Qo'^ki-s&i blbald dongkd^na, buig eens een zweep op 
zjjn* rug, d. i. : ge^ hem eens terdeege md de zweep 
op z^n* rug. 

^^ ^ (kinjQd). ~ Kinj^^kinjtja, bep. ki^^'£- 
ki^^aka, zaehJt omgebogen , b^v. eei^ vrucht. Mal. 

(3^005 , Atoi». 

Pakin)^a-kinj^6ki karemênna, de vingers een 
weinig achterover buigen, zooals depadjógé*s of pu- 
blieke dansmeiden b^ het dansen plegen te doen. 

\^<^^ (kê^Ji), bep. keQiya, brik. Mal. ke- 
tjie. — Ambing-kê^'i. Vergel. dmbing. 

\^<^\'^ (kê^é). — Akê^jé, soort van kinder- 
spel, waarb^* een zeker aantal pitten in vieren ver- 
deeld wordt, en men vooraf raden moet, hoeveel 
er alsdan overschieten zullen. Het antwoord luidt 
tarroesoena, d. i,, dat er niets overschiet, — se- 
rena, d. i. dat er één overblyft, — roewdnna, dat 
er twee, of: talUfenna, dat er drie resten. Boeg. 
idem. Jav. «^#m«^»ji«m^\. 

•• 'N *ö (kótQï), ergens tatpeuteren , of «t^a- 
len, of uitnemen, hetz^ door z^ne hand of vinger 
er in te steken, of op eenige andere wijze; b^'v.: 
boeken uit een trommel , vuilnis uit de ooren; eten, 
dat tusschen de tanden zit, eieren uit een nest, 
(Bap.) B. mótt. — AiigótQiki djeneka, lett. het 
water peutert hier uit, d. i. spoelt landwaarts in, 
neemt een bogt landwaarts in. — • AngotQi ri-kaTri , 



33 



of: ri-kinang, aganga, de weg loopt linke of r^. 
— Ang6t^i ri-kairi pêpeka, de brand breidt zich 
Unie uit. — Angót^'i ri-kaïri b^iisika , de aanval 
wordt Uükêttf gedirigeerd. *- Angot^iki, akdt^iki 
bftnka, lett. de wedmoeson peutert^ neemt ieU ttit 
de ooiimoeêon, d. i. : maakt zich meeeter van een 
gedeelte der ooêimoeson^ d. i. : het ia weer van de weet- 



•^'^/is'N (ka^annong), blaar. B. idem. 
bijv.: ka^&nnong nakanre -pèpé^brandblaar. — Ka- 
Q&xinong natiriki djéné-b^mbaug, blaar van het 
storten van kokend water. — Pdferoc-pdëroe ka- 
^^nnong, eoort van pmetjes, die in blaren over- 
gaan. 

•^ *Ö ^ (kSltQili), goed raken. (Staat t^en- 



MoeMW» (fechoondet^d van de oodmoeeon reeds daar over b^oló, a^schrampen.) — NiklLt^ili-mi, h^ is 



is. — Na-kiköt^ilappakk&nni^ w^ steken ome hand 
im de haite^ gevormd door de bniging der knie. (Maoet.) 

Kot^ikang, broekzak. B. idem. 

Pakot^i-kotQi, lett. een peuteraar , d. i,: een 
ditfdie eene kleine opening in den bamboezen wand 
maakt, en zoo het een of ander uit een huis haalt, 
uHpeutert; ▼. d. ook : iemand die eene vrouw op on- 
voegzame plaatsen tracht beet te pakken. 

••^^ (köi^^i), bep. ko^^iya, sleutel. Sd. 
MaL Jet. kdèn^, Skr. koen^ikd, idem. 

•<^ 'N X ^ (kóQe), bep. ko^o-ko^êya. — Tftoe- 
ko^kd^e, iemand die los in den mond is, vuile 
aardi^keden verteU. B.mddéQe^^e. 

•••^•«^^^^ (ka^ikord), bep. kaQiko- 
xoka, holte in den nek, nek. B. ijikong. 

^<^*^^^x\^ (k&Qang-göreng), oigenlyk 
Mal. , doch in het Makass. gebez. voor eene soort 
Tan lange penivruchi 

^^^X (kaQ&mbang), (Midi), soort van z^- 
de» buikband met franjes, eertyds in gebrttik. 

^^"^X^ (kaQdfebong), soort van plant, 
wier vracht en zaad een bedwelmende kracht heb- 
ben. Mal. Aêf^^, Daturafastuosa L. Men heeft 
twee aooriexi Yanka^dèboiig, te weten: kammóemmoe 
enkébó. 

••^^^V (kaQdbnda), bep. ka^oendflya, ar- 
rowroot, arrowrootheester. 



goed geraakt; en wanneer zulks met een geweer 
geschied is, beteekent het zoo veel als: hij is mors 
dood. — Ta-kat^ilaï, hij raakt het niet goed, dat 
is: h^ raakt het slechts even, of: h\l gaat er langs. 
NB. D^ze phrase bijvoorbeeld gebezigd onder het 
dmólong-taboe , eene soort van spel. Veigel. pö- 
lofig. 

•^ *Ö 'N ^^«^ (ka3ówtt),bep. ka^owaka, kleine 
soort van kakkerlak. 

^f^^ (koe§ai), bep. koetjaiya, soort van 
groente voor den Inlandschen kost. (Kei.) Boeg. 
idem. 

^^/O (k&djang), soort van matten, gemaakt 
van koewalbladen. Jav. en Mal. idem. — KlU 
djaüg si-bakk&rrang, één stuk kd^ang. Vcrgel. 
bakkdrraiig, op bdkkard N^ 2. 

KlUljang-pada, soort van rek op de praauwen, 
waarover men de kddjang leggen kan, tot beschut- 
ting tegen de zon. 

K^jang-rdbmpoe, soort van langwerpig en van 
boven in een' hoek uitloopend deksel , dat men 
soms in het graf op het lijk zet. — Ook soort van 
los dak, soms op depraauwen gezet. 

^^/O (ka^dja), bep. kanjdjaka, soort van 
visch, door de Maleijers kdkap, en door de Euro- 
peanen gewoonlijk kaulkop genoemd. 

•<^ /O (kiHjang). — Takid^ang, otitstellen. 



3i 



^f /O(kdfenjdjoeng), doel^ oogmerk^ met opzei, 
met zekere bedoéUng handelen ^ willen^ voornemens 
£^n. Bijv. : Koenjdjc>bnna kananna-dji paleng» (= 
pdro-kandnna, vergel. póro N"*. 1), het was dan 
maafj om wat te zeggen ^ lett. de bedoeling was dan 
maar, om eenige woorden of klotsen voort te bren- 
gen, (Bid.) 

Takdfenjdjoeng, staat wat den vorm betreft ge- 
lijk met tdUa^érang, en beteekent lett.: in dien 
toestand geplaatst zijn, dat men eenig voornemen 
koestert j v. d. met opzet, met zekere bedoeling han- 
delen. (Tar.) — Veigel. myne Makass. Spraakk. 
} 177. Byvoorb.: Tékdénidioengi batto^battoe, 
cr^na-dji koe^'ini an^na Tdbwang, ik kom met op- 
zet, {met eene bijzondere bedoeling), gedurig aan; het 
is, om mijnheer^s dochter te zien. 

Koenjdjdfengi, a) zich iets voornemen; b) zyn 
voornemen ergens toe uitstrekken; van daar: ergens 
heengaan, alzoo: niya la-koekoenjcljdbngi, = niyd 
la-koemangéï, ik zal ergens heengaan. 

^•••O (kêdjoe), bep. kedjdfewa, 't Portug. 
queijo , kaas. Mal. en Jav. idem. 

\^^\yO (kênjdjé), geeft te kennen eene 
laagte tusschen twee verhevenheden. (B. idem.) 
Bijv. : kênjdjeTd aganga , de weg zakt als 't ware, 
d. i. loopt naar beneden, om vervolgens wéér te rij- 
zen. — Makênjdjéki tanettêya na-agang toe-Bo- 
nêya ; de hoogten zakken in door de menigte van Bo- 
nieren die er overgaan. (Bap. K. G.) — Taoe-kênj- 
djé , iemand met ingevallen' lendenen. 

^••/O^ (kêdjo), bep. ke^ówa, Bon- 
thainsch, = kéga. 

•• ^ /O (kddja), bep. kodj^ya, = 't Malei- 
sche j^^üf ii^y>. Moor, of Mohammedaan uit 
Hindostan. Jav. en Boeg. idem. 



^^/^4^ (kaiïjdjappang) , soort van schelp 
(slak.) 

Van daar ook , wegens overeenkomst in vorm , 
de naam eener soort van donderbus. NB. De kanj- 
djdppan^ is hierin van de gewone pamdrasd onder- 
scheiden, dat de loop niet geheel rond is, zoo als 
b^ laatst genoemde , maar van onderen plat uit- 
loopt. 

•• •© ^ (kS-njcijai*)» dansen. — Mak^njdjaró 
Malókoe, eene soort van Molukschen dans uitvoe- 
ren. (G. G.) 

Pakanjdjard, een dansen; v. d. si-paka^Sjara 
boköna, het was een geraas, als of er achter hem 
gedanst wierd; d. i. hy had een groot gevolg achter 
zich. QSildi.) — Paka^djara, ook gebezigd van 
een' zekere manier van slaan op de gdnrang. Ver- 
gel, ganrang N**. 2. 

PakanJ^ari, ergens dansen, bijvoorb.: app4 
iladena (Tambakóla), napamassiki boloe, appa ira- 
yana napaka^djari tanrdbkang, aan den westhoek 
van Tambakóla spartelen bóloe-visschen, (vergd. 
bdssi N^ 8), d. i.: vindt men menigte van boloe- 
visch; aan den oosthoek van Tambakóla, (NB. in 
Boeloekdempd) , dansen de hertebeesten, d. i.: vindt 
men menigte van hertebeesten. 

••'N/O^ (kónj^a^"»)» ^P- könjdjaraka, 
verbasterd van ponjaard, 

•• /O ^C' (1" k^djala), bep. k^djalaka, duur. 

(2^*. kd^aiana), moge; byv.: kddjaiana battoe 
toWang, moge mijnheer komen! — Kadjaiana 
mate, moge hy sterven/ (Tar.) 

•••O^C^'N (kanjdjilo), bep. kanjdjil6wa, 
soort van visch. (Rap.) — Kanj^^jilo nirótto. Ver- 
I gel. rottó N°. 2. 

••/0*\^ (kanjdjoli), bep. kanjdjólika, 



35 



aoort van liclit, bij de inlanders in gebruik; wordt 
gemaakt van een panrardêMtiff , of dun gemaakt 
hambofije^ waartegen men boomwol (kapasa), met 
fijn gestampte kamiri-, of èaptri-noot Leeft aange- 
plakt. — Fadêngka-kanjdjóli, een persoon die kanj- 
djSli^ eigenlijk de saptri-noot voor de kanjdjóU 
stampt, d. i. kanjdj(Ui'8 vervaardigt NB. Hiermede 
aan de hoven één slaaf uitsluitend belast. (Bid.) 

•• 'N /O 'N -^ 'N (k^djolü) , bep. : kddjoloka, 
vermoeid. Bijv.: iya-mi nikodjolo-bongga si-t&iïga 
reyala; kern werd als Htoare voor het vermoeijen van 
syne d^en betaald één halve reyaal. (Bap.) 

Ampakodjólang, j»o« maken y vermoeden. 

^^ yO ^N^ '^ (1" kadj&wo), bep. kaSjawowa, 
soort van groot schelpdier, B. idem. Bijvoorb.: 
m^te-todjeng-mi kadj&wo, nakato'bloeng bêre-bêrej 
letterl.: h\jis icerkelyk dood als een kadjdwo, tcaar de 
wieren zich om heen verzamelen, NB. gebezigd 
wanneer men bijv. eene groote menigte menschen 
om het pas gevonden lyk van een' dief of roover 
ziet staan. VergeL katoeloeng. — De kadjdwo 
wordt ook wel genoemd saèingang^ dew^l de schelp 
dikwijls als zoodanig geb. wordt. 

(2" kadjilwo) , soort van geweer, eertijds in ge- 
bruik. (Bap.) 

•• yO 'v^ (kanjdjfi,i), bep. kanjdjaiya, soort 
van lans met een' ^zeren punt, in den vorm van 
onze vischhaken. 

^^ ^^ (kanj njang), = tdntang N°. 1 . Van daar : 
koepakanjnjangi kananna, = koepatantüi^angi, 
= koepatodjengi, = koepatdntoem kananna ^ ik be- 
vedig iemands woorden, (Godsd.) 

•<^^ (k^nji), bep. k^nji^*» vleugel, vlerk, 
ook geb. van de vinnen van een visch. 

^^^ (kanjnjing), tcenkbraauw, Maleisch 



AaSI Boeg, annUig en dnjnjing, — Poko-kanjnjïng, 
uiteinden der wenkbraauwen van binnen. — App^, 
of: ^app^, kanjnjing, uiteinden der wenkbraauwen 
aan de buitemij, — Pasimbangang-kilnjnjing, de 
ruimte tusschen de beide wenkbraauwen. — Paroen- 
to'bkang-kanjnjing, lett.: ontmoeting der wenk- 
braauwen, van daar nagenoeg hetzelfde als: pasim- 
ba/Tgang-kdnjnjitTg. — Akido-kanjnjï»è » ^ wenk- 
braauwen optrekken. — Kddaro-k^njnjïng. Vergel. 
kaddro. 

•• ^ (koljnji) , bep. ko'bnjika, a) geel; = 

't Maleische >^«^ Boeg. ónjnjt. 

b) kurkuma, = 't Maleische oJ^,yS. — Kayoc- 
kdénji , soort van hout , gebez. om geel te verwen. 

— Gïlrrïng djcué-Vóén^i, geelzucht. 
Nikdfe^i » ff^^^ geverwd worden. 
Ko'biyi-kdfeiiji, geelachtig; bijv.: êdja-ko'ënji- 

kclënji, geelachtig rood. 

••<<^ (kSlyoe), b. kayo'bwa, vnw. kayoeng- 
koe, hout. Jav. en Mal. idem. Boeg. ddjoe; ook 
dikwijb gebezigd b^* het optellen van zoodanige 
voorwerpen, waarop w^ ons woord stuk kunnen 
toepassen; bijv. bij het optellen van beesten, en 
insgelijks \B.n stukken lijnwaad. — Kayoe-tcne, zoet 
hout. — Kclyoe-tene Balanda, kaneel. 

Kdyoe insgelijks benaming voor één van de 
vier soorten van kaarten bij het omi-spel, hebbende 
één of meer houtjes of stokjes op het prentje, en 
gelijk staande met ons klaveren bij het quadnllc- 
en omber-spel. — Kayoe po'feti, soort van boom: 
Mélaleuca Cajuputi, vooral bekend om zijn olie. 

— Kayoe-dj&wa, soort van boom , van daar: amake 
k&yoe-djawa , groen met wit dragen , naar de groene 
bladen en wiite bloemen van den kéa/oe-djawa boom. 

— K^yoe-po'bli, soort van boom. Vergel. pifeli 



3(1 



N^ 1. Van daar: am&ke kdiyoe-pdbli, roody geel en 
groen dragen , naar de drie kleuren van de kdyoe' 
pdhUriloem, 

T6peniilkay(>bwa, heiUnnen aan htt stuk. (Kap.) 

^^«.'^ tkiyo), roepen; bijvoorbeeld: kiy<J- 
maë, herwaarls roepen, roepen om heneaaris te ko- 
men , onlbieden. 

Pakiyó, een roepen; byv. pakiyoka sabinna 
lamboesoeka, het roepen, het tot zich roepen, of 
trekken, het zich èeniintielyk maken, is de getuige 
tfon de regtscliapenheid, d. i.: daaruit blijkt het, dat 
iemand regtachapen is. (Bap. K. G.) 

Kiyóka^, roepen voor, ontbieden toor ; bijv.: 
koekoetanangaiïgi to'bwafig, &pa are koetaëng, na- 
kiyokangi kalSoe lyanoe, napadfewang-s^ Itdb- 
waiig, nakiyokaugai, ik vraag aan mijnheer, wat 
het toch is waarvoor, d, i. waarom hy N. N. naar 
Makassar ontbiedt; en mijnheer zegge my, waarvoor, 
d. i. de reden waarom , hij N. N, ontbiedt. (Brief.) 

Pakiyokang, a) voor iemand bezigen om te 
roepen, d. i. bezigen om hem te roepen. 

b) laten roepen voor ienumd of iets , d. i. iemand 
of iets laten uitroepen. 

c) ergens voor roepen , of uitnoodigen; bijvoorb. : 
Apa-mo nipakiyókaiïgP wat wordt gebezigd, om mee 
te roepeti? d. i. waarmede wordt geroepen? d. i. 
waarmede trekt men de menschen tot zich? (Kap. 
K. G.) — Pakiyokang ri-pasaraka, cp de markten 
laten kitroepeti , v. d. een order uitvaardigen. — Pa- 
kiyokang agama-Isilanga , de Mohammedaansche 
Godsdienst laten uitroepen, dat is: doen verkon- 
digen. — lya nikaua nidjdbko'e-lömpo, nipakiyo- 
kanga , lett. : dat heet een* groote visscherig, die ge- 
bezigd wordt, om voor te roepen, d. i. waarvoor ge- 
roepen ofgenoodigd worden ptenscheninhet land. (Kap.) 



^••«^(kêya). — Kêya-kêya, bep. kêya-ke- 
y^ya, soort van snip, die loopende eene zekere 
schommelende bew^ng maakt. B. idem. V. d. : 
kêya-key&na-b^ilika, de haan van het geweer. — 
Y. d. ook : adj&ppa takêya-kêya, even als een kê- 
ya-kêya loopen. V. d. ook: ^kêya-kêya, gebezigd 
van de beweging van man en vrouw b^ den coïtus, 
V. d. ook: batnne leba nikeyaï, eene vrouw die be- 
slapen is. 

'^••«^'N (kêyo). — Akêyó, schreeuwen 
(ganzen). B. idem. 

•• 'N <^ (V. koyafïg), 't Maleische yj-iy^y 
\ Javaansche vf<n9»A»»njf\, een kóyan, maat van 
27 pikel's te Batavia, en van 20 pikeFs te Ma- 
kassar. 

(2", köyang), = kowdya^ W. 1. (D. Moes.) 

••'^«^'N (r kóy6), bep. kóyoka, 't Ma- 
leische (3^«^ pleister. 

(2^* köyó), ngóyó, = kayéheo, met dit onder- 
scheid, dat hetgeen waar men naar gr^, ecnig- 
zins in de hoogte is. 

••<^v> (kiy&md), bep. kiy&maka, 't Ara- 
bische mLu», Opstanding. 

•^ «^ "^ ^ "^ (kïyoró). — Kiyori, bestrooien, 
(üjay.), begiftigen. — Pangiyori, lett. een bestrooi- 
jen, een beg^Ugen; van daar: bedragen in eten of 
geld voor een feest, bijvoorb. : ds^e paiigiyM. (Kap. 
K. G.) 

Pangiyori, ook gebezigd van het terug geven 
van het geld, dat de jonggetrouwde vrouw, aan de 
vorstin , of vrouw des toe-mdil&lang's of gl&rrang's 
overhandigd heeft. 

Pangiyoriyang, feest, waarbij ieder eene g\ft in 
eten of geld meê brengt, tot goedmaking der onkosten. 
(Kap. K. G.) 



37 



Kiy drang, ergeM over ttiidroo^m; van daar: 
tentroo^en; en ook in een' overdragtel^kenzin ge- 
besigd Tan het verdrooyen van menêcheH, (Rap.) 

^^ <^ ^ (Kayili), naam van een rijkje van 
Gelebes. Van daar: kalêwang-Kayili, soort van 
hUéwang, Yeigel. beneden op kalétoang, 

••^C^^^'N (kay&wo), aangrijpen^ grijpen 
naar iets, wat maar ter naauwemood onder ons 
bereik is. Y. d. een greep ^ behendigheid^ han- 



Kayawdwang, grijpen voor iemand naar iets, 
bgv.: kayawdwang-8^ &n]3jo seleka, lett. gr^ eens 
voor Mjj naar die kris, d. i.: gr^p eens naar die 
kris , en geef m^ degelee aan. — Kayawdwang-s4 
anjdjo r&ppo-kayd^a, pluk my eens die boom- 
vruehien. 

>^<^0 (kiyasa), = Ar^flwa. 

X ^<^ <^ O (kêyasd), bep. kêyasaka, 't Arab. 
QwLvS, redenering y v. d. : gedachte. (S. Tjin.) 

^•^ (!• k&riL), bep. k^ka, Boeg. éürd, 
even als de soemaUang , één der twee draden van 
de schering {anéga^ vergel. dne W. 1.) — Ook al- 
dus genoemd bet touwtje of witte garen y dat de 
kard met de pakardkkang verbindt , en haar alzoo 
van de soemdüang afixsheidt, ten einde er de pd- 
ioj^y of inslag y door te kunnen halen. — Paka- 
r&kkang, een langwerpig y rond houtjcy dat boven op 
het weefgetouw ligt, en door middel van wit garen 
(idrd) aan de kdrd vastgemaakt wordt. Men zie 
boven. 

(2* kar^), bep. kflroka, B. kdriy naam eener 
kleine soort van kikvorschen, die de paddie op het 
veld vernielt. 

(S* k&ra-k&ra), bep. k&ra-kar&ya, soort van 
plant met ranken en witte peulvruchten, die boon 



tjes bevatten, welke, even als de kd^angy b^oró, 
enz., eetbaar zijn. (Boeg. idem). CanavaUia gla- 
diata. L. 

KUra^kara-römang , wUde kdraMra. 

{4^" kllrr&) bep. k&rraka, ü^. — Ak&rra, ü^m 
opgeven y schrapen y spuwen. 

•• ^ (1* k^ang), li^rang, HMaleische é^y 
zamendeüeny makeny een gedicht bijvoorbeeld, of 
eenig ander geschrift. Boeg. idem. 

Pak&rang sinrili, een stnrilt*s makeny v. d.j 
dichtkunst. 

(2*k2Lrang), koraalrots. Boeg., Mal., Sund., 
Jav. idem. Sanskr. kharay kharangy scherp y 
puntig. 

(S^ k^rong), openeny open makeny losmakeny v. 
d. : spreiden. Bijv. : karang p^yoeng, een regen^ of 
zonnescherm openeny open maken. — Karang somba- 
laka, de zelen losmaken. — K^^ k^rö, een 
matras open makeny spreiden. — Karang katlnro- 
wang, een bed spreiden. — Kirang SJ^^ftf de mat- 
ten losmakeny oniroUeny spreiden. 

Kdrampatompé» het witte verhemelte, dat van 
boven, (vergel. t6mp6)y over de voor een lyk be- 
stemde boelékangy of draagkoetSy is uitgespreid, 
(nik^rang.) 

^^h^ (k&ri), bep. kWka, schraby kras. Boeg. 
k&ri. 

AkHri, schrabbeny krassen. — Tüékkn-kiAy idem. 

Kftnki bêrasaka, = kdristki bêrasakay van 
daar : Nak&ri-m6 itdfewang, lett.: mijnheer heeft wai 
van myy als ware ik eene maat met r^fsty afge- 
sehraapty v. d. heift zich ten mijnen koste bevoor- 
deeldy (byvoorb. bij verdeeling van goederen), is 
mij v66r geweest, heeft m^j eene vlieg afgevangen^ 
is mü een end vooruit, {cp de reis bijvoorbeeld). 



38 



— Têyako m^riugi nik&ri, laat u geene vUeg 
qfvangen, 

•• \ (T kering). — Tasi-klring-karing b&- 
djoe-bacyclënna, zyne Meeren hangen aan lappen^ 
{stukken.) 

(2" k^mng), = èdrringy hevig ^ sterk, hard. — 
Timoro k&rring , hevige of sterke oostmoeson. Ver- 
gel, timoró. — Bilrd kamng , sterke westmoeson. 
Men zie bard N^ 5. 

Kamnna rotiya, het harde of bruine (de korst) 
van het brood, (het t^enovei^gestelde yan aiênna 
rUtya, het weeke of binnenste van het brood. Ver- 
gel, dte.) 

••^ (kSlrro'e), ngarroe, weenen. — Ng&pa 
si-k&rrde-karrdena m&mi, waarom huüt het zoo 
altoos door, leti: wat is het toch? — het is 
slechts één weenen maar. 

Pakarroe , doen weenen. 

Pang&rrde, geween, gehuil. 

^^\^ (k&re), bep. karêya, geeft iemand 
van goede geboorte te kennen, is ecliter minder 
dan ddeng. — Kare-P61e. Aldus volgens den kaJi, 
of Opperpriester van Gowa, genoemd deanro^go^e- 
roe-padédeka, of het hoofd der goudsmeden , die de 
eerste djingard, of dtnard beeft geslagen. 

^•\^ (k&nre), bep. kanrêya, (vergel. kadó 
N*. 1), eten, rijst. Boeg. indnre. — Djéné-kanre, 
rijst-water. — KSlnre-Djawa, koek, gebak. — Kanre- 
kdbnji, r^st met kUqfpermelk en een weinig zout, die 
inen door middel van kurkuma (kdknji lett. b.) geel 
geverwd he^. — K&nre-k&nre, spys. 

Akanre, ngiuire, é^ilnre, md^nre, eten, 
w.w. Boeg. dnrSf mdnre. — Nganre-daniy&ri, met 
het aanbreken van den dageraad eten, gebezigd van 
*s morgens te vier ure in de vasten maand, als wan- 



neer men gewoonlyk eene goede maagversterking 
neemt ; v. d. ngdnre-daniydn dikwijls gebezigd om 
te kennen te geven, dat men vasi. — Sesa-ma- 
ng^nre , = sésa mdkadó. Men zie op .- Kadó N°. 1. 
— Toe-mang&nre f^}i, iemand die als Hware loon 
eet, d. i. verdient, d. i. voor loon ergens dient, alzoo: 
een vrije bediende, in tegenstelling van : pandeling 
(toe-mdngtnra^), en slaaf (ata). — Akanre il&laiig, 
inwreten, bijvoorbeeld van kanker gebezigd. — 
Akanre soms gebez. van het uitwerking doen van 
een geneesmiddel, lett. eten, v. d.: effect doen. — 
Akanre-pêpeka, lett.: het vuur verslindt; van daar: 
er is brand. — Nakanre pêpé ball^na ly&noe, of: 
Ballina lyanoe, nak&nre pêpé, het huis van N. N. 
staat in brand; letterl.: het huis van N. N. wordt 
door vuur verslonden. — Aiig^nre poes&ka riy^noc, 
eene erfenis voor N. N. eten, d. i. in ontvang ne- 
men. NB. gebezigd van een* gevolmagtigde. — 
Kanre-lêkoka, lett. het blad, of de sierih, eten, 
hetz\j geheel of een stuk daarvan, van daar gebe- 
zigd , om son- en maansverduistering te kennen te 
geven, byv.: dk&nre-allowi lêkoka, lett.: het afne- 
men van een stuk heeft plaats bij dag, d. i. het is 
eene zonsverduistering. -^ Akllnre-bangi lêkoka, het 
afnemen van een stuk heeft plaats bij nacht, d. i.: 
het is eene maansverduistering. — Tanakanrêyai 
bainne, lett. eene vrouw eet niet, d. i. eene vrouw 
heeft geen deel aan de winst, noch aan het verlies 
van haren man. (Kap. T. Dj.) 

Anganre, eten, ook overdragtelijk gebezigd 
voor: beboeten. — Anganre bllwang, te onregt be- 
boeten. (Rap. K. G.) 

Boel^ng kslnre-pole. Men zie op: boeldeiig. 

Pakanre, doen eten, spysigen; v. d. taoe-nipa- 
kanre, lett. iemand die gespijzigd wordt, v. d. iemand 



39 



die ergetu enkd voor den kost werkzaam is. (Inl. 
wetb.) — Pakanre ndwa-nawSlnna, ^yV gedachten 
laUn eteuy d. i.: Men werkzaam z^n, (Bap. K. G.) 

— Nipak&nre djené-Slwoe, palêyo kalötord, enz., 
lett.: gespijzigd worden met, d. i. vermengd worden 
mH ascAwaieTy drooge kalk , enz. NB. bijvoorbeeld 
gebezigd van indigo, — Boel&ëng m^ring nipa- 
kame-pdle, = boeld^ kdnre-póle. Men zie boven. 

Pakanrêyangi, iemand voorzetten om te eten; 
b^voorb.: &njdjo bembêya nipakanrêyang^, die 
geit wordt my te eten voorgezet. 

Pikftnre, lett.: doen eten^ doen verteren ; y. d. 
pikanre sdbmpa, lett. : vervloeking laten eten, d. i. 
met vervloeking treffen, d. i. vervloeken. 

Panganre, een eten; v. d.: beöoeting, boete. Ver- 
gcL pakadó op : kadó N^ 1. (Kap.) 

Sik&nre, elkander eten, verelinden. Van daar: 
sik&nxe mat^koe, mijn* oogen üvUen zich; lett. 
de oofieden verslinden als H ware, d. i. maken on- 
zigtèaar het overige van de oogen. — SiklLnre-teté , 
digi h^, vlak naast elkander zyn, bijv.: sikclnre- 
teté-ki ballaka, de huizen staan vlak naast elkander. 

— Amêmpo aikanre-tltéki , zy zitten vlak naast, 
6^ op elkander. Yergel. t/té N^ 2. NB. Deze 
spreekwijze welligt in dezervoege te verklaren. 
Men is zoo digt b^ elkander, dat men elkander let- 
terlyk raakt , {tété N". 2) , en het is als wilde men 
elkander opeten, {sikanre.) 

Kanrêyang, lett. als 't ware etiag, v. d. eten; 
bijv.: b^djiki kanrey&nna, lett. goed is de eiing er 
van, d.i.hetis lekker om te eten. NB. hddjiki kan- 
rena, zou eenigzins dubbelzinnig z^n, zou ten 
minste insgelijks kunnen overgezet worden met : 
z^ rijst is goed, d. i. smakel^k. — Kódi kanre- 
y&nna, slecht om te eten, soms ovcrdragtelijk ge- 



bezigd van eene vrouw, met wie men den coïtus 
niet verkieslijk acht. Zoo b^voorbeeld van eene 
vrouw met huberé oi poerdssi toUasi. Men zie vooral 
op toldsi. — Kanrêyang ê^a, lett. rood eten, v. d. 
soort van visch: roode kaalkop. 

Sikanrêya^, zameneting, in zameneting zyn, in 
zulk een positie verkeer en, dat bijvoorbeeld een wa- 
pen als 't ware van ons vleesch verslinden, d. i. ons 
raken of treffen kan; d. i. onder het bereik daarvan 
zijn, b^'voorb.: sikanrêyang b^ili, of: manyang, 
onder het bereik van een geweer of kanon zyn. 

Panganrêyang, in het algemeen: plaats van 
eten, v. d.: een tqfel, een schotel, eene weide voor 
buffels en andere beesten. (Inl. wetb.) — Fangan- 
rêyang ook geb. voor het vruchtgebruik van iets. 

Sipanganrêyang , zamen eten, b^'v. vit één 
schotel, aan één iafel. 

Ak^nre-k^nre, snoepen. NB. niet in den zin 
van stilletjes eenig eten weg nemen, maar in dien 
van wat lekkers eten , dus als 't ware slechts iu 
schijn eten. (Vergel. over deze verdubbeling mijne 
Makass. Spraakk. § 166, 3^ 

Onre-kanrêyang, een snoeper^tje, een lekkem^, 
die eigenlijk niet den naam van eten verdient. 

Pak&nre-kanre , een snoeper, iemand die veel van 
zulke snoeperijtjes houdt. 

Pitik^nre-kanrci, nu eens van dit, dan eens van 
dat snoepen. Ook overdragtel^k gebezigd van veel- 
vuldige en willekeurige beboetiftg. (Inl. wetb.) Ver» 
gel. mijne Mak. Spraakk. § 166, 2"". en S"". 

•• ^ 'N (1" kSlro). — Karo-karo, zich haas- 
ten, schiel^k, in de haast. — Baiibasa-karo-k&ro 
(Mal. van Makassar: pagi-pagi lakas), zeer vroeg in 
den morgen, 

Karo-karówi, iets /mastig doen. 



40 



(2** k&rrd), bep. ktlrroka» ligt groene reiger met 
langen hals en snavel, aldus genoemd wegens 
't schreeuwen van kdrró. Men zie: gdrró IT. 2. 

(8"* klbm$-klLnn5),bep. kdnd-k&rroka, ked, Hrat. 
(Bap.) Bijv.: t&ppo'e-ybrrd-k&rröki toe-m&bi^ar&ya, 
de regier is met een* doorgemteden strot, d. i* zoo 
goed alt mets meer waard. (Bap. K. G.) B. 
iigirro. 

(4* k&rrd-kftnrd), knanm^ knappen ^ b^'voorb. 
geb. van onr^ mangga^vntekt onder het eten. 

(B"" k&rro), bep. karröwa» soort van hofgezang 
bij geboorte, besnijdenis, enz., afkomstig uit Loe. 

(6* yirro), bep. karrftwa, geêchonden, heüig- 
schendend; b^v. : k&rro-mi poewas&ya, de voite is 
geschonden. — HiLrangi, miUc&no tongi, het is ver- 
boden en hdUgschennis. (Kei.) 

•^ ^ "N (k&rong), soort van vrucht, = êrró- 
drró N". 2. (Dat Moes.) 

^<^^'N (1® k&nro), ng&nro, angftnro, aan- 
roepen, smeeken (God.) 

Panglüuro, het bidden. 

Kanrowang, panganidwa^, a) bidden voor 
iemand, v. d. iemands voorspraak e^. (Inl. wetb.) 

b) bidden tegen iemand; kwaad van den Hemel 
af smeeken tegen »tf»unM^.—TaF-16mo-lom6wu,pdnna 
nipanganrowangi , h^ zal het moejjelyk te verant- 
woorden hebben, zoo men Ood smeekt, dat hem 
kwaad wedervare, 

(2** WLnro), nga.nro, = koenrdring, kermen, v. 
d. : nganro-nj&wa, nganro-to'bboe, l^den naar Ug- 
chaam en zieL 

y^^ (kira), &kira, meenen. Mal. en Jav. 
idem. 

Kira-kira, a) ongeveer. 

b) naam eener soort van boom, met groote 



vrucht, die verscheidene juist in elkander pas* 
sende pitten of noten bevat Zulk eene vrucht 
soms op tafel gezet en al de pitten door elkander 
gegooid, als wanneer de kunst hierin bestaat, om 
die weder precies in elkander te doen sluiten ; van 
hier welligt de naam van ktra-kira. 

Akira-kim , iemand lagen leggen. (Bap. T. I^.) 

Sikirapkira, eikander belagen. (Miói.) 

y;^^ Qan), ikin, met gesloten mond de tong 
bewegen^ en ahoo een smakkend geUnd voortbrengen, 
ten teeken van ttfkeuring, = dkoeroe W. 2. 

•• ^ (!• kdfera), bep. koerftya, 't Maleische 
en Javaansche hSsrorkóera, hndschmdpad.—Ykkaïe- 
dj&wa kdbra, soort van Inlandsch gebak, in den 
vorm van een schildpad. 

(2"^ kdbra). — Ngdbra, of m&ngdbia, Bonth.en 
Saley. = iSgapa, of méngdpa. — M&ngoe-mingdb- 
raï, = ngê^ng^t QAièï.) — Tapuikoeraï, =? 
ta^nigé^pa-^pSt. YergL ^ N". 1 en ^ N". 2. 

^f^ (kdbrang), minder, ontbreken, te kort 
komen, te weinig z^. Boeg., MaL, Sd., Jav. idem. 
— Kdbra^ S^eneka, er is te weinig water, komt 
water te kort. 

Koerangi, verminderen. — Koerangi ri, korten 
van; trfdoen van; aftrekken van. — Koerangi k&na 
nisoerdwangaï, verkorten, d. i. (tfdoen van, de bood- 
schap die hem is opgedragen. (Bap. K. G.) 

Kakoerangang, V* behoefte. 

2^ in behoeftige omstandigheden zijn; v. d.: ka* 
koera%ang&, ik ben in beho0ige omstandigheden. 

Kakoerangi, ergens vermindering, d. i. schade 
bü lijden. (Bap. K. G.) 

•• ^ (kdfering). — Akdfering-kdfering, treuren 
om, verlangen naar. (Sinr.) 

•• ^ (1" kdbroe). — Akdferoe-kclbroe, iemand 



41 



mei zamengetrokken wenkbraauwen donker en scherp 
aoMneHy zoo als bijvoorbeeld een b^'ziende doet, 
die zich moeite geeft, om iemand te herkennen. 

(2* koerde), = kirt, 

(3^ kc^brroe), geluid, dat men inaakt om de 
kippen te roepen , Boeg. kdrroé, v. d.: ako'ërroe 
soemangana, iemands soemUn^d (of bijzonderen U- 
vaugeed)^ men zie op: Soemingd^ roepen ^ hetz^' 
om te voorkomen , dat die wegvliege , hetzy om te 
maken, dat dezelve terugkeere, wanneer h^' reeds 
weggevloden is. Zoo zegt men b^'v. : ko'brroe soe- 
manganoe, an^oe, roep vwe soemangd^ m^n kind, 
te weten : opdat dezelve niet ontvliede. Deze woor- 
den gebezigd jegens een kind , dat er b^'zonder 
lief uitziet; dew^l men vooronderstelt, dat de 
boGce geesten zoo veel lieftalligheid met nijdige 
oogen moeten aanzien, en er dus op uit zijn, om 
zulk een kind, waar zij slechts kunnen, kwaad te 
berokkenen. Derhalve geeft men met deze phrase 
ingewikkeld te kennen, dat het kind een bemin- 
Dd^jk voorkomen heeft ; en het is in de oogen van 
den Inlander verkieslijker, > om dit op deze wijze 
aan te duiden, dan ronduit te zeggen : ^pódé-pó- 
dé-mdmOy of deigel^ke, (men zie beneden); vermits 
dit de n^digheid dier geesten ligtelijk nog meer 
gaande zoude maken. 

Apakdbrroe soemanga , iemand met hêrasd rdgi- 
ragi en bênte-dse, (men zie beneden op: bénte en 
ragi^) bedrootjen^ om zyne soemÉngd te roepen, te 
weten: opdat dezelve niet vliede. NB. Dit ge- 
schiedt ten opzigte van bruigoms en van alle 
hooggeplaatste personen , wanneer men hen ver- 
welkomt, uit vreeze dat de booze geesten uit wan- 
gunst op hun geluk of hun' hoogen rang hunne 
êoemungd zullen doen vlieden. — Na-po'fenna kara- 



ënga anggadbkangi giloe; na-tabangkangi t^- 
djai; koepakdbrróe-soemangdko si-k&yoe tMong 
l^eng, zoo de tforst iets doet, waardoor het volk 
schrikt, bezig (d. i. offer) ik één zwarten buffel, otn 
de door de schrik reeds weggevlogen' (of: op het punt 
van weg te vliegene) soemingd terug te roepen. (Bap. 
K. G.) 

Papakc)brro'e-8oemaiïga , lett. een oproepen van 
de soemëngd, v. d. een middel tot bewaring van de 
soemmgd, v. d. een geschenk in kris oipiek, of an- 
dere dergel^ke dingen bestaande. 

KcAïrro'e-ko'brroe djaiïgang, naam van zeker 
lied, voor kleine kinderen te zingen. 

••^ (1* kdferoeng), 't Mal. g>^ 't Boeg. 
(feroeiig, opsluiten; v. d.: koero'feSgang , kooi, hok 
(beest), Boeg. oerókng&fig , byvoorb. koerdfengaiig 
djangang , kippe-hok, 

(2® kcferoeng), gedeelte van een schip, te we- 
ten: de ruimte onder de bohkkde. Men zie op bdek- 
koe N^ 3. 

(3® köeroeiig), digtmaken, byv. : een regen- of 
zonnescherm. 

'^••^ (kêri), bep. keriya, soort van tim- 
merhout. — Kêri-tRnrde, en: kêri-bay&wo, soorten 
van kéri, 

^••^ (1° kerde), afschrapen, schrappen, 
uiikrabben, raspen, B. kiri, bijv.: kerdeki paka- 
l&nj^i^» afschrappen en schoonmaken het een of 
ander. Vergel. het Maleische \J^i schrabben^ 
krabben. 

Bakerde , soort van rasp. B. pakari, 

(2° kêro'e), betooveren. B. êroé. — Kêrde ri-r&ppo- 

didiya, door middel van de gele pinang, of anders de 

oly daarvan, het hart van een meisje betooveren, of 

op zich doen verlievoi. 

G 



4i 



\ •• ^ (keroeng). — KêroeSg-kêroeng , ge- 
meenste soort van visch. B. gêroeng-géroeng, V. 
d.: pak&nre kêroeng-kêroeng, em zeer ar» menseh^ 
letterlijk: iemand die hêroeng-kéroe^ ed, 

\^^\^^ (1° kêré), ngêré, /^ sn^den^ ker- 
ven , in moten snyden (bijv. : viech). B. géré. Bijv. 
ngêré tambako, tabak fijn mijden ^ kerven. (Dat. 
Moes.) — Kêré rdbko'e, = pólong roekoe, gras 
mijden. — Sikêré, bep. kêreka, één moot (visch 
b^v.). — Fakerêkang, of: pangerêkang, maekine 
om pdndang-bladmfijn te mijdm, bestaande in een 
regten stok, die op een voetstuk staat, en waarin 
zich eene ronde opening bevindt, om het pan- 
dang-blad door te steken, hetwelk alsdan met het 
mes wordt a%e8chraapt of gekorven. Dat f^n ge- 
maakte pandang-blad met geurige bloemen ver- 
mengd en tusschen de kleêren gelegd. 

Kêrérkêréboko, lett. zijn rug als H ware my den; 
V. d. zijn^ handen van achteren op zyn* rug houden. 

Pakêré-kêré, bep. pakêré-kêreka , zaag^ lett.: 
werktuig om als H ware fijn te m^den , werktuig dat 
dient om iets te verrigten, dat veel overeenkomst heeft 
metfyn snijden. 

(2^ kêre), kêre-maë, waar? wat voor? welk? B. 
kégiy b^v. kêre, (of: kêre-maë), pamantanganna? 
waar is zjjn verblijf? — Battoe kêre-ko-mtó? waar 
konU gij van daan ? — liunpa kêre-ko-m&ë ? waar 
gaat gij hem ? — Kêre-mïLé sanggênna noepalêm- 
ba ? tot hoever hebt gij gecopieerd? — Kêre-rewasa, 
op wat voor t^'d? wanneer? veig. 't Mal. JuAil, za- 
meng. uit vjll+ Jüu. Kêre pakêyang koep&keï? 
wat voor kleed zal ik aandom? (M^). Verg. 
't Mal. ^jLo. — Kêre-mo &II0 mab&Sji kipalam- 
pang? wai voor dag is goed, om op te gaan? vcr- 
gel. 'tMal.^jlx. (Djay.) — Kêre-mo ook soms gebr. 



voor: sigapdya-mo, wam^eer. — Kêre-kêre-m&ë , 
waar ook. — T^kêre-t&kêre , nu eens^ dan eens. 
(Brief.) — Kerêyang, kerêyang-maë, waar? wat 
voor f welk? — BMla kerêyauga kipamantangi ? 
welk huis bewoont gij? 

\^^\^ (kêreng), wegkraJbbelen , gebezigd 
van een hoen, dat de aarde met zijne pooten weg- 
krabbeU. (B. idem.) V. d. overdragtelijk : ékêreng- 
rompong , op den veertigsten dag na de geboorte van 
em kind, het schmkblad wegnemm, dat mm terstoad 
na de bevalling in de kraamkamer gebragt heeft. 
Welligt lett.: datgem wegnemen^ waaraan mm zim 
kon, dat er em kraamvrouw was. NB. op dit 
schenkblad bevinden zich: bénie dse en bérasd- 
rdgi-rdgi, alsmede: eene aangestoken kanjtfjoli in 
een mandje, voorts water in een' goed met pisang- 
blad digt gemaakten pot; eindel^k: een pot met de 
nag^oorte. — Akêreng dSwé, weggrabbelm, grab* 
belm naar duiten, die men b^v. op den grond 
gooit. — Akêreng djené mat&nna, z^ tranm weg 
oïqfwisschm. (Dat. Moes.) — Pa^erê%ang, het 
zand, dat b^jv. door het krabbelm va» een hom is 
bijéén gebragt. — Padj^ pakêreng-kêreng , vis- 
schers die dm visch uit hunne nettm halm, lett. 
doen als een haan , die de aarde met zijne pootm 
wegkrabbett. (S. Tjin.) 

^••^'N (1** kerd), hoozm, uüscheppm. B. 
idem. — Kerd, pakero, bep. pakeroka, em ümba, 
em puiemmer. 

K^rd timba. Men zie timha N°. 1. — Kerd 
lódjong. Men zie Wfjo^ N**. 1. 

Kérókang, plaats in een schip, waar gehoosd 
wordt, zijnde by de tohnbalé^s. 

^ené-kérdna sawiya, lett. het waterhoozm van 
de matrozm, = rogdna sawiya, en gebez. van de 



43 



bdoomMg voor hun' arbeid aan boord (NB. misschien 
ook letterlek de hdrut van hun hoozm,) Ver^l. 
éjéné'i^cwang en djéni-bdnri. 

(2® kodi-kêro), of: kêro-ddbdoe, wrevelig^ knor- 
rig , Ugigeraakt. 

Xödi-kerowi, wrevelig y knorrig, Ugtgeraakt zyn 
j^enê iemandy of toegens iele, 

••^^ (1* kora), — Taoe-kóra-kora, bep. 
k6ra-kor&ya, geb. van iemand « wiens l^k niet, 
zoo als naar gewoonte, tot ontbinding overgaat, 
maar geheel uitdroogt, terwijl de nagels hunne 
grodkracht behouden. NB. de Inlanders vertel- 
len, dat dit soms pUats vindt. Men denke hierb^ 
aan den grafkelder te Bonn. — T&oe-k5ra-k6ra, 
ook geb. van iemand, die door ouderdom als 
'twaie geheel uitgedroogd , kindeeh geworden m. 
NB. zoo iemand doorgaans onschadeligk gemaakt 
door hem lushter in hnis, even als een beest, tas- 
schen eene bamboezen omheining in te sluiten. — 
Nab&lima ^korarkora, lett. hy laai mij aU 't ware 
geheel midroogen, d. i. neenU geene notitie meer 
vtm mig, NB. klagt eener vrouw over haren 
man. 

(2"* kftrra-korra), bep. kórra^korr&ya, soort van 
vaartuigen, vroeger, vooral b^ de honggi-togten 
in de Molukko*s gebruikt. 

^^^^ (V korang), Koran, Arab. ^J^J^^ 
= h^tówang. 

(2® korang)» het eokm tranevereum, of dik ge- 
darmie, 

•• 'N ^ 'N (1" köro) , mingoTo, gelyk sneden, 
glad endden met een mes. (G. G.) B. géró, idem. 

Mangoró-oró, endden, byv. bloemen en derg, uit 
pa^éda. (Rap. K. G.) 

(2"* g&rring-kdró), bep. köroka , inkrimping van 



het gemak, soort van ziekte onder Inlanders niet 
vreemd en zeer gevaarlijk. 

(3*^ djangang koro), bep. koröwa, een haan 
welks kleur groen met wit is, of ook: swart, geel en 
wit. B. idem. 

Djangang-koro-bcAïwa-tala, een haan welks kleur 
geel met zwart is, naar de vrucht van den tdk^oom. 
Men zie op tdldW, 1. NB. vreemd dat men niet het 
Makassaarache rdppo4dld, maar het Mal. btiewa- 
^oZ^bezigtl 

Taripang-koro, witte kUp4ripang. 

••'%^'N (r kórong), Saleyer, en Bonth. 
= oering, pot (rijst.) — Tind-kdrong, soort van 
vogel. Men zie op tinó, 

(2^* kórong ,) een dam om het opgeschepte zout- 
water in de koelpannen te brengen. 

••^^'N (1* konro), bep. konrowa, de 
borst van een beest. 

(2** kónro), dkonro, mokken, eerC wrok koes- 
teren. 

Konrdwi, mokken tegen iemand. 

••^•^ (karl^kka), Saley. = bardmhang. 

••^•^ (karaiïgka^), véle dingen te gelijk 
in zyr^ vuist nemen. 

••^•^ (kardfengkoeng), masker. — Ka- 
rdbngkoeng kongkong, een masker dat een' hond 
voorstelt. — Am&ke, of: ant4ma ri-kardbngkoeng, 
een masker aandoen. 

•• ^ •• /O (kaïak&dji). Men zie garagd^i. 

••^>^/0 (kêrangkidjaSg), = tdrangki- 
djang. (D. Moes.) 

^f^é^ (koerilga), bep. koeragelya, list, be- 
drog. Boeg. oerdga. 

Koeragii, iemand bedriegen, v. d. een meisje la- 
gen leggen, hare eer rooven, bijv. anjdjo to'bwauga 

6* 



44 



êruka nakoeragai, die heer wil mjj lagen leggen^ 
myne eer rooven. — Pakoeraga, een bedriegen, 

•^ ^ ^ /O (karagê^i), = garagddji. 

••^/O (kamipang), Sal. = pakdUo, pad- 
diemesje, 

^^^^ (kar&ppoe), ^karappoe, knappen, 
knarsen, y. d. iets hards dat knapt, zoo als beschwi, 
stuk bijten, B. mdgarippoe, — AkarÉlppcle-gigi , 
knarsetanden, — M&te-ko, m&te koekarSLppoé. Men 
zie op mate. — Bóyo karSlppde. Men zie b6yó, — 
Talpa-karappcibkang, lett. knappende mai^ga^vrucht, 
d. i. mxingga, die nog zeer hard en alleen gestoofd, 
eetbaar is; v. d. overdragtelijk : een zeer jong 
meisje, 

^^^\^ (kar&ppe), bep. karappêya, soort 
van leéren patroontasch of ransel. Boeg. karippe. 

•• ^ ^ (kanrdfepi), bep. kanrdfepika, zak of 
zakje van lontarbladen, waarin men bijv. dse4ólo 
bewaart. 

••\Ss<i (karêpoe), bep. karêpoeka, n»t- 
pelig, grof, leelijk. B. idem. 

•• \ ^ \ /O (karepé). Men zie répé N". 2. 

•• ^ 'N \ ^ (karópeng), bast van de kapas- 
vrucht, 

y</ Cs ^ ^ ^ (kanropeng), omhulsel der bóm- 
boiig. Men zie bómbong. 

•^ ^ ^ ^ 'N (l'* karoppó), bep. karoppoka , 
= het Javaansche ^^m«^s l^^t binnenste 
vleeschachtig gedeelte der buffelshnid, dat ge- 
droogd en in olij gebakken, als lekken^j b^ de 
rijst gegeten wordt. 

(2° karoppd), bep. karoppoka, verdorde bladen. 
Wegens het ligt beweegbare worden zulke bladen 
ook wel geb. als zinnebeeld van onbestendigheid en 
veranderlijkheid, (Tar.) 



^f\^^ (koenrêp^), dkoenrêpd, soort van 
kinderspel, voor kleine meisjes. Deze zitten daarbij 
op de hurken, en met de handjes nevens den 
schoot. In deze positie moeten zij even als kik- 
vorschen in de hoogte springen. 

•<^ ^ ^si •s 'N ^si 'N (k^rang-pat6mp<$). Men 
zie karang N"". 3. 

^^^^«^ (karamp&Uai^), tegengehouden, 
teruggehouden, opgehouden, belemmerd, gestuit «or- 
den door iemand of iets, bijvoorbeeld: Karampêl- 
lang-m^, napakSLmmai t(>bwang, t^ ben teruggehou- 
den door mijnheer, — KarampdJlangi djambllngkoe, 
mijn naar de beste kamer gaan wordt tegengehouden; 
d. i. ik heb geen stoelgang, — Karamp&lla^i nap- 
pas^koe, mijne ademhaUng wordt belemmerd , d. i. 
ik kan geen adem halen, — Karampallangi djineka, 
het water wordt gestuit, — Karampallangi baliya, 
de vijand wordt tegengehouden, belet om te vlugten, 
is ingesloten, 

•• \ ^ ^ 'N \ ^ (kire-póle). Men zie kdre. 

•• ^ ^vi O (karamp^sang), ^bdssoeng. Ver- 
gel, het Arabische i^ty^* 

^^^Xi (kar^ba), bep. kar^baka, takkebos, 

^^^X (karUmbang). Men zie rdmbai^. 

••^X (karflboe), bep. karabdbwa, 't Mal. 
y^^y^f oorkrab, — Ngangald-karêboe. Men zie 
r^dngald, 

y*^ ^ X (karamboe), bep. karambdbwa, Saley. 
= tédong, — Bdbto-karSLmboe, kruik, letterlijk 
H menbrum virile van een' buffel, 

•• ^ \ X (karabe) , akar^bé, krabben, een kat 
b^'voorb. — Apa anj^o k^-karlbé? wat is dat 
voor gekrab (geritsel) P 

Sikar^bé , elkander krabben, 

••\^X (karcba), bep, karcbaya, berigt. 



45 



i^ing^ niemoê. Mal. ^*a^. — Pakarebang, kemda 
geven aan, 

^^ ^ ^ X (kardbé) , bep. karSbaka, pokdalig. 

•<^ 'N ^ 'N X (kóroba), bep. korobSlya. Aldus 
op Gelebes» zoowel onder Makassaren als Boegine- 
zen genoemd de ofiferhande op den 10^'^'' van de 

maand &^X:LL6. Welligt verminking van 't Arab. 

^ÜJ», tenz\j men te denken hebbe aan 't Arab. 

Sj^, godfyruektige handeUng ^ waardoor men aiU 
'i ware nader M Ood komt. 

^•5^;^X'NX'N (1" karibobo), bep. karibo- 
bowa, qfwU van de kapas bij bet lólisi, gebezigd 
tot het maken van kanjdjólt. Men zie kanjdjóli, — 

Niy&-mi karibobdna, lett. erts al wai vuUigheid 
atMy d. i. «tf ^^ft ^ iemand die op haar verliefd 
iê. Gebezigd yan jonge meisjes^ zoowel als van «7^- 



Kaïibobówang, wtt^tói in zyn oog hebben. 

Nikariboböwi, van karibobo gezuiverd worden. 

(»• karib6b<J), vol galen ejjn, byvoorb.: hout, 
bamboe^ iemand's Ugchaam van wege zweren. 

•• \^\\> (karême^), vinger. — Si-karê- 
meng, één vinger breed. — Karêmeng-biLngkeng, 
teen. — S&mboeng-karêmeng. Men zie: sdmboeng. 

Pölong kliie-karêmeng, aan snipper e snijden^ bjj- 
voorb. lome. 

^^^\^ (koerikmmde), bep. koerammoeka, 
gxoote soort van kwartel, die men op Java wel laat 
vechten. 

^•'%^'N\> (koromma), bep. koromm&ya, 

dadel. Boeg. idem. Sund., Mal., Perz. |*>^> Ja^- 



medelijden hebben mel^ v. d. zich ontfermen over; 
V. d.: ^aren f ontzien. Bijvoorbeeld: karimanangi 
karaënnoe, kenang, spaart uwe vorsten^ vergiet geen 
vorstelijk bloede o! menschenl N.B. vermaning, die 
men den soldaten bij het begin van den strijd toe- 
roept Men zie ook op tóHoe N"^. 1 en pdüd N°. 6. 

Pangarimanangi, verzorgen^ koesteren (Djay. 
Bap. Godsd.) — Pangarimananguma lySLnoe ri , 
't zorgen van N. N. voor (Bap. K. G.) — Tampa- 
ngarimanangiyai, het niets sparen j (te weten: voor 
den vorst.) (Bap. K. G.) 

y:^^\yo (karÉlmasd), bep. karlLmasaka, 
soort van boompje, welks bladen in de geneeskunst 
gebruikt worden. 

y*y^\^0 (kardmoesde), krabben^ een kat 
bqv.), = karabé. 

Sikarilmoeso'b, = sikarabé, elkander krabben. 

Pitikira-karamdbsi, in het dóUe, in het onzekere, 
naar iets kratben of grijpen, 

^^\^r\ (X karêta) , bep. karetilya, wagen. 
Jav. en Mal. idem. Port. Carreto. — Tjinj^ing m- 



MC«\. 



•<^^\^\yO (karoemimisi), = koemi- 



Mtn. 



^^\\^ /^ (karimanang). — Karimanangi, 



tang-karêta, (men ae tjwjtjing), ring, er uitziende 
als een wagenrad , omzet met diamanten. 

Si-pakare-karetangi, het is een wagenrid, d. i. 
het is de moeite waard, met een wagen daar naar 
loe te r^den. 

(2*^ karêta), bep. karetftya, Sal. = bótoró, soort 
van zwarte boontjes. 

••^•\ (koeratoe), 't Arab. SjjJ, slaat, 
stad. (Tar.) 

^fh^y\ (V koerita), bep. koeritaya, soort 
van visch. 

(2^ koerita), bep. koeritaya, kmderbuikband. 
Mal. van Mak. idem. 

•• Cs ^ ^\ ^ (kocrotong), gemeenc soort van 



46 



visch, led^k, zwart, gespikkeld. Wanneer men die 
eet, krijgt men, volgens het zeggen van den In- 
lander, al ligt vlakken op het l^f; v. d.: pak&nre 
koerotong, iemand die koerótong eety als scheld- 
woord gebezigd tegen een vuU mensch. (Kei.) 

•«^^•si^ (karoentigi), bep. karoentigiya , 
soort van bloem: Lawsonia alèa L, De bladen der 
karoeniigi gebezigd om de nagels van handen en 
voeten rood te verwen. — Am&ta-m&ta karoen- 
t^. Men zie op nuÜa W, 1. 

\^^\^r\hs^ (keretlrisi), bep. keretlU 
riflika, verbastering van hetHollandsche/SiftTftom. 

^^^r\r^ (karftttasi), bep. ka^ttasaka, 
papier. Boeg. karattaad, Mal. (jmJ«X Jav- »fntsno^ , 
Arab. ^Usji^ van het Grieksche jjfCGpnTC, het 
Lat. Charta. 

DjlLra^ cyampi-kar&ttaséL Men zie é§êmpi, 

•«^^•SO (karatcfesa), bep. karatocsiya, 
kardoes, 

••^/ï\ (karana), bep. karan&ya, 't Malei- 
sehe ^)l^> reden^ wegene. Jav. en Sskr. idem. (Dat. 
Moes.) — Kar&na Alla, om Ood^ê wille, — Ak&- 
rana-Alla, om OodawSle ieU doen, b^v.: ikxAoBr 
AllarsSkki riniikke, doe kei eens om Óodê wille voor 

••^^/^ (karêna), bep. karenllya, epel. 
— Karêna-dobold, bep. karèna-doboloka , lettv^- 
dubèeUngepel , v. d. vingt et un. — Akarêna, spelen^ 
V. d. ook gebez. van het dansen der prinsen en 
prinsessen aan de hoven. — Akarêna padang, 
schermen. — Akarêna ewangang-paboenddbkang , 
oorlogs^wapenen hanteren. (Djay.) 

K^Lre-k&renang, ^el^ mtspanning , voorwerp van 
idispanning , speelgoed. (Djay.) 



Bc^yang-pakarena^ , speelkaarten. 

•• ^ "N *ö *^ (karo^iQi) , bep. karo^iQika, 
kroes ^ gekruld, Gebez. van haar, 

••'N^'N*^*^ (koro^aiji), bep. koroQa- 
tjiya, kleine dartele zwart- en kroeaharige duivel- 
^es, die echter, volgens den Inlander, geen kwaad 
van eenig behing kannen doen. 

yy ^/O (kar^é), bep. kar&Sjaka, 't Ara- 
bische S^C^, tol, èelasüng. (Eap. K. G.) 

^^^/^ (kar&njdjing), maa^. Boeg. en Mal. 
idem, Jav. ^}^\. 

^^ ^ ^ (ka^50« ^11 ^ïe rinju 

^^ ^ ^ (kariyde), bep. kariyoeka, naMuü. 
— Kariyde kapappasang. Yerg^l. pdppasd }i^. 1, 

••^«^ (koeriya), hep. koeriyaka, schHfer 

op het hoofd. Mal. ^^yf. 

^^^<f^^^ (kariy&kkang). Men zie op 
nyd N\ 2. 

^^\^^^^^ (karey&ngo), bep. kareya- 
ngdwa, Acorus Calamus L. De wortel daarvan 
goed middel t^en buikpijn. 

^^%% (kardbnioeng), 't Mal. kadondo^, 
de Fo^qfortia dulds Bh^ soort van bo(»iL, welks 
bladen en vraditen eene geneesknndige kracht 
hebben. 

••^^••^ (karord), = 't Mal. karoi^, 
eene stof die vervaardigd wordt van de draden of 
vezel» in het blad van de kdkwald. Van deze ka- 
rM msAkt de Inlander zakken y ook wel geüenj 
hetzij tot afwering van de zon, hetzg voor zijne 
praauwen» enz. B. idem. Van daar: gdbloengi ka- 
róroka, de zeilen oprollen; panaïki karóroka, de 
zeilen ophalen; sdbngkei karóroka» de zeilen open^ 
maken of ontrollen ; pan^ngi karóroka , de zeilen 



Pakarêna, speler ^ vorstel^ke danser of danseres» \ Uden vallen of neêrdoen. 



^f ^ %s (koenraring), akoenraring , klagen^ \ of vrees in. — Voorts komt kdrrassd zeer dikwqls 
kermea, voor van alle personen en zaken, waarin de In- 



^f^^ (1* kdfenroelo'e, bep. kdënroeloeka, 
soort van komkommer, 

(2** kdbnroelde), langzaam voortgaan y b^'voorb. 
iemand's werk. 

•.^%^^ (konrali), touw, waarmede de 
hatdkoMg aan de ayóka wordt vastgemaakt. 

^^^^^ (karawa). Men zie rdwa N*. 2. 

•• ^ ^^^ (kardbwa) , Sal. = 't Boeg. aroewd, 
= bei Mak. saganidèdjoe ^ acht, 

••^x^^^ (karoewêng), namiddag. Boeg. 

y *^ 

etttnowg, 

Karoewlng-karoeweng, aUe namiddagen. Mal. 
▼an Mak.: sahan-^oreL — Klüroe-karoeweng , van 
middag y nog onzeker op welk uur. Mal. v. M. aorei- 
êorei. — fii-karoewênga , t» den afgeloqpen namid- 
dag. — Anne karoewenga, thans, dezen namiddag. 
— ELaroewêng-pi, aanstaande namiddag. 

•• 'N ^ 'N ^vs (korowang), = korSt^ N*. 1, 

ÈuOfOU. 

^^ %s, y^ o (kariwisi), haien. (Lalllkoeng.) 

^^ %, ^^ ^ (karoewisi), haten, = kariwisi. 

•• ^ ^ 'N ^"^ O (koröwisi), bep. kordwisi- 
ka , ons woord : kruiser, door de Inlanders gebe- 
zigd niet alleen van onze kruispraauwen, maar ook 
van oudere Europesche oorhgsvaartmgen. 

•• ^ O (r kSüras^), bep. karasaka. — Pa- 
pangadjafyang-kslrasd , groote soort van beteldoos. 

(2^ k^rrassi) , bep. k^rrassaka» gebezigd van 
alle personen en zaken , die indruk maken , ontzag 
of vrees inboezemen, bijv.: karrassa-^inikangi , hi^ 
he^ em imponerend voorkomen; geb. van iemand , 
die zwarte wenkbraauwen en zware bakkebaarden 
beeft. — K^rrassaki lyllnoe , NN. boezemt ontzag 



lander meent ^ dat de een of ander onheil-aanbren- 
gende geest woont. Wanneer byvoorb. een beer 
zijnen jongen, wegens slecht gedrag, verwenscht, 
en deze kort daarop eenig onheil ondervindt, zal 
hij van hem zeggen: mi^jnheer is kdrrassd; of 
wanneer bijvoorb. iemand ziek wordt, na onder 
een' boom geslapen te hebben, zoo noemt h^ dien 
boom kdrrassd; of wanneer in een huis dikwijls 
lijken zijn, heet zoodanige woning kdrrassd; of 
wanneer iemand met veel ongelnk te kampen 
heeft, wordt hig kdrrassd genoemd, zoo spreekt 
men bijvoorb. van : and kdrrassd; wy zouden z^- 
gen : een ongeUiks-kind. (Djay.) 

•• <^ O (1° karis4), bep. karisaka, stekelig, 
ruig, ruw, bqv. : een baard, die in lang niet ge- 
schoren is. — Karisd-mi, gebezigd van een paard, 
welks haken nog slechts eventjes uit zyn. Yergel. 
Iditang-mi en narroesde-mi op Idtiar^ en idrroesoe. 

— T&oe djii karislna , iemand die veel heeft dat 
steekt , d. i. iemand die veel op eyn geweten hetft. — 
Kllmma-minj^o, pónna niy& karis^ta, zoo gaat 
het, indien wij wat ruigs (wat stekeUgs) hebben, d. i. 
indien w\f wat op ons geweten hebben. — Bdblo-ka- 
risé , soort van bamboe. 

••%sO (kèrisi), bep. kSlrisika, = kart. 
Vergel. het Javaansche tm'^o^y, lijn, streep, linie, 
en het Maleische (j*^w , schrabben, lijnen trekken. 

K^brisiki bêrasaka , met een stokje over de met 
rijst gevulde maat heenschrapen of strijken, opdat 
dezelve niet al te vol worde. — Pangarisi, de 
naam van dit stokje. 

•• ^ O (kardfes8oe),bep. karoessdfewa, rimpel, 

— Akaro'bssoe , gefronst, norsch van gelaat. — Aka- 



48 



rdbssoe-abanna, gerimpeld^ gefronst van voor- 
koqfd, 

•• ^ O (kardbssoeng), = karoeasoe. 

••C^'NO'N (k2Lro8<J). — karoasang, het 
ttUêchrapsel van de kokoenooi^ toaar men de melk 
met de hand heeft «Ugeperü, Soms slechte vrouws- 
personen met een karósêang vergeleken. (Tar.) 

y*y^O (kirasa), bep. kirasaka, soort van 
boom, die op het oog veel vffli een manggistan 
heeft. 

••%;,0 (koerisi), bep. koerisiya, geb. van 
krUy hddi of piek^ wanneer het lemmet zoo be- 
werkt is, alsof er doornen op liggen. — Koerisi- 
b&nj^ji. Vergel. bdnj^L 

••^C^O (korasd), bep. korasaka, boek; 
bijv. karsLttas& si-koras^, /<^ hoek papier, 

•• 'N ^ 'N O (korösi), bep. korosiya , 't Ara- 

biache »g>^yy '^l- C^&f •) 

^^^\ ^^ (kar^ng) , vorst, vorstin, al naar 
gelang van het b^gevoegde of verzwegen ^o^oi»»^ 
of bamne, — Karaëngkoe boeranncya, myn vor^ 
stelyke vader, — Karaëngkoe bainnêya, myne vor- 
stelijke moeder, NB. beide deze uitdrukkingen ook 
dan te bezigen, wanneer fMu2^ of mo^dS^ juist geen 
kardëngy maar toch van goede geboorte is. Ver- 
gel, deng. 

Bllkd'e-kard.eng. Men zie bdkoe. — Gangang- 
kartóng. Men zie git^ai^. — AJlo-kartóng, lett. 
Komngsdag, v. d.: luwe, zachte dag, waarop de 
zon niet al te sterk sch^'nt, het Eransche jour de 
dames. — Kar^ng mag&oe, een regerend vorst. 
Men zie op gdoé N". 2. — Karaèng-16we. Men 
zie op lówe. 

Kakaraëngang, koningrijk, regering, koninklijke 
waardigheid. 



Akar^ng, of: m^kar^ng, a) vorst of vorstin syn, 
den titel van kardëng hebben, of dragen. Verg. Mak. 
Spr. (167, 2^; b) een heer oï meesteresse hebben, 
V. d. een geliefde of minnaresse hebben, (S. Tjin.) 
V. d. onder een vorst staan, onder een vorstelijk be- 
stuur zyn. Vergel. Mak. Spraakk. § 167 , 1"*. 

A 

Pakarae^;ang , a) het kardëngschap , de titel 
van kardëng of vorst; b) afhankelijkheid vaneenvor- 
steljjk bewind. 

V. d. &reng-pakaraëng&nna, zyn naam als ka- 
rde^ of vorst. (Bap.) — Ad4-pakaraëngang, adais 
van wege de afhankelijkheid van een vorstelijk be- 
stuur, de adats ten opzigte van kardëng* s of vorsten, 
(Bap. K. G.) 

t-.^ A A 

Nganre, nginoeng-mi sipakaraengang Datdbwa 
ri-Koeripa^, het gansche kardëngschap van Da- 
töhoa ri-Koertpang , d.i.: al het volk van Datöéwa 
rirKoenpat^ met hunnen heer , ai en dronk. 

Nipakakarliëng, koning gemaakt, tot koning 
aangesteld worden. 

A 

Nikaraengang, tot vorst, tot heer gemaakt, d. i. 

A 

als zoodanig beschouwd worden. — Toe-nikarae- 
ugang, iemand die als vorst of heer beschouwd 
wordt, V. d. opperheerscher , gebieder. Verg. 't Mal. 
^ySmiO ïkj (Djay.) — Toe-nikaraëng&mmang, 
onze Heer. 

Akllra-kar^ëngi, zich ergens aanstellen alsof men 
koning ware. Vergel. m^*ne Makk. Spraakkunst, 
§166,3^ 

••^^O (karaoesde), akaraoeso'e, naar 
iets trachten te grijpen; bijv. geb. van een' dren- 
keling. 

Pitikara-karaoeso'e , naar aÜe kanten grijpen, 
nu her- dan derwaarts. 

^^ ^^ {Y kala). Men zie op ala N^ 1. 



49 



(«• kala), bep. kaHka, kraai. — Kêbó-mi ka- 
l&ka, letterlijk: de kraai ia toU geworden. Gebez. 
▼an iemand, die als 't ware flaauw van den honger 
is, zoodat hij niet goed meer uit de oogen kan zien, 
en de zwarte kraai hem zelfs wit toeschijnt. 

(3** tak^a) , Boeg. , ook in 't Makass. gebruikt, 
= tdidèloesoé. Vergel. op böéloesdé. 

(4** kaïla), bep. kall&ya, 't Arab. ^Ld*, ffeöe- 
den f die op vastgestdde tyden te verrigten zijn^ als 
de êöéóoej léhoró, enz., y. d.: ^b^yara kUla, ztdk 
een vaden bidstond^ dien men verhinderd is geworden 
om waar te nemen, later inhalen. 

(5« tóltó 161o), = 2<«fo N^ 4. 

(6* kllM), bep. k^aka, blaauw, (nog niet bloe- 
dende), ten gevolge van knapen of slaan. Ook ge- 
bez. van boombladen, die wel niet verdord zijn, 



maar toch reeds in stede van de groene , eene vale, lang ook eigen naam eener kris. (G. G.) 



bijvoorbeeld : hel dwars/toiU onder aan de sdm- 
öoeng-ldyang van een vorstelyk huis, vergel. «««*- 
boeng-ldyang , en ook : sagang. 

T^kMang, dwars geplatdst zyn, bijv. : Apa noe- 
paré tak&laiig-kalang? wat loopt gij mij toch in 
den weg? lett. : wat doet gij toch, om u zoo dwars 
voor mij te plaatsen? — Anjdjo bainnêya tdfeli ta- 
k^lang-kalang ri-mat&ngkoe, die vrouw is altoos 
dwars voor m^ne oogen gepUudst, d. i.*. het beeld dier 
vrouw zweeft mij altijd voor de oogen. 

(2** kaUang), (vergel. hetMaleische JLTen het 
Arab. éJJb), duister, donker ^h^y.: dj^rang kallang, 
donker-bruin paard.— BjkraS^ kSkUafïg rappo-r^ppo 
djawa, kastanje-bruin paard. — Djarang kSlllang- 
soemalloe, idem. — Djangang k^Uang, een haan 
die de kleur van een djdra^ kallang hetft. — Kal- 



roodachiige klenr gekregen hebben. 

•• ^ (1** kallang). Vergel. het Maleische 
alaSg-idang , dwars, dwarsbalk, en het Javaansche 
alang^ dwars, waarvan pdUmg, dwarsbalk, hin- 
defpaal, en malar^, dwarsboomen, beletten, afge- 
leid zijn. Zoo ook het Makassaarsche kdlang: 
dwars, dwarshoui, dwarsbalk; 

by voorbeeld: het dwarshoui bij de sai^k^ng 
van de praauw, waaraan de l6lo wordt vastgebon- 
den. Vergel. sangJnlang en lólo N*". 4; 

bijvoorbeeld : de dwarshouten die de bdt^keng- 
séUard dutten. Yergéi. bé^keng-sdlard op bdngkeng; 

bijvoorbeeld : de dwarshouten voor de panohtdoe, 
of liever voor de bdOgoe-hé^oe, waarop de panöhn- 
doe rust, vergel. op bdngoe en tóendóe; 

bijvoorbeeld : de dwarsbout om de deur te slui- 
ten , of ook : het dwarshout, boven de opening der 
deur, tot stutting van de beide deurst ijlen; 



Kallangang, duisternis. — Kallangang rapa. 
Men zie: rdpd N**. 1. — Bi-kallangang si-pat&nna, 
= bdèlar^ panrdpi, of panjolong. (Kei.) Vergel. 
bdhlang, rdpi en sólong W. 2. 

(3** kMlang), 't Maleische ^,pen. Ook over- 
dragtelijk gebez. voor den penis, even als men ook 
het semen virile met inkt (ddwd N"*. 1) vergeleken 
vindt. (Maoet.) 

Ollang bodowa, eene kris, behoorende tot de 
r^kssieraden van G6wa. 

•• ^ (1" kaïi), bep. kaliya, = 't Mal. ^I<, 
keer, maal, 

Sikali, a) eV» keer, één maal. — Bo'bwang-kaii, 
twee keeren, twee malen. 

b) SikMi, in één keer, v. d.: ^ gelijk, te zamen, 
bqv.: sikUi dmdëko-pi, mofgen tegelijk. NB. ge- 
bezigd door iemand die gevraagd wordt of hij ze- 
kere zaak nog van daag wil behandelen, en die 

7 



50 



daarop antwoordt, dat hij dezelve maar morgen 
met nog andere kwestie's zal afdoen. 

c) sikö-li, ten eenenmale; volstrekt, by zonder , 
buUengtmeen; bijv.: sik&li dkiyó-Sjïya, (= dji + 
tya») ^V ^^ vóUtreH of vowdL maaTy d. i. roept 
sterk, onophoHdélijk maar, 

d) t&i-kili-k&li, keer voor keer, ▼. d. : tddzaam, 
en ook: langzaam; byv.: t<s,-k&li-k&li-i5ji, zeld- 
raam is het er nog. — Aselé t^si-k&li-kMi-ï^i , kü 
draagt nog slechts nu en dan een kris; zooveel als : 
h^ is nog jong, nog niet volwassen. NB. voorname 
inlanders, die den mannelijken leeftijd bereikt 
hebben, gaan nooit zoader kris uit. — Ad&kka ta- 
sik&li-kMi , lett. keer voor keer , (voetje voor voetje) , 
d. i. langzaam e^ voeten voorwaarts zetten. 

Sik&li-kalinna, op eens; bijv. koet&yangi tdb- 
wang ri-bangïya, na sikiLli-kalinna Wtttoe-m&mo ri- 
karoewcnga, ik wachtte mankeer des avonds, en 
daar kwam hij maar op eens des namiddags. 

(TV^M), bep. kaliya, 't Arab. ^Uif, de 
regier, v. d. opperpriester, Dei^^elijke vindt men 
slechts één in het gansehe ri|jk van Gftwa. 

Kakaliyang, KaU-echap, waardigheid van Op- 
perpriester. 

{rU^),Salej.,^k/naf^. 
(4° kaïli), bep. kaUika, haag, omheining, tMal. 
^fU. NB. zulk een kdlli bestaat gewoonlijk in 
paaltjes van heele bamboe, durong-kSUi genoemd, 
waardoor men op 3, of 5 , of 7 plaatsen een lange 
gespleten bamboe, djdroeng genaamd, heensteekt. 
Verder wordt de ruimte dier paaltjes, of dnronj- 
kdlli's , aangevuld door oploopende gespleten bam- 
boezen , pa^dnaOg genoemd. — LÉlmbaré kftUi. 
Men zie Idmbard. — K&Ui tillass^. Men zie UU- 
lasséf. 



KiUiki, omheinen; bijv. k&lliki bdbngoenga, 
den put omheinen. (Inl. wetten.) — Bdblang na- 
kd.lli-bint6ëng, eene maan omheind, (d. i. omgeven,) 
van sterren. (Djay.) 

Fak&Ui, behangsel, gordijnen. 

(5'' kam-k&lli, bep. kalU-kalliya , soort van 
heester met dorens, wier bladen aan de deuren en 
vensters gehangen worden, tot wering van booze 
geesten, wanneer bij voorbeeld ergens eene kraam- 
vrouw is , of in geval van aanstekel^ke ziekte, enz. 
Dilivaria ebracteaia. Juss. Boeg. dlU-düi. 

(6" kalliki), = pddd N*. 1, roepen, noodigen, 
(Dat. Moes.) bijv. r t&ntoe ta-nasftlaki pangalli- 
kinna, lett.: gy guU niet misloopen zijne noodiging, 
di.ï.het is zeker , hij zal niet nalaten u te noodigen. 
(Brief.) 

^^ ^ (r kikling), donkerbruin. 

(2» kaïling), = H Mal. ^Ü', blik. — B&ssi- 
kaUing, 5Zt^. (Dat. Moes.) 

•• ^ (!• k&loe) , akWoe , zich oprollen, zich er- 
gens omwinden, omsUngeren, (B. idem.) Bijvoorb. : 
pariya pUefig mék&loie ri-^o^or&nna, partga dan 
slingert zich om de leuning van haren trap. (Sinr.) 
— ELalêleng d^ng makaldé, lett een kaléleng, een 
zich overal om heen slingerende mijnheer. ^ (Selara 
A&lo'e-k&loe, een slang die zich sterk of gedurig 
oprolt. Pjay.) Vergel. m^ne Makass. Spraakk. 
§ 166, 2^ 

Sik&loe, zieh in malkander winden; bijv. N&ga 
sik&l(>e, een zich in malkander windende, een zich 
oprollende, zich kronkelende draak. (6jay.) 

PakSllde, ergens omwinden; bijv., pakSilo^e tali- 
bannanna, z^* krisband omwinden. (Rap. K. Cr.) — 
PakSLlde sélena, zijn kris aangorden, lett.: zijn kris, 
of eigenlijk: z^ krisband omwinden. — Siratang- 



y\ 



ddëdoewi jiipakiLlob ri4y^, hei U zeer geschM om 
om de lendenen gewtmden te noorden. (Sinr. Kei.) — 
Pftkidde kanaja, de woorden omwinden^ v. d. : om- 
tcenden^ ecküken, te weten: totdat sjj op hunne 
plaats zijn, v. d.: blidjiki baténa pak&ld&-k&na > 
lett.: goed ie zijne manier om woorden ie draajjen, 
d. L : ^' keefi een' goeden sUiL — Ta-koewassengai 
koqiakaldb» (ür weet kei wel, doch) ik weei kei mei 
hekoori^k uU ie dmkken: 

Kak&ldë, ring van UndroOingy waannede het 
roer aan de iinrd wordt vaal^hecht. 

(21^ kldloe» eckrapen, vüedkrapen; ▼. d. kailde< 
djuii, kei mUeekraped van de i&ang der levende 
muekuêkai. (B. idem.) NB. wordt met de timpd- 
oeêdé, pangglling^ enz., gebezigd om de mu^d öadó 
te berookcn. Veigel. badó N"- 2. 

Kaldëkoe-kalldëkang. Men zie: kaldkkoe. 

^^ ^ (k&loeng). — KMoeng.kUoeng, iets dat 
eigens aan vast gemaakt wordt omgelaid te geven, 
=^ giring-ginng, 

^^\^ (!• kUo), bcp. kalêya, vnw. kalêng- 
koe, kalènta, kalênna, Ugckaam, mf. Boeg. die, 
idem. — Toe-ri-k&le, lijfvdlk. — Ata-ri-kaie, l^f- 
sim/. — Bainne-k^, lett. lüfbromo, v. d.: 'e ko- 
minge voomaamêie vrouw. — KSLle-bftUa, lett. : ket 
Ugckaam van een kms, v. d. : kei binnenste van een 
hmê9 ^ gedeelte waarin men komt wanneer men 
depaladang dóór is. (Djay. Dat Moes.) Veigel. 
vedSdai^. NB. De iffdmèang en sónrong bebooren 
niet tot de kOe-bdUd. — Kalênna boettaya, ket 
bmmeneU van kei land. (M^) — Kale-biséyang, 
kei bnmenele van een vaaritdg, dat gedeelte van het 
▼aartoig, hetwelk bq voorbeeld bij een' padoewiU 
kang of handelspraanw, onder de hifekkóe is. Ver- 
gd. bdSskkoe N^ 3. - Bambaiig-k&lc. Men zie 



bdmhang, -- Kalênna, lett.: e^jn eigen Ugckaam, 
V. d. : kü zelf. — Sdbré kalênna ly&noe , brief van 
N. N. zelven, v. d. : particuliere brief. — Ak^e- 
boer&nne-mi, of: &kale-151o-mi,lett.: kii keefi reeds 
kei Ugckaam van een man, of: van een* jongeling y d. 
i.kif ia reeds man,oï: ÜKtpiotfr. -- Ak&le-baiune-mi, 
of: ik&le-ldlo-mi, zy ke^ reedê kei Ugckaam eener 
vrouw, of: eener maagd, d. i.: zjf is reeds kuwbaar. 
— Têpoe-k&le-ma, t^ gevoel m^ gekeel lekker, lett.: 
ik ben met, d.\.keb, een volkomen, of: volmaakt, 
Ugckaam. — Êrang-kftle; niyêrang-kalêi'. Men 
zie op êra^. -- Panli kalênna. Men zie op: 
ndi N**. 1. — Ri-kale, onder ken zelve, onder de 
band; byv.: sit&ba ri-kS,le, onder de kond over 
éénkomen. (Eap. T. ]pj.) -r Sip&ré ri-kkle, onder 
de kond mei elkander, (of: ie zamen,) doe^ (Rap. 
T. Dj.) 

Ole-kalênna, k^ op ziek zeken, v. d.: alleen, 
afzonderlek. (Rap.) -^ Ri-kftle-kalênna, op ziek zeU 
ven, alléén. (Qay.), bijvoorb. : dtanro k&le-kalênna, 
alleen, afzonderlek dapen. (Rap. K. G.) - Êru- 
k&le-kUe, uU zidk^ zéboen willende, d. i.: vrijwUUg. 
^ Ag^oe kale-kaie, uit ziek zeU>en , geked op eigen 
gezag, gekeel willekeurig , kandelen. — G&oe k^e- 
kMe; willekeurige kandeUng, willekeur. — MangEi 
kld&*ki^le, gekeel mi ziek zehen genegenheid voor 
een meisje opvatten, d. i. zonder iemand omtrent 
het voorwerp zijner liefde te raadplegen. (Sinr.) — 
Ambêyaï kalambctesa^ k&le-kalênna. Men zie op 
bega. — Sd^ k&le-kalênna lyanoe, brief van 
NN. afzonderlijk, v. d. parUculiere brUf van NN., 
= adbrd kalênna lydnoe. — Anoe ri-kiLle-kalênna, 
goederen, die beide eektgenooten, ieder afzonderlek, 
bij kei kuwel^k meebrengen, = sisila. \ergél. süa. 
(Inl. wetb.) — Na-napasiyagSng pSrisi ri-kale-ka- 



53 



lênna, hij heeft er mee vereenigd afzonderleken icrok, 
d. i. hy heeft insgel^ka gehandeld uU parükvUeren 
wrok, 

Sawi k^e-tóle. Vergel. op tókn^gaZd, 

tya-m^i nikalêyang, lett.: dat êlecMs, (bijv.: 
het ongeluk,) wordt aU 7 ware tot zijn Ugchaam ge- 
maakt j ah 't ware geheel één met hem. (Sinr. Kei.) 

Amparikalênna , op zich zelven stefZen, d. i. : 
op zich nemen, zich toeeigenen, bijv.: naparikalênna 
minjdjo toe-milompdwa , de Oouvemmr heeft dat 
op zich genomen, — Inilkke amparikalêngkoe in- 
r&nna lyUnoe, ik voor m^ neem op mij, d. i. sta in 
voor de schuld van N. N, 

Pakalêyang, gestalte. — Pakalêyang tipa, 
vlugge (vive) gestalte. — B^dji-pakalêyang, schoon^ 
d. i. evenredig, welgebouwd, van gestalte. 

(2^ klillé), bep. k&lleka, rond, met een glooiing 
loopende, bijv. ^kalléki bangkênna mêdjanga, de 
poot van de tafel is rond (loopt met een 5ogf). 

•• *^5^ 'N (kMo), =. 't Mal. kalokh, volgens 
P. P. Eoorda v. Eysinga in zijn Woordenboek by 
de beknopte Maleisdie Spraakk. en Cbrestom., 
kranswerk, èloemwerk. Van daar: timdbngang ni- 
kllo-k&lo, een poort, voorzien van sieraden, die naar 
krans- of èloemwerk geleken (G. G.). 

•• ^'N (kaïlong), hals. B. aUo^, idem. — 
Batang kaUong, hals. Verg. 6éUat0 N^ 1. ^ KM- 
loiïg byjoe, kraag van eenbaadje, lett.: de hals 
van een haadje. — KSllong têdong, lett.: buffelhals, 
v. d. èuffelhuur, betaald voor het huren van een 
span karbaauwen, bij gelegenheid van den ploeg- 
tijd, bestaande naar gelang van de meerdere of 
mindere opbrengst, in een zeker getal bossen pad- 
die, soms wel 100 bos, (op Segerie 50 b&sse's. 
Verg. bnsse N**. 2.) Voorts verstaat men ook in 



Segêrie en andere streken onder kdUong-tédoOg : 
zekere belasting, door den regent in te vorderen 
van ieder, die rijsWelden heeft, zijnde één van 
de l^bêss^s. Deze naam ook wel eens toegepast, 
ofschoon de landbouwer zijne velden zonder buf- 
fels, enkel met een pa§ol, of spade, bearbeidt. 

Ng&llong, in de keel bleven steken, byv. eene 
vischgraat (bdbkoe-^dkkoe), bijv.: nakidlongi bdfe- 
koe djdëkde, hjj heeft een* vischgraat in zyne keel. 
— NakfLllong-mi lilftna, lett. de tong blijft hem in 
de keel steken, verspert als 't ware de passage in 
zyn keel, zoodat er geen woorden meer door kun- 
nen. Gebezigd van iemand, die er zich met zijn 
spreken zoo ingewerkt heeft, dat hij niet meer 
weet, wat te z^gen. Vergel. l^. 

NakaUongó djené, ik verslik mij, lett. er blijft 
mij water in de keel steken. 

>• ^ (kk), bep. kilaka, = 't Mal. oJL^, 
bliksem. Boeg. btld. 

>^^ (kïli). Kili-lïli, bep. küi-kiliya, een 
gouden, of: hoornen ringde of schijfje tusschen het 
gevest (pa/^öhloe) en het lemmet der kris. Boeg. 
idem. 

•^ *CN (kilo), ókïlo-kïlo, flikkeren, glinste- 
ren, byv.: een* vuurvlieg. B. idem, verg. 't Mal. 



^f^^ (kdblang). Tftna kdblang, braakland. 
Men zie kómhang. 

^f ^ (kdfeli), bep. kdblika, = f Mal.oJ^, 
het buUenste, 't hulsel , omkleedsel, vel, huid, leder, 
bast, schil, schaal, enz. Boeg. (Mi, idem. B^v. 
koelina tadbwa, iemawPs vel of huid. (Djay.) — 
Kdbli-tdbde, mosselschep. — Kdbli-moctiy&ra,pflar- 
lemoer. — Kdbli-mate, verharding van het vel, ten 
gevolge van verwonding byv. Misschien zou men 



53 



bet ook voor Ukdoren kannen bezigen. De Inlan- 
der, die nooit laarzen draagt, sch^nt van deze 
plaag bevr^'d te blijven, en er dus ook geen woord 
voor te hebben. 

•/ ^ (kc^ling), makcfeling, wederkeerm^ we- 
derom. (Sinr.) 

Mftoe-m^dbling , dikwijls wederkeermy v. d. . 
bg kerMmg, gedurig y bijv.: makoe-makdbling-mo 
noepabénrong binab^koe,^ h^ herhaUng^ gedurig ^ 
Mckoki gy m^n gemoed. (Sinr. Tar.) Yergel. binaèd, 

Pakd^ling, iets doen wederkeeren, v.d.: iets her- 
küle»9 èfl herhaling doen. 

^f^ (1** kdëloe). — Kcfeloe-kd^loe, bep. 
koHoe-koeldbwa, dat gedeelte van het hoofdstel 
des paard's, dat ter weerszijde van den kop komt 
en den stang vasthoudt. By den Inlander ge- 
woonlyk van touw. — Kc^loe-k(feloed2yaping-dj&- 
ping. Veigel. é^dping. — Kdfeloe-kdfeloe Mppo- 
rappo. Veigel. rdppo N®. 2. 

(2" kdWloe), bep. koelldbwa, vonk. 

Kdëlloe-ko'blloe, iets dat op een vonk Igkent, 
V. d..- vuurvUeg. — Padjannang ikdfeUoe-kdfeUoe, 
eene lamp, die flikkert als eene murüiegy d. i.: die 
op het puni staat om uU te gaan. — B&mba^ al- 
lowa makdëUoe-kdëlloe, of.- ko'blloc-kdblloewi al- 
lowa, de zon günstert. 

^f *^ (kdëloeng). — • Koelo'bngang, soort van 
beestenstal boven op een hanêmay en ook des noods 
op andere vaartuigen. 

•ƒ \*0 (kdfelle), kunnen^ vermogen y bestand 
z^ tegen, in staat zjjn tot, bgv. : ta-koekoellêyaï 
koe-apelé, ik kan het niet van buiten leeren. NB. 
Men merke op deze herhaling van koe. Zoo zegt 
meiiook: ta-koewassengai koe, enz. Men zie op 
wêng N*. 2. — Masarro-töngi garrifïg-garringa , 



naiya m&liba-dji mako'^lle, de ziekten zijn ook erg, 
maar genezen toch spoedig; eigenlek: de patiënten 
zyn spoedig weder krachUg, d. i.: gezond. (Bap. T. 
Dj.) — T^ angkdfeUe kalênna, = : tdoe nïgd- 
mgdy iemand, die ze^f iets vermag, d. i.: die er 
«armpjes inzit, een vermogend mensch. — Nab&dji- 
dji koe^ini nako'blle-tönjSji kalênna, lett.: ik zie 
imm&s, dat hy zelf ook nog al goed uhU vermag, d. 
i. er goed {pil warmpjes) inzit. — Ta-nakoellêya-mo 
bomba^a k&ppalaka, hei schip is niet meer bestand 
tegen de golven. (Djay. Bap.) — GrlU)é ta-nakoellêya 
boeko'bnta siyagang pamaïta, de zaken, waartoe ons 
gebeente en onze geest niet in daat z^n, d. i. : waar- 
toe wy noch naar Ugchaam noch naar geest in staat 
zijn. (Bap. K. G.) 

Pakd^e, of: koellêyang, mogel^kheid, bijv.: 
ponna niya pakoellêna, of: koelley&nna, 2:00 er nuh 
gelykheid op is. 

KdbUe-ko'bUe, magtig, sterk, gezond, bijvoorb.: 
kdblle-kdblle kalênna, magtig op zich zelven, niet 
afhankelyk van eens anders gunst. — Akdblle-kdblle- 
dji, hjj is immers sterk, v. d. gezond; v. d. is h^ 
gezond f — Ta-mdkdbll&-koellêyai , hy is ongezond, 
ongesteld. — Akdblle-kdblle-mi, hy is weder gezond. 

Sakdblle-kdblle, zooveel mogelyk; bgv. sakdblle- 
kdblle koegadbkang, ik doe het zooveel mogelyk. 

Piko'^e-koellêi, iets zooveel mogdyk doen; by- 
voorb. pik(>ëlle-koellêi mange-ko, ga gy, en^a niet 
één enkele keer, maar doe dit zooveel mogelyk, d. i. 
ga gij zooveel mogelyk. 

\^^^^ (kêlla). — Kellaï, verlangen, verlan- 
gen naar iemand of iets. (NB. met een* Accusativus 
en ook met n.) Bijv.: angkellaiyai, de man die 
ergens naar verlangt. — Na-saba pasayata akellaiya 
ri-b^djika, wegens uwe ontferming, die mijn welzijn 



54 



(lett.: het goede y) verlangt, (Brief). — Na-ta-koc- 
kellaiya nakaloepöi itdbwa^, ih verlangy dat man- 
heer het niet vergeet. (Brief.) — Nakellaïy^ seSg 
tdbirang lyllnoe mange abali ap&ttass^, enz., N' 
N. verlangt wederom, dat ik ga helpen in ordeaohik- 
ken. — Bil^aka êkeUhi ngftsengi, de ^(>^ ver- 
langt naar hen allen, d. i.: noodigt hen allen, 
(Godsd.) 

Pangell^i, een verlangen , ▼. d. èeveL 
Pakdlla-kêlla, eterk verlangende » v. d. baai' 
zuchUg , êohraapguehüg. — L&mpo-kêlla-kêlla, groot, 
eterk van verlangen, d. i. eohraapguchüg, 

X^^*0 (r kêloe), door middel ym een 
hout, dat men tusschen het touw, waannede twee 
planken of andere zaken zamen gebonden zijn, in- 
steekt, die voorwerpen ter deege vcutdraa^'en of 
voitschroeven, 

(2'' kêloe), bep. keldbwa. Aldua genoemd de 
houten, die in de huizen van voorname Inlanders 
van onderen langs de binnenzijde van het dak naar 
boven loopen en in de êimdkngaf^ uitkomen , tot 
stutting van de panjdmboeifig. -^ Bard^ nikêloe, 
een har^a, die van een k&oe voorsten is; tenzy 
men liever denke aan küoe N^. 1. Dan is het: een 
bart^ga^ die zeer etemg w, waarvan mm de ham" 
boezen goed vattgedraaid heeft, (G. G.) 

(8*^ keilde), bep. kêUoeka, een jonge n&£^ka- 
vrucht, die zich nog niet lang gdeden gezet heeft. 
(Kei.) 

\^^\^ (kêle. -Tttêle-kêle, = tdloMdlo, 
= 't Mal. J^w, zeer, buiiengemeen. (Sinr.) 

\ •• ^ "N (kêlo), bep. ketówa, streek, trek, 
list, foppen, b^v.: Ta-nakelöwa-m4 llLisi m&sagar 
Islna, mij fopt {misleidf) niet hare zeldzame slank- 
heid. (Sinr.) 



\ •• *^ •^ (r kêlong) , 't Mal. panton, soort 
van gezang. Vergel. mijn Mak. Leesb. in de Aan- 
teek, op de kêlong's. B. Ho^, 

Akêlong, zingen. 

Pakfioiig, zanger. 

Nikelöngang, tot kêlong gemaakt worden, ge- 
bezigd worden om te zingen; voor zang gebezigd 
worden. 

(2® kêlong), soort van boom, welks hout ge- 
bezigd wordt tot het maken van allerlei gereed- 
schap. 

^•%*0 (1* kotó), bep. kftlaka, een oud 
Makassaarsch woord, = téke^, een halssieraad, 
eene soort van snoer, v. d. : riltoe-siköld, even als 
de schakels van een tóke^ geheel uit malkander val- 
len, V. d. gebez. van iemand, die zoowel zélf, als 
sf^ne nakomelingen^ geheel te gronde gaat. Vergel. 
réUoe N"*. 2.) Met deze woorden drukt men onder 
anderen zijn schroom uit, om b^ het vermelden 
van de namen der vorsten een' fout te begaan, 
bijv.! r&toe-8i-k61^! moge ik met mijne nakome- 
lingen geheel te gronde gaan ! te weten : zoo ik niet 
mijn best doe om de namen der vorsten zoo naauw- 
keurig mogelijk op te geven. (Veigel. G. G. in 
het begin.) 

(2*p8llloe-kótó), bep. p&Uoe-kdlaka, een ge- 
regt, bestaande in Idme-kandifrd, met Mappermelk 
en zout gekookt, ook wel kólé alleen genoemd. Ins- 
gelijks bekend onder den naam van pdUoe-Bóè- 
toef^. 

•^ 'N ^^ (I" kdlang), het Mal. ^^, vijver. 
(Bid.) 

(2"* kolang), beneveld z^n; bijv.: kftlangi al- 
Idwa, of bclblanga, de zon (of: de maan) is beneveld. 

•• "N <^ (1** kóloe), bep. kolo'fewa, Holl. kool. 



55 



(2*» Mloe-küloe), Sal. = Mfó-Pampóhta. Ver- 
gel, é^. 

••-s -^^ (kölo). — Kolo-kolo, bep. kolo- 
kolowa, de oploopende bamboezen aan iedere 
njde Tan venster of deur één, terw^l de bamboe- 
zen boven en beneden aan venster of denr, lató- 
raSg heeten. (Bo^. idem.) Deze k^o-kólo's ge- 
noemd: kóUhhdlo dmhieng^ staande cóUhcóldê^ ter 
onderscheiding van de kiUhkólo-tdpdmpang , ékoarê 
U^§mi€ kdlo-kdlo^êf zijnde de heele bamboezen die 
soms dwars door de paugékaf^ eener deur heen 
loopen. NB. gewoonlijk heeft men in plaats van 
de kdUhMo tópampang eener deur, slechts ^espl^^ 
ètOÊÊboesen, en deze heeten dan: riya^ya. Yeigel. 
beneden op: rt^ N^ 1. 

^^^^^^ (kaliLkki), bep. kalSQckaka, soort 
van mat, gemaakt van paldpa-wrois y en ondereene 
Trouw van voorname afkomst gelegd, wanneer zij 
befallen moei Soeg. idem. 

^^^^^^ (kalakki), door meerderen t^en 
mindeien gebeagd, wanneer zig dezen vriendelijk 
willen toespieken, zoo veel als: rMomen; tneMohen; 
Ixtpr. tegen Miaiden of onderhoorigm. Boeg. idem. 
Ook wel gebezigd tegen jongere broeden, 

^^^^^ (kalingkang), tilver- ol goudmoor ^ 
aoort van zijden stof met zilveren of gouden 
strepen. 

fj&mboe-kalingkang, soort van djamboe-vrucht, 
rood met witte strepen. 

^^^V^ (kaliki), bep. kalikiya. Boeg. en 
BonUi., := tmgang^éé^at^mkanre^ptipayay Carica 
Fkqf^faL. 

^^ ^ "4t^ (kaliking). — Kalikingang, Saley. 
r= iineiy iaten. 

^^^^^f (kaldbkoe), bep. kaloekdëwa, vnw. 



kaloekclbngkoe, kaloekdbnta, kaloekd^nna, klap- 
perboom y kokoenooot, Cocoa nuctfera Z., B. idem. 
Jav. (mnjÈvns. — Kaldbkoe akalóngkong, emte 
hlappemoot die nog knapt. NB. d«i slechts ge- 
bruikt als roedjak, — Kalo'bkoe kalldbkang, ook 
wel genoemd: kanrêya^ kar&eng, een jonge noot , 
die men nog van binnen uitsehrapen kan; welk 
schrapsel zeer smakel^k is, om zoo te eten. Soms 
wordt dit kalékkoe-kaUdèkang ook overdragtelijk 
gebezigd van een jong meisje (Kei.) — Kaldbkoe- 
anglssi , vleesige noot. Gebezigd van een kokosnoot^ 
wanneer z^ van binnen meer vastigheid heeft, als 
't ware vlee^ is. Men zie : dssi N*. 5. — Kaldë- 
koe towa, oude klapper^noot. ^^ Baliwo-kaldbkoe, 
klapperraty d. i. : eókhoren. 

Kaloekclbwi, met klapper y d. i. met 61^, die 
van de kokosnoot gemaakt wordt, besmeren, (Kei.) 

^^\^^\^^ (kalêké). — Kalekêki, een 
kind met zijn armen omvaüen, en zoo koesteren. 

Van daar: sikalekêki, overdragtelijk: veel van 
dkauder houden, geer aan dkander gehecht z^, 

^^\^^\^^ (V kalêngkeng), iné^ krim- 
pen ^ buigen, (M^), dikwijls gebruikt van het 
kromstaan der mngers, bijv. tengevolge van ziekte, 
of ook van sterke inspanning of koude; zoo ins- 
gelijks gebez. van kinderen, dde met de armen en 
beenen opgetrokken y en in malkander gedoken liggen 
te slapen, — Ejdêngkeng-djangangang, kramp, 
letterlijk: inéénkrimpimg als een kip, 

Kalengkêngi, t» malkander gekrompen of ge- 
trokken ^ ergens op liggen, 

(2** Kalêngkeng), == ISppald, vergelijk bene- 
den; b^'v.! k^na ta-nak^(5 kalêngkeng, woo^ dat 
zélfs niét t» jtraüsche letters vervat of daarmee te 
schreven is. (G. G.) 



56 



•• ^ ^ •^ 'N (1* kalöngkong) jonge wvch- 
ten van den klapperboom. (Tar. Lalak.) Overdrag- 
telijk gebez. van eene zeer jonge vrouw, 

Kaldëkoe-dkalongkong. Men zie op kaldkkoe. 

(2' KalSngkong), = halêngkeng W. 1. 

•• ^•^ •• (kaloekdhkang) soort van onge- 
steldheid waarbg men inwendig koud of warm is, 
zonder dat dit uitwendig merkbaar is. 

^^^^^^?\ (kalakHtti), bep. kalakattiya, 
pinangsehaar. Ofschoon men nu bij iedere pinang- 
êchaar van hare èér^ga's of d^en spreekt, onder- 
scheidt men toch van de gewone kaJakdtH: een 
kalakéHH mbS^ga, en verstaat hieronder een kala- 
kdiü^ wier béng^^s of d^en mei goud bedagen, al- 
zoo: bénggdi bij uitnemendheid, z\jn. 

•• *^ •^ ^ (kalangk2lri), bep. kalangkariya, 
= 't Mal. ^% KJo» Indisek gebloemd katoen, 

^^\^^\^^\^ (kalengkeré), bep. ka- 
léngkereka, soort van atd. 

•• *^ •^^ O (kalIJcasi), bep. kal&kasaka. — 
Assi-kalakasi, êtuk vleeech aan de Unker- en regier 
bord van hei beeei. 

^^^^'N^'N (kaüngfingo), akalingdngo, 
ngalingöngo. Van geluid gebezigd, beteekent het: 
dof^ mei helder, zijn; van luchi gebez. die door het 
een of ander verspreid wordt: zóó aOnken, dd men 
er hoofdpijn van hjjgij als 't ware dof in het hoofd 
wordt, 

•• ^ ^ (kaïapa). — Kal&pa-lkfe, het Mal. 
^:^yi vj^^ volgens Inlanders eene kokosnoot, 
die uit zee komt aandraven, en als geneesmiddel 
gebezigd wordt. 

••^\^ (kalipe), leég-z^n. Gtebez. van 
vruchten, wier pitjes verdroogd zyn. Ook wel 
overdragtelijk van andere zaken gebezigd. = ^/. 



•^^^ (kaldbmpang), = bdengoró, soort 
van boom , de slercuUa foetida L. , met stinkende 
bloemen, dooh vruchten, wier bast gebrand wordt, 
ten einde de asch, met water vermengd, als ge- 
neesmiddel, of ook tot bereiding van verfstof uit 
kaadèmboAAqdm te bezigen. Van daar: koeleba- 
ngang-bdbnga-kaldbmpang-ko , ik houd zoo veel 
van u al» van {stinkende) kaldèmpang-bloemen. Mal. 
MaJS. Boeg. alóèmpang. 

(2* kaldëmpang), dat gedeelte van het heft der 
géhfangy hetwelk onmiddellijk op het lemmet volgt. 

(3** kaldbmpang-djïni), hei geheele teeldeel der 
mmkuekat mei het vel mede. NB. deze kaloempam/' 
djtnd opgehangen en bewaard , ten einde te bezi- 
gen bij het berooken van de minjd badó, 

•• ^ Jsi (kaldbmping), = kalémpit^. 

••\-^^ (kalêpoe), bep. kalepdfewa, ge- 
heély bijv.: kar&ttas4 kalêpoe, papier dat nog ge- 
heel, d. i. niet gescheurd, is. — Bdblo kalêpoe, bam- 
boe dat nog heel (niet in stukken gesneden) is, 

Akalêpoe, a) heel, d. i. niet siuk zijn; b^'v.: 
&kalêpoe-mi seng pöle pannêya, hei bord (dat ge- 
broken was) is wéér heel geworden, d. i. bijv. ge- 
kramd ol géUjmd. ^ 

b) geheel, d. i. in hun geheel, d. i. voltallig zijfi ; 
bijv.: &kalêpoe-mi toe-mabi^'ar&ya, de raadsheeren 
waren voUalUg, (lett. in hun geheel.) 

c) hei eens zijn, ooeréén stemmen, lett. als 7 ware 
één geheel wtmaken. 

Pakalepdbwi, iemand tot het voorwerp maken, 
waartegen m^ zichvereenigi^ bijv.: lyanoe nigdppa 
nipakalepdbwi ri-tadbwa, de menschen vereenigen 
zich, spannen zamen tegen N.N. 

^^\^^\^ (V kalêpe), = ka^ówd, kleine 
soort van kakkerlak. 



Ö7 



(2» Kalêpé. Men zie lêpé N^ 2. 

•• *^ "N Jsi (kalömping), = i^JN°. 2, sierih- 
blad gevouwen, met kalk en tabak er in, alsmede 
gambier er b^, voor een pruimpje. Boeg. idem. — 
Kalomping-soelêngka. Dus genoemd de kalóm- 
pi^i wanneer het blad gevouwen is in den vorm 
van iemand, die mei de heenen gekruid zU, Vei^l. 
9odêf^ka N^. 1. — Kalömping pakiLpé-soemanga. 
Bus genoemd de ita^/»^, wanneer het sierihblad 
zoo gevouwen is, dat het aan de eene zijde den 
vorm van een vlaggetje vertoont. Verg. Arap/N®. 4. 
— Pangadjaï tMLoeng-kalomping, drie pruimpjes 
merü. 

^^^^^^^ (kalap&kkang). Men zie op Idpd 
N*. 2. 

••^^'N/si'N (kalipompong). Men zie 
kaübtmg, 

••*^x^\^«^ (kaloepepêyang). Ver- 
geL keUoemélnjnjang, 

^^ ^^\^^\'^ (kalampêto), bep. kalam- 
pétoka, goede soort van visch. (Kêlong.) 

^^ ^ ^ ^ O (kalipdbtoesoe). Men zie be- 
neden oppdktoeêoé. 

••^/^•^•S'^O'N (kalipotosd). Veigel. 
p^ioÊÓ. 

•• ^ ^ •s ^ (kaüponj^jing), omkruüen; 
geb. van iouw^ wanneer men niet zorgt, dat het 
strak gespannen blijft. Boeg. mAgaUpénjtjeng, NB. 
Zulk omgekruld touw breekt ligt. 

•• ^ /si ^ (kalip^rang), ploUeUng voor een 
oogeMik duizelig worden. 

Kaliparangang, duizeligheid. 

Kakalipirangang, plotseling in een' toestand van 
korUtondige duizeligheid verkeeren. Men vergel. pa- 
ram^ N* 2. 



••*^S^/siO (kaldfcpasa), bep. kal(Ajpasaka, 
't Mal. ^jê*3yJS, schil , ItosL Men zie Ifoèi en öoe- 
köhleng. 

Kaloepêssi , pellen^ schillen. 

^^ ^^O (koelipasa), bep. koelipasaka, 
kakkerlak. Mal. ^r^* 

^^ «^ X (kal&mba) , bep. kal^mbaka, 't Mal. 

(J-jiJo, agüa-houi, gebez. b^j reukwerken. 

••*^^X"\ (kal^bo). — Tdkal^bd ate, ver- 
schrikt, ontsteld. (Sinr.) 

^^ ^ X (kalimbde), bep. kalimboeka, mantel, 
kleed, sprei, dekkleed. Boeg. salïpoe, idem. 

Akalimboe, lett. met een mantel z^n, van daar: 
iets als mantel gebruiken; bijv.: Nakalimbóeki li- 
p^na, hjj gehrtdkt zyne sarong als mantel, d. i*. 
wikkelt zich in zijn' sarong, ais ware die een mantel. 

Kalimbo'bki, met een sprei toedekken. (Bid.) — 
Nikalimbaeki-mi lip&, het werd met een sarong toe- 
gedekt. (Pjay.) 

•• *^ X 'N (kalibong), gat, bijv. om huispa- 
len in te zetten. (Bap. T. V^.) Boeg. aiibóng, idem. 
— Kalibong-toli, oorgai. — Kalibong-kamoeroe , 
neusgaten. — Kalibong-pa ampasis^ki , lett. een 
gat oi grafkuU alleen kan hen scheiden, v. d. de dood 
alleen kan hen scheiden. Bijv. gebez. van echtge- 
nooten. 

Kalibombong, of: kalipdmpo^, hol, holte, 
hoUigheid.. 

T^, kalibombong oena, een wangunstig mensch, 

die er steeds op uit is anderen te bedriegen, welligt 

lett.: wiens hoofdhaar zelfs hol, alzoo van binnen 

anders is dan het zich uitwendig voordoet. 

•• ^ 'N X (kalobang), gat, kuü. Vergel. ka- 
't ^ 

Ubong. — Kalobang pêyó, modder kuil of poel, — 

Kalobang djdbkoe, = röengga, vischkitil. — Ook 

8 



58 



de 16 openingen van \\ti pagaUttjangaüg , (vei^el. in zinnen als de volg.-. kaUmdngkoe male, het is 
gaUUjang,) gewoonlijk kalóbanjj genoemd. j ^o«f.v.d. wegens het verband :5e^,(Spraakk.§ 82,) 



•• *C^ X (koelamboe), bep. koelambcfewa, 't 
Mal. yx^iS, gordijn, van een bed by v. (Djay. Bid.) 
Men spreekt soms van de dbang, of het voorhoofd , 
van de bdngkengy of de voeten , van de/n/m, of de 
wangen, (d. i. op zy, van boven,) van de *ón, of 
de zijden y van de bóko, of \iQi achterste gedeelte , 
en van de daUêkang, of het 0oor«^ gedeelie van de 
koelamboe eens beds. 

^^^XX (kalibangRng), of kalibang&aiïg, 
verstomd staan, beteuterd zyn. (Tam.) 

••^X'nX'N (kalibombong). Men zie: 

••*^^X/^v (kalabini), paar, l^jv. man en 
vrouw, mannetje en wij^e. — Akalabini,/Nir«i, 
V. d. trouwen. B. nuÜaïbmi. 

Sikalabini, zamenparen; v. d. trouwen, — Bclb- 
wa sikalabini, beide, man en vrouw, 

Pasikalabini, doen trouwen, 

Pasikalabiniyang, een zekeren t^d bezigen tot 
trowwing voor, of: bezigen om op te trouwen, b^'v.: 
lya-mi nipasikalabinijangi ^njdjo tadbwa, hij (die 
dag) wordt gebezigd, om daarop te laten trouwen 
die menschen, d. i. op dien dag trouwen die men- 
schen. (Bap. T. Dj.) 

^^ ^ X ^^^ O (kalimboewftsang). — Oor- 
ring, (of: r&mmoesoe), ta-kalimboew^a^, onge- 
steldheid, waarbij men inwendig verhit is en toch 
niet zweten kan, = kaloekdbka^. 

^^^^X ^ (kalamb^ls), bep. kalambdk>eka. 
Boeg. = gdnj€fje9^ kóngkong. Men zie ganjdjeng. 

•• ^ \^ (1* kal&mang). — - Kal&mang, oor- 
spronkel. goed, en v. d. kalamangang, oorspronkel. 
beter, verkieslijk, (Boeg. idem,) en v. d. gebezigd 



dfU ik sterve, v. d. laai my maar liever sterven. 

KalamSlngkoe t&na-kombang, 

Pabinêyang ta-nitdbri. 

Têy^ na-ónjdjó. 

Têdong l^a ayoklï. 

Het is goed, v. d. wegens het verband: beter, 
dat ik braakland bljjve, een paddieveld zonder gleuf, 
(streep, men zie: btne en tdèrt,) d.i. ik wil liever 
braakland enz. blijven, dan te gedoogen, dat mij be- 
trede een bt^el, die reeds onder het juk geweest is. 
Zin : liever ongetrouwd, dan een weduwenaar tot man 
genomen, — Kalamang&ngkoe ta-nginoeng, ^a iya 
Rnjdjo koewinoeng, beter dat ik niet drinke, d. i. 
ik wil liever niet drinken, dan dal te drinken. -^IL^- 
lamang&iigkoe tappo'e-kdbli, t&ppoe tasir^ëng-r&ëng, 
k&k SarlUii éUonjdjokiyang topékoe, lett. het is be- 
ter, dat ik, enz. d. i. liever laat ik m^ vel stuk 
scheuren, en vanéén rijten, dan te gedoogen dat de 
Christenen mijn kieedje insgelijks voor zichg^ruiken, 
d. is. dat de Christenen mijne vrouw insgd^ks besla- 
pen. (Dat. Moes.) 

. (2*. kaULmmang), Saley., = sdssang N*. 2, duis- 
ter, duisternis. 

•• ^^ \^ •^ (kalimong), vergd. kahbong, kuil, 
— Si-kalimo^ tinggina, lett. ém vorstelijke graf- 
kml diep, v. d. zoo diep of hoog als de lengte van 
een' man met uitgestrekte armen; dewijl dit de maat- 
staf is voor de diepte van het graf, wanneer er 
een vorst begraven zal worden. Deze zelfde uit- 
drukking ook gebezigd om te kennen te ge- 
ven de hoogte van de stritlg onder het vorsie- 
lijk hui». Het is den geringen man ontzegd, zoo 
wel om bij zijn leven zulk een' hooge siriiig, als 



59 



om ua ziju* dood zulk eeu' diepen grafkuil te 
hebben. 

•<^*^'N\y (kalómang), soort van slakke- 
hnisje aan strand. Men zie ètkoe, 

^^ ^^\^ X (kalamangang). Men zie op: ka- 

^^^\é(X (kalimdfengang), = kdltmoSg. 
^^ ^ \^ NV (kalimdbmmoeng), = kaUtném- 

•«^^\^*\v>'N (kalimommong), in den 
wumd houdm, tierih byv. of een klontje suiker y of 
een stok drop. — Kana nikalimommong, woorden 
tüe men ah '/ toare kaawct^ of in den mond houdt, 
d. is: niet behoorlijk uUepreekt. 

^^ ^\\^ \\^ (kaloemême), naam van een 
rood bees^, dat de lengte van een halven vinger 
heeft ca van vele pootjes voorzien is. Zoodra men 
het aanraakt, rolt het zich geheel in malkander, 
even als een knoop er uitziende. Welligt zamen- 
gesteld uit kdloé N^ 1. + tnêtne. - Ook aldus 
genoemd zekere plaats bij Boeleoomba, die bekend 
is wegens goede saguweer. 

••^vX'wy^^'S (kalimSmord), tpoe- 
lenimden mond^ water bijv. Boeg. mdkaUmómó. 

^^^\^ r\ (kalimata), bep. kalimHtaka, 
een springende bloedzuiger, zeer lastig voor men- 
seben en beesten, vooral wanneer die in neus 
of oor dringt. Het eenige middel om het beest er 
weer uit te krijgen, is een stuk gedroogde visch 
erbij te houden, dewijl het zeer ligt daar op afkomt. 

••^\y^^ (kaloem&njnja^) > n?*- 

KaloemSlnjnjang kaloepepêyang, schatrijk, zoo 
rijky dat men b^ den aanblik van den rijkdom als 
't ware verstomt, Veigel. pêpe N". 2. NB. het 
kaloe van kaloepepêyang welligt ccn herhaling van 



kcUoe iu kaloetnanjnjan^ ; om aan keUol: N°. 1 te 
denken, ware wat gezocht. 

Kakaloemanjnjangang , rijkdom, 

•• *^ \^ ^^ O /^ (killang-maissana), soort 
van kris zonder bogten, en bijzonder zwart van 

kleur. Vergel. kdüany N^ 2 en 't Arab. ,jU4^- 
^^^^ r\ (kalatta), akal&ttd, byten; meestal 
gebcz. van menseigen, doch ook o. a. ^hn paarden, 
B. galdttdy idem. — Nikanftya kallitta pang^e 
pêpé, = nikdnre, = mydüe-pangdUe^êpé. (Bap.)— 
Koegcippa koekal&tt^ lil&koe, ik b^t m^ op mijn' 
^9i bijv; onder het eten. — Nakal^ttaki ^inj- 
§ing, lett. hij heeft een beet van ringen, d. i. hij 
heeft een teeken van het dragen van ringen op zijn' 
vinger, 

Sikal&tta, elkander bijten, b^'v. twee vechtende 
vrouwen. — Pangalatt^kkang-^inj^ing,^tf^0»0a» 
het dragen van ringen, —- Kêla-kalatta biberc, sterk 
op de lippen b'^ten, (Midi). 

^^^r\ (kalintang), = kêkró, 

•/ ^ •N (koellïntde), bep. koelantoeka, knie, 

o > * 

«Mal. ouuJ. — Akoelantoe, knielen, — Akoelêln- 
toe siwUi, met één been knielen, — AkocllLntoe 
pimbali , met beide beenen knielen, — Tjoetjoe-koc- 
l&ntob. Men zie ^dètjoe, 

•• *^^ 'N ^\ 'N ^ '*x (kalótoró) , bep. kalóto- 
roka, droog, — ^dfekoe kalótoró, gedroogde visch. 
K^dd kalótoró, ryst [kówasa), die men eerst ge- 
kookt, vervolgens in de zon gedroogd en eindelijk 
in een boengkeng of pinangschaal gewikkeld heeft. 
Wanneer men de kadó kalótoró, die doorgaans op 
reis wordt mee genomen, wil eten, weekt men die 
in koud water, doet er suiker by, en zet ze ver- 
volgens onder iets zwaars. Hierdoor begint de 
rijst weer te zwellen en wordt alzoo eetbaar. 



60 



Kaloion, droog maken y droog en, 

•^ *0 yv \ ^^^ (kalantóëwé), geheel voorover 
en met de armen eenigzins in malkander gebogen 
staan. NB. heeft veel van de houding b^* het rSk- 

kong (^jSs) van het gebed , met dit onderscheid, 

dat men de armen optrekt. B. mMalóktdé , idem. 

••*0\vy (kallde), bep. kaladêya, ezel. 

Mal. ^jJL^JaV. #nJ^^. 

••^•^ (koeli^a), bep. koeliQaya, neet, 
luizeneijeren, — Taena sisali, m^nna kHmma ki- 
dong-koeli^'a, het vereehüt zéffs niet zoo veel als 
de staart van een neet, d. i. zeifs geen klein ziertje, 

••'N-^'N/0'N (kolodjong), 't Arabisch 

I»^ÜJ, Roode zee. (6jay.) 

•• ^ <C (kaliyang). Men zie op : llyang. 
•• ^^ <5' (koelSiyoe). Men zie Idyoe N". 1. 
•• 'N *^5^ <f^ (kol&yoe), bep. kotóyoeka, gor- 
d^. — Miaanrakiya koliyde, ta-napatimba, 
geen gordijn, dat hy niet openslaat, te weten: om 
b^ de geliefde te komen. 

••^<C'X'N (kaliyabo), bep. kaliyabowa, 
soort van haan, welks kleur tusschen die van den 
djinga/ng Idppoeng, en die van den djüngang êdja 
in is. 

^^^^^^^ (kaliyawa), bep. kaliyiwaka, 
sUngeraap, B. idem. 

^^^^ (kaldërde), oproüen, v. d. soort van 
cigaar, welke de Inlander rookt, bestaande uit ta- 
bak, die in een blad van pisang, of loniar, of 
ntpa, of ook wel Chineesch papier gewikkeld wordt, 
bep. kalc^roeka. 

T&kaldbroe, opgerold ^ omgekruld zyn, omkrul- 
len, b^v. het scherpe van een mes^ of de randen 
van een schaar, wegens de hardheid van hetgeen 
men snijden of knippen wil. 



Têmpa kaldfcrde. — Vergel. iémpa. 
••*C ^ — (kaldferoeng). Djara^ dj&mpi-ka- 
Icferoeng, soort van djdrang-effdmpi met een' zooge- 
naamde aalstreep over den rug, alsmede zwarte 
manen , staart, en pooten. 

y!d^ \ ^ ^ 'N (kalêro). Men zie: léro. 
•^ *^ 'N ^ 'N (kaïoro), bep. kÉdoroka, berg- 
stroom t die in de goede moeson uitdroogt. — Ka- 
lord-barilmbang. Men zie: bardmbang, 
Kalo-k&lon5, beek. 

Kalörang, vore, op rijst- of bouuweld, van wege 
het ploegen; gle^f van de landing-plaats; passage 
tusschen twee banken in rivier of zee. — Kalo- 
ranna boewa5j&ya, de gleuif langs de ruggegraat 
van den kaaiman. 

•• ^ ^ (koelirang), Sal., = bamai^. 
•• *^^ (kdbloerdé), geb. van het zich za- 
mentrekken van een touw , of iets anders, dat , ge- 
spannen zijnde, aan de eene zijde losgelaten wordt. 
•/ *^ 'N ^ (koelórang), soort van wit vlies, 
dat even^'es boven op een wond te zien is, en het- 
welk er volgens den Inlander afgenomen moet 
worden, zoo de wond spoedig genezen zal. 

^••-^•^^'N (kêloro), bep. kêloroka, 
't Mal. )Jl^ 't Jav. <ri§anrfa^t\, soort van boom, 
Moringa pierygosperma. Gartn. Men zie kalwtaiig. 
NB. de bladen en vrucht ab groente gegeten, en de 
wortel gebezigd om de kracht der mostaard te ver- 
meerderen. Op Saleyer heet deze boom: rówe 
N^ 1. — G&tta kêloro. Men zie^^tóa. 

y>^^#^ (kaldfela), bep. kaloelaya, onaf schei- 
dd^k, by elkander behoorende, zoo als bijv. een 
soldaat en zyn zwaard, alzoo is het zwaard de ka- 
loéldna sorodadxfewa. Zoo ook efe heer en zyn lüf- 
knecht; derhalve is de slaaf de kaloeldnn kardè'hga. 



G1 



Zoo ook is hdgeen ik dUijd hij mij heb : kaloeldkoe. 
(Bap. en Midi.) Boeg. idem. 

••\*^<> (kalllde), bep. kaleioeka, Bon- 
thainach, =^/N^8. 

^^\^^\^^ (kalêleiig), soort van rank of 
slingerplant zonder bladen, die zeer taai en dus 
bij w\jze yan touw te gebruiken is. (Tar., M^.) 
— Kalêleng djené, of: lömpo, eene soort van ka^ 
IBeXg^ die de dikte van een mans-arm heeft, en 
Tol drinkbaar water is. — Kalêleng ^Idi, kleine 
soort Tan kalilenff. — Kalêleng tSlmbard, soort van 
kdielemg^ die als tegengift {tdmbard) gebruikt 
wordt, insgelijks behoorende tot de ingrediënten 
van het ^/n/panU^ als z^nde een gepast êymèod 
van de uiibreiding van geslofft. — Kalêleng m&li- 
mali. Men zie mali N^ 2. 

Sangkalêleng, lett. door halêleSg zamen verèon- 
deny d. i. zamm-^chuldig ^ medepUffüg, — Niyftni ri- 
sangkalelênna, het wordt hekend {erkend) door zjjn' 
medepUfftige. (Bap. T. %) 

•-^ -^ ^ -^ "N (kalól6). — Lêmo kalöl<J. Men 

^^^^i^^ (kal&wing), op den arm dragen^ 
bijv. hmderen. — KalUwing pamaina, = irang pa- 
mama, het toedragen zyner genegenheid. Maleisch 
vsillO^U, b\jv.: katoetdëwi töngi kal&wing-pa- 
mainoe, let wd op het toedragen woer genegenheid, 
d. i. of: veee vooral vriendel^k jegens de menêchen, 
en maak u niet gehaat; of: zie wel toe , wien g^ uwe 
toegenegenheid toedraagt. (Bap. K. G.) 

Pakalawing-êpoe, sierihdoos-dragera. Aldus ge- 
naamd de ênórkastamg^e^ welke of zelve de sierih- 
doos dragen, of althans tot 's vorsten onmiddel- 
lijk gevolg behooren. (Djay.) Zij worden ook wel 
genoemd: dnd-riöoko. Vergel. óóko N°. 1, on and. 



Pakalaw ingang, dat gedeelte des ligchaams 
waarmede men een klein kind draagt; vandaar: de 
z'^den des ligchaams. 

^^\^^ ^^^ (kale wang), soort van sabel. B. 
idem. — Kalêwang boelaëng-mata. Men zie hoe- 
Idèng-mdta op hoeldër^, — Kalêwang Kayili. Men 
zie KagtU, 

'^^•^^'N^N^ (kalöwi), bep. kalöwaka, soort 
van boom met groote vruchten, die ieder 2 a 3 
noten bevatten. Deze noten worden gekookt, en 
dan neemt men het binnenste er uit, dat week en 
zwart van kleur is, en gebezigd wordt om sambal 
van te maken. De vrucht oud zijnde, heet ge- 
woonlijk kaldwd, anders pingi; v. d. pdkópüngi, = 
pdkó kaUkod. Volgens sommigen geen onderscheid, 
als alleen dat pëngi Boegineesch en kalSwd Ma- 
kassaarsch is. 

•• ^^ 'N \ ^^ (kalowe), bep. kalowêya, ge- 
droogde vruchten. 

•^^^^s^>^ (kalawaki), hoeden, hewaren, 
oppassen. 

Pakalaw&ki, bep. pakalawakiya, hoeder y bijv. 
van vee. 

••*^^^^^\••\^ (kaloewfilngkeré), bep. 
kaloew&iigkereka, soort van boom, Com^etum. Sp. 

••#O^N^^ (kalawara), bep. kallLwaraka, 
ons klaver, in 't kaartspel. 

••^^s^^ (kaliw^), bep. kaliwar&ya, 
= kaloewdra. 

••*^5^^^^^ (kaloewara), bep. kaloewar&ya, 
mier. — Kaloewftra êdja, roode mier. — Kaloewara 
leleng, zwarte mier. 

^^\^^\ ^^ \ ^ (kalêweré). Men zie : 
tjlóQoró N^ 1. 

••*^5^^^^0 (kalawasa), bep. kal&wasaka, 



62 



boom van de grootte van den maiïggaboom, met 
kleine appeltjes , die veel overeenkomst in grootte 
en vorm met u^'en hebben. Deze appeltjes in wa- 
ter met zout gelegd, en als a^ar bij den inland- 
schen kost gegeten. Deze rdppo kaléuixud ook ge- 
noemd: rapp(Hrélppo-kS)6. Verg. k&»6. 

•• *^ ^^^ \ O (kalawSlsseng), grondgebied , 
bijv. kalawassêngkoe, mf/f» grandgdied, de pkuda 
waar ik keer en meeder ben^ bijv. m^n kuis. 
Kalawassênna karfienga, kei grondgebied van den 
vordf kei land, «aar men zjjne bevden eerbiedige, 

^^ «^ O (r kUlasi) omwinden^ omvleckien, 
omslingeren^ koepeJhand^ die ergens om gewonden 
is. — Kalèwang-nik&lasi, een klewar^y die als 't 
ware omwonden, of: mei koepels beslagen is. — Ka- 
lêwang nik^las^boelHeng, een Mewang, die als H 
ware mei gouden koepels of banden bedagen is. Zoo 
spreekt men ook van: biraXg-bddi nikéUasd. 

(2'' Kaïlassa). — T&k&Uassé, sckrikken, ontsiel^ 
len. — T&k&Uassu-mi atêngkoe, m^n kari is ont^ 
roerd. (Sinr. Dat. Moes.) 

PakILllassa, doen sekrikken^ versckrikken. 

^^^O (kalisi), gerimpeld, zamengetrohken 
z\jn, het vel bijv., ten gevolge van koude, of van 
ziekte, als de cholera en detgel. — Kahsi-ng&seng 
kalêngkoe, na-pak&mma dinging, mi^n ganseke lig- 
ckaam is gerimpeld van de koude. B^'v. te bezigen 
van een drenkeling, of van iemand, die lang in 't 
bad geweest is. 

Kalisi ook gebez. van het zamentrekken der 
baarmoeder na de bevalling, waartoe men ecnige 
dagen achter elkander telkens ëén ^^d warm 
water op den buik der kraamvrouw uitgiet. 

••*^0 (kaldbsoé), wtyven, byv. goed, dat 
gewasschen wordt. Boeg. idem. — NakaloUoeki 



oeldbnua, kij wrijft zyn koofd, bijv. uit verlegen- 
heid met eene zaak. 

Pasikaloesdbkang, tegen malkander doen sckuren 
of wrijven; bijv.: napasikaloescibkang bangkênna, 
kjj wr^fi of sckuurt mei zijn beenen tegen malkander. 

•• ^^ \ O \ ^ (kalasére). Men zie kola, op 
dia ^.\ casere N^ 1. 

•• *C\ O ^ (kalóssara), bep. kalössaraka, 
droog, geen smaak meer kMende. Geb. van eten, 
bijv.: van gekookte r^'st, die zoo droog is, dat zij 
geheel uit elkander valt; van vleesck, dat door den 
ouderdom van het beest zoo droog is, dat er vol- 
strekt geen vet meer aan gevonden wordt; van stok- 
kerige lóbd, die geen smaak meer heeft. 

^f^^^^ (koellU)e), bep. koeladëwa, = 't 

Mal. iéJ^iS' en dLüuüo, bezoar. Boeg. oldoe, 
idem. Hieronder te verstaan: allerlei verleende 
voorwerpen, waaraan men eene bijzonder keilzame 
kraekt ioesckr^. Zoo spreekt men bijv. van: 
koéldoe öélard, een versteend slangetje, als probatum 
tegen het steken van slangen; zoo spreekt men zelfs 
van koeldoe-dUo, koéldoe-bdklaiig , koetdoe-^dmba, 
enz. — Koelaoe nag&ya, één der rijkssieraden van 
Gdwa, neergedaald uit den Hemel, 8 dagen na 
Toe-mandbioe^;a. 

Ook heeft de Inlander een b^'geloof dat oude 
menschen een koelaoe binnen kr^'gen, v. d. akoe- 
Idoe-^ni, hjj keeft reeds een koéldoe, met andere 
woorden: kij is reeds oud. By den dood van zoo 
iemand, tracht men zijn koelaoe op te vangen. 

^•*^^\^ (kala(>bmang), soort van «^X*. 

y'^^^^^^O (kaladësde), bep. kalao'bsoeka, 
^nenng. 

••^^^ (F k&wa), bep. kawS-ya, groote ronde 
ijzeren pan, ook geb. voor het koken van de tripaiïg- 



G3 



(2" kawa), bep. kawaya, koffij. — K&wa Ba- 
landa, chocolade. 

(8"* k&wa), het Mal. v:^^!^. — Kawa-bassi, = 
bdm-Ungkeré^ jjzerdraad. — KSLwa-g&Uang, = 
gdüaXg-Ungkeré, koperdraad. Verg. é^dllng N". 1. 

•• ^N^ (kiwang), 't Mal. y^%^, troep, kudde. 

••\^N^ (k&we). — KftWe-k&we, bep. kftwe- 
kawêya, onbekwaam voor de voorileUng, 

•• ^^^ 'N (!• k&wo), gewonnen^ by het patdb- 
wi-, en bij het k6wa-g6nggoiïg-spel. — K&wo-baiïg, 
één van de dertig soorten van kaarten bij het pa- 
tc^wi- en kowa-gdnggongspel. 

(2** matar-k&wo), Venusnekte. 

••^N^'N (kSlwong), = kdong (Tam.) 

••^N^ (!• kdbwa). — Kdfewa-kdëwa , bep. 
kobwa-koew&ya, groene kanarie duify :?= kebókang 
UieSffyQoV genoemd: rónroi^'ddloe. Verg. rónrong. 

(2* kdbwa), Toer., Bonth., en Sal., epreke», 
zegge», (Sinr. M^i.) 

X •• \ #^ (kêwé). — TÜLêwé-köwé, gUndercH, 
MckiiiereH. (Sinr., Tam.) 

•<^ % ^^^ (1° kdwa) beteekent in het köwa- 
gunggong-spel: de op tafel Uggende haart tdet rui- 
/ai, maar voor de andere spelers laten liggen, 

Kowargonggong, soort van Chineesch kaartspel 
mei deselfde kaarten als het patd^-spel te spelen. 

(2* iikdwi\ gebez. van de eerde oprisping tot 
Inken: byv. taina^mêngka-^i koetéHémgey eanggên- 
naJ^é tékAoéy ik heb toch (gelukkig) niet gebraakt; 
zoo ver üeekte is het gekomeny dat ik begon op te 
rispen, — Fasapoe t^kdwaka ri-kasdbmba, de hoofd- 
doek waarvoor men soooeel kasdhnba g^ezigd herft, 
dat die als *t ware haar maag overladen heeft, (Madi). 

•^^'N^N^ (1° kdwang), iköwang, == Wowa 
N". 1, galopperen y een paard bijv. 



(2° köwaiig), dat gedeelte van het ijzer van 
eenpakékey dat hol is, en waar men het bamboe- 
zen heft insteekt, v. d.: pakêke nikdwang, een 
spade y die zulk een kAoang heeft; staande tegenover 
een pakêke die uit één stuk, en geheel van yzer 
is, een pakêke panróli. Veigel. pakêke op: kéke 
N^3. 

••'nA^v (kdwi), bep. köwika, = kdt, — 
Nllga-sikówi , lett. een draak die zich in malkander 
haakt y d. i. oprolt. (Djay.) 

•••^^N^'^ (kowong). — KowoiJg-köwong, 
= bókUoengy soort van zeekwab. 

•• 'N ^N^ <^ (1** kow&yang). — Kow^yang- 
b^lang, = ^ingcy kiekenduf md witten kop» — 
Kowftyang-bfiltoe, soort van grooten roofvogel, die 
altijd in z^n nest een stuk steen zou hebben, om 
z^'n' snavel te slijpen. 

(2^ i]LOwi,yaSg)y steigeren y bijv. een paard, 

•• ^"^ ^ (k&wari). — Kawllri, binden, bijv. : 
de balad^s. Men zie beneden op: bdlad/. (Sinr.) 
— Kaw&ri, bep. kawftrika, plaatjes die men kin- 
deren ombindt, om op de borst te dragen. B. idem. 

Kaw&rraiïg, een zekere hoeveelheid paddie te 
zamen gebonden, een bos paddie. NB. twéé ka- 
w&rrang's = éót bdsse, — Nikawarrang, tot ka^ 
wdrrang^s , of: bossen, gemaakt worden. 

^^^s^^ (kaw&roe), akaw&roe, door middd 
van gebeden, of duhfelsbamdngen of tooverformuUeren 
van den invloed der booze geesten bevryden. NB. dit 
geschiedt meestal door de bissoe's, en wel bij 
groote rampen als aanstekelijke ziekten, of ook 
bij zeer gewigtige plegtigheden, als het verplaat- 
sen der rijksomamenten, en dergelijke meer. (Tar., 
Tam.) 

Koekaw&roe-ko têdong, ik offer voor u buffels 



64 



tot wering der booze geesten^ lelt. ik bevrijd u met 
buffels van den invloed der booze geesten. 

^f^^^^^ (kdëwaU), bep. kdbwalaka, soort 
van boom, gebezigd om garen en har6ró van te 
maken, Corypha Gebanga BI, 

•/^^^O (koew&sa), bep. koewas&ya. Mal. 
^j*#f^ magtig, B. idem. — Koew^-bord, alge- 
meen gemagügde. — Koew&sa-dyMang, speciaal ge- 
magtigde. NB. dit bdró eigenlek ons borg. Zoowel 
dit als het volgende koewdsa-^dlang das eigenlijk 
geen Makassaarsch, en slechts op de hoofdplaats 
Makassar gebezigd. 

Kakoewasa^, magt, 

Angkakoewasai, ergens magt over hehben. Men 
zie: kowdsa'S''. 2. 

•<^ 'N ^^ O (1** köwasa), bep. kdwasaka. — 
Ase kowasi, soort van rijst die men gewoonl^k 
eet. Men zie dse. 

(2^ kowftsa), bep. kowas&ya, = koewdsa. 

^^ O (l"" k&sa), bep. kas&ya, neteldoek. Boeg. 
idem. — KAsa bdld-bóló, fijne soort van netddoek, 
— K&sa bandiya, zeer fijne soort van neteldoek. 
(Kei.) — XUsa BenggfiJi, Bengaalsck neieldoek, — 
KUsa m&bdbnga, = kalangkari, 

(2' kassa), bep. kftssaka, verg. 't Mal. vsa^I^, 
hard, ndg^ ruw, v. d. sierk, bijv. kllsonS k&ssd, 
een hddzak die te hard (d. i. te vast gestopt is. — 
Taipaptmtf-k&ssél, eene maf^ga-vruekt, die wel r^p, 
maar toch nog wat hard is. Men zie mdngkald. — 
K&SS& palagêsang, sterk yan palagésaé^ , (men zie 
beneden,) d. i. gespierd. — BAcIjoe k^ssi, ruw, ruig, 
of dik, ondoorschijnend, baadje, gedragen door 
vrouwen die te oud zqn voor de paióla-rdwang en 
kakanna-rdwang. 

^^ b (1** ksLssi), bep. k&ssika, eand. Boeg. k&si. 



Kassi-kêbo, wU zand. In de kêlong's gebezigd, 
als beeld voor het semen virHe. (Kei.) 

Kassikiya, = kdssika. (S. Tjin.) Vergel. mijne 
Makass. Spraakk. § 61. 

K^ssi-k^ssi, strooi-zand. 

(2" k&ssi), Saley., = kdttji, zuur. 

yi^b (k&ssïng), r= gdssttlg. Men zie be- 
neden. 

yi^O (k&soe), bep. k&soeka, muü, slof, 
schoen. Ch. Mal. Sd. Jav. kasoet, idem. 

^^O'N (kftso), bep. kasowa, spar, rib, van 
een dak. Mal. en Boeg. idem. 

^••O (kêssa), bep. kessaya. — Ana-ana 
kêssa, een voor zijn^ ouderdom klein kind. — Pdëroe- 
pdéroe kêssa. Men zieptferoe N". 1. 

\ •• O "N (kêso), schuren, bqv.: ijzerwerk en 
dergel., doch gewoonlijk ofschoon ook gigi verzwe- 
gen worde, gebezigd van het tanden schuren. Mal. 
(3^y^ Boeg. gésó, idem. 

Kêsóki Q^mó, iemand of iets schuren, d. i. sme- 
ren, met vet. 

Sikêsd, elkander schuren; b^v.: sikêsó-mi dja- 
r&ngkoe ^öngilya, mijn paard schuurt als *t ware 
reeds te zamen met^ d. i. aan het hertebeest, d. i. 
myn paard is reeds vlak by het hertebeest. 

Fakêstf, het schuren, v. d. schuursel, bigv. pa- 
kesdna tambakowa, de tabak, die hij bij het sierih- 
kaauwen tegen z^* tanden aanschuurt of wrijft. (S. 
'Sin.) 

Kêsó-kèsó, bep. kêso-kêsoka, luU, viool. — 
Fakêsd kêsd-kêsó, stryk^stok. 

••'NO'N (r koso), HoU. kous. — Koso- 
lima, handschoen. 

{%"" köso), iköso t^boe, suikerriet knabbelen, of 
kaauwen. 



üb 



^<^0#s^^ (kassipalli) , bep. kassipaliiya, 
= 't Boeg. pemdli, = 't Arab. ^yy^, gdezigd 
van iedere daad, die naar de heerschende denk- 
beelden onder de Inlanders verkeerd is, en ge- 
woonlijk nadeelige gevolgen na zich sleept. Zoo 
noemen z^ bijvoorb. kassipalli.* het vertrappen van 
eitn , het hopen in de zon op het midden tan den 
dag^ het dooden van eenig dier in een huis waar een 
kind iê van beneden de 40 dagen. (Tar.) 

Makassip&lli, zich houden aan het kassipdlU, d. 
i. daigeen nalaten wat voor kassipdlli gehouden wordt. 
(Bap.) 

Pakassipalliyang, het zich houden aan het kas- 
•ipéUliy d. L het nalaten qf vermijden van daigeen , 
wat voor hmpdüi gehouden wordt, 

yi^OX (kasdbmba), bep. kasoembaya, soort 
van heester, welks bloem gebezigd wordt om rood 
te verwen, en ook om als medicijn te gebruiken, 
êaffraan. Mal. en Jav. idem. Skr. koeaoembha, 

Nikasdbmba, rood geverwd worden. -— Nika- 
sdëmba si-patoeng, met 20 kdti^e (d. i. 25 oude 
ponden,) kaêdhnba rood geverwd worden. (Madi). 

^^ O \y (kasdbma). Men zie sdhna N''. 1. 

^^ O \X (kasdbmang). Men zie söemapg. 

•.^OXN^ (kasatdferi), bep. kasatoeriya, 
muêkuê. Mal. Jav. Skr. kadoeri, idem. — Bdbnga 
kasatdbri, muskueèloem. 

^^^\y\^^ (kasatéla), 't Mal. JuXi*<X 
CoêtHiet V. d. Spanje. 

^^^yOy\ (kasadj^ntang), houten, die van 
boven de bdekkóe van een vaartuig vormen. Ook 
aldus genoemd de oploopende bamboezen tot vor- 
ming van het dak van een huis. NB. deze loopen 
binnen de lüïkang , terwijl de kdso's zich van bui- 
ten bevinden. 



•• O «^ (kasiya), bep. kasiyaka, gevoel bijv. 
dmging kasiyana, het geeft een koud gevoel , b^'v. 
in de maag: d. i. verkoelt de maag; gebez. van 
komkommers en dergelyke. — B&mbang kasiy^na, 
het geeft een heet gevoel, bijv. in de maag, d. i. het 
verhit de maag; gcb. van doeriyaiig en dergel. — 
Ködi kasiy^ua, het geeft een aleeht (onaangenaam) 
gevoel, b^v.: aan het lijf, d. i. zit ongemakkelijk , 
gebez. van kleêren; b\jv. in de maag, d. i. het 
smaakt niet lekker. (Boeg. kaséyd, idem. 

Akasiya, gevoelen, voelen, v. d.: a) »^ bevoelen, 
met de hand; bijv.: een' klomp; 

b) iets proeven , smaken , enz. (Vergcl. kanjdme 
op: njdme,) bijv.: kasiya ski, proef het eens. — 
Koekasiya badjina, het smaakt mij lekker. — Léb^ 
koekasiya Djoempandang, ik heb Makassar ge- 
proefd, d. i. leeren kennen. 

•• O <^ (kassiyang, = kassoewiyang. (D. M.) 

••'NO^^^ (kosiyang). — Akosiyang, = 
dkassoewtgoflg, (Brief.) 

^^ O ^ (kclsara), bep. k&saraka, = het Mai. 
/^^j ffrqf. Boeg. mdwissd. 

yi^O's^'N (kAsord), bep. kasoroka, ma- 
tras. Mal. z-***!^. Boeg. idem. 

K^o-k^or6, lett. iets dat den vorm hetft van 
een matras; geb. van een jong pisangblad, waarin 
men njst (kowasa) met klappermelk gewikkeld, en 
hetwelk men zdo opgerold heeft, dat het den vorm 
van een buldzakje heeft, terwijl het ontrold zijnde, 
insgelijks eenige overeenkomst daarmede heeft. 

•• O ^^ <i^ (kassoewiyaiïg), hulde, gehoor- 
zaamheid, dienst. B. idem. 

De benaming van kassoewiyang ook gegeven 

aan de bdte-salapang , als die meer dan anderen 

den koning (en voor dat er nog een koning in 

1) 



C6 



Güwa was, den patjdlla ,) moeten hulde brengen. 
Vergel. over bdie-salapam/ op: bate N°. 1. 

Akassoewiyang, iemand hulde of: gehoor zauin^ 
held bewijzen , diensten of werk voor iemand verrig- 
ten, (Djay.) — Jhassoewiyang ook gebezigd van 
iemand die (\e pokken heeft ^ als zijnde een' gevaar- 
lijke ziekte, waaraan bijna iedereen als 't ware 
zijn hulde moet bewijzen. 

Nikassoewiyangi, gehuldigd worden, kassoe- 
wiyang ontvangen. (Bap. K. G.) 

Pakassoewiyaiig, een bewezen van hulde , of ge- 
/loorzaamheid, een verrigten van arbeid voor iemand, 
V. d. belasHng, en dergelijke, als zijnde de voor- 
naamste bestanddeelen van de kassoewtgang voor 
een* vorst. 

••O^*^^ (kasoew&ri), bep. kasoewanya, 
Casuariê, 

•• O O (koesissiiïg), = aissing, ierdeege on- 
derzoeken. (Sinr., Dat. Moes.) 

•• O O ^ (koesissili), bep. koeslssilika, = 
s'miliy soort van kleine mugjes, 

•• O ^ <^ (kassiiyang), = kassoewiyang . 

^^ O ^^ ^^^ (kasadëwaiïg). Menzie»5otfN°.4. 

•• O ^^ O (k^i-asi), bep. k^i-asïya. Men 
zie dn N°. 3. 

••^ (kaf) a) haken, aanhaken, toehaken. 
Boeg. idem. Mal. vs^^l^; bijv. topêya, ponna niya 
kaïna, de kleedjes zoo die toegehaakt worden. (Kap.) 
b) haak, v. d. hetgeen aan een kleedje als *t ware is 
aangehaakt; d. i. rand, zoom, byv.: k^'-sdfelang 
pimbaliya, de rand die aan beide zijden, d. i. door 
en door geborduurd is. (G. G.) Vergel. sóeUmg N"*. 1. 

Sikuï, aan elkander gehaakt, v. d. samenhangen- 
de, zamengebonden, bijv.: toe-sik&i gantoeróna, 
menschen wier gant(fero*s (, vergel. op gant(fero,) aan- 



een verbonden zijn, d. i. buurlieden. (Sinr.) Sikaï-kido- 
kanjnjing, oud woord, = sikido-kanjnjingi. 
(Royong). Verg. Ictdo. 

Pak^'i, bep. paksLïka, haak. — Pakê.ï taï-toli, 
lett. oorhaak, d. i. oorlepeUje, behoorende tot de 
rówe-rówelé. Vergel. op rówélé. — Pakdi insgel. 
geb. van de haak, waarmede de stang aan de kifeloe- 
kdeloe ddjdping-djdping, en köeloe-kdeloe drdppo- 
rdppo vastgehecht wordt. — Pdkdi ook gebez. van 
de geringste soort slaven, letterlijk: iemand die een 
putemmer, of wat het ook zij , dat in het water ge- 
vallen is, moet ophaken, d. i. ophalen. (G. G.) — 

Póke-pak&ï, eene soort van piek met weerha- 
ken aan het lemmet. — Bênteng pakai. Vergel. 
bênteiTg. — Pak&ï-rar&me, haak, gebez. om de pad- 
die-stoppels uit den grond te trekken. Hiertoe be- 
dient men zich dikwerf van den horen van een 
hertebeest, die dan ook daarvan zijnen naam ont- 
leent. Men zie djoitga N°. 1. Eindelijk /?«Mï^ ook 
geb. van de haak om het zout in de zoutpanncn 
bij elkander te schrapen. 

Pakaikang, voor iemand haken, of met een haak 
naar zich toehalen, bijv. zout. (S. Tjin.). 

Pakaï-k&ï, menschen die met een boe visschcn, 
lett. de bamboezen vischfuik uit de diepte ophaken. 
(S. Tjin.) Vergel. boe N^ 1. 

••^N#K (}i^), = ikdoe), = ko. Men zie boven. 

Ak^-k^, a) het voomaamw. kaoe bezigen. 
Van daar: AkS^)e-kadbwang, iemand met het voor- 
naamwoord kdoe, ikdoe, ko oï noe, toespreken. 

b) knorren; v. d.: Pakaoe-kao'fewi, iemand be- 
knorren. (Djay.) 

(2° kaoe-kaoe, bep. k^c-kao^bwa, kapok, booni- 
wol, Gossampinus alba, Hmlt. B. idem. 

••\^N^ (kaciïg), zamengetrokkeu uit: la- 



rdé'tTg; v. d.: kaëiïgkoe, = karaeiigkoe, Vcrgel. , Keori, atrooym o/;, d. i. öeslrooijen, ie wetou: 
op: kardëtttj, met bênte-hênte^ d. i. verwelkomen ^ een' vorst bijv., 

••^^^*\ (kaong), het Mal. en Arab. f^^ of ander hooggeplaatst personaadjc. 
txjilk^ geslacht, — Kaonna nabi Adang, A^^ ^e^^^^ Keorang, insgelijks bestrooljen, doch naar het 
POM den pro/eet Adam, (Bap. T. Dj,) \ schynt zoo , dat men bijzonder ver gooit. 

••*\^^ (köï), bep. kótka^ = kówi, schakel, ••^^^^ ^^ ^^ ^^ (ka-al i-ali), bep. ka-al i- 

Sikoï, aan elkander geschakeld zijn; in elkander 
kaken, v. d. met elkander overhoop liggen. 



Nasiköl-koï-m^mo ^njdjo baïnnêya, h^ is als 
7 ware aan dat meisje geschakeld. Dit kan bijvoor- 
lieeld gezegd worden van een minnaar, die aan het 
rcrblijf zijner geliefde gekluisterd is, haar overal 
volgt. Soms ook wordt het gebezigd van de huwe- 
l^kê-gemeenschap. 

Pasikoï, aan elkander schakelen, 

Papasikoï, gesp, 

^^\^^\^^ (kaêké), bep. kackeka, kab6e- 
li*tg op zee, veroorzaakt door de tegenovergestelde 
rigting van stroom en wind. Boeg. idem. 

^^ ^^ ^ ^^ K/ (kaïndi-indi). Men zie indi. 



aiika. Men zie: dli N^ 2. 

•• ^<^^ (kao'bloe). Men zie o^eloe N". 2. 

••^^^^^^O (kadëwasa), bep. kadbwasaka, 
soort van boom met peulvruchten, die donker-geel , 
en van witte, jeuking-veroorzakende haren voor- 
zien zijn; van daar de naam van djdrm^-goeloenj/ 
kaöewasd, gegeven aan een Isabelle-paard, dat bij- 
zonder geel van kleur is en daarb^' wüte manen eu 
staart heeft. Men zie gdhloeng, 

•<^^^<^ O (kaiissa), Sal., = 'tBoeg. aserd, =-. 
't Mak. sdldpang, negen. 

•• ^^ O (kïloesoc) , bep. kaoesoeka , = kóso 
N°. 1, kous. 

•• ^^ 'N O ^ (kaosara), bep. kaosuraka , 



•^^^^ 



(kaïri), bep. kaïriya. 't Mal. ^5^ 't Arab. ^"^ naam eener rivier van het 



en 'tJav. «^•oi'nN, linkerz^de, Ünksch, v.d.: a) 0»- 
Aamdig, ongeschikt; van daar b) bakboord, als zijnde 
aan de linkerzijde van het schip. Vergel. 't Bo^. 
kiÉui, bakboord. 

X •• ^^-^ *\ ^ ^ (kêord) , ngêoru , strooijen , 
van daar : ngcoró lêssoró. Men zie léssoró. 



Mohani- 



medaansche Paradijs. (Maoet.) 



•• ^^ ^ (kahara) , 't Arab. \^\ , de Al- 
magtige, 

••^^^ (kahari), Sal. = *t Mak. katcnri , 
soort van kindersicraad. 



«8 



^ (ga). Tweede letter van hot Makassaarsch 
Alphabct. 

A^ (ga), of: galê, of: galendóng, door meer- 
deren in rang of jaren tot minderen, bijvoorbeeld 
tot bedienden of kinderen gebezigd^ wanneer zij de- 
zen vriendel^k willen toespreken, te vergeüjjken 
met bïsar^ N°. 1 of bi»adeng , en welligt best met 
vriendje^ of dergelijke woorden, in het HoUandsch 
over te brengen ; bijvoorbeeld : erSngang-s^ ri- 
Djoemp&ndang, breng m\i dat eens naar Makoêsar^ 
vriendje! — AUe-mSlë, galê, of: galêndong, breng 
dai eens kier, vriendje/ Boeg. ga, galê, idem. — 
NB. galêndoi^ alleen door vrouwen gebezigd. 

Ai^ (gong), naam van een muzijk-instru- 
ment, een groot koperen bekken, dat loshangend 
met een' elastieken hamer geslagen wordt. Mal. en 
Jav. idem. 

^ ^ (g^a), 't Mal. vjL^f, stamelen, kak^ 
kelen, èioUeren, Boeg. idem. — Bo'bkoero'e g^. 
Vergel. boekoeroe. 

^^ (gangga), bep. ganggaya. Kappo- 
gangga. Men zie rdppo N". 2. 

^ ^ (1** gSLnggang), Mal. = 't Mak. kdng- 
kang N^ 2. 

(2° ganggang), zich ter deege uitstrekken. — 
— Toeming&ra g&nggang. Men zie: toemingdra. 

Paganggang, ter deege uitstrekken, of uitrekken, 

T&^nggang , sterk uitgestrekt , sterk getrokken, 
bijv.: poto-pobli taganggaiig, een stevige knoop, die 



bovendien nog sterk getrokken of aangehaald, en 
daardoor nog vaster gemaakt is. (Kei.) 

^ ^ (S^^gS>&%)» 809rt van gestreept , of ook 
wel geruit Oost-Indisch lijnwaad, gingga^. Mal. en 
Jav. idem. 

^^ (gW)> ^P- gig^ya» vnw. gigï^koe, 
tand. Mal. idem. Ook gebez. voor oUefantstand of 
ivoor. Men zie: gading W.\. — Gigi panaiïgar- 
rang, de vier voorde tanden, (boven en beneden.) 
Vergel. tingard. — Gigi ri-dall6kang, r=z gtgipa- 
nangdrrai^, — Gigi lasdbna, hoektanden. Verg. 
lasdhui, — Gigi ngHngala, kiezen. Vergel. tTgd- 
ngald. — Gigi gdfentoerde, dondersteenen. Verg. 
göentoeroe. — Gtgi ook gebezigd van de pennen 
op de paiiganêyar^^s van de panganêyang-mémpo. 
Verg. oiitf.N". 1. — Eindelijk ook gebez. van het 
scherpe, wij zouden zeggen het ijzer van den 
ploeg i ploegkouter. 

Anggiging, welligt zamengetrokken uit ariggi- 
g^ang, watertanden naar, sterk verlangen naar 
iets, bijv. naar eten, drinken, enz. 

^^ fe%iSg)> auggiging. Men zie: gigi. 

\^4^^ (gênggo), agênggo, agênggo- 
gênggo, a) schudden, bijv. : de balêmJbeng van een 
kris, (Madi.); schokken, bijv., een land, iemand's 
gemoed. 

b) geschud, of geschokt zijn , bijv. een hnd , 
iemand's gemoed. 

^^^^'s (r geiiggong), mond-orgel , of 



69 



moHd-irompeije, gemaakt van de palapa van den Kag^êrang, €r(/ett8 over schreeuwen, geraas of 



MffMceeröoom, of ook van ijzer of van soewdsa. Mal. 
idem. Jav. (fnvf<fnt\, 

(2". gênggoiïg), tor. — Gênggong-kaldfekoe, 
soort van tor, die soms groote verwoesting onder 
de klapperboomen aanrigt. 

Gênggong-dj&wa, één van de fówe-rdweU, Men 
zie op rówelé. 

^ •^ Ai feoga), = bemhang, 

^ 'N Ai "N (gönggong). Kówa-gónggoiig, soort 
▼an Chineesch kaartspel. 

4^^^\^ (gagattara). Men zie gdiiard. 

Ai Ai ^ (g^r^) zóó spreken dat hei sterken 
indruk maakt^ v. d. 'gebez. van engelen4aal^ (Tam.); 



oploop voor maken, (Djay). 

Ai Ai ^ (ganggala), loederstaan, beletten. — 
Ero ta-niganggalSiya, = êrd takalawanna Alla- 
tailla, de ontDederstaanbare teil van God, Men zie 
Idwa N^ 1. 

Ai Ai O (g^^&)> de kapas, nadat z\j met de 
lólisang van pitten gezuiverd is, door middel van 
iikdrroen^^s op en neer gooyen en zoo doende zwoeren, 

\ Ai Ai 'N O 'N (gêgoso), schudden, bijv.: gê- 
gosd-slLï ^njdjotaipaya, schudt eenadienmdngga-boom, 

T^êgosdki boettaya, de aarde wordt geschud, 
d. i. davert, dreuni. (Bjay.) 

Ai 'N Ai 'N O 'N (1" gégosó), bep. gógosoka, 



V. d. ook iemand hard aanspreken, toesnaauwen en soort van lekkem^*. Boeg. idem. De gógosó wordt 
dergelijke, bijv.: g^rd-saï ^na-anaka, nam&lld, , gemaakt van dse-póèndè. Deze wordt eerst in de 



namónd, spreek de kinderen eens wat hard aan, op- 
dat zij bang worden en heengaan; v. d. opjagen, b^v.: 
wüd; voortjagen, voortdrijven, b^v. buffels; aanhit- 
«e», aanzetten, bijv. paarden, 

^^% (gdbgoerde). — Goego'brang, strooyen, 
of laten vallen, b^v.: nagoego'brang ringgina ri- 
papangadjaiyanga, hij laat zijne Spaansche matten 
im de sierihdoos vallen. 

Goegdbri, ergens in strooyen of laten vallen; byv.: 
na-papangadjaiyanga nagoegdbri rifïggi, hy laat 
Spaaneche matten in de sierihdoos vallen. 

\ Ai \ Ai \ ^ (gegeré), bep. gegereka,^tfrfl<M, 
geüer, oproer, schreeuwen, beweging maken, drink 
zyn. Mal. fJ^^' B^v.: gegeré sdr&nna a^djo 
djangang-djanganga, druk is het geluid van dien vo- 
gel. — Mag^eré ook gebez. van de sawa-slang die 
gezegd wordt een geluid te maken, dat veel over- 



wasem gekookt (ni-songkold), vervolgens uitge- 
schept in een kom, en met klapper-melk en een 
weinig zout vermengd; daarna in een bamboe ge- 
stoken, waaruit het in den vorm van een' worst 
te voorschijn komt; eindelijk in een driedubbeld 
gevouwen pisangblad gewikkeld en geroosterd (ni- 
l^ngga). Soms doet men binnen in die worst nog 
vleesch of dergelijke; alsdan heet het ^^(WMm^o^. 
Vergel. kdmboe N°. 1. 

(2** gögosd), één van de dertig soorten van kaar- 
ten by het patdfewi- en köwa-gonggoiïg-spel. 

Ai^ (gangung), moeskruiden, Vergel. 't Jav. 
a£^«nênji\ gekookte groenten, — Gangang-bosi, witte 
Champignon* s. — Gaiïgaiïg-kila, gele Champig- 
non*s. — Gafïgang-kala-kala, en gangang-pipisi, 
ook soorten van Champignon's, (NB. De beide 
eerstgenoemde soorten de beste en gewoonlijk ge- 



ecnkomst heeft met het gekraai van den haan. kookt, de twee laatste minder en meestal geroos- 
(Rap. K. G.) terd, (ni-lftiJgga). 



70 



Gangaiïg-karacng, soort van groente, =:gónra, — 
Gafigafïg baoe-balanda, = i^ainuni bcddnda. Men 
zie tJanUini, 

Nigangaiïg, tot groente gemaakt , als groente 
gebrtdkt, gegeten worden, 

^ ^ (g^PP^) ^g^i ontvangen, vinden, vat- 
ten, begrijpen; bijv.anggappa-pole, wederom kragen, 
d. i. herkrijgen, — Pónna noebóyaï na ta-no^appa, 
zoo gy het zoekt en niet vindt. — Nagappu mina- 
sanna, hy krijgt, verkrygt, z^ wensch, — Na- 
gappaï soeroegana lino, lett. hij krijgt den He- 



gappa bainnêya, hutcelijksgemeenschap hebben met 
de vrouw, (Maoet.) 

Pasigappa, zamewvaUen, zamennemen, vereent- 
gen eenigc dingen. (Sinr.) 

Ampigappaïyangi, voor iemand laten krijgen, 
vatten, opvangen, byv.: ampigappaïyangi aganna 
karHëng-Barrombong, voor karaèng-Barrdmbong 
laten krijgen, d. i. opvatten, opvangen, zijne {wegge- 
loepen) sluiven. (Brief.) 

Pigappa-gappaï, ergens zoo veel mogelijk aa» 
vatten, iets zoo veel mogelijk trachten te vinden, of 



md van de wereld, d. i. /«y smaakt de Hemélsche te treffen. (Maoet.) 

zaligheid voor zoo ver die op deze wereld ie smaken a^ ^ (g^poeng), wijduit zitten, aan regter- 
is, d. i. hij heeft op Aarde reeds een voorsmaak van en linkerzijde met ruimte gedragen worden, een sa- 
den Hemel. — Kigappa nikapetafya, w^ krjjgen rong byv.; v. d. tóoe-gampoeng, een windnmker, 
hd gezegend worden, d. i. ons valt te beurt gezegend , een zwetser. 

te worden, — Ko^&ppa koel&ngeré, ik kryg te\ \^\^ (gèpé), verdubbelen, by elkander voe- 
hooren. — M&Uaka &nne nagappsLya seng na-Slsseng, gen, (Hap.) 



ik vrees dit, dat zy het wederom te weien krijgen. 



Ai^^^'N (gompo), bep.: gompówa, hoop. 



(Bid.) — NagêLppa naldfekkó, hij krijgt te stelen, , bende, (volks), stapel. Vergel. het Mal. JkiUi' 
d. i. hij deelt, — Nagappa-ïdji natoemaïlalangang en {^A^. 



karaënga ri-Maroesoe, hij kreeg hd nog gedaan, 
om toe-maüdla^ ie maken den kardëng mn Maros. 
(G. G.) — Pönna niya pilsoe nig&ppa nikeró, zoo 
er een. knoest in de planken van hd schip is, waarte- 
gen aangehoosd wordt, d. i. die onder hd hoozen 
geraakt wordt. (Bap. K. G.) — Na^ta-nagappa 
nawa-nawannoe patann&ya todjeng, uw verstand 
vat (d. i. doorziet) nid, wien hd naar waarheid toe- 
komt. (Bap.) 

Panggappa, een krijgen, ontvangen, vinden, vat- 
ten, bevatten, begrepen, b\jv.: Isimmoro-pangg^ppa, 
(jetnakkélijk van bevatting of begrip. 



Pagompo-gompowang, hoop, verzameling va?/ 
menschen, 

^^% (gappoero'e), bep. g&ppoeroeka, een 
gewas, welks blad op gelyke wijze als de sierih 
gebruikt wordt. 

A^X (g^bang), gid, in den vorm van ko- 
geltjes. B. idem. Men heeft twee soorten van gam- 
bang: gdmbang4éne^ of zoete gist, waarin onder an- 
deren rystemeel, kaneel, notenmuskaat, kruidnagel 
enz. gedaan worden; en gdmbang-sarro , of sterke 
gid, een sterker' soort van gist. Beide worden 
gebezigd tot het maken van tape en balló-dse of 



Sigiippa, elkander nemen of vatten, v. d. met brom. — Voorts gebruikt men als gist de idi-bdlló 
elkander in aanraking komen, v. d. afigagangi si- of hei drabbige van de sagmcetr, en zoo men zoek 



M 



broodjes (roli tene) wil maken , insgelijks zoete sa- overige aan de buitenzijde van het tjempaka-XAniiii 
gwcter. gebragt worden. 

AiX^ (1° gambo), bep. gambdwa, = 't Ja- Goeba-soerampati, bep. gdfeba-soerampatiya , 

vaansche <yng»^v (gamboeh) soort van Maduresche = tódó-pdpang , soort van net van aan elkander 

I 
dansers, met schild, boog of Dadap, en gekleed geregen' melatti-bloemen. Ztdk een gtfeèa soeram- 

mei een sarong en lange sjerp, sonde' genaamd, ^pdti dikwijls over de Igken uitgespannen. 

Men zie J. F. C. Gericke, in zijn Jav. Woordenb. i ^ X (go'bmbaiïg), groote soort van pot 

(2" g&mbo), bep. gambówa, slordig, — Taoe voor drinkwater. — Gdbmbang-batoe, ^^ «^«i«i of 

gambo, iemand wiens kleêren bijv. zeer los en slordig Chinesche pot, B. idem. 



aan het lijf zitten, 

^X (gdbba), bep. goebaya, volgens vanHoë- 
veil in zgn' Bidasari bl. 251 beteekent ZjJf bloe- 
men b^ elkander voegen, en wordt de Qempdka aan 
smalle bamboesjes gehecht , en zoo in het haar ge- 
dragen. Dit zou alsdan a^Ji hceten Edoch, zoo 
deze verklaring op Java welligt de ware is, te Ma- 
kassar heeft men mij steeds eene andere gegeven, 
en wel de navolgende : Men neemt eene tjempdka- 
of, zooals men te Makassar zegt: ^ampaga-hloem, 
en steekt in elk van hare blaadjes, een paar 
geopende (niet gesloten , zooals bij de sóbntmg f) me- 



laiHe-hloemen y en wel z6o, dat slechts een der. ^X^ (1" gimbara), bep. gimbaraka, /v^^Ar- 



blaadjes van de melattie-bloem,door het t^empaka- 
blad wordt heengehaald, en alzoo aan de buiten- 
zede van hetzelve zich vertoont, terwijl het overige 
Tan het me^o^i^-bloempje, zoowel het wit als het 
groen , (nlen zie sdhtHng,) aan de binnenzijde van 
bei Qempdka-hhid blgft hangen. In één van de 
blaadjes der aldus hangende melattieAAoem steekt 
men ook soms nog weder eene andere melattie- 
bloem. 

Gdbba4ngge, bep. gdfeba-anggêya, (vergel., 
't Mal. anggit, aan één r^gen), hierin van de ge- 
wone gdeèa onderscheiden, dat één der blaadjes 



^ X ^ (g^bara), bep. g^baraka, sprei, (Bap.) 
Boeg. idem. 

Ai X \ ^ (gambStre), bep. gambarêya, soort 
van boom, welks wortels en bladen als medicijn 
geb. worden. 

¥^ \ X '^ ^ (g^mberé), bep. gambereka, gam- 
bir , een struikgewas met een kleine witte bloem 
met een bruinen rand , waarvan de bladen tot een 
dik sap gekookt worden, dat vervolgens tot bal- 
letjes of koekjes gevormd, en met betel gekaauwd 
wordt. Men zie J. F. C. Gericke in zijn Jav. 
woordenb. op om£n. 



stoel, Arab. ^^aJüo. Men zie mtmbard, 

(2° magunbari), = ddjidjin , op één rij zijn. 
(Kei.) 

^ ^ X ^ (goembêra), bep. goembcr&ya, = 
boembéra. Men zie beneden. 

A^ X ^ (gimbald), bep. gimbalaka, schaap. 

A^ \y (1° gama), — G&ma-g&ma, iets in dUe 
rigtingen vast' of zamenbinden , bijvoorbeeld: een 
doos die uit malkander dreigt te vallen; zoo 
ook: eene deur, die men ter deege digi wil maken , 
(Kei.) 

(2® gama), bep. gamaya , = agdma. Men zie 



van het melatti-bloempje aan de binnen- en de ! beneden. 



72 



(3" gaind), bep. g&maka, slieren of draden 
slijm, V. d. tanparl^ gdmd, 

^\X (gfi.mini), bep. gammiya, soort van 
visch , welke iets op den nek heeft , dat kleeft , en 
alzoo het aas vasthoudt. Dit wordt soms afgesne- 
den en aan den mast geplakt , ten einde zich van 
staanden wind, goeden wind, bij voortduring te 
verzekeren ; ook door kooplieden en anderen ge- 
bezigd om het geluk als 't ware vast te houden. 
Zulk een gdmmi genoemd een paloeïdhi. Men zie 
op Ideloe N". 1. 

Ai "N \y 'N (gómmó), bep. góramoka, 't Mal. 

^^J^, vet. Vergel. tjómó. 

^ \X \ ^s (gamo'bnté), bep. gamdfentcko, 
zuur f strorfvan gezigt. Boeg. idem. 

Agamdbntc, met een zuur gezigt zyn, een zuur 
gezigt hebben, 

Pagamdfenté, hetmet een zuur gezigt zijn^het zetten 
of hebben van een zuur gezigt; byv.: Kamma-m&mi 
bard-la-ro'bntoenga ilèo^e pagamoeutena, zij zag er 
zoo zuur, zoo donker uit als de regenbui die uit het 
westen zal nederkomen (Bid.) 

^ \X *^ (gamat^ing), gcbez. van het geluid 
van ijzer y duiten en dergel. by het vaüen. NB. 
mdttjing gebezigd , wanneer er tegen aan geslagen 
wordt. 

A^ \y ^ (gammard), bevreesd maken , v. d. 
ontzag inboezemen, v. d. bang maken , overbluffen, 
B. idem. Bijv.: tacnaï gammar^na boett&ya, er is 
geen bevreesd maken van het land, d. i. er is nie- 
mandy die hd land ontzag inboezemt, (Bid.) — T&oe- 
gdmmari, bep. g&mmaraka, iemand die vrees, ont- 
zag, inboezemt, een fier menseh, — Tftoe-nigammara, 
iemand die overbluft wordt, — Êrdki nagö.mmara 
Ito'bwang, hij wü mijnheer bang maken, overbluffen. 



— A^Sjo bilika gammaraki, die kamer maakt be- 
vreesd, d. i. het spookt daar. 

Tloe-pag&mmara, bluffer, overbltrffer. 

jt^\^^ (gamoeróe). Verg. 't Jav. «nj^E^Tji^N en 
't Mal. ^)y4J, schel{gémdi), luidruchtig, geraas, getier. 

TagamcAïrang, ergens luidruchtig over zijn, iets 
toejuichen; bijv.: Nitagamdbrang botïng labdbna, 
m^ schreeuwde, was luidruchtig van pleizier over, 
d.i. juichte toe, zijn lang haar, (Midi). Yerg.bdtiHg, 

^\jr^ (gdbmoero'e) , = aUo-kardëfig. 

é^\A ^^ (1® g^mala), bep. g&malaka, vereelt, 
ongevoelig, v. d. verstokt, door de wol geverwd, 

(2" gammald), bep. gSlmmalaka, verstijfd. 

Ampagammallang, doen versteen, byv.: am- 
pagamm&llangi bougganna, zjjne dijen doen ver- 
styven, d. i, vermoeden. 

A^v^O (F gam&si), bep. gamasiya, soort 
van visch. 

(2* gara&si), bep. gamasiya, soort van boom, 
Jrtocarpus incisa L. 

¥^ v^ *\ O *\ ^^ ^ (gamóssolü), bep. gamos- 
soloka, = kambdessoeloe. 

Ai ^\ (g^tta), bep. gatlaya, = 't Mal. aOT, 
gom, lijm, B. giUa. — Gatta-kêloró, gom van 
den kelorboom; v. d. overdragtel\jk: een zeker wit 
kleverig vocht, dat een' zwangere vrouw eenigen 
tijd vóór de bevalling zou kwijt raken. 

Ai •s (!• g^ntang), 't Mal. >üuL5^ soort van 
maat, voor rijst en dergel. Te Makassar is een 
gdntang = 20 kdtti^s. (G. G.) — fjoepSna ni- 
pa^o'bpa, gant^nna nipagantang, lett. zijn eigen 
maat wordt gebezigd, om hem m^é te meten, v. d. 
overdragtel^k : zijn stand en afkomst worden in aan- 
merking genomen , bij het opleggen van boeten en 
dergelijke. 



(2** gantang) — Songko-gantang. Men zie êongkó. 

(3** gSLntang). — G&ntang-gantaiig, de spier aan 

het bovenste gedeelte van den achterpoot van een 

beest. 

f* 
A^ /^ (1® ganti), door middel van de imgkeré 

de enkele draden tot drie-dubbelde , enz. zamen- 

draaien. Yergel. 't Mal. lüuL^ spmnen, 

(2*ganti), = *fl«fetó'. 

(3* ganti). -— G&nti-djanganna, de afkomst en 

deugden van zy» kemphaan verheffen. 

^ ^ ^ ± ^^ 

A^ ^\ (gintiiig). — Bi-gintingang, ie voren, 

-»' è 

(Djay.) bijv. ri-ginti^ang ta-tdtabana-pa, lett. 

vertaald: te voren, terwijl nog niet is het daardoor, 
d. i. door de gedreigde ramp, getroffen worden, d. i. 
vóór dat de gedreigde ramp ons trof, — Ei-gin- 
tlngang niy^na-idja itc)bwang, te voren, tenoyl 
mankeer er nog is, (Brief.) — Gintingang ri-tallas- 
s^koe, lett. te voren, d. i. vóór myn sterven, gedu- 
rende m^ leven, d. i. zoo lang ik nog lerf. (Kei.) — 
Bl-gintingang niy^na-mo pangamaseyanta, na- 
kêre-mo w^ttoe napanaikang, lett. daar gy dan 
zoo gunstig gedemd z\jt, zoo laai ons vooraf, d. i. 
fMr aüe andere dingen, d. i. nu, terstond, bepalen 
opweUtjjdstip,d,i, wanneer, de bruigom zal opgaan, 

ki\/N (gitte), Saley = katte N^ 2. 

é^y\ (gdfetoe). — Gdfetoe-gdfetoc, bep. go'fetoe 
goetc^wa , a) de beide knobbels onder aan het been 
ter r^;ter- en linkerzijde bij den voet, buiten- en 
bsMnen- enkel, 

b) het van boven uitstekend gedeelte van het 
schouderblad, spina posterior genoemd, of kajn van 
hei schouderblad, 

c) gdbtoe-gdbtoe katJikor6, de knobbel in dennek. 

d) knobbel b^ 't gewricht van hand en arm, aan 
de bnitenz^de; oï handgewricht aan den buitenkant. 



^ /^ (go'btoefïg). — Go'btocng-go'btoeng , ^=. 
gótong-gótong , = bMoeng-btfetoeng N®. 1. 

'^ ^ ^N (gêntoeng) , hangen , ophangen. Mal. 
JU, B. gdtoeng. 



T&oe nigêntoeng, iemand die opgehangen is, 

Tagêntoeiïg, opgehangen zijn, v. d, hangen, bijv. 
gordijnen. 

Pagento'bngang, galg. 

Pagentdfengang4tc, hartader. 

\^\r\ (gêté), bep. gêteka,^»/, wellustig, 

\^\^\ (gênteiig) = gtnting; bijv. : gen- 
tengHngkoe ta-riy&njdja, eer dat ik in de andere 
wereld ben, (Tar.), lett. te voren, terwijl ik niet, enz. 

Ai'N^S'N (gotong). — Gotong-gotong, = 
goetoeng-gtfetoei^ , = bi^toeng-bóetoeng N°. 1, met 
gras begroeide heuveltjes, — Mdmêmpo ri-gotong- 
gótong, op eene hoogte, d. i. veilig, zitten, (Rap.) 

^^\y (gantdbma), bep. gantoemaya, soort 
van luis, die gewoonlijk in de kleéren der inlan- 
ders huisvest, wel te onderscheiden van de kohtoe, 
of haarluis. Boeg. idkma, 

Ta-bass6rai gantoemaya, ze^s de kleêrluis wordt 
er niet aan verzadigd, Geb&s. van kleêren , die ge- 
heel en al aan flarden hangen. 

^ ^\<f!^ (1® gantayang), touwen, die men 
door de oogjes van een zeil heenhaalt. Yergel. soe- 
soeroe en partmping. 

(2^ gantayang), banden van bindrotting om de 
g&nrang. Vergel. tambêrang, 

^^\^ (gö.ttaril). — Gagattard, bep. gag^t- 

taraka , klatergoud. Mal. jJ^J^> idem. 

Ai^N^'^ (1° ganto'fero), bep. gantoeröwa, 
uiterste benedenrand van 't dak. (Sinr. Dat. Moes.) 

2° gantdfero), bep. gantoeröwa, soort van visch, 

groot en zeldzaam. 

10 



7i 



Ai/\C^ (gcAjntoeroe) , bep. gdfentoerocka , 
t/onder. Vergel. het Jav. <rn^^ , hei ratelend geluid 
van den donder, 

Gigi-gcfentoerde. Men zie gu^i. 

\ Ai rs ^ ^ (gentcfero), bep. gentoerówa, = 
ffantdèro. 

A^ NV (ganda), bang maken. (Madi.) 

Ai'V (r g^ïng). — Gigi-gadliïg, ivoor. 
Mal. èt^^, idem. = T^boe g&dïng. Men zie 
iaèoe. — Bdblo g&ding, gele soort van bamboe, 
waarvan de jonge aitsprnitsels fijn gehakt en als 
amuleet gedragen worden. — BSitoe-g&ding , soort 
van steen, zoo wit als ivoor, gebezigd om goe- 
rindaySlüpateen, van te maken. Boeg.bdtoe'lagdding. 

(2^ g&ding), buihiukken, vloerhouten van een 

praauw. Mal. è^^9 idem. 

Ai NV (gilndi), bep. gandiya, = 't Mal. ^^f^^^ 
waterkruik, — Ook soort van sieraad , behoorende 
tot de rówe-rówelé, 

A^^ (g&do^e), bep. g^doeka, ataatsiekleed 
hofkleeding, 

Ag^ oe , in hofkleeding z^n, 

Ai ^ (g&doeng), 't Mal. ^^^^^ Chineschc 
wortel die als geneesmiddel gebruikt wordt. 

Ai \ ^V (g^e), bep. gidêya, het Mal. sJX 
kraam ^ toinkeUje. 

Ag^de, een winkeltje houden, (Bap, T. Dj.) 

Ai^V^ (g^dong), 't Mal. èd^, pakhuis, 
magazijn. 

Ai NV (gdédang), pakhuis, magaz^n; in de 
Europesche huizen : soort van provisie-kamer. 

^>C/ (gdbndi), bep. gdbndika, b^w^f. Mal. 

^•(Xoi idem. 

Ai^ (gdfendoe), bep. goenddfewa, de vrucht 
van den loewdraiig-boom , men zie loewaraOg, 



\ Ai ^V '^ (göndong), 't Mal. èó^y <^ ^^ 
heup dragen. 

Ai NV ^ ^ (g&nda-pcfera) , soort van plant , 
ffibiscus abelmoschus. 

Ai 'S \V 'N ^^ % (g6ndol(5), het Mal. JóJSi 
= het Makassaarsche j?/(;?^, kc^. 

Ai /^ (1** g&na), bep. ganllya, vnw. gan&iïg- 
koe, w\ifje van beesten; bijvoorb. dj&rang g^na, 
merrie. — Anrong-g&na, lett. een wijfje dat reeds 
moeder is, v. d. een oude vrouw , die jongelieden, 
welke temaauwemood den huwbaren leeftijd be- 
reikt hebben, tracht over te halen, om met haar 
gemeenschap te hebben, zoo het heet, om hun het 
ambacht te leeren. (Kei.) 

(a^g^na). — Gtna-gamSgiy ergens goed opletten, 
bijv.: gllna-ganangipalampftnatoe-malomp6wa, na- 
noeb&ttoe-m&ë rinakke, lett. let goed op het heen- 
gaan van den Gouverneur, en kom gif dan herwaarts 
tot my, d. i. zie het zoo te schikken, dat gij bij mij 
komt, wanneer de Gouverneur heen-, of van huis 
gegaan is. 

Pigilna-ganai, iemand of iets bezigen om goed op 
te letten, d. i. goed letten op iemand of iets; bijv. *. 
pigllna-ganai panjdrinna, na-noemange, of: na- 
nocniya anjdjoreng, lett. Ut goed op zijn ontwaken , 
en ga, of: en wees daar; d. i. maak dat gy gaat, of 
daar z^t, wanneer hij ontwaakt. 

(3® g&nnd, bep. g&nnaka, 't Boeg. gdnnd, of 
kannd, en 't Mal. t^JU. ! , vol, volledig, volkomen, 
byv.: Niy&lle-mi sitdbdjoe g&nn^ si-161i, er werd 
juist zooveel kapas genomen, als voor één lóli vol- 
doende was, lett. juist volkomen of vol, één lóli. Yer- 
gel. ISU N°. 1. — Na-g2Lnnd-mo si-bilangaiïg cfewaiïg 
ballinna, de pr\js er van is honderd dubbeltjes vol, 
d. i. beloopt tot, of: bedraagt, honderd dubbeltjes. — 



/o 



Naiya gann^ua-mo iulloem-boelang sallona lam- 
p&na toe-baraniya , toen er vol of verhopen toas een 
tijd van drie maanden , nadai vertrokken waren^ d. i. 
aederi het vertrek van^ de helden. (Djay.) -- Ta-gan- 
n&kka-pa sik^ma oemoeroena, lett. zijn leeftijd U 
mog met zoo vel ^ d. i. hij ia nog niet zoo oud, (Bap.) 
— G^nni-mo si-t&oeng, er was vol één jaar^ d. i. 
er was verhopen één jaar (Inl. wetb.) — Gannd-pi 
si-t^oeng , toanneer er één jaar vol, d. i. verhopen , 
sal z^n (Inl. wetb.) — Taëna-pa koeg^nnd 8i-tlU)eng 
nabolikoe Góboronamêng ir&wa ri-Fangka3jené, 
d. \, H ben nog geen jaar vol, d. L er i» nog geen 
' verhopen, sedert het Gouvernement m^ hier te 



d^wang koewallêya, si-rêyala, lett. hiernevens gaat 
hetgeen voUmaakt de som van één reaal, of twee gul- 
den, welke ik van u genomen, d. i. geleend, heb. Zin : 
na u een gedeelte van de geleende twee gulden reeds 
vroeger gerestitueerd te ht^ben , zend ik thans hier- 
nevens het resterende, zoodat de schuld nu volkomen 
is afgedaan. — Gè.nn^ng63eng paroerdbnna, volle- 
dig, volkomen, volkomen in orde, was hunne gan- 
sche uUrusting. (Djay). — Glknni-s&ngka , ten voUe 
volledig, d. i. bijzonder volledig, — G&nna-^', wei- 
ligt letterlijk : volmaakt van geest, Yeigel. ai en het 
stellig daarvan afgeleide mdienpamdi; van daar: 
tIkoe-glUmd sLï , gebez. van een door en door knap en 
Pamgkadjéné geplaatst heeft. (Brief.) — Na^-pónna . regtschapen mensch. (Sinr.) 
giona-mo pint&lloe mamanr&ki, en zoo er een getal ^ /^ (gdbna), bep. goen&ya, vnw. gocnang- 
tpoii drie keeren vol is, dat hy schade heeft aange- : ^oe, hon, nut, voordeel. Mal. ^jyi.nut, — GtAfnaï, 
ri^, d. i. zoo hij tot drie keeren toe schade hfeft | iemand beloonen, loon geven , betalen, bijv. : angapai 

na-kigdëna ? waarom geeft gij loon ? waarom betaalt 
gij? (Bid.) 

Pagdbna , het beloonen. 

Goenangi, voor iemand tot loon, tot belooning 
maken, of geven; b^v.: si-bHtoe-dja nigoenaiigi, 
één duk deckts wordt hem tot loon of belooning ge- 
geven, (Bap.) 

^^^\*^ (gcno), schudden, inkt bijvoor- 
beeld. Tageno, aan het schudden gebragt zijn, 
schudden, waggelen, een' kad bgvoorbeeld. 

Génówi, lett. doen schudden, v. d. gcnowi bót- 
toloka, de flesch schudden; en: génowi bottoloka, 
lett. deflescJi doen schudden, te weten : den inhoud, 
V. d. eene flesch , die met het een of ander gevuld is, 
schudden. 

Ai'N/ïs (göna), bep. gonaya, gebezigd van 
menschen die denzelfden naam of titel voeren. 



aamgerigt. (Inl. wetb.) — Edbwang-kayoe mê- 
mang-dji, tacna nagannél tlLlloeng-kÉlyoe, twee 
ÊÊmks üeehts, (over mémang zie men beneden,) en 
niet is het getal van drie stuks vol geworden , d. i. 
titee êiuks slechts, en geen drie. (Brief.) — Bi-gan- 
nlna bdblanga , by het voUzijn van het tydvak van 
één maand, d, i, op den laaisten der maand. — Dj^ 
rang ta-ganna si-biLra, één paard, of ten minste zoo 
vetmiff paarden, dat er geen stal meé gevuld wordt, 
leü. paarden, geen stal vol. (M^di.)?— GsLnnd-bali, 
lett. aan beide zijden vel of volkomen, v. d. gebezigd 
van even getallen. Men zie bdti N°. 6. — Si-b&toe 
roepiya, bilang-g^nnd, lett. één gulden, gerekend 
vol, V. d. één gulden koper van honderd en twintig 
duiten. Alzoo genoemd in tegenstelling van si-bdtoe 
roeptjfa, tdsampóeh dewai^, of: büaitg sampókh 
dheang, één gulden koper van slechts üen dubbeltjes 
of honderd duiten. — Niya-mintoc maiï^e gann^na 



bijvoorb. gon^koc, mijn naam- of ambtgenoot. 

1U* 



78 



tegen een goed^ als tegen een üecld mensch te be- 1 ring kodi, een^ beameUeliJke ziekte. — Garring-gar- 



zigen. (Sinr.) 

A^ ^ (l"" g&nrang). — Kar&ttasa si-g&nrang, 
één riem papier. Boeg. idem. 

(2° g&nrang), = het Maleische èó^% soort 
van trom. Boeg. g&nrang. — Oeldbnna g^nranga , 
het boüenste va» de ganrang^ dat b^* het bespelen 
aan de regterzijde komt. — Fadjana gllnranga, 
hei onderste van de gdnrang, — Over de gantdyang 
of tamhérang en de hdnneng der gdnrang zie men 
op deze woorden zelve. — Men heeft onderschei- 
dene manieren van het slaan op de gdmrang^ als : 
gdnra^'tdUoe y waarbij men beurtelings, nu eens 
op de deloe, dan eens op depddja^ tot driemaal 
toe, slaat. Deze manier ook genoemd èdle-^oe- 
rnwigd (D. Moes.); dew^l men als 't ware aan 
beide kanten de toemöngd oproept. Voorts heeft 
men: ttfenroeng-palampa^ dat wat spoediger gaat , 
en hei pakdnjdjardy dat plaats vindt bij het m^ 
tTgdroe, en het ten gtryde trekken. Wanneer een 
kind geboren wordt van een regerend vorst, heeft 
men zeven variatie's in het bespelen van de gdn- 
rat^, By de geboorte van een prinsje van minder 
rang, bedient men zich van vyf^ en bij de geboorte 
van een d^éng, van chie variatie's. 

Nig&nrang, van ganrang-muz^k vergezeld wor- 
den, (G.G.) 

(8* g&nraiïg). — Nigênrang, geslagen, getuch- 
tigd worden y bijvoorbeeld een kampong door den 
vorat des lands, of het eene leger door het an- 
dere, 

Siganrang, elkander slaan, handgemeen worden, 

éC^h^ (y g^Sg), grein. 

(2** garnng), ziek, ziekte. — Garnng bÖLmbang, 
Ictt. : een' heete ziekte^ d. i. een' heete koorts. — Gar- 



ring, ziekelijk. 

Gamngi, pakagarring, ziek maken; bijv.: apa 
afïggarringi? wat heeft hem ziek gemaakt? waardoor 
is hij ziek geworden? 

Pagarriijg-garringang, ziekel^k van aard, 

^^ iy g^roe), bep. garcfewa, soort van 
boom, Jloë-hout, Jloexylon Jgallochum X. Sd., 
Mal., Jav., Boeg. idem. 

(2** g&roe), roeren, omroeren, bijv.: de suiker in 
een glas wiator, aanroeren, aanraken, b^v. geld; v. d. 
têyako g&roe-^roewi, lett. roer het niet zoo telkens 
aan, zit er toch niet zoo gedurig met je handen aan. -^ 
Angg&roe-g&roewi bamne, eene vrouw aanroeren, 
V. d. haar kwaad doen, haar onteeren, (Djay.) 

Tag&roe, geroerd, omgeroerd, aangeroerd z^n; 

A 

van daar: t%&roe-g^roe pamaina ri-iyanoe; sallo- 
mi lamp&na ; lett. m^ gemoed is als H ware omge- 
roerd, d. i. is ontroerd, onrustig, bekommerd, be- 
zorgd van wege N, N., dewijl hy reeds zoo lang 
weg is, 

T%&roe-garc)fewang, ontroerd, onrustig, bekom- 
merd zijn, met betrekking tot; v. d.: êiiydjo t&oe-g&r- ' 
ringa nit^roe-garoWang-mi, wat dien zieke be- 
treft, men maakt zich ongerust over hem. — Nitd- 
g&roe-gardbwang b&3ji-ba5jina, lett. men roerde 
zich, men was in beweging over, d. i, men juichte 
toe , hare schoonheid, — Nitag&roe-garc»bwaiig bo- 
tiiig laboëna J-M^, men juichte toe het lange 
hoqfdhaar van Modi, (M^.) 

(3* garroe). — Pagarroe-gsirrde, iemand met 
geweld of tegen zyn zin meésleepen of sleuren. 

^ '^ ^ (gareng) , = garing N°. 1, ons woord 
grein, soort van stof. 

^ ^ 'N (1° garo). — Garówang, cigenl. geen 



Mak. maarBo^. opening, gat^ reet^ gaping. — Aga- 
rowang, met eene openiDg z^n, bijv.: ^rowang 
rinrinna, zijn muur heeft een gat, een k^kgat bij- 
voorbeeld. — Agarowang tontönganga, er is een 
reei in kei vensier, —• Agarowang lokóna, zyne 
wond gaapi. — Agarowangko-llntoe , gebez. tegen 
cene vroaw, die hare sarong te hoog opligt, waar- 
door het pudendum zigtbaar wordt. 

(2* garro), = kdrró, N^ 2. Van daar: tan- 
ndbngang-g&rró, men zie ianndhngang , op idn^ 
noeng, welligt aldus genoemd, dewijl het weven 
met zolk een ianndhngang dj drang-^ drang of gdrró 
veel leven veroorzaakt, als 't ware een geraas , ge- 
lijk aan het geschreeuw van den vogel kéM. 

\^\ (gïring). — Giring-giring, 't Mal. 
|*d «jJ7 scheUeijes die toi sieraad dienen, — Nigi- 
ring-giring, van zulke scheüetjes voorzien; bij- 
voorbeeld: s^mang nigiring-giring, een paarden- 
iotnn mei kleine scheUeijes, (M^i.) — Pakebdé ni- 
guing-giring, eene deur mei kleine scheUeijes, (Dat. 
]kIoe8.) 

^ ^ (g<^K>e)» bep. goerdbwa» leeraar ^ Sd. 
^lal. en Jav. idem. Skr. goeroe y zwaar ^ gewigUg, 
.^rooi, uUsiekendy eerwaardig ^ godsdiensüeeraar, 

An4-gdëroe, leerling, 

Gdbroe-gdbroe timbdbseng, men zie: Hm- 
hdSsseng, 

Ampagdbroewi, iemand onderwijzen, 

\é^^ (gênra), bep. genrilya, soort van 
vrucht, eenige overeenkomst hebbende met de ka- 
iMMT-vrucht. 

'^ ^ \ ^ (gêré). — Gêré-gêré, bep. gêré-gê- 
reka, si^, 

\4^\^ (genre), = pangadj^ï, = lékó »i- 
Idppd, (Royofig.) 



'^ Ai C^ 'N (gero). — Pagêro , bep. pageröwa , 
een stuk hout, dat ergens aan vastgehecht wordt, 
en bij de minste beweging een dof geluid veroor- 
zaakt, in tegenstelling van het heldere en schelle 
geluid der giring-gtring, — Pakebde-nipagêro, een 
deur, die van binnen voorzien is van een stuk 
hout, waardoor men b^' het open- en digtmaken 
eenig geluid verneemt. 

^^^ (I^ g^ra), ig6ra, ImdruchUg z^n, 
hoera roepen. Boeg. idem. 

(2® gdrré), dgörr&, rooven, 

Pagorra, bep. pagórraka, roover, — Pagörrd- 
mMi, bep. pagörrd-mMika, siruikroover, Yergel. 
het Boeg. mdlty drijven ^ b^v. op hei waier, en 
paèóerd-mdli op boerd N"*. 2. 

^'"^^ (gönra), = gingang kardëngy soort 
van groente. 

Ai ^ki (1* garigi), één van de dertig soor- 
ten van kaarten bij het paio^ewi-, en kdwa-górTg- 
gong-spel, 

(2* gangi), bep. gangika. — Tdbde gangi. 
Men zie idkde, 

Ai^^Ai^ (garönggong), ^gardnggoiig, 
gebez. van 't geluid, dat veroorzaakt wordt door 
't slaan van hout tegen bamboe, v. d. eene bassiem 
hebben, 

A^^^i^^O (garrigcfegoesde), = gard^- 
goesóe, 

Garrigoeg(fe8ang,«fojr«« zijn oogen hebben, bijv. 
&ar&yaï garrigoegdbsang; h^ hield zich, alsof h^ 
siqf in z^jn oogen gekregen had, (D. Moes.) 

Ai ^ Ai •s (garangSlnta) , bep. garagant&ya, 
't Maleische oJ^, klok, 

Ai^AiA) (garag&dji), bep. garagadjïya, 

't Mal. ^10^ zaag. 



80 



Agaragadji, zagen ^ v. d.: de rujting van de 
ftcherpe zyde eener zaag volgen, d. i. laveren, 

Ai ^^ O (gardfegoesoe), == baroebóe W. 1, 
gruis, snippers , vodden, lorren, A:rt<sW2» (brood) ; 
doch van menschen niet in gebruik, gelijk baroebóe. 
Boeg. gar(feg(k, 

A^arc^oeso%, als boommeel (boeboe), als stqf 
naar beneden vallen; v, d.: dgarc^^goesdeki tmp^ya, 
de mangga^s vallen als stqf, d. i. tn groole me- 
nigte, af. 

Garo^dbsang, stqf in z\fn^ oogen hebben; b^v. : 
masarsLyai garoegdësang, hjj deed alsqf hjj stqf in 
zyn oogen kreeg. (S. Tjin.) 

Ai \ ^ ^ 'N O 'N (gareposcJ), knappen, bijv. 
suikerriet onder het eten. 

Ai ^ X (gardfembong), geraas^ bijv. door het 
verschuiven en verzetten van stoelen of tafels. 

Ai'N^vv^ (gorrémWi). Men zie g^d 
N^ 2. 

Ai ^ \ vv O (garoemêsa), zich gereed ma- 
ken, aanstalten maken, b^v. om aan wal te gaan, = 
mdrewirtgai^. Vergel. êwa N*. 2. Boeg. mdroemêsa. 

Ai ^ XN (gar&ttd), ciseleren. 

Ai ^ •s (gardbta). — Gardbta-têdong, aard- 
bezie. 

Ai^'N •%"% (garóto), bep. garotowa, droe- 
sem. — Garoto-tlLoe, een gemeen mensch, als 't ware 
nitvaagsel. 

Ai ^ XN O (gardfetoesde), onophoudel^k naar 
beneden vallen, (Oudt^ds gebezigd.) — Gardfetoe- 
soe-mi boeboeka, het meel (van den boom, ten ge- 
volge van het knagen der wormen,) vaU gedurig 
naar beneden — Gard^toeso^e-mi adbwa , het stof 
valt gedurig naar beneden. 

Mdgaroetdfesang paminSaa dowaangkoe , myne 



wenschen en gé)eden vallen gedurig naar beneden y 
d. i. ontvallen gedurig aan myn' mond, d. i. ik pre- 
vel gedurig gebeden. (Sinr.) 

Ai ^ "^ (garo'feda), = goerdeda. 

Ai^vy (goerinda), bep. goerind&ya, 't Mal. 

Jü JT, wet- of stapsteen. Boeg. idem. 

Agoerinda, slijpen, aanzetten, een ^nes bijvoor- 
beeld. 

Pagoennda, iemand die sl^pt, oï aanzet, zwaard- 
veger. (G.G.) 

A^^NV (goerdfeda), bep. goeroed^ya, = 
't Mal. f^yS^y griffioen. (Bid.) — BHpang-r&pang 
goerdbda, een nagemaakte griffioen. 

Goerdbda, insgelijks naam van één der r^ks- 
sieraden van Gdwa. (G.G.) 

Ai'N^'N^ (gorodi), bep. gorodiya, boor. 
Mal. f^ósJf, B. pag6ro, idem. — Gorodi panj- 
dj&goeroe, /rtf< (kuiperdoor). 

Agoródi, boren. 

Ai^^vVN (garidimong), verbastering 
van kardamon. Men zie kapoéldga. 

Ai \ Cs /^ "\ (y garêno), ^arêno, eigenlijk 
geen Mak. maar Boegincesch: ramn^len, byv. ge- 
bezigd van messen en dergel^ke, die men door 
elkander gooit, v. d. dgarênowi boekdbwa, lett. het 
been rammelt, gebez. van een been dat gebroken is , 
zoodat de stukken tegen elkander aanschuren. 

(2** La-garêno), een koel&oe van «^^o-hout, tot 
de rijkssieraden van Gowa behoorende. 

^"^s*^ (garfl5Öifig)> ^r^nj^jing, of: aga- 
ra-gar^njQi'ïèj rommelen, bijv. duiten, die geteld 
worden , of een bos sleutels , die men schudt. Yer- 

gel. 't Maleische M^hZ^S^, klatering, gerammel. 

Ai \ ^ /O (garêdja), bep. garcdjaya, 't Por- 
tug. igreja, kerk. 



81 



A^ V O (g^risi), bep. g&risika, = 't Malei- Si^H'gèA&tff^fiff om elkander heenloopen, elk- 



schc en Javaansche fféHs, = kart. Men zie boven. 

^ ^, O (gslrroesde) , glanzen met een schulp. 
Boeg. idem. 

Lipa-g&rroesoe, eene gegUm»de êarong. 

Hpang pagarrdbsang, plank om te glanzen, 

^\^^\^ (garêse), riisden^ gerüsel, ge- 
drmiêek. Boeg. idem. Bijvoorbeeld gebezigd van 
Uaden. Zoo ook van ratten of herten ^ wanneer zij 
ergens o?erloopen. — Bi-garêse balawdwa, lett. ö^ 
kei geriUél der muizen: ook geh,yooT:bdblaf^panrdpt 
oi panjAong (,men zie rdpien sólang N°. 2); hetzij, 
dewijl dit naauwel\jks hoorbaar, dus iets zeer ge- 
rings is; hetzij dew^l het meest vernomen wordt, 
wanneer de duisternis reeds gevallen is. (S. Tjin.) 

^'^^^O (garênseng), soort van kope- 
T€M pan, 

é^ ^ (X glkla). bep. gallkya» Boeg., naam van 
een spel, gespeeld op een' soort van dambord met 
Uen swarte en dertien witte schijven. 

Nigftla, geslagen oi genomen worden ^ bijv.: een 
schigf in het ^oZo-spel. 

(T^i), bep. g&laka. Boeg. = 't Mak. pdün. 

(8* gftlargftla), bep. g&la-gal&ya,/wi(, bestaande 
mt iUfTwif , kM tn kapok ^ en dienende tot be- 
pkistenng der vaartuigen. Boeg. idem. 

Gila-g&Ia BallLnda, teer. 

(4* g&la), igftla, ergens om heen loopen, zich er- 
gene om wikkelen^ zoodot men niet voort kan , Boeg. 
idem; b^v.: Nag&lai bangkêngkoe dteré, er wik- 
kéU ziek touw om vtgne voeten^ zoodat ik niet voort 
ktm^ d. i. ik raak met m^ne voeten verward in torno. 
— NagUa-gUai bangkêngkoe ko^kong, er loopt 
m^ gedurig een hond om de voeten, zoodat ik niet 
voort kan. 



ander kruisen oï passeren ; bijv. gebez. van de wolken. 

^ ^ {T gèllang), = 't Boeg. giUang, mes- 
sing, geel koper, — Gtóllang-lêngkeré , koperdraad. 
Vergel. lêngkeré. — G^ang kêsd-kêsd, snaar van 
een viool. 

BUrde-g&llang. Men zie: bdroé. 

(2® g&Uang-gSlllang), aardworm. Zoo ook ge- 
noemd de wormen waaraan de kinderen dikwijls 
lijden. — Tftï-gWlang-gSLUang, kleine hoopjes zand, 
ontstaan door het kruipen der aardwormen onder 
den grond; ook gebez. als geneesmiddel. 

AgfLllang-gallIngang, de wormen hebben. 

(3' g&Uang), = 't Mal. mXJS', enkelring. 

Pagallangang, dat gedeelte van den voet, 
waarom men de gdmig's , of enkdringen draagt 

^ ^ (gftlli)- ^^ ^®®* ^ '* (wrt-spel , zoo 
één der spelers acht kaarten van één kleur in zijne 
hand krijgt, als wanneer hg het spel gewonnen 
heeft. NB. géUli-kdyoe (, of: gdUt van de kleur ge- 
naamd: kéfyoe,) is: bdmbaü^, of: teeken van onge- 
luk, en gdaUodêéng (, of: gdül in de kleur ge- 
naamd: boddêng,) is dlnging-dtfiging , of tecken 
van geluk. — Tjdferi-g&lli. Men zie ^(ferd. 

^ ^ (1° g^oeng), rijstveld. Boeg. idem. 

Agilloeng-g&loengi dena, h^ heeft goinendhaar^ 
lett. zijn hoofdhaar is als een (golvend) r^stveld. 

(2*' g&lloeng-galloeng), kruUend, gekruld, met 
krullen f b^v.: hoofdhaar. 

a:^\^ (gfitle), bep. galêya, 't Port. gaU, 
galei. (G. G.) 

(2* galê). Vergel. ga. 

^^'N (g&llo). — GSLllo-gl^o, soort van 
aardvrucht, wortel van de ténjé^ong. Men zie be- 
neden. 

11 



89 



ki ^ (gïliiïg), 't Mal. >ÜU$^ cfratf(/«i (, als 
een molen); v. d. omdraaien, omkeeren, v. d. ook: 
vermalen^ fijn wreven, Boeg.yöï, idem. Bijv.; 8^- 
giling, verkeerd draaien, — Giling karet&ya, den 
wagen omdraaien, d. i. doen omkeeren. — Guing 
kalênna, zich zdven draajjen, hetzij dat men zich 
naar iemand toedraaUy (D. Moes) ; hetzij dat men 
zich van iemand c^voenêt^ zich omdraait, (Kei.) — Gi- 
ling kan&nna, iemands woorden verdraaien. 

BAnte giling-Gowa, soort van halsketting, 
welligt het eerst op Gówa gedraaid of vervaar^ 
digd, 

T^ giling-1^, ienumd die mei aUe winden 
meê draait^ nu zua^ dan zoo epreeki {, ala *t ware 
draait evenals een pqferkorrel). — Patdia giling- 
lada , letterliük : een kleedje dat men even als een 
peperkorrel kan omdraayen^ v. d. een kleedje^ dat 
aan beide zijden kan gedragen worden. (M^di.) 

Tagiling, omgedraaid zijn of Uggen » b\jv. t^- 
ling-mi allówa, lett. de zon is al omgedraaid^ d. i. 
het is reeds ongeveer één ure 's namiddags. — Nigi- 
liiïg-pi naUgiling, wanneer zij omgedraaid^ d. i. 
omgekeerd of omgelegd werd^ kwam z^j op eene an- 
dere zijde ie Uggen, Zm : zel/ve had zy geene kracht 
meer daartoe, (Djay.) 

Pagiling , iemand die koopwaren doet ronddraai- 
jen, d. i. rondvent. 

Panggiling, werktuig tot 't omdraaien van 
het een of ander gebezigd; van daar het hand- 
vatsel van het spinnewiel , waarmede men de lêmba- 
lembdrar^ omdraait. Van daar ook: panggiling 
lasokiti, schroevendraaier. 

Gilingang, melen. 

^^^ (gdblang). — Lo^bloe-gdblang-gdfelang. 
Men zie: Ideloe N". 1. 



^ ^ (gdbling), roer. Boeg. idem. — Agdfe- 
lii^, sturen, 

A 

Pagoelingang, plaats waar de stuurman zit om 
ie sturen, 

^«^ (F gdbloeng), oprollen, rollen. Mal. 
4)^ idem. 

T^lgd^loeng, lett. aan het rollen gebragt zijn , 
d. i. roüeny draaien, bijv.: het rad van een' wagen; 
of in één woord: aUes wat rond is. 

Gdbloeng*gdbloeng, in het algemeen alles wat 
opgerold wordt, v. d. z^. (Djay.) 

M^dëloeng-gdbloeng» rollen bijv. over den 
grond. 

Goddbnga^, oprolsel, v. d.: rd, opgerold 
goed, een kluwen (, garen b^'v.). — Goeloeng&nna 
Sêtanga, lett.: het rólsel van den Duivel, d. i. 
iemand die door den Duivel voortgerold wordt. — 
Ooeléhigai^ is insgel^ks de naam van een vrij 
dik langwerpig rond bamhoe^e , hetwelk onder het 
weven tosschen de kdrd en soeméUang gestoken 
wordt — Sdb^ke godc^ngang, een' rol losma- 
ken, ontrollen, 

(2** gddoeng). — Qtoing gdbloeng, Isabdle- 
paard. — l^ftrang gdbloeng-kêbé, wit qf zeer ligt- 
ged Isabéae-faard. — Dj&raiig gdbloeng-kadbwasi, 
een Isahéüe-paard dat donker-geel is, mei witte ma- 
nen en staart; dus genoemd wegens overeenkomst 
in kleur met de kaékwasd. — I)j&rang gdbloeng- 
panówang, een geappelde Isabeüe, 

\ ^ #^ (gelang), 't Mal. kkJ^, porselein, 
Fortdacoa óleracea L. -^ Gêlang-tllna, soort van 
géUmg. — Nigisirang gangang-gêlang , als porse- 
lein fijn gewreven worden, NB. overdragt. gebez. 
van een l^k dat men mishandelt. (M^). 

\ ^ \ ^ (gêlé), kittelen. Mal. ^^JUS^idem. 



83 



^'•v*^ (gölla), l>ep. gollaya, suiker. Mal. 
\jyj idem. — Gólla kassi , fijne suiker , of brood^ 
miker, 't Mal. ^U J^ — GÓUa batoe, kandij 
of kkmijes suiker, 't Mal. v;^b Jy!t. - Gollaê^a, 
órvMtf suiker f gemaakt van zoete sagaweer. Te 
Bonthain heet dezelve rappo^angga, — Golla lé- 
leag, lett xwarU suiker, doch hetzelfde als góUa 
it(fa* — Djené-g6lla, siroop, 'tMaleische JÜT wl. 

^ 'N ^ (golïng), 't Mal. ''iyS', roüen, rond- 
rollen, wenlelen; bijjy. gebezigd van een paard. — 
Ag61ing-goli£g, zich by herkaling wenielen. 

^'N^^'N (göló), bep. goloka, soort van 
wapen, korter dan de gdyang, en slechts aan één 
zyde scherp. Boeg. idem. Ma (^y^t houwer, 
èaimes. Jav. wftmi^njuÊotjfs , soort van kris, of 
kkin swaard, dat door priesters gedragen wordt 

A^ ^ y^ (galingkang). — Ag&li-galingkang, 
soort van kinderspel. Hierb\j worden de kinderen 
in tweeën verdeeld. Onder het zingen van dgali- 
gaii/^kang verwisselen de beide groepen één voor 
één met elkander. Boegineesch mégdU-galrngkang^ 
idmn. 

ét^^ ^ (gal&gang)» een los bamboezen dek, 
gel^ op de idètnbal£s of dwars-balken van het 
schip, welke het ruim (r6wa^) formeren. Boeg. 
gmldgang, idem. De galdgang komt alzoo in de pa- 
doewUcang op den grond van de kéUe-hiséga^, ge- 
lijk depaidppard op de handwa den grond van de 
kdU-biségat^ bedekt. 

^ *^ ^ (gal&nggang), ergens hard op buten, 
bgvoorb.: nigallLngga^-pi (songkoloka), natóka, 
waaneer men er hard op b^t, (te weten: op de 
sóngkdó^ dan eerst gaai de s6ngkoi6 van elkander. 
NB. teeken, dat de songkóló lekker en vast in elk- 
ander is! (M^di.) 



A^^A^ (S^igi)> ^P* galigika, handig, 
vaardig, vlug, 

^ ^ ki (galigifig). — Anggaliging gigïnna, 
knarsetanden. (M^di.) 

^ ^^ (galdfegoe), weergalmen, 
^ *C ¥^ ^ (gal^ara), bep. gallgaraka, ge- 
bez. van een beekje of welligt juister een straal 
water, die b^ ergen regen over eene anders droogc 
plek grond heenloopt; ook gebez. van het water 
eener rivier ^ dat in de westmoeson over eene iti 
de oostmoeson geheel opgedroogde plek heen- 
stroomt. Boeg. idem. — Nliï-mi gal^r^na, lett. 
tijn galagard r^jst reeds, v. d. zooveel als: het wa- 
ter komt hem reeds tot aan de lippen, en gebezigd 
van iemand, die op sterven ligt. 

^ ^ ^ (gal&mpang), vlak, glad. (S. '^in.) 
A^^^^^^ (galllppo), = dppo. Boeg. idem- 
^^^^ (goelimp&pa), bep. goelimpa- 
paya, soort van boom met stevig hout. 
^ ^ ^ O (goehpasi), = koehpasd, 
4^\^^X^ (galêmbong), roeren , zich bewe- 
gen, bijv.: $êr4-idyi migalêmbong, lett. het bloed 
blijft 9ich neg bewegen (in den buik), v. d. komt er 
niet uU. NB. geb. van eene vrouw die belust is. — 
Agalêmbongi batt^nna, h^ heeft roering in den 
buik. (S. 'ïjin.) 

^*^X^\ (gdbloe-bittang), = bóne-bditam/, 
= bóne-kdmboe, fRdfewi.) 

A^^X^^^ (galimbclbwar&) , uit malkan- 
der stuiven, zich verstrooien, bijv. : inenschen, buf- 
fels, vogels, vliegen, enz. V. d.: galimbdfewara-mi 
pamaïna, overdragtel^k gebezigd van iemand die 
zich ontzet, of versteld staat, op het hooren van 
eenige tijding. 

Pagalimbdbwara, doen uit malkander stuiven, 

11 * 



Si 



^^ S:\^^ (gdbloemtóë), bep. gdëloem- 
baêya, soort van struik, welks bladen gebezigd 
worden voor de langin-B&yo. Men zie: langiri, 

A^^CsX (galdbm^), bep. galdbmaka* Men 
zie éfjalóèmd en bóroló. 

^^\\^<!^ (galoemêyé), dbor malkander 
wetnelen als de mieren. 

^\^^^\ (goelêta), bep. goeletaya, bokaal^ 
beker, 

^\^^\y\\^ (galêteré), bep. galêtereka, 
geil, weüusUff. Yergel. mtfem. 

^ \ *^ vv ^ (galêndong). Vergel. ga. 

^ «^ «^ (gal&Qang), soort van spel, gewoon- 
lijk in rouwtijd gespeeld. (Tar.) 

AgalH^ang, gdLdQang-epelen', en dewijl men 
bij het ffald^ang-spel nu eens uit dit, dan weder 
uit dat valige de boon^'es neemt , ten einde daar- 
mede voort te tellen ; zoo bezigt men dgald^ang 
overdragtelijk van iemand , die ergene in snuffeÜ, 
bijv. in een doos met papieren; van iemand die 
aüerlei omhaaU; nu met dit, dan met dat zich be- 
zig houdt; nu dit, dan dat onderneemt. Boeg. mi- 
galH^ang, idem. — Koegala^angi soer^na, ik speel 
als H ware gdléii^ng met z^ne geschriften, ik muffel 
in sijn Hei met geschriften, 

Pagala^angang, het blok of bord voor dit 
spel. 

^ ^i^^ (gallQi), bep. gali^iya, gebez. van 
kleine, onbezielde voorwerpen, zelden van kleine 
menschen, 

^^^\ (galiQiri), haastig, dr{ftig z^n, 
in spreken of doen. 

^ ^^ % yO -s (galo^o) , bep. galodjowa, het 
Mal. ^yXS, gulzig. 

aJ ^ «^ (galiya), Sal. = iama. 



^^^ (gMlara), 't Mal. ^, betitelen. 
(G. G.) 

Gall&rrang, hoofd van een' kampong of n^e. 

Ag&Ua-galtórrang, soort van spel; wij zouden 
z^gen gaüdrrangje spelen. 

^^^ (gaUdferang). Men zie gdlloeróé. 

^ ^% (g&Uoerofe), bep. g&lloeroeka, golven 
i» de openbare zee, terwijl bómbang gezegd wordt 
van de gcH^oen, die aan het strand breken. — G&lloe- 
g&lloeroe, bep. g&Uoe-g&lloeroeka , kleine golfjes. 

Mangg^dloerolB batt&ngkoe, ik heb roering in 
mijn buik. 

Pangg&Uoerde, het heen en weder golven, het 
zich bewegen (der golven). (Midi.) 

Galldbrang, groote zeegolven tegen het einde 
der Oostmoeson uit het noorden opkomende, zon- 
der dat er sterke wind is. Deze gaüóh'ang's zgn 
alzoo de voorboden van de Westmoeson. 

^ \ ^ ^ •s (galênrong), soort van garen- 
klos. Boegineesch idem. De galênrong bestaat 
uit een stuk uitgehold bamboe, waar men het 
garen om heen windt, en een stokje, dat door 
het bamboe gestoken wordt, doch dat vooral niet 
te dik moet z^n, opdat het bamboe goed draaien 
kan. Wanneer men dan het stokje aan beide zy- 
den ergens aan vast maakt, is de galênrorig zeer 
gemakkelyk in het gebruik voor de vrouw, die 
eenig handwerk yenrigt. Men heeft ook ^a^ro»^'« 
zonder stokje om door te steken. 

B&cljoe-galênrong. Men zie bddjoe. 

Pónto-galênroi^. Men zie p^nto. 

Nigalênrong, om een galênrong gewonden wor- 
den, bijv. een zijden draad. 

ki ^ ^ (gili"), 't Mal. J<^, veranderen, 
vervangen, aflossen. 



85 



Gilirang, afmsêelinff, aflossing . — Agilirang, 
b^ beurten rondgaan, bijv.: dgilirangi djag&ya, de 
wackibeurien gaan volgens een vast rooster rond, 

}^ ^ #^ NV (giling-lMa). Men zie gïlié^, 

^\*^\ ^^^ \ ^ (goelêweré). — OiyoSg 
goeiêweré, eertijds in zwang, thans niet meer. In- 
dien men verzuimd had, om, na het verdeelen der 
kinderen, de v^reischte jpaN^;^^yaM^ (,men zie op 
gés^m^ N^. 1,) te betalen, verloor men daardoor 
alle aanspraak op eenig kind, zoolang totdat de 
moed» ten vierden male gebaard had, als wanneer 
men wederom dit vierde kind (,doch ook é^ kind 
aüeen^ en geen van de kinderen die later geboren 
mogten worden,) voor zich kon reclameren. De 
Maling nn, tot het onder bovengemelde omstan- 
digheden lossen van een vierde kind, heette, vol- 
gens een kundig likluid&r, gdyat^ goeléioer^, (Bap.) 

A^^O (g^loeso^e), bep. gMoesoeka, ringen 
van bindrotting, om de roeiriemen in te steken. 
Boeg. idem. 

Aix^^O (galfea), bep. gales&ya, w»nw%, 
msgeduldig'y bijv.: galèsa-mi ri-kalênna, hij is onge- 
dmldig, onrustig in, zicheelveny hjj heeft eene slechte 

comtdenUe. Yeigel. het Mal. aUyjJ, rustdoos, on- 
gemakkelijk, kwelling, 

A^ «^ O ^ (gallksara), in groote menigte zigt- 
haar z^, of zich vertoonen; b^v.: gal^sard bdbkoe- 
roesoena, zjjn ribben zijn aUe zigtbaar. — Otdd- 
mraki djo^dya, de hertebeesten vertoonen zich in 
grooie menigte, 

A^ «^ \ ^s^ (galftëng) — Ag^la-gal&ëng, stui- 
vertje wisselen. 

Ai'N^^^ (gowari), bep. gowariya, vnw. 
go waringkoe, kamer, vertrek. 

4^ O (gossa), bep. gassaya, soort van klokke- 



metaal. Vergel. 't Mal. yf*iS^, en 't Jav. vfcmtM\ 
en 't Boeg. gissa, idem. 

A^ O (1** g^ng), tol. Boeg. en MaL id^n. — 
Ag&sing, met de tol spelen. 

(2° g;^ing), sterk, gezond; b^v. gdsêing-gds- 
êing^i, hij is immers sterk, gezond, d. i. is hy ge- 
zond? — Koewsdle-gassing lyUnoe, ik neem, d. i. 
maak, NJ^. tot mijne sterkte of steun, d. i. ik stel 
myn vertrouwen in hem. — Ng&lle m%&8Si£g, zich 
met kracht of gewéld iets toeëigenen. — G&oe ma- 
g^mg, een sterke of geweldige daad, d. i. ge- 
teeld, — Agilde messing, geweld plegen. — 6&s- 
slngi t&t^ro, hij stnUkeU sterk, d. i. hij struikelt 
gedurig, — Gê^ing-djin&oeng ri-messigika, hjjgaai 
immers sterk, d. i. dikwijls, naar de moskee, d. i. 
gaat hy dikwijls naar de moskee? 

Gasslngi, pakagSissIng, êterk maken, versterken, 
ondersteunen. 

A^ O (gising), H regts en links draaye», veel 
moeile aanwenden om iets. tot stand te brengen; 
b\jv. : ^ar^déki anggisingi gftoeka, hj/ is handig om 
de zaak zoo te wenden, dat zjj tot stand kome. (D. 
Moes). 

^ O (l"" gd^sde). Toer. en BoTïih,=rdtasd,ver- 
ward zijn; gebez. van haar, ^en, enz. 

(2* gdbscfe), wrijven, schuren; byv. gdbsde-mê- 
mang langirikoe, wr^ vooruit maar de langier voor 
mijne begrafenis fijn. NB. de langier geklopt voor 
levenden, en fijn gewreven voor l^kcn. (Midi.) 

Pasigoesdbkang bangkênna, met zijn beenen te- 
gen malkander schuren of wrijven, Yeigel. kaldèsoe^ 

^ O (gdbtoeng), zandbank. B. en MaL idem. 

\ A^ O ^ (gêssong), schudden, heen en wéér 
schudden, doch niet met oogmerk om te vermengen; 
dit uitgedrukt met nönó N". 2. (Kei.) 



86 



^ % X O (gosse), bep. gossêya^ zeewier^ Jlga. 
Boeg. idem. 

^ O ^ (gïsin), Jljn wreven; (dit geschiedt 
dikwijls met een' klapperdop;) b^v. de mostaard. 
VLbX. M^^ idem. 

Gisirang, ergetu op fijn wrijvm^ ergens tegenaan 
sciuren of wrjjven, 

Sigisin, elkander fijn wryeem of schuren^ y. d. 
gebez. van menschen of beesten die hevig te za^ 
men worstelen, 

^ O ^ (gdboerde). — Sigdbsoeroe, in groote 
menigte en verward door elkander loepen. 

\ A^ O ^ (gesard), a) bederven^ vemUien, ver- 
metigen^ verstoren; b) bedorven , vermeid ^ vernietigd^ 
verstoord z^n; b\jv.: gêsari-pamM, gekrenkt ^ ge- 
griefde lett. wiene gemoederust verstoord is. — Agè- 
8ar&-lêk<5, lett.: de sierih vermden^ d. i. de bdkl op 
een feest in de war schoppen. (Bap.) — Ag^adU 
k&na^leb&y vorige woorden vernietigen ^ d. i. veran- 
deringen daarsteüen, of: z^'n woord verbreken. (D. 
Moes). — Agêsaró glU)e-llb&, vorige daden vemie- 
Ugen^ d. i. insgel^'ks: veranderingen daareteUen. 
(D. Moes). 

Gesard ook gebez. van de bedwelming oi verruk- 
king der vrouw b\j het nitschieten van het sperma 
genitale. Yetgel. tdhnpa N^. 3. (Maoet.) 

Angges&rri, vernietigen. Zoo vindt men in den 
Mpang: anggesiLrri k&na-lebd, vorige woorden ver» 
nietigen^ in den zin van: vorige regtsuiispraken ver^ 
nieOgen en de zaken op nieuw behandelen. 

Kages^lrrang, ergens voor vermeien^ verwoesten. 
(M&li). 

^O*^ (g&ssala), bep. gassalaka, *t Mal. 
JuaiÜ^ oneven. 

^ ^s^ (1° gade), bep. gaoeka, blaauw. Boeg. 



idem. — Tjdëra niyaka gaoena, de ruiten (van eene 
sarong), waar een blaauwe draad door heenloopt. 
(NB. dit is iets ongewoons of zeldzaams.) Soms 
gebez. als zinnebeeld eener vrouw, die nevens ha- 
ren echtgenoot nog een' vreemden man heeft, met 
wien zij het houdt. (Tar.) 

Nigêo'e, blaauw geverwd worden. 

(2® g&oe), bep. gaoeka, daad^ zaak, feest. Boeg. 
idem. — Gade-mag&sslng. Men zie gdseir^ 
N^ %. - Q&xk-fs^, feest. — G&oe pakadökang 
eetfeestt maaltijd. (Bap.) — Sangki-gaob. Men 
zie sdngkd N". 1. ~ Djai-giLoe. Men zie ^Üi 
W. 1. — 0&de-b4wang. Men zie bdwa^. — B&li- 
^^e. Men zie bdU N^ 6. — Gaoe-kongkong. 
Men zie kói^kong. — Nat&ba gSloé-gade , = naté^ 
irang, betoooerd. 

Agftde, werkzaam zijn, handelen. —k^e kale- 
kUle, op eigen gezag handelen. Men zie kéUe N"*. 1. — 

AgkTe-m^ig^ing, zich schuldig maken aan ge- 
weldige handelingen, geweld plegen. Men zie ^a$- 
sing N*. 2. — KarÉleng m&gaoe, een regerend vorste 
die dus niet enkel een vorst in naam is, maar ook 
werkel^k als zoodanig iets te doen heeft. 

Gao'bkang, de insignia of rijkssieraden. — Gadb- 
kang-Loe, Bykssieraad van Loe, v. d. soort van 
pabóngka-sétaï^. Men zie op b(mgka. — Ana- 
gadbkang, zonen van een regerend vorst; lett. zonen 
van een vorst, die de rijkssieraden van het land be- 
zit. (M^.) 

Anggadfekang, iets doen, verrigten, enz., byv.: 
ponna tlno-pam^ nagadbkang, zoo hij een pret 
maakt, d. i. een pleizierpariijije aanlegt. Men zie 
téne. — Bi-nagaoekHnna %aoe kale-kalêya, lett. 
dewijl hij het op eigen gezag handelen gepleegd keeft, 
d. i. dewijl hij dat op eigen gezag gedaan heeft . 



87 



Vdgel. kale N**. 1. — Namp&nna ftnj^o niyi koe- 
gadbkang, na-koep&l^ ri-Iy&noe, het te voor hei 
eeret dat ik ^ wat doende ^ (d. i. een f eeet gevende,) 
NJi. verzoek, om, enz. (Brief). — Pönna niyi na- 
gadbkang karlLênga, zoo de voret wat doet, d; i. 
een feed geeft, (Rap.) 

Panggaobkang, H doen, ▼. d. handeUng, daad, 
gedrag, bijv.:panggadbkanglebdnapanggadbkanga» 
de daden die hij gedaan heeft, 

Pigadbki g^^e, iemand iete doen, bijjv.: Na- 
allè]rang ta-kdblle napigadbkig&detoêwang-Pdbtiri, 
zoodat h^ de vordin niete konde doen, (Djay). 

Sipag&dem^&ssing, elkander geweld doen,(BAi^). 

Pati- of piüg&de-gadbki, nu een» zoo, dan een» 



du» handelen, niet weten wat te doen, b^v.: ta-pati- 
g^'e-gadëki-töngangaki , ponna niy& seké, de han- 
den staan on» ook niet verkeerd, zoo er eene moe^e- 
mkheidi». (Bap.) 

A^ \ ^^ (1* g&ë), bep. gaëya, soort van lang 
vischnet van maninjdjo touw. — AgiLe, anggaë, 
met zulk een net viesehen, — Pag&ë, visschers» die 
zulk een net gebruiken. 

(2" glê), verwijden, lo»maken, bijv.: de kóto- 
kdlo'ê van een' wand, ten einde zoo in huis binnen 
te dringen. (D. Moes). 

^ X ^•N^ <^ (gaeyangj, = gdgang IT. 1. 

Panggaêyang, =panggigang. Men lie gdgaug 
N». 1. 



^ (nga). Derde letter van het Makassaarsch 
Alphabeth. 

^ ^ (nganga), 't Mal, pL&» gapen, wf§d open- 
siaan, bijv.: eene deur, of de mond; als: m&nga- 
ngai naglya, de nêga gaapt, spert zjjn* bek open. 
(^ay.) 

Tanganga, geopend, 

Paiïganga, open maken, bijv.: panganga ba- 
wiLna, zijn mond, of bek, wijd open sperren» 

Singówd-Singanga. Vergel. ngdwd IT. 2. 

'^^^^ (ngênge), huilen, janken, een kind 
bijvoorb. 



kni pangenge, een jankend kind, een schreeuw- 
Uel^k. 

XX^ (ngangar^), schreeuwen, hard praten; 
lett. wyd openstaan, bgv. een deur, v. d. als 't ware 
met een wydcpenetaanden mond schreeuwen, 

XX^^ (figangali). — Gigi-ngangala, bep. 
ngangalaka, kiezen. Men zie g^i, 

Kgangala-kar&boe, soort van waterplant. 

NgangaM-têdong, of: kar&mboe, soort van 
gras, gebez. tegen het uitvallen van 't haar. Poasp, 

X /O (SgÉLpa). Men zie dpa N*. 1. 

^ ^ O (ngllpasd). Men zie dpast^. 



^ rs (^nt^), bep. ng&ntaka, geüy weüusHg. 

^^ (ngSlrró). — l^rra-ng&rri, bep. ngfiürri- 
lïgSlrraka, verhemdU Tan den mond. 

X ^ (1® ngSlroe.) Vergel. beneden op aroe, 

(2* ngarrde). Men zie kdrroe N*. 2. 

X ^ (ngirang). Men zie tro^. 

X *^*\ (Sgdllo), hoofdpijn hebèeH, = 't Mal. 
JL^, men zie van Hoëvell Bidas. bl. 329, = 
't Jav. 8nA\, 

X^^'N^*\ (ngalingongo). Men zie ka- 
liii^óf^o, 

^"^^^^ (1* ngöwa), hegeerig, owergenoegd 
zyn. Boeg. idem. — Ngdwa-ddbdoewi, k^ is zeer 
hegeerig; bijv. gebezigd van iemand die bijzonder 
veel eten op zyn bord neemt. — Angöwa-mangi- 
noeng, broêaen, slempen, 

Kangowang, èegeerig, 

Kangowai , ergens hegeerig naar zijn; b^ v. : na- 
nakangowaï ta-iya andbnna, en hij is hegeerig naar 
hetgeen hem niet toekomt. (Bap.) 

(2° S^oyti)^ gapen; v. d.: singowd, zamen ga- 
pen, B. sikdwd, idem. — Singöwi-singanga, staan 
gespen van verhazing. — Singöwa-singangang, er- 
gens ooer staan gapen van verhazing, 

Süigow&kki, malkander aangapen ^ bijv.: Apa 



noepSlré singowakki? Wat staat gij malkander aan 
te gapen , zonder iets uit te voeren ? 

X 'N \ ^^ (figöwé), dngówé, 't Mal. &i3\ hal- 
ken, hiaten y loeijen. Boeg. idem. 

^\0 (ngSlseng), al, alle, geheel, — lya- 
ngllseng, zy allen. Vergel. dsei^ N°. 1. 

^ O (ngisi), dngisi, de mond open, en de tan- 
den tegen elkander, lagchen, grinneken. Ook gebez. 
van het hinneken der paarden. Ook gebez. van het 
gapen van een loond, 

Ng&pa noepangisif toaarom lachi gy zoo? NB. 
grof uitgedrukt, eu vooral niet tegen hoogge- 
plaatste personen te bezigen. 

Apa noepangisiyang^ Waar lacht gij over? 

\ ^ O *C (ngêsalé), Saley. '« morgens, 

^^ (5gai)> 't Mal. itjJiilLJjüs, achten, 
Uefhdhen, heminnen, ergens zin in hebhen, van hou- 
den, — Toe-ningai, iemand die hemind tcordt, ge- 
liefde, — Nangai-ngaï &^jdjo bainnêya, hij is ver- 
liefd op die vrouw. 

Pangai, het heminnen, de liefde, 

Singai-ngai, elkander heminnen, 

Pasingaiyang , het van elkander houden, v. d. 
goede verstandhouding. 



89 



^' 



^ (pa) vierde letter van het Makasaaarsch 
Alpbabeth. 

^ (1"^ pa), achter aan een woord gehecht, 
geeft te kennen, dat daarop bijjzonder de nadruk 
▼alt De kracht van dit woord^ is in het Hol- 
landseh, na eens door onderêchrapping van het on- 
middellijk voorafgaande woord, dan eens door om- 
sekijjvmg^ met behulp van nog , vooral en andere 
wo(»den, weder te geven. Boeg. idem. Men ver- 
gel, bet Mal. y^^yi» Dit pa^ verbonden met het 
pers. voornaamwoord van den eersten persoon en- 
kelvoudig (o), wordt: pd; met het persoonlek voor- 
naamwoord van den eersten persoon meerv. {kang 
of ih), wordt: pakang en pakt; met het persoonlek 
▼<K>m. van den tweeden persoon {ko of kt), wordt 
ptth$ of pakt; met het pers. voorn, van den derden 
persoon (a of t), wordt: pa oïpi. 

Bijv.: ta-^inikapd, ik zie nog niet; Mantang- 
pakö, zoo gij blijft, — Inai-pa-pole sir&taiïg m&te? 
JTèei» ket meer hiU^k, dat derve (,dan ik)? (M^i.)— 
Si-kali-pa-pole, nogeens, nogmaals, Mantang-pi 
t&Uoe, er bleven nog drie over, — Si-^Hngkin-pa, 
of: ai-^Hngldri-pa-pole, nog één kopje, — Taëna- 
pa, nog nid. — Bellang-pi na-Marisso, nog verder 

l ion MarisBO, — Masilrro-l^binki m^koetlnanga 
ri-tadëwa; m^lsarrowang-pa ija Ubinna m&koe- 

' t^nanga ri-kalênna, het ia zeer goed, te vragen aan 
ie ntenaehen, maar nog veel beter is het, om aan ziek' 
sdoen te vragen. (Rap.) — Ala-pa, ilpa-pa, &la- 



pa-sêng, aia-iya-pa-seng, ipa-pa^póle, ipa-pa-iya, 
ê,pa-pa-sêng, na-iya-pa-seng, hoe veel te meer. 
Men zie o^ en dpa, — lya-pa na-ki-aga£g,pdnna 
karSlë%a dsdbroki, lett. ddi gebeurende, namelijk 
zoo de voTBt ons beveelt, gaan wij, d. i. dan eerst 
gaan wy mede; zoo de vorst ons beveeU. (Bap.) — 
lya-pa koek&na toe-bar&ni antannang-p&ntoeka 
kalênna na-nib&lili, ktterl. é&en eerst noem ik een 
onverschrokken held, die zich zelven als eenpdntóe 
plani, om op geschoten te worden ^ d. i. dan eerst 
noem ik iemand eefC owoerschrokken^ heid, wanneer 
hij in het gevecht oniorikbaar pal hl^ft staan, evenals 
een paal, waarop men bezig is te schieten, (Bap. 
K. G.) — Nasitdbrdé-p&njdjo ilppaka; nam^dji, 
die vier overeenstemmende, d. i, zoo die vier overeen- 
stemmen; is het goed. (Bap. K. Q.) — K^mma- 
pinjdjo gaoena soerowa, namabadji, zoo z^nde 
het gedrag van den gezant, d. i. wanneer het gedrag 
van den gezant zoo is ; is hei goed, (Bap. K. G.) — 
Pönna ta-ka^inikanga ri-kalênta, an^cijóreng-pi- 
sêng riyan^ta, lett. zoo het niet blijkt aan ons zelve, 
dan blijkt het weder daar bjj onze kinderen , d. i. zoo 
het niet blijkt aan ons zélve, dan toch aan onze kin- 
deren. (Vei^l. het Boeg. koe-ri, = anjó^óreng-ri. 
Men zie anjdjdreng op dnj^fo.) (Bap. K. G.) — 
T^té-SLppéUpi, n4mp6 tis^ring, lett.: toen het vier 
ure was, toen pas ontwaakte ü, d. i. ik ben pas om 
vier ure ontwaakt, (Brief.) — Am<feko-pi sSWang 

koel&mpa, morgen zal ik gaan. — Biyaltónna-pi 

IS 



90 



(» of: pa,) Salasaya, na-nisdbnna, Dingidag wordt 
er besneden; d. i. er heeft een besnijdenis-feest plaats. 
(Brief.) — Ei-Sannênna-pa sallang kocbattoe, aan- 
staande Maandag kom ik. (Brief.) 

(2° pa) , hy die een handwerk of beroep uitoefent. 
(Rap.) 

(3° pa), onafscheidbaar voorvoegsel tot vor- 
ming van: 

a) zelfstandige naamwoorden, als: paldbkké, 

A 

dief, van Ufekkd; papisaringi, het voelen^ het ge- 
voel, van pisdringi , men zie sdring N°. 1 ; paballe , 
geneesmiddel, men zie : bdll€ N**. 5 ; pamantatïgang, 
verblijfplaats, van mdntang, men zie dntfmg. Ver- 
gel, mijne Makass. Spraakkunst § 48 en 50. 

b) Causative en transitive werkwoorden, als: 
pantlmia, doen binnentreden, men zie antdma; 
pantamai, binnentreden bij iemand, men zie oii- 

fdma. Vergel. mijne Mak. Spr. § 181. 

e) den Comparativus der bij voegelijke naamwoor- 
den, bijv.: patinggi =. tinggxya^, hooger , van 
twggi, hoog; palömpo, grooter, van lómpo, groot. 
Vergel. mijne Mak. Spr. § 81. 

(4** pé), bep. p^ka, 't Mal. y^\ji, beitel, dis- 
sel. Boeg. idem. 

Amp^, of: imi, beitelen. — Bdfenga nip^, ge- 
beitelde bloemen, d. i. bloemen, die met een beiiel in 
het hout gesneden zjjn, soort van lofwerk. 

(5° pd), bep. p^ka, tros, doch uitsluitend van 
pinangnoten geb., bijv. rappo si-pa, éen tros pinang- 
noten, 

(6^ pd), bep. pika. — Si-pa,/^ vierde tdi,d. i. 
2 reaal of 4 gulden. (Inl. Wetboek.) Veigel. dppd 
N». 2. 

(7^ P^)> ^P- p^ka, verbastering van ons pacht, 
ook gebezigd v&n pachter; byv.: Tjina antagalakaï 



paka, de Chinees, die de pacht heeft; en: Tjina- 
paka , de Chinesche pacïder, 

(8° pa), zamengest. mi pa +d, voomw. 1 pers. 
m. en vr. enk. Vergel. /w N". 1. 

Xi (l°pi). Men zie: jpa N". 1. 

(2° pi), onafscheidbaar voorvoegsel, gebezigd tot 
vorming van causative en transitive werkwoorden , 
als: pirassi, doen vól-worden, vól-maken, vuUen, 
van rassi, vol; pilangêri, luisteren naar, vanla- 
ngere, hooren. Vergel. mijne Mak. Spr. § 180. 

(3** pï), klei, bijv. bdbtta-pi, klei-aarde. 

y^ (ping, pim, pin of: pinj, of ook wel de 
neusletter geheel weggelaten , al naar gelang van 
de letter waarmede het woord begint, waarvoor het 
geplaatst wordt), onafscheidelijk voorvoegsel, hoofd- 
zakel^k tot vorming van telwoorden, ten einde ons 
maal of voud of dei^el. te kennen te geven, als: 
pint&lloe, driemaal, van tdlloe ; ping&pp^ viermaal, 
van dppd; pilima, vijfmaal, van Itma; pimbtLli- 
bali, niet: aan één zijde, maar als 't ware verme- 
nigvuldigd, by V. het tweevoud daarvan , alzoo : aan 
weerszoden, van bdli N**. 6. Vergel. het Jav. Sf^ 
en de Jav. Spraakk. van Taco Boorda § 319 , als- 
mede mijne Makass. Spraakk. $ 21, 22 en 117. 

^ (poeng, poem, poen, of: poenj, al naar 
gelang van de letter, waarmede het woord begint, 
waarvdérhet geplaatst wordt), onafscheidbaar voor- 
voegsel , gesteld voor eigennamen en andere bena- 
mingen van personen, alsmede van dieren en za- 
ken, die men ak personen beschouwt. Het ver- 
vangt welligt enkel de plaats van een' vereerenden 
titel, hetzij, dewijl de persoon zulk eenen titel niet 
bezit, hetzij dewijl die tot bevordering van de 
kortheid , of ook uit zekere bescheidenheid, of om 
welke andere reden ook, verzwegen wordt; als 



9i 



Poeng-kareké , van Karéké ^ eigen naam van een 
peisoon; Poeng-kondo, van kóndo^ reiger; enz. 
Vergel. vooral mijne Mak. Spraakk. § 47. — NB. 
Meer gebruikelyk dan dit ^ is in een' zelfden 
zin het onafecheidbaar voorvoegsel i. Vergel. be- 
neden t N". 3. 

(2* poeng, poem, poen, of: poenj), — poenna 
N**. 2, =pónna, indien; bijv.: po'bngkoe, indien 
ik'y pdbnnoe, indien gij, 

-Ai 'N (1* pong) , ons Holl. pond. 

(2" pong, pom, pon, ponj), =poengy poem, 
enz. N*. 2, = pónna, indien. 

^•^ (1* paka), onafscheidbaar voorvoegsel , 
gebez. tot vorming van causative werkwoorden, 
b^v.: pakalompo, groot maken ^ enz., van lömpo, 
groet. Vergel. mijne Makass. Spraakk. $ 183. 

(2*' p4kka), ép^kkil, ééndragUg zijn, beraadsla- 
gm. Vergel. het Mal. pakaty eene verbastering van 

't Arab. M^Sljo. 

Nipakk&kki, men is het er over eens. 

Kerêyang-mo, of kêre-mo kipapakk^kki ? icat 
z^ wig overeengekomen? 

(3° p&kka), bep. pakkaka, wrang. Boeg. p^kkd. 

Fam&kk^, dat wat wrang maakt, adstringeert, 
zooals bij de Idward-iénró : de paddda- en pardppd- 
vrachten. 

^^^ (1® p^kang), inslag. Boeg. idem. Men 
zie éne N". 1. 

Niplikang, wordt gebezigd van de draden, die 
bij het weven door het opzetsel {panganêya^) wor- 
den heengehaald; van daar: nip^kafïg gsloe, er 
worde eene draad van blaauw garen door de panga* 
méya»g heen gehaald. 

(2"* pakkang). Men zie dkkang. 

^•^ (1° pangka), bep. pangkaya, gebez. 



van alles, wat den vorm van een hoek heeft , = 
pêngka. Boeg. pdkka. — Van daar: pangka, de 
balken aan het voor- en achter-einde van het 
schip, die in den vorm van een pangka ge\egd 
zijn. — P&ngka-binanga, tak van een' rivier. — 
Bóke-p&ngka, piek met twee of drie punten, bij 
wijze van een vork, vooral op Saleyer als staatsie- 
wapen gebezigd. — Pangka-lafïgóting, een rijks- 
vaandel van Maros, dat naar 66 wa overgebragt , 
den naam van Soelengkdya kreeg. Men zie be- 
neden. 

Paiïgka-p&ngka, de haak achter aan het vaar- 
tuig, waaraan men het roer, of de góeling ophangt , 
wanneer het schip stil ligt. 

Pangk&ya, insgelijks benaming voor het ster 
rebeeld : de groote Beer. 

(2*'pangké), bep. pangkaka, 't Mal. s::JufcS, 
rang , klasse. 

Sampilngkd, lett. van gel^ke klasse, v. d. even 
oud, even groot, enz., wordt gebezigd van alles wat 
maar aan elkander gelijk is. 

^yy (p&kki), bep. pakkiya. Grebezigd van 
iemand , die zoo wat van aües weet. Boeg. pakki. 

Vergel. 't Arab. luJié. 

^ •• (pakking), overgieten. 

^^f {X P^ltoe), bep. pakcfewa, 't Mal. pa- 
koe, nagel, spijker. -— PSlkoe-pakoe, zwikj e, pen- 
netje. B. idem. 

(2" pakoe), bep. pakoewa, 't Mal. ^5^, varen- 
kruid. — Pakoe-batówo, soort van pdkoe. {Polypo- 
dium?) — Nirontü-pakoe , als pdkoe-groente ge- 
kneed worden. NB. geb. van een lijk dat meti mis- 
handeU. (Midi). 

^ \ •• (pake), zich kleeden, zich kleedenmet, 
V. d. aantrekken, dragen, gebruiken, bijv. p^ke-ba- 

13* 



99 



djoe, een baadje aanirekken. — PtLke Diakota, eene 
krom dragen. Boeg. en Mal. idem. 

Pakêyang, kleediag. 

PAke-pekêyang-boer&niie, lett. alles, wat een 
man g^rwM, vooral tegen den v^'and, of, om het 
hart eener geliefde te veroveren; inzonderheid ge- 
bezigd van zekere tooverformulieien. 

Pipakêi , iemand hd een of ander aan te trekken, 
te gebrmken geoen, b\jv.? pipakêï djUrang, lett. een 
paard ziek doen kleeden^ d. i. een paard opzadelen, 
— Pipakêï payjle , iemand geneesmiddelen doen ge^ 
bndken, d. i. geneesmiddelen toedienen. 

Pasip&ke, te zamen laten dragen of gebruiken. 
(Brief.) 

/O \ •• (pJlngke), bep. pangkêya,/»!?. (Sinr.) 
NB. van grooie takken gebez. in tegenstelling van 
téu^ke.Boeg.pdkke. 

^ yy (po'bka), bep. pdbkaka, groote soort van 

vischnet. Bo^. idem. Mal. vsO^. — PanlU)eng- 
poek^na, z^ net nederlaten. — KMi-mi poek^noe, 
kaal om, en doe digi uw net, leterlijk: maak tot een 
omkeining uw net, 

^^f (pdbngkdé), bep. pdbngkoeka , m <a- 
crum, of heilig been. 

\^^^ (pêkang), mechhoek, kengel. — Oteré 
pêkang, hengeUomp, gebeagd om in diep water te 
visachen; anders bedient men zich van tdsi N"*. 2. 
Men zie beneden. 

Afêkang, émêkang, kengelen, — Ajnékang-1&- 
doeng, met lood (in zee) visscken, — Amêkang 
oelorang, met een hengeldok (in de rivier) visscken. 

\ /si •• (pêngka), bep. pengk&ya, z=:^pdi^ka, 
en gebezigd van alles wat den vorm van een' hoek 
heeft, ak: een tweesprong, enz., bijjv. : balanggoe 



gewoonlijk in Gdwa gebezigd voor de kettingjon- 
gens. NB. de beide uiteinden van de péngka zijn 
met ring^ aan de voeten, en het punt waar de 
beide zijden zamen komen, is insgelijks door mid- 
del van een ring om het lijf vastgemaakt. 

Pamêngka-mêngka, de schooien op een vaartuig, 
als zijnde in den vorm van e&n péngka, 

Péngka insgel^ks naam eener geliefkoosde 
groente , die den vorm van een péngka heeft, en 
daarom dikw^ls als beeld van dubbelzinnigheid, 
dubbelhartigkeid, ongedeeideerde Uefde, en deigd., 
meer gebezigd wordt. (Sinr.) 

Agang-^pêngka, tweesprong, kruisweg, 

Kmboleng-pêngka. Yergeliijk nmbSleng en 
djonga N°. 1. 

Napéngka n&wa-naw&^koe , mijne gedachten 
zyn in tweeen gescheiden, d. i. ik wantrouw. 

X ^ •• '^ (pêngko), bep. pe^kowa , strik , 
laag. — T&nnang pêngko, lagen leggen, 

Apêngko, of: imêngko, drikken: byv, amêng- 
ko djönga, herten drikken. 

^ % </• (1* poka). — Poka-poka, onOeden, 
verdeden, een hert b^v. 

(2* pdka). — Mokaï, ontginnen. — T4na-po- 
kang, ontgonnen land. 

/si % X •• (poke), bep. pokêya, piek, lans. 

Amóke, md een piek doorboren-, b^v.: toe-ma- 
moke , h}j die iemandmd eene piek doorboort. (Bap.) 
— Nipöke djöng&ya, hd hert wordt md de lans 
doorstoken. 

^ % </• -N (l**p6ko), bep. pókoka, B.pdöng^ 
boom, stam. NB. eigenlek het onderste gedeelte van 
den stam , terwijl het overige van den stam bdiai^ 
heet. Zoo wordt pókó ook gebezigd van hd on- 



pêngka-pêngka, boeyen in den vorm van een péngka, j derste of hd begin van een tak, dat gedeelte van 



93 



een' tak , 't welk het digtst bij den stam is. Van 
daar beteekent/»^ overdragtelijk: oorsprong, oor- 
zaait bron y begin , rede» » grond, grondslag , hoofd- 
zaai ^ hoqfdsom, kapikuUy boom of honk bij het 
kr^ger^'e spelen. Ook aldns genoemd het touw, 
dat aan het benedenste van de ra of büoe vastzit. 
VcrgeL 't Mal. ^jJ^yi, boom, boomstam, oorsprong, 
óron, reden, enz., en (3^» hoofdsom, iapUaal, 
grasÊiêlag. — Pdkd-lLse, eigenlijk het onderste van 
den siam of de halm van de paddie-plant, doch ook 
wel genomen als = bdtang-dse, 

P6kd-k&yoe, = 't Mal. yi}iyjS^^,zwaTeboom, 
ter onderscheiding van den pisang- en andere hoo- 
rnen, die geen houten stam hebben. — MÉnge 
n^dJle poko-k&yoe, letterl. een* boom gaan nemen 
(om tc^n te leonen), d. i. M iemand zijne toevlugt 
uemen , hetzij door zich aan z^n' dienst te verbin- 
den, hetzij op andere wijze, = mënge ngdUe pa- 
mamj4jêngang , of: mSngebóyapaldlèngafig, — Anj- 
djo b&Uaka nangaï na-Mle pökó, letterlijk: dat 
kuis houdt er van, om den stam, of boom, weg te ne- 
men. Bedoeling: gedurig sterft de meester, of mees- 
teresse, van dat huis. — B6si taëna pok^na, lett. 
reffen die geen dam heeft, waaruit hij is voortgeko- 
men, d. i. regen, die als 't ware zonder wolk ge- 
weest is, d. \,een zeer klein regenbuitje (Sinr.); 
zoo wat hetzelfde als: bösi taëna bangkênna, regen 
die geen voorloqpers gehad, zich niet door een* zigt- 
bare woik heeft laten aankondigen, = Pdkó-böngga, 
lett. stam van een dy, v. di.het bovenste van een d^, 
— P6k<S-k&njnjing , lett, stam van de wenkbraau- 
wen , V. d. datgeen van waar als 't ware de wenk- 
braamwen uitgaan , d. i. de binnenzijde van de wenk- 
broéxmwen. — P6kó-kanc^koe, lett. stam eens nagels, 
V. d. als 't ware oorsprong eens nagels, d. i. het ge- 



deelte eens nagels dat het verst van den top des 
vingers verwijderd is. — Nilamporoki ri-pokona, 
het wordt opgestapeld bjj zijn* boom, stam, oorsprong, 
d. i. bij hem aan wien alles zijn oorsprong ver- 
schuldigd is , d. i. het wordt overgelaten aan God, 
d. i. er wordt besloten tot den eed. (Bap. T. fj.) — 
Niboebo'e pokona , lett. zyn stam wordt uitgerukt , 
toegepast op iemand die eerst alles wat l^j heeft, 
aan den schuldeischer betaald, en ten slotte, ook 
zijn eigen persoon als pandeling gegeven heeft, die 
dus als 't ware evenals een boom uit den grond 
gerukt is. (Kap. T. Dj.) Men zie op bdboe N®. 1. 
— Oeld^nna binangaya anrtl'i ri-TMld ; si-pökoka 
ant^ie ri, enz., de rivier loopt in den beginne oost- 
waarts naar TéUo, en vervolgens steekt de eene 
stam (, d. i. de eene tak,) over naar, enz. (Bap. K. 
G.) — Oenti si-p6k(5, /én geheéle tros pisa^-vrueh- 
ten. — Pokd-b&te, hoofdvaandel, v. d. hij die dit 
hoofd vaandel voeren mag, d. i. de voomaamsie der 
bdte-saldpang*s, of negen üesheerm van Qówa. 
(Bap.) — Pokó-baïnnênna, iemand^s hoofd- of voor- 
naamste echtgenoote, (G. G.) — P6k6-bc(élo, de 
stam of het onderste van een bamboe. — Poko-djdb- 
ko'e, de hoqfdvisch of de voornaamste viseh, van een 
vijver b^v. (Kap.) — Anne-pokd-kanllngkoe, dit 
is de hoofdzaak van mijn zeggen of nieenen , d. i. dit 
bedoel ik hoofdzakelijk. — Na-iya pókó, la-koek&na- 
kanangko, en wat de hoofdzaak, of ook : de reden, 
oorzaak, enz., betr^, zoo zal ik u zeggen. 

Apókó, met een* stam zijn, een* stam hebben, 
bijjv.: B&toe apdk(5, steen die een* stam heeft, d. i.: 
vast in den grond staat, v. d. = bdtoe tdUassa, d. i. 
rots. — Taoe-mdpokó, iemand, die een* stam heeft, 
alzoo als 't ware ter deege vast-geworteld is, d. i. 
iemand die een grooie familie heeft, zoodat zijn ge- 



94 



slacht niet ligt van de plaats, waar hy zich bevindt, ' tik daarmede bezwijken zoude. Deze ring be- 
verdwijnt. — Para-mapöko pangassênna , hun toe- hoort tot de rijkssieraden van Gowa. 

^ •• •• O (pakakasé), bep. pakakasaka , 
kuisraady v. d. in het algemeen : de toeèehooren van 
iets; bijv.: b^ili loUong pakakasana, een geweer 
met zijn toehoor en. Mal. ^jaOD^J , idem. 

JO •• XN (pikSltoe). Men zie op kdloe N°. 2. 

^••«'X/O (poekiy^njdjeiïg), of: nam- 
nam^ Mal. zekere soort van vracht, de Cynometra 
cauUflora L. 

^••^ (pakkiri), bep. pakkirika, *t Arab. 
yjLOi, bedelmonnik. 

^^f% (pangkoeroe), bep. pangkoeroeka , 
soort van vaartuig, veel overeenkomst hebbende 
met de birówang, zijnde bijv. insgel^ks voorzien 
van een mast, bestaande uit drie houten , alsmede 
bd^kei^sdlard, doch missende de pamdroenjj en 
de bangkoeng-bardtang. 

^ \ •• \ ^ (pakkeré), bep. pakkereka, = 
pdkkin. 

/^••'N^'N (paiïgkord). — Pangko-pang- 
kord, bep. pangko-p&ngkoroka, kleine Javasclic 
praauw , met omgekrulde stevens. 

JO •• ^ (pïkiri), *t Mal. yXx"*, denken, mee- 
nen, verstand. 

/si'NyyCs (pökara), splijten, doen van ém 
gaan, doen barsten, ontbinden. — Tapókara, gespte- 
ten zijn, zich splijten , van één gaan, barsten, zich 
ontbinden, bijv. een lyk. — Dalima tapókara, een 
gespleten granaatappel. 

^ •• ^ (pakala), 't Mal. Jj3 , kaUfatereti, 
een vaartuig. Men zie op bdroe N**. 1 . Boeg. idem. 

^••*^ (pangkoeloe) , bep. pangkoeloeka, 
bijl, hakmes. — Ap&iigkoelde, mangkoeloe, amaüg- 
koeloc, hakken, houtoen. (Eap. T. Dj.) 



ten heeft gelijkelyk één stam, d. i. berust gel^kelijk 
op één grond, d. i. zij kunnen geljjkelyk gronden 
bijbrengen voor hetgeen zy vernomen hebben. (Eap. 

Nipokókang, tU stam, tot hoofdzaak gemaakt 
worden, v. d. tdbloesoe nipokókang, = töeloesóe 
nikdnre, wordt altoos tot hoofdschotel gemaakt , zoo 
als bijv. by den Europeaan de aardappel , bij den 
Inlander de ryst. Zoo zegt men: koepokókang 
inakke kanreya, ik voor mij maak de rijst tot myn 
hoofdschotel. 

Papokókang, kei een* stam of oorsprong doen 
hebben, of nemen; v. d. : voortbrenging, v. d.: oor- 
sprong, 

Papokóki,e«» oorsprong doen nemen; bijvoorb. : 
papokóki n^wa-n&wa m&naba, juiste (goede) ge- 
dachten een oorsprong doen nemen , d. i. juiste ge- 
dachten voortbrengen. (Rap. K. G.) 

(2"" pókkd), bep. pókkoka» stomp, van Jiand of 
voet byvoorb. 

^ % yys (1** póngko), bep. pongkówa, pal- 
miet, 't bovenste gedeelte van den klapperboom, 
wel te verstaan: het weeke daarvan, dat nog in de 
bast besloten zit. Boeg. póko. Ook gebezigd van 
de paddiehalm , wanneer de bdeleré nc^ in de bd- 
tang-dse zit, doch op het punt is, van er uit te 
schieten. l^B. jonge meisjes dikwijls met eetipói^ko 
vergeleken. 

Póngko panisi. Men zie panm. 

(2° (póngko). — Póngkowi kaloekdbwa, de 
kUippemoot met een hakmes dóórhouwen oi breken, 
V. d. wclligt pamdngko-kalapdga, een ring, zoo 
hard, dat de harde klapperschaal voor een enkelen 



95 



PaSgkoe-p&ngkoeloe, = dnrong-ifelfir/i. Men 
zie dnroSg, 

^^^ *^ (pdfekald), bep. pdfekalaka. — Sa- 
pci^kala, geb. van een kris zonder bogtm. 

/O 'S •• % ^^S' 'S (p^olo), bep. pdkoloka, 
stomp y M, onbedreven in het een of ander. — La- 
di^ pokoló, Biomp, hot mes, 

^••O (p^ngkasa), knippen haar. — Ni- 
p&ngkasdki oena , zijn haar wordt geknipt. Vergel. 
g(^j^i»gy g^jipng en pdppd N°. 3. 

NB. tdpólong óena zou meer te kennen geven 
dat men iemand uit smaad het hoofdhaar afmeed. 
Vergel. póUmg, 

Mdngkasd bme eertijds in gebruik voor moeboe 
hme^ (men zie hoehoe N**. 1) v. d. pamangkdsaang , 
de tijd , waarop dit gewoonlijk geschiedt. (Bap.) 

^ •• ^ <^ (pakaiya), welligt af te leiden 
van péSka , hetzelfde woordje , dat gebezigd wordt 
tot vorming van causative werkwoorden (,men zie 
mijne Makass. Spraakk. § 183), en dus zooveel 
als: a) doen worden, en v. d. onderwerpen , b) laten 
geworden y of geschieden; bgv. : koepakaiya-mi ka- 
léngkoe ri-tdbwang , ik onderwerp mij zelven aan 
mifmheery welligt lett. : ik doe m^n Ugchaam worden 
voor manheer. — Napakaïya-mi balinna , hy heeft 
onderworpen z^rC v^and; welligt letterlijk : hij heeft 
doe» worden z^n* vijand, te weten : voor zich zelven; 
of misschien lett.: hy heeft zijn' vijand in een lij- 
dd^keuy d. i. afhankelijkeny toestand gehragt, — 
Têyaki mlLUaki , tcfewang, pakaiyaï sarênta, wees 
niet hevreesdy mijnheer y onderwerp u aan uw lot, wel- 
ligt lett. laatgewordenuwlot, — Ampakafy^ sarêng- 
koe, ik onderwerp mij aan myn lot (Tar.), well. lett. 
li- Uud geworden mijn lot. — Pakaiyaï sarênnoe ri- 
.Vlla-taala, vertrouw op God; welligt lett.: ^^^éP- 



worden nw lot hij God. — Nipakaiysui sarênna ri- 
Alla-taala, God heeft verhoord z^n gebed ; welligt 
lett. God heeft laten geworden zijne bede, — Ta-ni- 
pakaiya, of: ta-nipakaïyaï panggappana, = ta-mpa- 
djanyax panggappdna y d. i. hem wordt niet toege- 
staan het verkregen daarvan , d. i. hij mag het niet 
behouden (het gevonden goed), (Rap. T. Dj. vergele- 
ken met Inl. Wetb. , waar men in hetzelfde ver- 
band leest: ta'nipdkadsséï-panggappdna,) 

^••^ (pakihi), bep. pakihiya, 't Arab. 
&xAi, iemand die in de kennis van Koran en Sonnat 
ervaren «, later inzonderheid: een regtsgeleerde. 
Verg. Mr. S. Keyzer's Handb. voor 't Moh. regt , 
bl. 3 N^ 1. 

^ A^ (pagang). — Si-pagang , /én gedeelte, 
bijv.: niyi-djintoe sipagang, lett.: «• is immers een 
gedeelte (van de menschen), dat insgelyks zoo isy d. 
i.: er zyn immers meer menschen die zóó zijn (, zoo 
handelen) ;'^y zijt immers niet de eenige, (Tam.) 

^ ^ (pilnggang). Men zie dnggang, 

^ ^ 'S (pinggong), 't Mal. panggong, 
tooneel. 

^ ^ (pc%a). — Apdbga, met knikkers spelen, 

\^4^^ (pênggong).'— Tdpênggong.pêiïg- 
gong , waggelen y bijv. een dronken man, 

^ % ^ % (ponggo), bep. ponggowa, blok of 
boei voor gekken. 

^^^ (pft^^)> ^P- pagag^ya» = 't Mal. 
kaki-koedtty soort van plantje, welks blad in vorm 
veel overeenkomst heeft met een' paardenhoef y en 
in de geneeskunst gebezigd, ja ook als salade ge- 
geten wordt, de Hydrocotyle asiaOca L. 

Ai^^ (p^Lgarii), bep. pagaraka, 't Mal. 
éS\jy 't Jav. ^S^\y omheining, (Sinr. K. G.) 

Xi ki %i, (pïnggiri), bep. pinggirika, een in de 



96 



stqf ingetoeüen of vtui-opgeplakte randt hctz^ van 
een poerökaanff (êchitifband), hetzy van een koeldm- 
boe {gord^n\ hetzij van iets anders. Jav. en Mal. 
pinffffify boord t kant, rand, zoom. 

Men vergel. vooral beneden op tdberé. 

^ A^ ^ (panggiling), de kUeren van de tim- 
paoesdé, welke gebrand, en alzoo met andere in- 
grediënten gebezigd worden tot het maken van 
dókpa en satan^gi, alsmede tot het berooken der 
badó^hj. (Sinr.) 

^ A^ «^ O (panggal&sa^), soort van visch. 

^^\^^^ (pagfilwe), bep. pagawêya, 't Mal. 
^^L£ii, werktvig, hutrvment, gereedsehe^, v. d. 
de benoodigdheden voor het een of ander, v. d. ook 
hanteren, 

Pagawêyang, werktuig, instrument. 

^^^^^ (poenggftwa), bep. poeilggaw&ya, 
aanvoerder van een leger b^ de Makassaren, hoofd 
der hijgemagt op Gdwa, kapitein van een schip, 
verg. 't Mal. en Jav. poenggawa, hqfgroote, staats- 
dienaar, en 't Sanskr. poenggawa, stier, in zamen- 
stellingen: uitstekend. 

/O i. (pangi). — P6ko-pangi, bep. pangiya, = 
pókó kdtówd. Men zie kal/kod. 

/O i. (pingïng. Men zie anging. 

r^ ^ (pllngoeng), Sal. bil, 

^X^\^^ (V pangoké), bep. pangokeka, 
soort van plant, veel overeenkomst hebbende met 
de dlard, en tot schuilplaats dienende voor de 
wilde varkens. 

(2* pangoké). Men zie dké. 

^ ^ •• O (pang&kasd). Men zie dkasdW. 1. 

/O ^ ^ (pangapang). Men zie dpa N^ 1. 

y^^^ (pangdfempcfe). Men zie öhmpoe. 

^\X^ (pangêmpang). Men zie émpang. 



^\X\^ (pangêpé). Men zie ^ N". 1. 

^X^\^ (pangantard). Men zie éntard 
N^ 1. 

^i^vy^^ (pangoeddbkang). Yergpi. dèdoé. 

/O ^ ^V ^ (pangikndara). Men zie éndard, 

^X/^ (pangdoang)« Men zie dnai^ N"". 1. 

/O ^ ^\ ^^^ (panganciëwang). Men zie dnoe. 

^ ^yO ^ (pangoe5ftrang),verg.(J^é§*flr£N°.2. 

^^yO ^ (panga^iï), sierik oï betel en toe- 
behooren, d. i. merik-blad met pinangnoot, gambir, 
kalk en tabak. NB. men zou eigenlijk moeten zeg- 
gen : pangedjüï, datgeen wat rood maakt, te weten: 
de lippen, van édja, rood, — ^ Apa^fadjai, betel 
kaamoen. 

Papangadjaiyang , beteldooê. — Papangadjai- 
ya^ kiLrasé, een' bijzonder groofte soort van be- 
teldoos. Vergel. kdrasd N^ 1. 

Papangadj^ang, == papa^^a^ng. (I>iay.) 

^X^ (pangékra), uitnoodigen, aansporen, om 
te eten , te werken , of, wat het ook zij, te verrig- 
ten; b^v.: Nangftnre-mo karlLënga, dngilnre-töng- 
mi DJIlyalangk&ra , nipangiLra ri-karl^nga , de ko- 
ning at, en Bjdydlangkêra at ook, daartoe door den 
koning uitgenoodigd wordende, Pjay.) — Biberé 
pèle dpang^ra ri-sawinna, lippen, zacht (vriendelijk), 
om zyn scheepsvolk aan te sporen. (Dat Moes.) 

Pangdra, zonder bijvoeging van hetgeen waar- 
toe men aangespoord wordt , dikwijls in den Bl- 
pang genomen voor uitnoodiging tot werk voor den 
vorst, d. L heerendienst. (Bap. K. G.) — M&pa- 
ng&ra, alzoo: heerendienst laten verrigten. (Bap.) — 
Nipang&ra, tot werk uitgenoodigd worden, r. d. hee- 
rendiensi verrigten. (Bap.) 

Papangar&ang, iets bezigen, of hebben om hee- 
rendienst voor te laten verrigten ; bijv. : ponna ma- 



lompo pangar&ya, kammHya djamang djené-pa- 
n^Lika» masigika nipap&Sgar^ng, enz., zoo het 
eem grwOe heerendienat 19, als hei bijvoorbeeld hei 
werim aan de kanalen, hei werken aan de moskee is, 
waarioe heerendienst verlangd wordt (Kap.) 

^'S^^Ss'N (pongoró), bep. póngoroka, 
doly zinneloos, gek. — Pöngoró ri-panrang. Men 
zie pdnrctng. -— Pongoro-pamslï ri, verzot oï ver- 
liefd op, een m^e b^voorbeeld. — Nabattdbwi 
pon^róna, z^e krankzinnigheid komt over hem, d. 
i. : hij wordt weder krankzinnig. (Brief.) 

Póngo-póngord, een weinig gek, simpel, on- 
moezel. 

PongAri, póngo-pongori, gek maken, hei hoofd 
op kol brengen, v. d. verleiden, een meisfe bij- 
▼oorbeeld. 

Kapongóri, gek, verzot, verliefd worden op; bq- 
Toorb.: sirlLtangi nikapongori ri-kaiiënga, hei is 
pepast, (d. i. natuurlijk), dat de vorst op haar ver- 
z€d of verUrfd worde. (Bid.) 

^ \ i^ \ ^ i^ (pangerêngaSg). Men zie kê- 
reng. 

^ ^ "^ ^ «^ (panganrêyang). Men zie kdnre. 

^X^^ (pang&la). Men zie dld N^ 2. 

^^*C (pangdfeloe), bep. pa^eldbwa. Men 
zie dèloe N**. 1. 

^ ^ *^ 'N •s ^ (pangalóntong), touw , dat 
aan de pelókang yastgemaakt wordt , om het zeil 
r^ te trekken. 

^ Ji^ *^ ^ ^ (pangallLnro). Men zie aldnro. 

^^^^O (pafïgüasd), bep. pangilasaka. 
Men zie ilasd. 

^ ^ O (pc^ngisi) , bep. pc^fengisika, = rong- 
héU, tros, 

^ ^ O (pdl'iigoescfe) , bep. pdbiigoesoeka, = 



ptfessoe N^. 2, doch /7(^^o&4(^ meer gebezigd, wan- 
neer de klos garen geheel klaar is om van de and- 
twgkeré af te nemen. 

/Oi^O^^O (pang&si-ftsi). Men zie dsi 
N°. 2. 

^^ (l°papa), bep.pap&ya, stuk bamboe, dat 
in tweeën gespleten is, bamioe4at. — Bcksa. p&pa. 
Men zie bdèsa N". 1. 

(2** p2lpa), bep. p&paka. — Djangang-p&pd , 
soort van haan, die, graauw van kleor en met een 
platte kam , er op het oog als eene hen uitziet. 

(3" p^ppA), gelijk snijden, afsnijden, v. d. géljj- 
keiijk verdeelen, naauwkeurig bepalen (,vergel^k 
't Mal. v:>ili, regelmatig, effen, en het Jav. 
iünut»trijf\ , gelijk hoog, gel^k lang, enz., alsmede 
't Jav. ^aj»gruii\, afgesneden, afgekapt); hïyr.i ni- 
p&ppél oena, z^n haar wordt gel\jk gesneden, of afge- 
sneden, d. i. gehupt. Men zie ook pdngkasd. — 
Kamma töngi pole nap&ppakinna bitjarslya ka- 
raënta-Mdtow&ya , enz., lett. verder heeft K. M. de 
zaken gelijk afgesneden, d. i. naauwkeurig bepaald, 
welke soort van zaken of kwesties ieder ie behandelen 
had. (Bap.) 

Fdppd, bep. pdppaka, (B.pappd,) gebezigd bij 
het optellen van onbezielde langwerpige voorwer- 
pen , als : pilaren, zonne- qf regenschermen, stokken, 
geweren, pieken, kanonnen, waayers, naalden, enz., 
bijv.: bênteng si-p^ppd, ^en pilaar, of: paal, lett. 
een sttdk pilaar oipadl. — Si-p&ppa t^boe, één stuk 
suikerriet. — Ponto sipappi, groote zware soort van 
pónto, (men zie p6nto,) die slechts één stuk uit- 
maakt, en niet, gelijk ^nèffte pótdds , uit schakels 
is zamengesteld. 

Sampllppd, gelijkgesneden , gelyk, op ééne Ijjn; 
bijv.: tadbwn-sêng noewagang samp^ppa pamen- 

i3 



98 



teng&nna pamaïnoe , uw moed staal nog geli^h mei 
dien van uwe medemakkera, (Rap. K. G.) — Ap&- 
kablUijiki sampapp^na empóna, lett. : goed maken 
hH gelijk -, oi op ééne Ijjn siUe» van hen^ d. i. hen 
precies gelijk-, d.i. opééne lijn, doen zitten (Gk)dsd.) 

(4** p&pp^), bep. p&ppaka, soort van groente, 
(een opkiogloss. T) Boeg. pippa, 

^ ^ (P^P&ng)f plank, hord, B. pép&ng, Jar. 
en Mal.;»/»», idem. -^ PUpang-batoe, schr^jfiei, 
P&pa^-garrdbsang , piank om op te glanzen. Men 
zie garroesóe, — P&pang-bisêyang , planken aan de 
buitenzede van het schip. •--> P&paiig-lllmma , de 
twee planken van een vaartnig, die het laatst wor- 
den aangebragt, één aan iedere z^de» komende 
boYen de pdpar^Msfyat^. Yergel. Idmma N°. 2. 
(NB. tusachen deze pdpang bisêyang en pdpang 
Idmma is aan de linkerzijde de djonjdjöngang.) 
Ndï-mi p^pang-lamm&na, de laakte planken s^jn er 
al op, d. i, het vaartuig is klaar, 

^ ^ (1° pdpang), dwarsch. Boeg. wdmpai^, 
idem. — Sambila p&impang, dwars gooden. — Ta- 
pampang, dwars gesteld, bijv.: sombald tapSlm- 
pang, zeil dat dwars of regt gesteld is, in tegenstel- 
ling van een: sdmbald tandd, of zeil dai schuins 
staat (, men zie tdndd IT. 2). -^ L&ri-p^pangi 
djöng&ya , de heréebeesten loopen in zoo groote me- 
nigte, dai zij als H ware gedurig dwars tegen elktm- 
der komen. Boeg. Idri wdmpar^ , idem. — Mite- 
pampangi, z^ sterven in zoo grooten getale dat de 
lijken als 't ware dwars over elkander liggen, -- 
Nganre-p&mpangi balawowa, de muizen vernielen 
alles, als 't ware in aUe rigOngen tot zélfs in de 
dwarschte toe, (Bap. K. G.) 

Pampanga^, = pdrang- bdli, slagveld, (M&li.) 
Yeigel. boven de phrose méte»pdmpang. 



(2^ p&mpang), één van de dertig soorten van 
kaarten bij het patóhoi- en kówa-^énggonj-s^. 

/s^/0 (p^pi)> even als bdssoeng en méwike" 
weke , gebezigd tot afwending van de nadeeHge 
gevolgen, zoo men zich soms aan heiligschennis 
mogt schuldig gemaakt hebben , bijvoorbeeld door 
niet de vereischte naauwkeurigheid bij het opnoe- 
men van de namen der oade vorsten in acht te ne- 
men. Volgens sommigen is de letterlijke beteeke- 
nis = tdkgoert^, vallen. Zoo zegt men: iyiLngkoe 
miwêke-wêke; iyiLngkoe ptlpi. Yerg. weke, 

Jsi ^ (pipa) > bep. pip&ya , *»»>. 

Jsi /O (1* pipi), bep. pipika, soort van gewas, 
evenals de pipisê, op de takken der boomen te 
vinden, doch kleiner. Boeg. idem. — Pipi pipina 

^ "ff 'et 

bêitang bat^nna, lett. de ptpi is zijn ptpt, de stam 
is zijn stam, d. i. de stam met al wat er op dt, komt 
hem toe, Bedoding: "Al wat de slaaf bezit, komt 
z^n meester toe." 

(2"" pipi), bep. pipika, 't Mal. ss^üU», kleine 
vogel die veel naar een musch gelijkt. 

(8" pipi). — Pipi-pipi, een klein stuk van eenig 
geregt nemen. 

(4** pipi). — Pipi-pipi, bep. pipi-pipiya, soort 
van kapel, doch kleiner dan de kdbpoe-ktfepoe. 

/O ^ (1° pcAïpo'e), = tcfeli, doorgaan, niet op- 
houden, onophoudelijk, b^v.: tèya-kol^papdbpoe- 
dji asatle-s&ko, loop toch niet onophouddijk door, 
k^k eens terz\jde, — Sampoerdbna-pdfepöe kassoe- 
wiy&nna, z^ne eerbewijzing aan den koning is volko- 
men en zonder ophouden, (Bap.) 

(2°pdfep6e). Vergel. het Mal. v:>jy, blazen, 
waaijen, v. d. welligt: poepcfekang, blaasbalg, = 
bésó-besókang , van bésó, 

(8* pdfepoe). Vergel. het Mal. y3y3, geslacht. 



99 



Imiéy T. d, welligt, bij wegsnyding der laatste let- 
teigreep, wémpoe^ bep. sampdkwa, ^ het Mal. sa- 
foqfot), Mtn xie iampoe N°. 1. 

(4* pdbpde), bep. pdbpoeka, soort van sambal 
Tan viach. 

(6' pd^pde). Vergel. het Boeg. póhpoé, = 
het Makass. laóoesoé^ v. d. iipdbpdé^léle. Men zie 
beneden op Iele N^. 1. Yergel. ook het Makass. 

"^ /s^ A^ (pêp^)> &) iataauwen, b) t» hei luumcy 
Boeg. p^d; bijv.: pêp&-mi baliya, de vijand be» 
Moaumi ons reedi^ ^.Lde tijand u reede zeer nab^. 
Pêpiki ri-k&nre, hij iê in kei naauw ten opngie van 
r\f9i^ d. i. hij he^ gebrek aan rijei. — Pêpiki ri- 
bal&npya, üy heeft gebrek aan eakdmien. — Na- 
ftnne g^ka, pép&-dd^oe>mi papiséringkoe, toai 
deu Mëk beirefiy geer benaemwd is mijn gevoel^ d. i. 
ik dt er zeer tneé in verlegenheid. (DJay.) — Pépa- 
mi» kij kerft hei reeds benaauwd^ v. d. hij Ugt op 
xijn uiiersie. 

TékapêpéL, in hei naavw gebragi zijn , v. d. tn 
verlegenheid ziOeHy bijvoorb. om geld* 

\^^ (pêpoe), = iépó, breken, en, evenals 
dit, ook geb. van het breken of (tfvaüen der hoor« 
Dcn van een hert. 

X^\^ (r p^é), slatM. kloppen. Boeg. 
jpSppe, Onder anderen ook gebezigd van het slaan 
van de kapa». 

Papepë-klLpasd, werktuig om de kapas te klop- 
pen. — Papepe-bannang, houten werktuig om de 
2^)de meê te kloppen. NB. een mooije dij hiermee 
vergeleken. 

Fépêkang, iets bezigen om tneé te slaan, b^v.: 
kayoe nipépekangi, er wordi houi gebezigd, om meê 
ie êlaan. 



(2° pêpe), bep. pepêya, stom, sprakeloos, B.id. 

(3** pêpé), bep. pêpeka, vuur. — Pêpé tómpo, 
groot vunr, v. d. groote fakkel, — Klltoe-pêpé. Men 
zie kdtoe N^. 3. — Aki^re pépeka, er is brand. 
Men zie : kdnre. 

Sè,rto pêpeka, de brand is erg, — NakiLnre pcpé 
b&llaka, het huis staat in brand. Men zie : kénre. 

Pêpé-pêpe, a) soort van brandhout; 

b) vuurtjes, lichtjes, v. d. : nitdfenoe pêpé-pêpó, 
er worden lichtjes aangestoken, NB. Dit gaat ge- 
paard met het dmdia^mdia karoenttgi, en heeft 
plaats drie dagen voor het eindigen dtf groote vas- 
ten van ^L^joj. 

\^\/si (pêmpeng), gebezigd om.\ïti dub- 
bele van sommige dingen uit te drukken, bijv. : 
b^dili dpêmpeng, gemeer md dubbele loop; vau 
daar ook: tambftko si-pêmpoiig, een tweetal plak- 
ken tabak, — 8&goe si-pempeng, een tweetal platte 
koekjes sago. — Lafya si-pêmpeiJg, twee siukjea 
gember of meer. Vergel. U^U(^ W. 5. — Van daar 
beteekent dpén^ng ook: ter zijde van, of nevens, 
naast iemand het een of ander doen, bijvoorb. züUu 
of gaan. 

^ ^ #^ (pompa), het Holl. pov^. 

/i ^ ^ ^ (1° p6pd). — Popokang, vrouwe- 
lijke kwelgeest, die gedurig pópó schreeuwt. De- 
zelve wordt, volgens zeggen van den Inlander, 
vooral op Saleyer gevonden, en veroorzaakt ziekten 
en andere rampen. Men heeft tweederlei soort 
Yvn, popokang: gewone popokang* s en popdkaiig md- 
ndnggald. De eerste zou met het gansche lig- 
chaam, de laatste alleen met het hoofd en de in- 
gewanden rondwaren , 't overige van 'tligchaam te 
huis latende. 

(2®popd). — Popokang, een der dertig soor- 

13* 



100 



ten van kaarten bij het paidhoi- en kéwa-góng- 

(3" p6po). — Popowang, buffeUöadkuüen. 

(4* poppó). — Bdëlo poppó, bep. pdppoka, = 
öóèlo tdUang, Men zie lóelo. 

(5" poppo), bep. pdppoka. — K^yoe-poppd, de 
Ocynium »p, 

/O 'N /O 'S (pèmpong), Sal. bvik, 

^ 'N ^ 'N y!^ (popokang). Men zie popó 
N^ 1. 

^^^f ^ (pap^koelde) , bep. pap&koeloeka, 
soort van visch ook gebezigd voor djéné-dkring, 

JO ^ •N (pip^tta). Men zie pdUa N". 4. 

^Air\*^ (papit&llang). Men zie (allang 
N». 2. 

/0'N/O'^V (pompidó), bep. pompidoka, 
yen Janken. NB. Op Gowa niet gebruikelyk, al- 
daar in dezer voege omschreven: boeranne anse- 
léki siroena, antókengi sanroena, een man die zich 
van lepels in dede van kris of halsketen bedient. 

/O/O^ (1" pèpard), bep. piLparaka, Bonth. 
aag water. 

(2** p&par^) , = sampappd; alzoo: ri-papar^na 
Kayili , = ri-^atnpappana Kaytli^ v. d. op de gren- 
zen tan KagtU. (Sinr. K. G.) 

(3** pftpari). — Papar^ki kaloekoWa, den bui- 
tensten bast van de kokosnoot afhakken of afsneden 
(,zooals meestal gebeurt, wanneer men dezelve ge- 
bruiken wil). 

(4° p&ppara), =- het Boeg. j7^a, bijna óp-zyn, 
V. d. voor verreweg het grootste gedeelte sterven 
[, omkomen); van daar: Nak&nre-p&pparaki pêpeka, 
(fe brand verteert b^na alles ^ d. i. verreweg het 
grodste gedeelte der huizen. '^ 

/^ /^ ^ (1° po^poeroe), lang-duren. 



Pdépoeroeko sorok&oe, tarma^oeld, ta-m^tang- 
ke, ^moemoesde pa^airang, noeböng dj^-djMa! 
Moge het u altoos slecht gaan/ Moogtgij zonder uit- 
botsel of takken zijnl (d. i. zonder nakomelingen,) 
slobberende in een* vuilnisplaats onder het huis^ en 
gewikkeld in (, men zie böng ,) kleederen zoo vol ga- 
ten als een vischnet l NB. Één der ergste verwen- 
schingenl 

Taoe-pdépoeroe, bep. pdbpoeroeka, = têoe sós- 
sMy menschen die door een' vorst tot de ergste 
slavernij gedoemd zijn, en wier afstammelingen ten 
eeuwigen dage aan het hof slaaf blijven. (Bap.) 

Papoepdbrang, iets Umg doen duren; v. d.: pa- 
poepc^brang badjdënna , z^ baadje lang dragen. 

Sip&poepdbrang, het lang maken met elkander , 
V. d.: poro sipllpoepdbrang-djaki baïnnêntal moogt 
gij lang leven met uwe vrouw/ Moogt gij haar lang 
behouden! 

Énéki nap&poepdbrang , w^ zyn versleten als 
een kleed, doordien hjj ons lang gedragen heeft. (Kei. 
Sinr.) NB. dit zyn de woorden eener vrouw die 
geruimen tigd op zeer intiemen voet met haren 
minnaar geweest is. 

(2" pofepoercfe), bep. pdbpoeroeka, soort van 
plant, wier bladen op Makassar gebezigd wor- 
den bij het maken van de badak en het was- 
schen van kleêren. Vergel. het Mal. en Jav. poe- 
poer, blanketsel, dat van de plant dielam, MeUssa, 
L. gemaakt wordt. 

/O 'N /si 'N ^ 'N (popporó), korter, kleiner ma- 
ken, V. d. a) afnemen of verminderen in waarde; 
b) iets afdoen, te weten: van de schuld, d. i. verge- 
ven. Bijvoorb. : pópporoki , maak het wat korter , 
neem er een stuk af, als: van een hout of bamboe. 
— Popporona anggakoe, het afnemen, verminderen 



101 



migner waarde. (Sinr. Kal. G., Dat. Moes.) — Anj- 
djo b&Uaka êroki nipoppo-pópporó tinggina, dat 
huiê verlangt^ dat er «aé van deszelfs hoogte worde 
afgenomen^ d. i. het ia verbazend hoog. — Kar^ng 
taëna popporona n-atanna, een vorst die er niets 
qfdoeiy te weten; van de schtddy d.i. die geen vergif- 
Jem» aan zyne slaven schenkt. 

Ap^ popporó, vergiffenis vragen. 

Ap^Ll4-popp6rang, ergau vergiffenis voor vragen, 
bijv.: koepMa-poppdrang-töügi ri-Petorokoe, ik 
Aeó ook daarvoor vergiffenis gevraagd aan mijn' Ad- 
siêtent-Bendent. (Brief.) 

Pamoppord, bep. pamdpporoka, vergiffenis, ge- 

Pamoppdrang, iemand, of: ergens voor, vergif- 
fenU schenken; bijvoorbeeld: ta-koellêya nipamop- 
p5ra^, het is onvergeefl^k. — Naniy^ D^ng- 
Êmpo b^ttoe apUa-pópporo; 8ipa-3ji na-nipamop- 
p6rang-mo, JDaëiig Umpo kwam vergiffenis vragen; 
waarop hem vergiffenis geschonken werd, (Brief.) 
Veigcl. VQorüpóró N^ 2. 

^ ^ ^ *^ (pap&nralé). Men zie: pdnrala. 

^/O*^ (po'fepoeloe), afplukken, bijv. bloe- 
men. Boeg. pdkloeng. (Bid. en Sinr. K. G.) Het 
wordt mtsloitend gebezigd van het plukken van 
bloemen, zooals de melaUie, terwijl >bai^i^/ gebe- 
zigd wordt van het plakken van bloemen , wier 
steel men voor een gedeelte meê af knakt, zooals 
van de tjampdga. Men vergelijke het Mal. en Jav. 
poepoel, verzameling, inzameling, oogst van peper en 
andere vruchten. 

^ /O ^^^ (papdbwa), bep. papoew&ya, 't Mal. 
papaewah , kroes , gekruld. 

^^/O's^^^ (popówang). Men zie pópo 

N^ 3. 



/O ^ o (1° pappasa), 's morgens vroeg (Djay.) 
Boeg. pdppd, idem. — Bo^bka p^ppasa, 's morgens 
zeer vroeg , vóórdat nog de dagelij ksche vaste van de 
maand roemdUang is ingegaan. 

Kapapp^ng, 's morgens vroeg zijn, bijv.: ni- 
boöng, nakapapp&sang, (het kleed) wordt over het 
hoofd geslagen, en zoo is het (nog) des morgen' s 
vroeg, d. i. het wordt over het hoofd geslagen tot des 
morgen's vroeg. 

Kariyoe kapappHsang, een nachtuü die door het 
daglicht overvallen wordt, en nu overal tegen aan- 
vliegt, V. d. overdragtelijk van iemand die verle- 
gen is, en zich niet weet te redden, ook van 
iemand die in dronkenschap gedurig verkeerd loopt, 
enz. 

(2'' pllppas^), p&ppas^ki amappasaki ko'bwa- 
laka, het blad van den koewal-heester met een houtje 
opensteken, ten einde er het vezelachtige tot bereiding 
van koewal-touw uit te nemen. Boeg. idem. (D. 
Moes.) Men vergelijke het JsivaamchQ papas, af- 
snijden, doorsnijden. 

^ /O O (pap^ssang), soort van heester, welks 
bladen als groente gegeten worden, vooral door zo- 
gende vrouwen. 

K A 

/O /^i O (1** pipisi)» ^^P' pipiflil^a» kamper- 
noelie, witte en roode soort, bekend onder den 
naam van: tóU-baldwo, muizen-oren, en niet alleen 
in den Chineschen kost, maar ook als geneesmid- 
del gebezigd. Boeg. pipt. 

A / 

(2"* pipisi), met bijvoeging van kanuferoe, neus, 
of: (feroesóe N^. 1, snot: den neus snuiten. Bo<^- 
neGSch papi. 

/O^O (poepoesoe). M.erL zie pöesoe'^°. 1. 

/O ^ ^^ O (papaoesoe). Men zie pdoesóe. 

/O ^ ^^ O (pampaoesoc). Men zie pdoesoe. 



102 



^XX\^^ (pabamb^ng). Men zie hdêng. 

^ X ^ \X ^ (pabdbram&li). Men zie hdèrd 
N^ 2 en mali N^. 3. 

/si X \ *^ (paballe). Men zie bdOe N^ 6. 

^\^^^ (pam^^kang). Men zie dkkcmg. 

^\X>^ (pamUki), ^r^pamdke^ bedaan^ be» 
leggen , met goud bijvoorb. (Dat. Moes) ; als : bftdi 
nipam&ki, een hêda die heilagen iêy hetz^' mei goud 
of eenig ander metaal. 

^\^\^^ (pamake). Men zie pamdH. 

^ \ \X ^^ (pamêngka). Men zie pingka. 

^v^^^O (pamdbkoesoe), bep. pamdbkoe- 
soeka, = tfutn^a-kidoi^. Men zie op marttja. 

A^\X^ (pamdbngang), de bamboe, geheel 
boven op het huis, in de lengte van het dak, rus- 
tende onmiddellijk op óepanrdngkd (, men zie op 
rdXgkd N^ 1), en wordende daarop vastgedrukt 
door de djd^ka-^jdngia (, men zie op djdngka,) 
en rakka-rakka (, men zie op rdkka N°. S). 

/O \^ ^ ^ (pamaplürai^). Men zie mé^ard 
N^ 1. 

^\y^^^ (pamoeddbkang). Vergel. d4fdóé. 

^ \ \^ vy ^ (pamedangang), öordmaraam, 

^ \^ /O (pamadj^). Men zie pdtf/d N°. 2. 

^\y<^ (pam&yang), soort van vaartuig, 
kruispraauw, 't M&\. pemdjof^^ volgens Boorda v. 
E. soort van boot met bamzoezen op zyde , om 
dezelve voor omslaan te behoeden. 

^ %• ^ (pamara). Men zie pdra N". 4. 

^ \X ^ (pamaroeng), steven. Boeg. idem. — 
Pam&roeng-riyolo, voorsteven. — PamÉLroefïg-ri- 
boko, achtersteven. 

^ \ %• ^ ^ (pamêro). Men zie méro N°. 2. 

^ \^ 'N ^ 'N (pftmor6), bep. pUmoroka. Al- 
dus op Celebes genoemd zeker erts , afkomstig uit 



Löhooe, en dat met het ijzer gemengd, aan de kling 
of het lemmet van een kris, zeer mooqe aders of 
vUmmen geeft, v. d. ook de aders cïvlmmnen zelve 
pémoró genoemd. Boeg. idem. Yergel. het Mal. 

yjoU, idem, en het Jav. miwfdits gemengd metaal, 
op êjntq(^t\ vermengd, 

A^Nrif ^^ (pamdbloK9), bep. pamdbloeka, lans 
van r^misi, (verg. beneden,) met een fijne \jzeren 
of koperen punt B. idem. 

A 

^ \^ ^ \^ ^ ^ (pamillng'^nalingi). Men 
zie mdUng N^ 2. 

^ \^ ^ (pamaï). Men zie ai 

^ ^\ (V p&ta). ^ PktlLnna, of: ampatftnna, 

het Mal. Vt^> ^^ wordt, evenals dit, geplaatst 
achter het woord, dat den bezitter te kennen 
geeft. Op de vraag bijvoorb. wien het een of an- 
der toebehoort? zal het antwoord kunnen volgen : 
InUkke pat&nna, aan mig^ lett. ik ben er de eigenaar 
van, — PatannSlya bisêyang, de man wien een schip 
io^ekoorti de eigenaar van een schip, — Patllnna. 
djamang, een groote schotel, behoorende tot de 
r^kssieraden van Gowa. Yeigel. m^ne Mak. Spr. 
$64. 

Ampatangi, bezitten, b^voorb.: Inaï ampatangi 
&n)djo baïnnêya? — In&kke ampatangi; letterlek: 
foie bent dis vrouno^ d. i. wiens vroiao is dai? •— Ik 
beeÜ haar^ di,\, ketisde mijne. — lya-pa-seng na- 
kipatingi p6le; daarna besiiten wy (dat land) we- 
der^ d. i. krygen w^ het weder in bezU, 

Ampataï, bezU nemen, nek toetenen, 

(2° pSltd), bep. p^taka. — Si-p&td-t£lna, een 
stuk land, een rijstveld. Vergelijk het Mal. pdtah, 
breken. 

(S"" p&ta), ^er; byvoorb.: p&ta-tdbna, zeer ge- 
ring (gemeen). (Sinr. en Kei.) 



103 



(4**p&tta), bep. pattaya, = het Mal. pdtah, 
UêkemMg^ êcketê^ t^ledding^ kaarL Boeg. idem. 

PipHtta, lett de teekens bepalen, v. d.: pi- 
p&tta-6&i &njdjodj&ranga, neem eens de ieekena van 
dat paard op, d. i. zie eens, welke guMÜge of ongun" 
eHge teekene dat paard bezit. Vergel. hierbij vooral 
het op tampalesoe aangeteekende. 

/i <\ (1** pSltang, pUtam, p&tan of: p&tanj, 
al naar gelang van de letter, waarmee het onmid- 
dell^k Tolgende woord begint), = dppd, vier. 
NB. Deze vorm gebezigd, wanneer 't getelde in 
het allemaaawate verband tot het telwoord wordt 
gebragt , bijv. patam-bdèlang, vier maanden. Verg. 
verder vooral rn^ne Mak. Spraakk. $ 90. 

(2** pUttang), nacht, Jav. Qj^i\, donker, dnisier, 
dmiêtemU, Mal. kXi , Sd. SiSi^y avond, nacht. 

Si-patt&nna bdëUnga, cp den eersten dag, lett. 
naM,dir maand. 

r^r\ (p&nti), bep. pllntaka, de knoken van 
de kmem der bujfde, of: koebeezten. Boeg. idem; 
V. d.: &f^a, zpden met deze knoken. NB. De 
spelers planten in hun midden een' staak, en 
gooijen om beurten een pdntd daarover heen, die 
aan elk van de beide zijden een teeken heeft, het 
een van mate, dood, het ander van ganjo, gewon- 
nen. Naar gelang van hetgeen boven komt, wint 
of verliest men. 

^y\ (1° p&ti), volgens sommigen eigenlijk 
Boeg. , doch ook zeer gebruikel^k in 't Makass. , 
= püi, onafscheidbaar voorvoegsel, te kennen ge- 
vende , dat de werkzaamheid , die door het werk- 
woord aangeduid wordt, verschillende rigtingen 
neemt, b\jv. patiltopa-lamplï, nu her- dan der- 
waartz heengaan, d. i. zwerven, dolen; pati-m&lla- 
m&lld, nu dit, dan dat vreezen, d. i. vreeeaehtig 



z^n; pati-gSU)e-glk)e, nu dit, dan dat doen, d. i. on- 
bezonnen handelen. Vergel. mijne Mak. Spr. § 185. 

Kapatiyang, overal bekend, v. d. bijzonder goed 
bekend, beroemd, berucht: bijv. anjdjo toe-m&lom- 
powa kapatiyangi ri-kariênga ri-Bal&nda, die gou- 
verneur staat zeer gunstig bekend b^ den koning van 
Holland, (ö. Q.) 

(2° ps^ti), bep. patiya, geeft te kennen het zui- 
vere van de kapas, enz. , als 't ware het hart er 
van (kü); b^*v.: patina kdpasaka , hetgeen er van de 
kapas overblijft, nadat dezelve behoormk gezuiverd 
is. — Patina kopïya, het zuivere van de gekookte 
koffy. 

(3" pfiLti), het treffen, v. d. uitwerking doen, v. 
d. ook: zamenwerken, overeenstemmen, het zomen 
vinden kunnen. 

Sipatiyang, het zamen tref/en, y. d. uitwerking 
doen, enz.; hi^y.: ta-nasipatiyangai paballêya, het 
geneesmiddd doet geen effect. — Ta-napatïya-mi, of; 
ta-nasipatiyanga-mi, gdblinga bisêyanga, lett. het 
roer en het schip kunnen elkander niet meer treffen , 
d. i. het schip luistert niet meer naar het roer. — 
Ta-nasipatiyangaki, h\i kan het niet met ons vinden. 

(4** patti), bep. pattiya, 't Mal. ^' > *m^, bus, 
doos. — P^ti-pHtti, bep. p&tti-pattiya, een hout, 
vlak voor de lémha-lembdrang van een schip. 

^/N (rp&toefig), = gdntang, twintig k/U- 
ti^s. (Kap.) 

(2" pattoeng). — Bdëlo paLttoeiïg, bijzondere 
soort van bamboe. Men zie bdHo. 

^i/N (pllntde), bep. pStntoeka, soort van 
zwaar bonten knodsje , in de Zuider-districten van 
het Oouvemement van Makassar en Onderboorig- 
heden veel door dieven gebezigd, die iemand 
daarmede een' slag op de slapen van het 



lOi 



hoofd toebrengen , en hem vervolgens knevelen of 
afinaken. 

^ ^\^ (1® pato), teehen, qfscheidinffgteeken , 
bijvoorb, aan de randen van het weefsel door een 
streepje van de eene of andere kleur te maken; 
V. d.! patöna boelowa, de leekene, d. i. de gewrich- 
ten van de hamboe. Van daar ook: pole ri-patona, 
lett. terugkeeren tot het teehen dat men gemaakt 
heeft, d. i. z^ne overeenkomst houden. (Tar.) — Ni- 
yi-mé. ^nne ri-patokoe; ik ben er op den dag, dien 
ik overeengekomen wae^, d. i. op den bepaalden dag, 

— Lcb4-ma sipsLto-p&to, ik ben zamen overeengeko- 
men met, enz. 

(2^ piLtt(5) , bep. pattoka , een stok dien men 
in den grond plant, om op te mikken. — Pattd 
nibMili, een pdüó gebezigd om op te schieten. (Rap. 
K. G.) 

Ap^ttó, soort van spel, waarbij men een paal 
of bamboe , die op zekeren afstand in den grond 
geplant is , met steenen tracht te raken. 

/0<\ (pinta), bij het roepen verkortender 
wijze gebezigd voor eampoe-pitUaUoe. Men zie: 
sdmpoe N". 1. 

;0>s (piti), =:jp^«N". 1. 

Xi 4^ ^ (pittoO, Boeg. = tStió N^ 4, pikken; 
geb. van hoenders, vooral van kemphanen; v. d. : 
papittó, den overwonnen haan, welk's kop over de 
parasüa, eene soort van houten gaffeltje, gelegd 
wordt, door den overwitmaar laten pikken. 

^ •S (pdfetta), bep. poettaya, vernietigd, uit- 
gestorven , zoo goed als uitgestorven , zonder familie, 
zonder aanspraak op zyn' eigen' kinderen te mogen 
maken , in een* slaaf schen toestand verkeerende, enz.; 
bijv.: pdfettaï llLmbaraka, de stoeterij is uitgestorven. 

— Pónnata-manakkakaraènta namftte, pdëtta-dji- 



sê^ karaënta, zoo onze vorstin zonder kinderen 
komt testerven, is haar geslacht immers weder uitge- 
storven, (Rap.) — Leba-mi nib&ttaï Caraëiïga 
il&lang ri-B6ne, pdétta-mi MangkcLsaraka, de ko- 
ning van Gówais binnen Béne onthoofd oï gedood, en 
alzoo is het Makassaarsche vóUc vernietigd. (Rap., 
G. G.) — Mdmdfetta ISLmoeng-llLmoeng, planten 
vernietigen , vernielen. (Kei.) 

TÉLoe-pdëtta, a) iemand éRe geen st^lmrang betaald, 
en daardoor bij de verdeeling geen regt op eenig 
kind van hem heeft. (Rap.) 

b) iemand die zoo goed als uitgestorven is, die 
geen familie meer bezit. 

o) een slaaf, als wiens zelfstandigheid geheel 
vernietigd is. 

BÊlli-pdëtta, prijs voor een slaaf. (Rap. T. DJ.) 

Sclnra-pdbtta, eigenlek geen Makassaarsch maar 
Boegineesch. Het beteekent letterlijk: een pand 
(, sdnra N°. 3), dat vernietigd is, opgehouden heeft 
het eigendom van den schuldenaar te zijn, dewijl de 
pandhouder het in zeker opzigt niet enkel in pand 
genomen, maar ook gekocht heeft, alzoo hetzelfde 
als: bdüi-tagald, waarmede het ook in het Inl- 
Wetb. verwisseld wordt. Vergel. op tdgald. 

Kèhó pdëtta, puur wit of blank, gebez. van een 
gezigt, waarop geen geel, veelmin eenige roode 
tint, te zien is. NB. zalk een blank is indeoogen 
van een Inlander leelijk. 

^ •N (pdëti). — Pdfeti-pdbti, stuit. 

^\^\ (poeteng), Bonth. = kebókang. Men 
zie boven op kêbó. (Gr. G.) B. idem. 

^^\^ (p<^to), bep. poetowa, oom. Dit 
woord gebezigd door die neven , wier vader ouder 
is dan de oom; anders bedient men zich van 
ptfewang voor een vorstelijken oom, en poewd voor 



105 



een' oom van minder hooge qfhmsi. Men zie 
póhcd N**. 2 en pt^bwmg, 

\^r\ (pêta), bep. pêtaka, het Mal. en Jav. 
petai, vak, af deeling. 

X^ •S'N (pêtó), bep. pêtoka, gebonden y l^- 
miffy dik, bijv.: ryêieicater of iets anders. 

^'Nys (r p6t^), bep. p6taka, klowp, klei 
bijv. — Apotaki ^'êraka anjdjóreng, het bloed ligt 
daar aan klompen. — Apotaki pêyoka, de klei ligt 
OOM klompen. 

(r pota), Bonth. = péyó, klei. 

^'N^N (poti), bep. poüya, vnw. potingkoe, 
Toer. en Sal., = kidong, t^aaH. 

^ 'N ^N (pontoe), naam van de op drie na 
hoogste kaart in het omi-spel, ons Fonto in 't ombre 
of ^«odrt^^-epel. 

^ ^ ^ ^\ (po**)> ^pöte-p6te, mompelen^ pnd- 
Mem, kijven, knorren, snappen; byv.: sangga-pote 
anjdjo Unaka , dat kind ii een aardige snapper. — 
Ab^wa-p6te, veel praten, of: snappen. (Bid.) 

^'^ ^s'N (pötó), bep. potoka, knoop, (Tar.) 
knoopen , een knoop leggen. (Sinr.) Boeg. idem. —- 
Paaipoe pdtó-potó, een hoofddoek gebezigd om de 
heta in ie knoopen (M^di.) — Póto-pdbli, stevige 
knoop. Men zie póbU N°. 1. — Pótó-po'ai tag&ng- 
gang. Men zie gdnggang. — Poto-djilla, net-knoop , 
knoop zooals men by net- of breiwerk bezigt. (Kei.) 
— Fotó-pdëroesde. Verg. pohroesós. 

^'^^\^ (pftnto), bep. pontowa, armband, 
'i Boeg. péUo en 't ^vX.poniokh, idem. — Pónto si- 
pippéi, ponto k&ti, ponto Djilppong, pónto bosar^, 
ponto galêniong, soorten van armbanden. 

Ponto-b&ngkeng, beenband^ beenring. ^ Ponto- 
1>&ngkeng bdbU, en : pónto-b&ngkeng bosari, soor- 
ten van beenbanden. 



Pónto-nag^ya, een pónto, behooreude tot de 
rijkssieraden van Gówa. 

Papontowang, dat gedeelte van den arm, het- 
welk digtst b\i de hand is, en om hetwelk men de 
póntds draagt, v. d. ook genomen voor den gan- 
schen benedenarm, van den elleboog af. «- Pipon- 
towi, iemand een armband (utndoen. (Madi.) 

Mange pdnto-ponto, = m^e nótoró djihkót- 
Men zie tólaró. 

^ •s 'N •• 'N (patokong). Verg. tókom^W. 1. 

/O^y!^ (pitika), verknoe^jing van kotVca. 
(M^.) 

^y\^^^ (patik&la), bep. patikal&ya, 
't Sand. Mal. en Jav. kala , schorpioen. 

^^\^ (patangd) , Boeg. = patüSgard (S. 
Tjin.) Men zie op töngard. 

^^N^^^ (patingsllla), bep. patingallaka, 
tusscheniijdy Boeg. paiingiui; bijv.: pating&Ua- 
doeriyang, tusschent^d vandedoerigang, d. i. de tyd 
waarop men geen doenyang vindi. ^ PatinglLlla-pa- 
kattöwa^:a, de tusseheni^ va» den oogst, d. 1. de 
i^d, waarin niet geoogêi wordi^ als H ware: het tijd- 
vak iussehen twee oogsUtijden. (Tar.) — Pating&lU- 
mi taïpaya , de t^d van de mangga^s is voorbij. 

^ ^ vv A\ ^ (patimat&rang), in de Sin- 
rili's gebezigd, om een vorst te kennen te geven, 
zémengesteld uit het Javaansche »jiA\, heer, vorst, 
en het Jav. m»Knnr^i^\, naam van een distrikt, 
vroeger een r^k op Java, Sanskr. manthara, man, 
tharang , fort, sterkte. (D. Moes.) 

^ •N ^ *^ (patatc)blang), soort van boom, 
met bladen» die den vorm van pijpenstelen heb- 
ben, en van binnen een zeer vergiftig etter bevat- 
ten. De patatdélang in Toeratêya en dders voor 

omheiningen gebezigd. 

14 



106 



/O^s^N (poentAna, bcp. poentanllya , Boeg. 
poidna, land, vaste wal. 

/vi ^\ 'N «^ (patóya). Men zie tdya W. 1. 

^4^K^ /^ (poentiy&ni), bep. poentiyilna- 
ka, volgens den Inlander, een vrouweü^jke kwel- 
geest, met een holte in den rug, die ontstaan zou 
zijn, door als kraamvrouw te bezwijken. Zq roept 
gedurig op huilenden toon nja! njaf Boeg. idem. 

^•\^ (pat&nra). Men zie tówr^i N". 1. 

/si^\^ (p&ntara), ip&ntar^, pantar&nna, 
ipantarilnna, pantarangiLnna, ipantarang&nna, bui- 
len , uU, behahey met uitzondering van, zonder; 
bijv.: ga^ma sampdblo roepiya, ip^ntadL kanrêna 
zijn loon is tien ropijen, zonder ryst er è\f, lett. de 
rijet hljjft er buiten. Het tegenovergestelde zou 
zijn ildlang kanrêna. — Ipantarilnna anróngkoe, 
behalve mijne moeder. — Ipantaranganna ballaka, 
buiien het huis. — Ipantarangllnna Dj&yalangk&ra, 
buiten, of zonder Bjdyalangkdra. — Nadj&ri-mo 
ipantarang&nna boettfilya ri-Polongbangkeng, hij 
geraakte buiten het land van Polongbdngkeng , d. i. : 
hij raakte zjjn regentschap kwyt. — Nakana-mo 
kar^nga: pantarangannako-bëug boettaya, en de 
vorst heeft gezegd: '^maak,'* zoo zeide hy\ *'u weg 
uit het land." Vergel. sdiflóé N°. 1. — Ipantaran- 
n&ya-pa ilnne talldbwa , niw^risi : êrang-matênna , 
inr^nna, papas^nna, wanneer deze drie dingen er 
buiten, er af, d. i. afgedaan, z\jn, te weten: de be- 
grafeniS'Onkosten, de schulden, en de legaten; dan 
eerst wordt er geërfd. (Bap. T. Dj.) 

Païp^ntadL, of: paripantllra^, buiten doen zijn, 
buiten steUen, als buiten beschouwen , uitsluiten. 

/0/%^ (patin), bep. pê.tirika, naarstig ^ 
ijverig, bezig. 



y^<\^ (pitarfi), bep. pitaraka, = het Arab. eertijds in gebruik. (Bap.) 



8%isi , gift in rijst, na het einde der vasten van de 
maand roem&llang, voor de priesters. 

^ •N ^ (pdétard), 't Mal. poetar, = 't Jav. 
»aI3i\, rond omheen-, in een kring draaijen. — Pc^- 
tariL T&i, opwinden. — Pas&poe pdëtar^. Men zie 
pasdpoe op sdpoe N". 3. — Pcfetari-b^lé, 't Mal. 
^^L J>^, draayer, verdraa^er van woorden, 
leugenaar. 

Poet&rang, 't Mal. ^;Ui', spil. 

/0^\^ (poHiri), bep. poetiriya, het Mal. 
en Jav. poetri, dochter van een vorst. Sanskr. poetri, 
dochter, 't vrouwelijke vanptfetra, zoon. 

Pdfetiri-^ï, soort van Maleische lekkernij van 
e^'eren en kanare, met santang. 

\ ^ •N 'N Ss ^ (pêtor<^, bep. pêtoroka, Por- 
tug. feitor, factor, onderkoopman, een Europeaan 
aan het hoqfd van een buitenpost, gezaghebber, Jdai- 
stent-Resident. 

^r\^^\ (patariltd), bep. paiar&taka, bind- 
rotting, of jonge bamboe, gebezigd om depatdi^- 
kó*s aan de kdso vast te hechten. Boeg. pangM. 

Pataratlkkang, een touw, byv. van gamoeti, 
dat opwaarts loopt, en waaraan de patóngkS's soms 
met patardtd worden vastgehecht, om ze zoo we- 
der met de kaso^s te verbinden. 

JO^s^O (pitanrtosi). Men zie tdnrasd, 
NM. 

^y\^ (patiliiig). Men zie tïUng N". 1. 

^r\^^ (V patola). Men zietdlat^.l. 

(2® patola), bep. patotóya, soort van komkom- 
mers. Boeg. en Mal. idem. — Patola (klari, soort 
y Ka patdia, met bijzonder lange wit gestreepte 
vrucht. — Patola rómang-römang, wilde patola. 

(3** patola), bep. patolaya, soort van geweer, 



107 



(4'' patola), bep. patolaya, soort van zijden 
tiof, V. d. een syden kleed. Boeg. en Jav. idem. 
Skr. patóUiy eene soort van gewone stof, soort 
van ekiU. Dikwijls wordt patóla even als tjtnde, 
in de kêloiïg's en sinrili's gebezigd, om de geliefde 
aan te duiden. (Sinr.) — Patola ruLwang, naam van 
een kleedje, dat de meisjes dragen. Gelijk het 
woord rdwang aanduidt, is het zeer doorschijnend. 
Later wordt het door een kleedje van dikker stof 
vervangen. 

^^\0 (1° patasa), bep. plltasaka, moot, 
fraoiy byv. eene vrouto^ een paard, 

(2^ p4ttassa), bergen, opbergen, goed bewaren, 
bekoorlyk schikken; b^voorb. : amp&ttassdki pak^do- 
kilnna, z^ eeischoUU behoorlijk schikken en schoon 
maken, (Maoet.) — F&ttassd kalênna , zich bergen , 
uU den weg gaan, (Djay.) 

^ <\ O (p&ntasé), bep. pSlntasaka, rustbank, 
— PIntasa-patoeriyolówa, leti : de rustbank der 
voorouders. Dit is een klein ledikan^'e , dat som- 
migen in hun huis hebben, en waarop zij zich ver- 
beelden, dat de voorouders rusten, weshalve zij 
er dan ook des vrijdag's hunne offerhanden brengen. 

^ J^ O (pantisi) , bep. p&ntisika, H klonte- 
rigcy een klont, een klomp. 

Jsi A\ O (pitisi), bep. pitisika, jpmntii^, Bali- 
êche duU , over Bima gangbaar. 

^/\0 (pdbtoesde), rond draajjen , (onzijd. 
en bedr^v.); byv.: napdbtoesoek^ lUso-anglng , t^ 



/si 'N ^\ 'N O •N (pótoso) , in de knoop, in de 
war zijn, vergel. pótó; bijv. garen, of touw; van 
daar ook overdragtelijk : iemw[ïd*9 verstand (pamai), 
en gebezigd van menschen, die niet meer weten , 
wat hun te doen sta. 

Kalipotoso, idem, doch in hooger* graad, ons: 
geheel in de knoop, of in de war zijn. 

Sikalipotósi, of: siksilipotosang, geheel in elk- 
ander geknoopt of verward zijn. Van daar bij voor- 
beeld: sikSJipotosi kaniLya, de woorden zijn geheel 
verwikkeld of verward. — Sik&lipotosi r&mmanga , 
de wolken zijn als H ware geheel in elkander ge- 
knoopt, of: verward, d. i.: kndsen nuUka^ider in al- 
lerlei rigtingen. 

^?\<^ (p&tihi), 't Arab. 'isxj\j, naam 
der eerste Sura des Koran's. (Godsd.) 

/O vy (1** pada), roepen, noodigen. 

Pamada, bep. pamlUlaka, iemand die roept, 
noodigt, 

(2® p^a), Boeg., = het Jav. iu«ji\, gelyk, ge- 
lykdyk, samen; bjjv.: lya-pa pèda-padangkdfewa 
b&ttoe mllë, die tegelijk met m^j hier gekomen wa- 
ren. — Ta-napadaï pam^^ ta-maminriLya, het is 
niet gelijk (, staat niet gelijk met,) het hart dat on- 
veranderlijk is, altijd hetzelfde blijft, (Kei.) 

Plida-pllda, te zamen. (M^.) 

Pap&da-pada^, tegelykert^d het een of ander 
doen, (Maoet.) 

(3° pfilda). — KSldjang-plLda. Men zie kd- 



word door een wervelwind rondgedraaid, overvallen, djang, 

(S. Tjin.) —Pd^toesoeki, tapdbtoesoéki, pamaïkoe, . ^vv (padang), 't Mal. £4X0 en 't Jav. il(ut^, 
lelt. m^n verstand draait rond, d. i. : ik weet niet . zwaard, degen, 

meer, wat mij te doen sta. i ^ ^V (p^ndang), naam van plant of boom. 

Kalipdëtoesde, en: kalipoetofesaiig, idem, doch ! Boeg. idem. Hier\'an verschillende soorten, als: 

in ho(^r graad. i pandang-r&ppo , of: pandailg-nikanre , z^nde de 

i4* 



108 



ananas die men (jetcoonlijk eet, Ananassa sativa. 
Ltndl.; p&ndang-bdbnga, of: pdbda, *t Jav. en 
Mal. poedakh, Pandanus inermis, Rwdl; pSLndang- 
Dj&?m, of: p&Ddang-katinting (NB. deze beido 
laatste soorten vroeger in groote menigte digt bij 
het fort Botterdam gevonden, hetwelk van daar 
door de Inlanders genoemd wordt: Oedjoeng^Fêm^ 
dangy en bij verkorting: Vjotmpdndaiig)\ pHndang- 
Sj^ï, afgel. van Sj^N**. 2, naa^jeny of: p&ndang« 
s^be, van aibe, zijde; pandang-iHmpe, of: baG«, de 
Fandamts lattfoUuê Rmph.; p4ndang padftllé; p&n- 
daug-simbdleng. 

^^ (p&ndi). — Pandi-p&ndi> bep- p&ndi- 
pandiya, klein vloffgetje, soort van weériaan. Boeg. 
idem. 

^^V^ (p4ndo), bep. p&ndoka, het beslag 
van een piek of kris. B. idem. — Pdke nipando- 
boel^ng, een piek met gwd beslagen, — Póke ni- 
pando-boelaëng leleng, een piek op zoodanige 
wijze met goud beslagen, dat het zwart er hier en 
daar tusschen zigtbaar is. — Selé^nipllndó, of bij 
verkorting: s^é-p&ndó, kris, wier schede vlak on-> 
der de balêmbeng tot circa op de helft verguld is, 
dan weer een gedeelte niet, en eindel^k ge- 
heel onder aan het uiteinde weer wel. Men heeft 
ook: sonn-pilndó, en: badi-g()broe-k&yoe-pand6. 

/O "</ (pindoe), bij het aanspreken, verkorten- 
derwijz^ gebezigd voor: sdmpoe pinrdéwang. Men 
zie sdmpoe N**. 1. 

^ ^ (po^bdoe) , spoedig. 

Po'bdoe-poedcAswi, spoed maken met iets, bijv. : 
n^po'bdoe-poeddbwi pal^aki g&oe mét&ngkasaka , 
zij spoeden ziek om de zuivere (goede) daden te vol" 
brengen. 

/^^'V (pdfed^, bep. pobdeka, boom welks 



bladen als medicijn gebezigd worden. — Poldc- 
kongkong, soort van kruipplant. 

X/O'C/ (pedi), bep. pedaka, kaal, wordt 
bijv. gebezigd van een mensckenhoofd, van beesten^ 
huid, van laken, enz. 

^'N^y (pódang). — Pódang-podang, een 
kluit aarde met gras begroeid, zooals men niet al- 
leen op de onder water staande /^oc^e/ï^ velden maar 
ook in de zee aantreft. — Komt ook voor als beeld 
van het pudendum muliebre. 

A^%^ (podi), het MaL v5^^» ^'^^ ^^^ 
steen, volgens Boorda v. E. waarschijnl^k de 
amaUnd. 

^^^ (pondi). Póndi-pondi, bep, póndi- 
pondiya, pairoon van een gew^r. Boeg. idem. 

^ 'Sv vy% (pondo), bep. póndoka, (verg. het 

9 9 

Arab. ^*JuLi, logement, herberg, en v. d. het Mal. 

o y o 9 

(^ JUi, loods, planken hut, en het Jav. tqtmtvftnnt 
•m^\ , herberg, logement,) a) een hutje boven op de 
baniLwa, dienende tot logis van den gezagvoer- 
der; ook wel soms op andere vaartuigen aange- 
troffen, 

b) een zeker gedeelte van het huis , welligt = 
papaUi^hoang , qI djdmbaaig , of sénrong (Bidas.) 
NB. de benaming van póndó in de Makassaarsche 
huizen niet gebruikelijk. 

Pondó-pondo, een hutje. 

^ vv y;^ (padlükki). Men zie ddkki. 

^\^^^^ (pandêgara). Men zie dégara. 

^ vV % \ ^ (padópe) , oud woord = sim- 
béleng. (Kóém) 

Ai ^VN \y (padómang), Mal., zeekompas, 

Padomafïgi, het zeekompas toepassen op, d. i.op 
het zeekompas k^kennaar; byv.: alle s&ï padomangi 
anjdjo liyo'fekanga, komaan, k{jk eens op hei kom- 



i09 



poê naar dat eiland ^ d. i. in welke streek dat 
eiland Ugt. 

^^V/% (pad&ti), bep. padatiya, het Mal. 
^jf Joi, het Jav. 0«a & \ , kar, of rijtuig met twee wie- 
^» ^felkar,o^ Java in gebruik, ?. d. door verwar- 
ring: rad vau een stoomboot, wiel van een wagen. 

^ vy ^\ ^ (padat&ri), bep. padatariya, He- 
mel. (Sinr., Dat. Moes.) 

X> ^V^ (padada), bep. padad&ya , soort van 
boomYracht, iets kleiner dan de parappa, en in 
den vorm van een' appel ; gewoonlyk wordt de- 
zelve gebezigd voor de pamdkkd. De padada komt 
soms voor als beeld van de vrouwelijke borsten (Kei.) 

Nipaddda ook gebezigd van het aanzetten van 
mes of deigelijke op het weeke paddda-hont, het- 
welk soms plaats vindt na het nikdntist en het ni- 
péyó. Vergel. kdntisi en péyó. 

r^^K^ (padcfeni), bep. padoeniya, 't goed- 
vinden van den vorst, of wie in z^n naam bewind 
▼oert , omtrent de hoeveelheid en w\jze van beta- 
ling eener schuld. Wanneer bijv. iemand , bij ge- 
brek aan geld, in goederen betalen wil, en de 
door hem voorgebragte goederen volgens 's vorsten 
aitspraak het bedrag der veisohuldigde som uit- 
maken, is deze verklaring een padohti^ waarin 
men berusten moet, v. d. het gezegde: gannSlkkaï 
si-niLni, ta-gann&kkaï ai-n&ni; tarima-djiya; pa- 
dcibni riyolow&nna, ketsy één nam genoeg m (^niet^ 
neem het maar aan; (want) er ie een padöini vooraf- 
gegaan. Uit sommige plaatsen van den Bslpang 
2oa men echter opmaken, ^i^ipadoeni en si-pdUn^, 
of één kalftdiy of 4 reyaal, woorden van éen en 
dezelfde beteekenis waren. (Bap.) 

^ xy ^ (V padira). Men zie ddra N°. 1. 

(2° padara), roosteren ; doch hierin onderschei- 



den van Iduggd, dat men bijv. denvisch zeer hoog 
boven het vuur legt, v. d. : djdëkde nipsldara. 

/O \ ^V \ ^ (paderé), gelijk-snjjden, by voorb. 
hoofdhaar. 

^\V\^ (pad&Ué), bep. pad&lleka, legu- 
waan, — Pandang-padallë. Men zie pdndaitg, — 

— Alila-padaLlléki, h\j heeft eene leguwaans- of 
dubbele tong^ d. i. hy spreekt met eene dubbele tong, 
tegen den een' zus, tegen den ander* zoo. 

/si \V ^ (pado'feli),het Mal. ^^<W, belang- 
stellen, bemoeijen. (Bid.) 

^ vv ^N^ y!^ (padoew&kang) , soort van han- 
delsvaartuig, hebbende twee masten, die ieder uit 
drie houten mei bdngkeng-sdlard bestaan, salém- 
pong, pamdroeiig riyélo en rïbóko, pondje boven op, 
lêngoe4ef^o!é, dnjcfjong réewaUénjdjó, twee gdeliug's, 
galöemd, en bóroló. 

^\^V^^^•• (padew&kaiïg), =^ padoewd- 
kang. 

/O^N (1° p&na), bep. panaya, boog. Boeg. 
idem. Jav. tui»n^\^ Mal. jüli. — Ani-pllna, pijl. 

— Pana-3jené, waiersptdtje (, kinderspee^oed). — 
Apslna, met pijl en boog schieten, 

(2** pan^), ^panl Men zie nd N^ 6. 

^Ks (1" pS.nning), «w^i^, bijv.: boel&ëng 
nipanning, gesmolten goud ; van daar: boelaeng- 
nipanningi, moge ik worden als gesmoUeti goud I 
d. i. moge ik geheel te gronde gaan/ te weten: wan- 
neer ik niet de vereischte naauwkeurigheid in het 
vermelden van de namen der koningen in acht 
neem. (G. G.) 

(2** penning). — Bitoe-pftnni^, verknoeijing 
van ons: Baad van Indiè'. (Bap.) 

^ "^ ^^ (p&nne), bep. pannêya , bord. Boeg. 
panne. — Pannc-djawa, a) soort van bord, dat, vol- 



110 



gens de overleveriDg, uit den Hemel gevallen is. 
(Hap.) b) naam eener bloem, van daar: alipi- 
tjdbré-pHnne-dj^wai, hij draagt een sarong die ge- 
streept is als de bloem pdnne-djdwa. 

P&nne l&heré b&teng. Men zie op Uheré. 

PlLnne-panne,/w)rwZ«ii, aardewerk, 

/O \ /^ (p&nneng), = penning N^ 1. Men 
zie boven. 

^/^'N (r pano), bep. panowa, 't Mal. 

•iL'\ gevlekt van huidy zoowel van menschen als 
beesten. Als teeken van schoonheid beschouwd, 
vooral zoo het is pdn<hhoéldéng, (D. Moes.) Verg. 
t Jav. ft>i«n\ tcitte vlekken op de huid, — Pano-boenj- 
Qini, soort van huidziekte. Men zie hoenjïjtni. 

Panówang, gevlekt, DjSürang gc(feloeng-panó- 
wang, en : bardëmboeng-panowang. Men zie gok' 
loeng en hardêmboeng. 

(2* pano). — P^o-p&no, eene Labiata. 

(3"* pllnno-panno), bep. plLnno-pannowa , soort 
van schelpvisch. 

(4'' pclnno), Sal. volt Boeg. pinno^ idem. 

^ /^ (1" pdbna), Boeg. = 't Mal. i^y» en 
't Makass. patdnna, 

Papo'bna, de zyne doen z^, v. d. tot zyn wil 
brengen eene vrouw. (Midi.) 

(2** pdënna), ==p4nna. 

/O^ (pdfeni). — Pdbni-pdfeni, bep. pdbni- 
poeniya, = ptfene-po^ene. 

/0/^^ (pdbnde). — Ase pcfenoe, bep. poV 
noeka, soort van donkerkleurige r^st, oryza gluti- 
nosa B., die gebezigd wordt, om gebak van te ma- 
ken, om in de wasem te koken (songkolo) , voor 
kanre-kdênjiy voor kddd-èdèlo, en dergel. meer. B. 
idem, Jav. ^«sndVT^x, Mal. oJ^i. 



poenêya, soort van boschduif, groen en blinkend 
van kleur. 

^"x ^s (ponna), indien, ook soms te verta- 
len met ons of; bijv.: ta-koewassengaï, ponna la- 
mange-djaki, ik weet niet, of gij zult gaan, 
=:p(fenna. 

^/^^f^^ (panakkdbkang), bq Valentijn 
genoemd Fannekoekshoek , waar vroeger een kas- 
teel der Makassaren stond. De naam is af te lei- 
den van ndkkoe, alzoo welligt deplaats waar iemand 
door sterk verlangen naar de zijnen bezield werd, 

^/^•/ *^ (pandbngkoeloe). — Men zie 
op : toengkoeUk, 

/0^\A^ (poencLga), bep. poenagaya» soort 
van boom (timmerhout) op het gebergte, ook op 
de eilanden en aan strand , Calophyllum inophyUum 
sp. De vrucht gebezigd als gdsii^ N**. 1 voor de 
kinderen, terw^l haar binnenste bedwelmend is, 
en soms ook dient tot het maken van kanjdjóli, 

/O /^ X (panlbd). Men zie tabd N^ 2. 

/O ^\ \ X (pan&mbe), bep. panambêya, treknet. 
Boeg. idem. ~ Abêsó pan&mbe, een pandmbe voort- 
trekken. — Apan^be, met een pandmbe visschen. 

^^X (pandbmboeng) , pot voor drinkwa- 
ter , doch kleiner dan baranni^. Boeg. idem. 

i^ /^ X ^ (pin&boeroe) , bep. pin&boeroeka, 
't Mal. j^^^, gezaaid oï gestrooid zaad; van daar: 
hagel (om meê te schieten.) — Ana-pinHboeroe, 
hagelkorrels. 

/O ^ •N (panniti), bep. pannitiya, speld, pin, 
naald, Jav. Q^Sis, Sd. en Mal. idem. Port. alfi- 
nete of alfenete, 

^\/^\r\ (panêtte), bep. panettêya, de 
bamboezen, die soms op de vlerkpraauwen een 



/O \ /^ (po'bne). — Po'bne-pdbne , bep. pdbne- ! vierkant vormen, dat wel aan beide zijden van het 



111 



vaartuig uitsteekt, maar zich toch bevindt binnen 
in het vierkant , dat uit de beide bardtang' % en de 
beide palewita bestaat. 

JO/ï\/^ (pin^ti), bep. pinatiya. Aldus bijv. 
in Sanrabóne en andere rijken genoemd de per- 
soon , die belast is met het toezigt over de kaka- 
ra^ang of kdUmpówang y rijkêsieraden. (NB. al- 
leen in Gówa heet zoo iemand Lay&ka.) Dewijl 
nu een vorst terstond zyn bewind verliest, zoodra 
de rykssieraden uit zijn huis verdwijnen; zoo be- 
teek. éLlêbasdki pinatiya riyoeldfenna, overdragtelijk : 
iemand van den troon stooten. (D. Moes.) Men 
heefi ook Pindtüa als wachters b\j de saóekang'ê. 
Vergelijk het Portug. Penatea, Huügoden, 

^ /^. ^V (pandfendoe). Men zie tdkndaé. 

^ /^. /^ (pin^nd). Men zie op nand N**. 3. 

JO^\*Ö>^ (pin&tjoe), bep. pinaQdëwa, het 
Portug. pennachOy het Fransche pennache , panache^ 
vederhoBy pluim, op een hoed, zooals bijv. de Boe- 
tonsche grooten dragen. 

^ /^ ^ (pan&nra), = patdnrd, 

Jsi/is^^^ (pin&wang), volgen y opvolgen, ge- 
Jtoorzamen; bijv.: min^wang-ko mSlë, volg my\ 
(Woorden van een heer tot zijn' bediende.) — - 
Ampin&wangi parentlLna ly^oe, de bevelen van 
N. N. opvolgen. — Toe-min&wang, lett. volgera, v. 
d. gevolg, — Toe-napin^Lwafiga t^ , menschen die 
door anderen gevolgd worden , d. i. leermeeetera en 
voorgangera. (Eap. T. Dj.) 

Paminawangang a) het volgen bezigen voor , d. 
i. volgen voor, of ten gevalle van iemand; van daar : 
ampaminawangangi ri-kadjow^kanga, voor iemand 
volgen in het djówd-achap, d. i. iemand ala djówd 
opvolgen of vervangen. (Hap.) 

b) paminawangang, kaaaoeunyar^ ergena voor 



verrigten, te weten : voor het bezit van zekere vel- 
den, lett. volgen, gehoorzaamheid voor beterzen. 
(Bap. K. G.) 

Papinawang , a) iemand die volgt ; 

h) doen volgen , v. d.: onderwerpen; bijv.: pa- 
pinSlwanga, lett. doe mij volgen, v. d. overdragtel. 
gebez. voor: doe mij deelen in den koop, of: geef mij 
een aandeel in hetgeen gij gekoekt hebt. Vergelijk 
i^dppa N°. 3, Qótcé en antdma. 

Tapinawang, = pindwang, volgen, bijv.: bft- 
rang k^mma-djiyapa kit^pind.wang todong! mo- 
gen wij ook volgen uw voorbeeld! (Tar.) 

Sipina-pind.wang, sipapin^wang, lett. elkander 
volgende, v. d.: achter éénvolgena, 

^ /^ ^^^ /^v ^^^ (pandëwa-ndfewa). Men zie 
t(^a N'*. 4. (Tar.) 

^As^^^^ (pan&ward). Men zie tdward 
W. 2. 

^/^O (p^nasd), bep. p^nasaka, soort van 
plant, gebez. zoowel in de geneeskunst, als voor 
atjar of zuur; vooral op Bonthain gevonden. Boe- 
gineesch pdna. 

^ /^ O (panisi). Volgens sommigen Boeg. 
= bdroe N*. 1 , en aangezien men bdroe heeft van 
klapperhoomtn, van tnróe'a, van roembiya^a, van 
k<fewdl£a ; zoo zou póngko-pantai zooveel zijn als 
de pdngko N°. 1 van één dezer boomsoorten. (S. 
Tjin.) Volgens anderen zou dit póngko-pantai niets 
anders zijn, dan de wortel van jonge rotting, die als 
pdngko gegeten wordt. 

/O /^O^ (panisin), bep. panisirika, =/w- 
atairt. Men zie atain N**. 3. 

/O /^ ^^ ^ (panaoeroe), =pindboerdé. (Rap.) 

JO/^^O (pinïlhang), Sal. = pindwang, 
volgen. 



H2 



/O *^ (l** pftnjQa)» ^V' pa^Ö^ya» ^^^ dêgo^o 
met tcaUa-sdbdJi aan de HJjden, Mêc>a van suiker- 
riet; patóngkó van sierih, allerlei versierselen van 
boven, als: granaatappelen, pinang, (zoowel jonge 
als oude: rdppo-Ulo en rappo-iówa,) enz.; voorts 
van binnen rijkelijk voorzien van jonge klappers, 
pisang's , pompelmoezen, enz. Zulk eeo pdnj^a bij 
gelegenheid van het «piw-feest, wanneer de heer 
des huizes dit ten minste toestaat, door een' min- 
naar aan het huis zijner geliefde gezonden. (Boeg. 
idem). Van daar de spreekwijze t apanaï pAnjtja 
ri-takkaya, empdnjQa dom opgaan bü gelegenheid 
van het spinnen. — Zoo ook genoemd de toestel, waar- 
in men op het feest van maóeloe de r^'st, eijeren, 
enz. naar het hoofd van z\jn land brengt. — Insge- 
lijks bij andere gelegenheden, als besnijdenis, trou- 
wen , een pdnjQa gebezigd. 

P&5Qa-parasada. Vergelyk het Sanskr. pantja- 
praaada, volgens Wilson in zyn Dictionary, a tem- 
pte toUh four pinnaelea and a ateeple, zamengesteld 
nii pantja,five^ ^npramda, a palace. Van daar wei- 
ligt, wegens overeenkomst in vorm met zulk een 
tempel, het Mal. c\^Ji ^^Jki , eene prachtige soort 
van badhuis. Men zie Isma Jatiem, bl. 127 en 
128, alsmede Meursinge in zijn Mal. leesb. eerste 
aflever, bl. 38. Van daar ook misschien om de- 
zelfde reden in het Makassaarsch panjtja paraadda 
gebezigd van eene soort van wagen y of liever «?«»- 
delend paleis. (Men zie Djay.) 

(2° p^njtja), m&njtja, dansen, en wel een dans 
door twee mannen uitgevoerd. Boegin. idem, 

(Pjay.) 

/si *^ (piLtQi). — Tdpdt^t, geopend zijn y wordt 
gebez. van iemand's Idso N". 1 oï penis, 

/si*t> (1° patjoe), a) zich huigen^ bijv.: tak. 



riety of iets derg., buigzaam (,Boeg. idem); bijv.: 
lima pa^Joe, een arm die door oefening buigzaam 
geworden w, zoo zelfs, dat men hem bij het ge- 
wricht van den elleboog geheel naar achteren kan 
buigen. Bij de vrouwen treft men dit zeer veel 
aan, gelijk ook wel bij de vorsten. (Dat. Moes., 
Sinr.) 

b) buigen y ombuigen, bijv.: pSiQoeki palages&nna, 
z\jn armen buigen y byv.: achterwaarts buigen y zoo 
als depa^ógé^s of publieke dansmeiden b^ het dan- 
sen plegen te doen. 

{T p^ttjoe), Bonth, = pdssde N^ 4. 

/0\*^ (p^tQe), bep. pat^êya, B. mépissey 
het Mal. ^tXi, het Jav. ü&(l^^ scherpy botend 
van smaak, heet op de tong; v. d. overdragtelijk 
gebezigd van de stemming des gemoeds , bijv.; siya- 
gang plLt^e pamaïna, met verontwaardiging (Djay.)— 
MdriLnnoe, m^p&tQeï pamaïmang, iry zijn verheugd 
en aangedaan. (Bap. K. G.) — Taëna-todjeng-mi 
patQênoe, jij .hebt werkelijk geen gevoel in je Ijjf 
(M^di). 

Kapat^êyang, hartzeer hebben, gegriefd worden y 
bewogen worden met (Djay., Sinr.) 

Kap&tQe-p&tQe, hevig hartzeer veroorzakende 
(Sinr.), van diar: hevig hartzeer y wij zouden zeg- 
gen: medelijden inboezemend, v. d. zelf hevig hart- 
zeer hebbende. (Tar.) 

/si \ *^ (p&njQé). T2loe-pllnjti^»*^öP-P^50eka» 
een dwerg, B. idem. Djliïgaiïg-plinjtjé, Japan- 
sche kip. 

/si *^ 'N (1° p&tQo) uitwringen , uitpersen ypers , 
(werktuig). — Pat^ó d^i, melken. 

PamatQokaSg, iets dat men uitgewrongen heeft. 
(Tar.) 

(T p^töó), bep. p^ttjoka', 't Mal. ^t>^ 



113 



't B. alddi soort van plant, genaamd: Arum CoUh 
eana R. De wortels z^n, gekookt, meelig en zeer 
smakeiijjk om te eten, terw^l de bladen het eigen- 
aardige hebben, dat 't water er niet stil op blijft 
liggen, maar gedurig heen en weder glydt of rolt. 
T. d. djené nipalête ri-lêkd-paLt§(5, water dat ge- 
êwrig keen en weder roU over het pattjó^lad ^ zoo- 
dat het gevaar loopt van naar beneden te komen; 
▼. d. geb. als beeld van iemand die gevaarlijk ziek 
ü, zoodot hii ieder oogenbUk dreigt te bezweken. 
Men zie tdoe-nipamd-end, op 6td. 

Jsi "^ (1* pi^a), Mal. en Jav. breken. 

Bclbta-pi^d, bep. bdëta-pi^aka, itekebUnd, — 
(2* pi^£). — . Pi^^pi^4, dezelfde visch als de 
kémjdjd^ maar dns genoemd, wanneer de kaalkop 
nog zeer klein is; iets giooter heet dezelve ealor' 
mSta en zeer groot: kdnjdjd, 

V^ ^ (1^ pi^ing), Bimanesche of Balinesche 
dolt, soms gebezigd als halssieraad voor een kind. 

(2* pitjing-ddfewa), één van de dertig soorten 
Tan kaarten in hsti patdbwi- en kdwa-gói^gongv^d, 

^ ^ 'N (pi^o). — PiQo-pïQo, bep. piQo-pi- 
t]ftwa, slingerplant, gebezigd om zwart te ma- 
ken, en ook als medic^'n. 

^^ (l**pöegi), bep. poe^aka, het Malei- 
sche vsA^^, Ueek^ troebel^ onklaar; bijv.: djené 
po^^i, iroeM water, 

(2** pcfeQ^), bep. pdbQaka, soort van slinger- 
plant. 

^ *Ö (pdfenjQa), bep. poenjQ&ya, het gedeelte 
▼an de sarong, dat volgens een geheel ander pa- 
tioon beweriLt is dan het overige. Bepdii^^a be- 
staat soms mt eenige strepen , die alsdan kapdU^s 
heeten, waarvan echter alleen de middelste by nit- 
nenieadheid bqtdla genoemd wordt; de andere 



heeten kapdla-^ddi's (, kleine kapdla'ê), — Pdfeïy- 
Qa-tadbwa, overdragtelijk: de voornaamste der men- 
echen, of ook: de schoonste der vrouwen (Sinr.) — 
M^di-dslëng ri-Makka, poenjtj&na Lelyoe, Modi- 
ddëng n-Makka, de poenjQa (, d. i. het sieraad^) 
van Ldyoe (, in Binamo). 

^*^^ (1* pdfeQde), bep. pclfe^o^ka, 't Mal. 
^^Sf-Ji , top van een* tak , de teedere spruitjes aan 
de takken. Men zie bémbong. Bijvoorbeeld: m&nna 
tangkênna, poe^'oena, matene-nglLseng, tot aan de 
takken ^ ja tot aan de uiteinden der takken toe^ d. i. 
geheel en al, van top tot teen, gelukkig, (Kei.) — 
Po'btjoe lila, het puntje van de tong, (Maoet.) 

(2** po'feijoe), de medicinale wortel van de pa- 
tola. Boeg. idem. 

^\*^ (pc^Ö^i bep. p<^Qeka, slingerplant, 
wier bladen als groente gegeten worden. 

^ 'N *6 (poQa), kneden; v. d. apoQ^pö^^ki 
boengaya , de bloem met de hand stuk wreven , ver- 
frommelen, lett. ter deege kneden, 

Apd^i-pd^éi, gebezigd van stof, bijv. van een 
hoofddoek, beteekent: als 't ware kneden met sBck 
en tamarinde. NB. dit geschiedt gewoonl^k voor- 
dat men tot het verwen overgaat. (M^.) 

^'N*^ (1* pó^i), bep. poQiya, HolL een 
potje, trekpot. — PóQi-s&wo. Men zie sdwo. 

(2* p^^i), bep. p^Qika, naioel. Boeg, pósi, — 
Pasik<5 poQi, draad, waarmede de navelstreng wordt 
afgebonden. — Pdtji (, manyang, b^dih), suntgat. 

A 

— P^^i-3j&é, tnaalstroom, — Pd^jina tampi- 
ranga, diepte, bodem der zee, (Djay.) — Pd^i-baLllé, 
navel, d. L mddenpwii, van het hms; v. d, ook dus 
genoemd de paal diejmst in het middenpuntvan het 
huis gevonden wordt, v. d. ook wederom aldus ge- 
noemd de bd^U-bdtii^ of het po^e olij met stulges 

15 



m 



hout van al de palen , gelijk ook een kleine hoe- 
veelheid goud, hetwelk men bij de inwijding van 
het huis, boven aan dien paal, of zoo er geen paal 
juist in het midden staat, aan dien paal, welken 
men binnenkomende, het digtst aan de regterzijde 
van het middenpunt aantreft, heeft opgehangen. 
Vergel. bénienff N°. 3. — Pdtjina bisêyanga, de 
opening onder in het 8chip voor het toaier. 

PamoQi, geschenk voor den scheepsbouwmees- 
ter, wanneer de pó^t klaar is. 

(3° p^5i), één van de 30 soorten van kaarten 
bij het patdhoi' en kdica-ffé^g omspel. 

/O "^ /O ^ O '^V (p&nj^ft-parasilda). Men 
zie pdnj^a N*. 1. 

Jsi*t>/^ (pi^clbnang). — An^piQcfenang, 
kogel, die door zekere soort van toovermiddelen 
altoos een mensch moet raken. 

/si -6 ^ (p&tjara), *t Jav. patjar, = 't Mak. 
kdroenitgi, 

Bo'bnga pSltjari-tjina, soort van bloem, 

^*^^ (1* p&njQard) > bep. paiy^ara^a» 
kleine takel. Men zie tdkald. 

(2° p&nj3*^)> ^^P» p^^Sa^a^*^» = 't Mal. 
yjSUJ , pand f handgift ^ voorschot. 

(3** pa^Ö^ra), bep. panjtjarilya, pont, schouw, 
Bo^. idem. 

^^^'NCs (panjQórang), het Mal. en Jav. 
pan^oeraUy kleine waterval, val van water van eene 
kleine hoogte met een straal, v. d. goot boven aan 
een huis. NB. solöngai^ gebez. van een goot langs 
den grond. 

JO"^^^ (piQcferoe). Men zie Qdhroe. 

\^^'^^^^ (pé^ord). -^ Tdpê^ord, slip- 
pen {,glyden\ byv. iemand's voeten, 

/si'^^'NX (panj^aröba), bep. paiy^jaro- 



baya, kentering van de moeson, ongestadig, wanke- 
lend. Mal. idem. 

^ ^ «^ (p^t^ala), m&ttjaU, al tastende naar 
iets grijpen om het vast te houden ; hïyr. : ém&tQald 
b&le-bldang, al tastende naar kraalvisch grijpen. 
V. d. ook overdragtelijk gebezigd van het pidjeiten 
van iemand d;ie flaauw valt, en wien men op deze 
wiijze tracht by te brengen. 

^ *^ *^ (panj^alang), Mal., soort van lang- 
werpig vaartuig, dienende tot lossing van goe- 
deren. 

^ «^ ¥^ (pdfeQató), a) zoek zijn, 

b) zoek maken. 

Bijv.: po'bQalaki dowekoe, mijne duiten z^ 
zoek. — Pdfe^al^^ konjQikoe, myne sleidels z^ 
zoek. — Po'feQald n&wa-nawfilngkoe, lett. m^n ver- 
stand is zoek, d. i. i^ weet niet , wat my te doen sta. 
Nu eens zou ik dit, dan weder dat willen doen. — 
T^oe-pdb^al^ , iemand die z^n bdkltje zoek gemaakt 
heeft. 

/si /O (1° p^dja), bep: pddj&ya, gebez. van 
mooi donkere of zwarte kleur: litfel^k zwart, 
het Mal. ietam mdnis, ligtbruin, de huid bijv. 
Boeg. idem. 

Padja-pa ddeng, begin en naam van zeker lied, 
= róyoOg N**. 2. 

(2° p&djd), bep. p&Sjalca, ronde platte van rot- 
ting vervaardigde schotel , om visch en dergelijke 
op te laten droogen , ook veel gebezigd als schotel 
voor het eten. Boeg. pddjd, — Bêmbeng-padjd , 
lett. het opbrengen van de pddjSs, of etens-schoteVs. 
Wanneer er een feest is, bestaat de bémbeng-pddjd 
voor den koning van Gówa uit : een boesoe-pawfem- 
boeng, mei paseró en tapisang; één palekókang met 
paloeloe; vier en twintig pddjé^s met vleesch, visch 



115 



en andere kadókany's; vier en tmniig padhTfftn^- 
dinging* 8, Zoo het geen feest is, zijn er slechts 
Uc€udf pddjd*8 en tioaalf padinglng-dinglng^a, NB. 
tfier en twinügpddjSê by een feest, of anders twaalf^ 
genoemd een èembëngang. Men heeft soms tot 
aehiüen èemèëhgang^s. 

Pam^ja, bep. pamadjaka,^». 

(3* pa^d), bep. pa^aka, 't Mal. (JJ^U, 
gnmd'packi, verponding. Boeg. idem. 

(4" p&dja), bep. padj&ya, billen van een mensch, 
V. d. de bodem, of: 'i onderste van iets, by v. van de 
schee der kris. — Padj&na biseyanga, het onderste, 
of: de bodem van het schip, (Rap. K. G.) — Men 
spreekt ook vasi padjdna gdnranga , zijnde het on- 
derëte of dunne uiteinde der gdnrang. Vergel. gdn- 
rang N®. 2. — Nitdfenroeng-p&djai, h^ krijgt op 
zijn achterste. — MlLta-p^a, de opening van het 
aekterste. 

AplUija-p^ja, onder het gemeen ook wel ge- 
l)ez. voor de gemeenschap tusschen beide geslach- 
ten, ons: broeken. Een Inlander zal bijvoorb. eene 
TToaw bq wyze van scheldwoord toeroepen : koe- 
p&dja-ko, ik zal je broeken, 

SipS^ja-pHdja, = sikaboe-kaboelóé. Men zie op 
Jhdóoelde. 

^ yo (1** pidja), solderen. Boeg. pi^d. Mal. 

Pidja-pidja, of: midja-midja, = het Jav. en 
^iaï. piedjit, pidjetten, met de vingers, of met de 
▼olie hand, drukkende knijpen, namelijk: de matte 
leden van vermoeiden, tot opwekking; of de slapen 
van het hoofd en den nek tegen hoofdpijn. Men 
zie Olivier's Land- enZeetogten, Deel I, bl. 141. 

^\yO (pinjdjefig), oudtijds spanne, schotel, 
porselein, en nog heden gebezigd op Salcijer voor 



eene soort van porselein, eenigzins graauw van 
kleur. (MSdi.) 

T&ka-pinjdjeiig , naam eener klip aan de mon- 
ding der rivier van Gówa, dus genoemd dewijl 
Sawêri-Gllding aldaar met deze soort van porselein 
zou geland zijn. 

Boel&ëng pinjdj eiïg. Men zie boddëng, 

^yO (po'fedji), mcA;5ji, MjbI, prezen ^ roemen, 
goedvinden. Boeg. idem. 

Pamdfedji, het prijzen, roemen, goedvinden. 

Ipoedjiyang ta-mangai , iemand die de meisjes 
pryst (, vleit), zonder te beminnen, (Sinr.) 

Kapoedjiyang, te pryzen (Ke\.) 

\ /O /O (pêdja), Sal. = piroe. — Papedj&ang, 
= papiröewat^. 

\^yO (pênjdjang) , soort van visch. 

/si \ /O •• 'N (padjêko). Men zie: djéko. 

/O /O ^\ (padjannang). Men zie djdnna 
N^ 1. 

/O /O /O (pa^^^dja), bep. panjdjSdjaka , 
soort van platte vaartuigen. Alleen in gebruik bij 
de roovers, die ze gewoonlijk bezigen achter en 
tegelijk met hunne bintd's. Boeg. panj^a^d. Ver- 
gel, het Jav. tüitw!t3Ka^\ , een kleine schuit, 

^ /O ^ (panjdjilra). Mal gevangenis. 

^/O^ pidjara, het Mal. -.^uj, solderen. 
Barcfega papidjara, eene bar<fega, die gesoldeerd, d. 
i. goed digt-gevlochten is; alzoo de baröhga van een 
vorst, ten minste van een voornaam persoon. — 
Blkljiki pidjarana rinriilga, de wand is goed gesol- 
deerd, d. i. goed digt-geclochten. 

/O •0<> (padj&lde). Men zie •. djdloe. 

^ /O *^ 'N (padj&Ud). Men zie djdüó, 

/si ^ (panjnjoe), bep. panjnjoljwa, zeeschild- 

pad. Boeg. idem. Jav. ö^^^- Mal. ^^6^- 



ÜG 



/^^^ (pd^nja), Mal. ^=^ paidnna. Men zie 
pdtu N^ 1. (Tar.) 

\^^>£^ (pêiyd), bep. pe^jaka, pUd^ bijv. ka- 
mdéroe penjd, /?^a^ »«»«. — Bdiipenjd, plathrood, 
'Boeg. idem. 

^% ^^(pönj^), bep. pönjaka, ingedeukt^ in- 
gedrukt ^ geb. van mangga-^ cfjamboe- en andere 
vruchten, insgelijks van een neus die van boven 
als 't ware ingedeukt is. Boeg. mapönji, 

/O ^ •• (panjSj^ki, bep. panjJyikiya, vle- 
dermuis. Boeg. pSnni, idem. — P&yoeng panjnjiki, 
aU een vledermuis er uitziende pdyoeng. NB. aldus 
door de Inlanders genoemd onze tijden paraplui^a. 

^ ^^ A^ «^ (panjangg&ya). Men titèdngga. 

/O ^ *^ 'N ^ (panjilórang). Men zie nloró 
N^ 2. 

^ <^ (p&yoeng), r^^a»- m zonneêckerm, Jav. 
en Mal. idem. — P4yoeng bal^Lki. Vergel. baldki. 
— Payoeng sarang. Vergel. aarang N°. 1. — P^ 
y oeng lömpo, ^roo^, oi voorname pêyoeng ^ zooals 
de vorsten van den eersten rang gebruiken. 

Aplyoengi allowa, de Zon heefteen pdyoeng^ d. 
ï,\eri%een kring om de Zon, 

V^ «^ (pïya)i heelen , genezen , bijv. : piya-mi 
lokona, zijne vxmd is genezen. 

Ta-mapiyai, het geneest niet. (Kei.) 

y^ <^ (pVo'®) » ^piycfej piepen. 

'^ ^ «^ 'N (pêy<$), bep. pêyoka, al^k. Vergel. 
^dtri. — Pêyó-lfilntang, moeras, — Apêyoki, Arf 
M slikkerig. 

Nipêyó gebezigd van het aanzetten van een mes 
of dergelijke op kleiner en zachter of ^ner steen , 
dan reeds b^ het mkdntisi heeft plaats gehad. Ver- 
gcl. kdnüsi en ook paddda. 

^'^«^V (P%<>)> ^P' poyoka. — Póyo- 



poyó, naam van een geringen zeer algemeenen 
struik, Uraena lobata L. (Sinr.) VergeL laldkpang. 

A 

Jsi «^ /r\ (piyani). Men zie dni N". 1. 

Jsi «^ 'N *^ 'N (piy61o). Men zie ólo N". 4. 

\ /O «^ O (pêyas4) , = palésang^ wegsekm- 
r«i, wegdoen^ bijv. : kalêleng. (D. Moes.) 

/O^ (r p&ra), zamen, gezamenüijk. Boeg. 
;?(^a, idem. Bijvoorbeeld : peLra-mótcré , zamen te- 
rugkeer en. — Apölra-pam&ï , eenstemmig zyn, ■— 
NaSj&ri-mo sibidji-bidji p4ra-iya, en het gebeurde^ 
dat zij elkander onderting een pak gaven^ zamen 
slag leverden. — ParSLnna tlk>e, zijne mede-mensehen. 

M^nna ta-param&nna. Men zie mdnna. 

Parasêro , lett. gezamenüijk iets aanraken^ v. d. 
maatschappij. 

(2^ p^), bep. parftya, de kiem van de kokos- 
noot, wanneer deze reeds tamelijk groot is, =. 
timèo-kalóhkoe. Vergel. timèo. 

Paratoló, bep. paratóloka, a) hetzelfde als para 
N*. 2, maar nc^ klein; 

h) zeer oude té^vruchten. 

(3° p&ra), bep. parSLya, eene baarmoeder die 
verzakt is. Van daar: baïnne facfeloie par&na, eene 
vrouw, wier baarmoeder naar buiten komi. — Bainne 
parSng , = bainne dso^eldé pardna. 

(4* pftra), bep. par&ya, de binnenzijde y en pa- 
m^ra, de buitenzijde des benedenarms. 

(S"" p&r&), bep. p&raka, bosch met kleigrond^ 
langs de oevers eener rivier bijvoorb. Boeg. pdrd. 

(6" pSLri), bep. p&raka, zoutaehtige grond. — 
P4riki tanllya, de grond is zoutachtig, 

(V par6). — P&ri-p&r^ bep. p&ri-pfilraka, plat- 
visch. 

(8° pSlra), bep. parilya, Bonth. =:pamdkkang, 
zolder. 



117 



(9* p&ra). — PiLra-pJLra, bep. pSLra-paiAya, 
aoort ran 8tellaa4je, waar langs men de ranken 
laat oploopen. 

(10* p&rrd), bep. pfilrraka, bytend, gebez. zoo- 
wel Tan êpysy die te sterk gezout is, als van pom- 
pelmoezen en dergel. , die een' sterken onaangena- 
men smaak hebben. Boeg. mdpirri. 

^^ (1* parang), veld. Boeg. en Mal. pa- 
doM^y idem. — ^UiAAUi'Tpèjmg, een veldhid^e, 
d.L een toacJUkuisje op de padeUevelden. 

Nliftppa ri-tsLnga-pêfaf^. Vergel. rdppa N°. 5. 

P&iang-14kkeng, = paraUdkkeng. Men zie 
ISackei^. 

Ijilli m^kapÉLrang, lett. êckiUeren, als van- 



Farra^i, iels verdragen, verduren , tegen iets 
bestand z\jn, hei tegengaan, bijv.: zyne vrees. (Djay). — 
Niya-idji b&ttoe riLmmoesoeka» mingka koekoblle- 
mi koeparrangi , de koorts komt nog wel, maar zóó 
ka» ik het uithouden. 

/si ^ (pènra), verderven, bedervenyte gronde gaan, 
Kapanr&kang, a) bederving, H bederven, verderf, 
ongeluk; b) bederven aan, ten gevolge van, B^v.: 
ponna kap^nrakanna tönjdja namdp&nrd, indien 
(die goederen) hun eigen bederf bederven, d. i. in- 
dien zij uit hunnen aard aan bederf onderhevig zyn, 
en dien ten gevolge ook bederven, (Bap. T. Dj). — 
Na-ponna méplLnr^, na teyaï kapanrUkang b^oe- 
b^loe, zoo de goederen bederven en het niet aan de 
meer de Zon op een zandvlakte sehjjnt, v. d. stexJr goederen Ugt dai zy bederven, maar aan den ana- 



êehtUeren, b^v. van kleéren gebez. ^ 

(2* para^), ép^ra^, a) ophouden; b) doen op- 
houden, blussehen, bijv.: pirang-mi angina, de 
wind heeft opgehouden, d. i. : is gaan liggen. — F^- 
nng-mi gegereka, het geschreeuw heeft opgehouden, 
d. i. M over. — F^ng-mi pêpeka, het vuur heeft 
opgehouden , d. i. w uitgedoofd. — F^rang-mi nas- 
adbnna» e^e gramschap heeft opgehouden, d. i. is 
voorbij. — Llb&-mi koep^rang pepeka pimb&li-bali, 
ik h^ hei vuur gdluscht aan beide zjjden ; overdrag- 
telgk gebezigd voor het: tot bedaren brengen van 
twee twistende partijen. 

(3^ paröng). — Bainne parang. Men üepdra 
N». 8. 

(4* p&rrang), Ujdzaam, ongevoelig, yoot verwon- 
dtng bijv. , ook voor berisping en kastijding. Boeg. 
mdpirrang. — Ap&rrangéL, lett. ik houd het uit, 
V. d. ik vast. [NB. dit ook wel uitgedrukt met 
ngftnre-daniy^yi, lett. ik eet slechts '« morgens 
zeer vroeg (, en verder op den dag niet), d. i. ik vast.] 



kóda. (Bap. T. Dj.) — Si-lUppa-^i nakapanrilkang, 
ten gevolge van een enkel woord wordt h^ ongelukkig. 

Fanr&ki, manr&ki, ^anr^ki, of mamanr^i, 
bederven, vernielen, in het verdetf storten. 

KapanriLki, bederven, te gronde gaan voor reke- 
ning van. (Bap.) 

F&nra-panrUki pamaikoe, m^e goede gezindheid 
jegens u, mijne toegenegenheid voor u, verderven, 
doen ophouden.. 

^ ^ (p&nrang), rust-, of slaapplaats, het zij 
van levenden of dooden, v. d. m^nna koep^ré-^a 
panrang dallêkang ball^na, al maakte ik ook m^n 
graf, d. i. al stierf ik ook, vóór hare woning. (Sinr. 
K. G.) — Van daar: pongoró ri-pllnrang, zoo gek, 
dat men, even als een doode, om niets meer denkt, 
doodelyk krankzinnig, stapelzot, 

^ ^ (r pari), 't Mal. ^-i, 't Jav. Q-ftx, 't 
Fers. ^o , pan, benaming eener soort van schoone 
en goede nimfen of feeën, eene toovemimf. Verg. 
Gericke in Jav. Woord. 



(2° piLrri) naam eener soort van vogels. 

(3° pS,rri), dpêlrri-p&rri, zich spoeden, zich luua- 

ten, — Aparri-ptoi-ddbdoewi, hij haast zich sterk, 

i. - - 

h^ overhaast zich. — Ap^rri-p&rri rinrinna bal- 

l^koe, spoed maken, voortmaken, met de wanden van 

, mijn htds, (Brief). 

Faparri-parri, zich doen spoeden, maken dat 

iemand zich spoedt y maken dat iets spoedig geschiedt, 

iets haastig verrigten, enz. 

A 

PapiLrri-parri, zich spoeden tot iemand, (Bap.) 

/O ^ (parring). Bdfelo-p&ning, harde soort van 
bamboe, geb. tot bouwen, enz. 

/O ^ (1** p&rroe), bep. parrcibwa, naar pis 
stinkende. Boeg. mdparroe. 

(2^ pèrroe), bep. plLrroeka, darmen, ingeuHin^ 

o 9 , 

den. Mal. ci>yi, Indk, ingewanden. — Kirroe-tdwa, 
groote darmen. — PSürrde-lolo, kleine darmen, navel- 
streng. — SiysLlle p&rroe-lolongkoe p&rrde-towakoe, 
lett. m\^ kleine darmen komen tot mijne groote dar- 
tnen. Gebez. door iemand die sterken honger heeft. 

Ab&lle-p^rroe, oorspronkelijk geen Makass., 
maar het Boeg. mdbaUe-parroe , letterlijk een vaU 
schen èedriegelyken inborst hebben; v. d. uit haat of 
wangunst iemand bedriegen of misleiden; het by voor- 
beeld opzettelijk voor iemand verzwijgen, dat hem 
hier of daar eenig kwaad te wachten staat. Yergel. 
bdUe N^ 4. 

^ ^ (paroeng), soort van slangvormige kris 
of lans. Jav. en Boeg. idem. 

/si ^ (p&nroeng), = póndó, letter a. 

/O \ ^ (1° pare), maken, bouwen, doen, verrig- 
teil, behandelen, beschouwen als, verzinnen, enz. — 
Apa kiparé amantang? wat doen wij (nog langer) 
te blijven? (Men zie dUe.) — Ap&ré balla, een huis 
maken of bonweii. — Apa nipslrc oelambi? ira/ wordt 



i18 

(tot) oeldmbt's gemaakt? d. i. waarvan maakt tnen 
oeldmót's? — T£U)e-amplLrekü o'bmoerols paminasllna 
ri-kaoe, lett. iemand die zijn leven maakt tot een le- 
ven van verlangen naar u, d. i. die zyn gansche le- 
ven door naar u verlangt. (Tar.) — Ta-niparêkaï 
sabi, hij wordt geen getuige gemaakt, d. i. niet als 
getuige genomen. (Bap. T. Dj.) — Maiige ri-BiQa- 
r&ya, na-naso'bro pclré kalênna, naar den Regter 
gaan om dien de zaak zelve te laten behandelen, d. i. 
om dien de zaak te laten beslissen. (Bap. T.Dj., Inl. 
wetb.) — Koep^é-gê.rrïng-minne ri-mdmat&koe 
bllngi-bllngi , lett. t^ maak eene ziekte, d. i. ik maak 
mij ziek, d. i. ik word ziek, van aUe nachten te wa- 
ken. — Koep&ré-gd.rring garring ta-koebangdb- 
ngang, ik maak eene ziekte, d. i. ik maak my zehen 
ziek, d. i. ik word ziek, ik krjjg eene ziekte, eene 
ziekte waarvan ik niet zal opkomen. (Sinr.) — Na- 
tiring i-^té-^kmSg, plotseling maakte hij eene ziekte, 
d. i. gaf hjj eene ziekte voor, hield hjj zich ziek. 
(Br.) — Apa-mo koep&ré-garring? wat voor ziekte 
zal ik voorwenden? (Kei.) — Mannantoe (,zamen- 
gesteld uit manna dntoe,) dj&mmëng kd^njdjoeng- 
dji naparé-p^ré, dat hy zelfs zou willen sterven, 
dit is maar gemaakt, voorgegeven, niet gemeend. 
(Sinr.) — Aparé, of: éparé-p&ré, kana, woorden ma- 
ken, V. d. woorden verzinnen, uit zyn duim zuigen; 
bijv.: apa-töng-are kip&ré-kêlna, maken, d. i. 
verzinnen, wy eenig excuus, welk dan ook. (Bap. 
K. G.) — Koep&réki tene, ik maak, d. i. ik beschouw 
haar als lief — Poro niyd napare mata-mata (, of. 
pangoerangi,) saribattangkoe ri-nakke! moge myn 
broeder (dit geschenk) beschouwen als een aandenken 
aan mijl — Ka-nipare-idjd s6b&, daar ik nog al» 
bondgenoot beschouwd word. (Brief.) — Noeparc 
kalcnnoe kamma taoe-koerayo-rayo, gij maakt, d. i. 



119 



leschouwi^ stelt u aan, als waart gij een vrye be- 
diende, (Men zie rdyo.) — Aparé kasalang, ale 
boete heechoufoen, (Inl. wetb., Eap. T. Dj). — Ap&rd- 
2ln&-&n^ki, hem ioi kind maken, d. i. hem aU kind 
èetehouwen, d. i. voor den gek houden. — Ta-kiparê 
kaï add, v^ maken het niet tot adat, d. i. beschou- 
wen het niet als adai, d. i. wij zyn niet gewoon, 
(Bap. K. G.) •— Anne pareka, dU doen, deze daad, 
(Bid.) — Parena, hd doen, d. i. de praktijk van 
weU,-— Parena Alla-ta^a, het maken, d. i. 7ui werk 
van Ood, d. i. een prachtstuk. — K^dé-^iya koe- 
ta-p^, zoo ik maar geen schepsel (,te weten: van 
God,) ware, enz. (Kei.) — T^ natoedyoWa par<^, 
zg, wie een doen (, eene zaak,) treft, d, i, zij die in 
eene zaak betrokken zyn, — P&ré ta-koes&nna-sènna, 
een doen, eene daad, eene zaak, iets dat ik niet 
verwacht had. (Kei.) — Apa-mo parena? wat is er 
van (,d. i. aan,) te doen, (Djay.) — T&lloe-tonjdji 
parena toe-lindwa, er zijn ook drie dingen te doen 
voor de menschen. (Rap. K. G.) — Parena Adaka, 
kei doen, d. i. de uitspraak, beschikking van den 
Regier, (Rap. T. ^j.) 

Pap&ré, een doen, een maken, een maaksel, een 
hehandden, een daardeUen, een beschikken, beschik- 
king, enz.; bijv.: gadja pa^Mlré, een ólijfani, die 



meer aan te doen is. (Djay.) — Parêkang-saldbwara, 
maaksel van een broek, d. i. een stuk goed, waar- 
van een broek kan gemaakt worden. — Parêkang- 
mêdjang, een stuk hout, om een tafel van te ma- 
ken, — Parêkang-bal^njdja , iets om, onkosten van 
te maken, d. i. een beursje, een voorraad geld. — 
Parekang-bine., datgeen waar men zaadpaddie van 
maakt, d. i. de paddie, die men bezigt om weder te 
zaajjen, — Parêkang-rslppo, lett. datgeen waar men 
vruchten van maakt, d. i. de bloesem; v. d. over- 
dragtelijk : begin, (M^di). — Parêkang-bdfenting, z\i 
wie men tot zijne vrouw denkt te maken, d. i. de bruid. 
Vervolgens beteekent parêkang, ook zonder bijvoe- 
ging van bdhtOng .* een bruid; en van daar : pare- 
kangang, tot zijne parêkang, o( bruid, maken of nemen. 
(G. G.) 

b) parêkang, doen aan, doen met, bijv. : Apa na- 
parêkangi sL^djo djo'bkoeka? JFat doet hy aan, 
d. i. met, dien visch? 

Paparêkang, a) iemand iets maken , iemand iets 
toedichten, b) bezigen om iets te doen of te maken; 
b^'v. : nip&parêkang-dji &ntoe padbwa, die woorden 
worden hem toegedicht, (d. i. hij heeft het nooit ge- 
zegd). — Allo b&dji nip&parêkang ilpa-^pa, een 
dag , die goed is om gebezigd te worden tot het doen 



sieekts een maaksel (van menschen) is, d. i. een nage- \ van iets , d. i. een dag waarop ïiet goed is het een of 

fnaakteol^ant,sia&ii^uoveT:gdd;atd^eng-tS^eng, ^ ander te doen. (Rap. T. Dj.) 

een wezenl^ke ol^ant. — Têya-llLlo-ki pinrai papa- J Piti-p2Lré-parêki, iets verkeerd, lett. nu hier, dan 

r^na toemébi^arllya, ka-leba-mintoe ni-bi^^ra, wil daar doen. (Rap. T. 'S)},) 

niet veranderen de beschikking van den Bi^dra-b(feita,\ (2° p&re), bep. parêya, vnw. paiéngkoe, pa- 

daar deze reeds uitspraak in de èaak gedaan heeft, \ rênna, paddie. — - Pare-pcfende, = dse pdhnóe. Jav. 

Parêkang, a) een maken, een doen, een maaksel, ' tm-riy , Sd. Ajuqnis , Mal. ^(>Lii. 
enz. b^v.: taëna-möntoe parékanna, er is niet\ Ap&re-p^, nalezing houden, b^v. : g^oenga 
M^^oa» (, d. i. ooff,) ie doen. — P&nra, taona- ri-Tambakóléi, t&lloen-tlk)eiig nikltto, si-t^ng 
mo parék^na, bedorven, en wel zoo, dat er niets nip&re-p&re. Veigel. op tdoeng. 



180 



(3" pire), bep. pdrêya, = Qipaeroe, honger ^ 
hongersnood. 

^ ^ ^ (pS^nre), bep. panrêya, 't Mal. pandej, 
ervaren^ kundig, baas, kunstenaar. — P&nre-btoi, 
yzersmid. — P&nre-k^yoe, Hmmemum. — P&nre- 
kftna, ervaren in het spreken. Boeg. idem. 

/siCs'N (rpawJ), bep. p&roka, rasp. Jav. 
<L»Tj«ïyj\, Boeg. paróé. 

(2* pSlrro) , Holl. ons: vrouw, in 't kaartspel. 

(3** psLrro), bep. parrowa, schor. 

4^^ (pirang), hoeveel r Jav. ünn^ idem. — 
Pirang4re. Men zie ére. — Pirang-^llo-maki b&t- 
toe/* JJoCT^i?/ %«» geleden, sfjt gij gekomen? -- 
Pirang all&wang-mi, eemge {, onbepaald hoeveel,) 
dagen geleden hen ik gekomen. NB. deze uitgang 
ang achter dUo geeft aan pirang deze beteekenis 
van eenige, (onbepaald hoevele), 't Mal. vJIvaj. — 
— Zoo ook ri-pirang-all6wanga, over eenige daden 
oï eenige dagen geleden, al naar gelang van het vol- 
gende, bijv,: ri-piiang-all6wanga s&llang koeka- 
l&o'e ri-DjUwa, over eenige dagen zal ik naar Java 
gaan, — Bi-pirang-aUowanga leba-koebHttoe ri- 
Böne, v66r eenige dagen hen ik van B6ne gekomen. 

y^ ^ (pinra). Men zie tnra. 

^^ (puri). — Piri-pin, bep. pin-pinka, 
soort van vogeltjes (, blaauwe en witte). 

^^ (piring), hord, schotel. Boeg. Mal. Sd. 
Jav. idem. 

Sïssi-piring. Men zie sisst N*. 2. 

^ ^ (piioe), bep. pirdbwa, speeksel. — Apiroe, 
spuwen. 

Papirdbwang , spuwhak. 

/si ^ (V pdbra), Boeg., = 't Mak. i/tó(Sinr.) 

(2"* pobréi), bep. pdbraka, ringworm, soort van 
huidziekte. 



^Cs (prfferang), mdbraiïg, Sal., = éndang 
N". 1. Papdërang, = padndang. 

^ ^ (1** pdëroe) bep. poero'bwa, vnw. soms: 
poerdëngkoe, doch beter: poerdbkoe, 't Mal. 

9 9 

msyi, puist, zweer. Boeg. idem. — Pdferoe-lómpo, 
lett. groote puisten, v. d. pokken, — Pdferoe-Dj&wa , 
Spaansche pokken. Onder het gemeen als scheld- 
woord gebezigd. — Pdéroe-b&tara, tnazelen. Verg. 
hdtard N®. 2. — Pdferoe-k&paU, soort van mazelen, 
waarbij de uitslag bijzonder dik is. Yefgel. kdpald 
N*. 2. — Pdferoe-pêpé, heete puisten, lett. wMir- 
puisten, ten gevolge van verhitting. Vergel. pépe 
N^ 3. — Pdferoe-Sjöng, soort van blaren, die open- 
gaan, en het vleesch doen uitpuilen (,ten gevolge 
van slechte levenswijze). Yergel. het Jav. 9f«kt\ 
een zwarte vlek op de huid. 

Pdbroe-pdëroe, puistjes. — Pc(broe-pdbroe kêssa, 
soort van kleine puistjes die erge jeuking veroorza- 
ken. Vergel. kêssa. 

Pdbroe-pdëroe-l&ppó. Men zie beneden op Idppó 
N". 1. — Pdbroe-pdferoe sóngó, soort van kleine 
puistjes, de zoogenaamde roode hond. 

(2"* pc^bn/e). — Lêmo pc^brde. Men zie Umo. 
Veigel. het Jav. M'H'sn^^f naam eener soort van 
Ghinasappelen. 

^^ iX pc^roeng). — Pc(broeng-pdëroeng, 
zevengestemte. Boeg. wórong-pórong , idem. 

(2° pdbroeng), b^ malkander schuiven, om bij- 
voorbeeld in zijn' zak te steken, of in een' kast, 
dan wel elders, weg te bergen, als: duiten, die op 
een tafel verspreid liggen, enz. 

(S** pc^roeng), = k^troeng N" 3, digtmaken, 
bijvoorb. een regen- of zonnescherm. 

\^\^ (pére) wenden, draaien. (D. Moes.) 

Tipère-pöie, waggelen, b^v. iemand die ékonkenis. 



1^1 



"^ ^ \ ^, (pcreng), dpereiïg, een Jlaauw licht \ stuk, artikel. Jav. en Sd-prakdra, idem; Mal. )^yS, 



verspreiden, gebez. van de Zo» bijv., of van sterrefi, 
of van eene kanjdjólt , enz. 

/si'N^^ (pore), bep. poreya, sterk, ateviff, 



idem. Skr. prakdra, onderscheid, gelijkheid, soort, 
wijze, manier, 

/si ^ /N •• 'N ^5^ 'N (pirókkold). Men zie 



flink', bijv.: pore ball^na, zijn huis m goed, sterk. — \ rokkoló. 

Póre agaiïgkoe, mijn maai (,in het spel bijv.,) w ^^ '^••'N^^'N (poerokkolo), = pirók- 



flinky knap. 

^'^^'s (F pöro). Dit woordje geeft een 



koló. 

^^^^ (paraga), tcagen. — Ngalle par^. 



wenschen te kennen (,Boeg. pódo, idem); bijvoorb.: . sich met levensgevaar (, lett. een waagstuk doende,) 

poro napadfewang-tofïga, och of hij mij ook zeide!, i iets toeé'igenen. (Madi.) 

I 
mcgt hij m^ ook zeggen/ — Póro ninanro-lalo-dji | Aiïgkaparagaï, zich ergens aan wagen; v. d.: ang- 

ri-AUa-taala battoe maiïge, enz., God geve , dat (j^c i kaparagai ampanaiki, wagen om aan te valUn.(Rsqi.) 

brief) kome, enz. (Tar.) i PStra-parêga, kans, risico. 

Poro-niy^na, lett. moge plaats vinden het zijn er\ /si ^ ki (pararTggi), bep. parailggiya, 't Mal. 
voMy d. i. moge het gebeuren, of ook: moge het er ' en Jav. Pra/tggi, 't Pers. ^)o«^, lett. Frankisch, 
wsaar zjjnf v. d. zoo het er maar is; hoe? dit komt Frank, in het Makassaarsch de gewone benaming 
er niet op aan, I voor de Portugezen. (G. G.) Vervolgens ook gebez. 

Poro-kan&nna, het is maar om wat te zeggen, > van alle andere Europcsche volken, ja zelfs van 
kscanswijze. | Maleijers, in één woord, van al de volken, die niet 

(2* póro), verkorting, ofwelligt het grondwoord 1 tot de Makassaren en Boeginezen behooren. 
r an pSpporó. Men zie pdpporó, Bijvoorb: poro- i Piriiïg bo'fenga-ParSLnggi, een schotel, beschil- 
makó, vergeef gij, — Póró-ma, vergeef mij. , derd met bloemen, NB. men voegt er bij Pardtlggi, 

/O ^ •• (par&kka). Men zie rdkkd N". 4. | dewijl zulk aardewerk natuurlijk van elders komt. 

/O ^ •• (parrakang), soort van spook, voorge- ; (D. Tjamm.) 
steld met gloeijende kolen op het hoofd. Boegi- ' Bdfenga-bo'fenga Par&nggi, = 't Mal. boenga 
neeach idem. póhkol'dmpal , soort van bloem-plant wier wortels 

ysi ^ •• (par&ngki). Men zie dngkd N*". 1. ' als geneesmiddel gebezigd worden. 

(2* par&ngka). Men zie r«^H N^ 1. j y^^\X (V paraiige), bep. parangêya, 

/si ^ •• (panraiïgki). Men zie rdngkd N^ 1. ; 't Mal. ^^ff, gesteldheid, geaardheid, inborst , ka- 

^ ^, •• (poercAïkang), zak, broekzak, geldzak, ■ rakter. 
beurs y surtout, van een' kijker bijvoorb. Boeg. jpotf- | P&ra-parange, ^= pardnge. - 
róek&ngy idem. (2** parange). Men zie riiïge. 

/si^X^y*^ (parakêQi), bep. parakeQïya, j ^C^^ (poenrönga), bep. poenrafïgiLya , de 
perJdet. i GmeUna Asiatica, L., soort van boom, welks 

/^^ ^ •• ^ (parakllra),bep. parakanlya, zaak, j vrucht een sap bevat, dat de Inlander in de oogen 

16 



133 



van de kat druppelt, wanneer die traag wordt om ; beteekenis van het ww.joar^/M^, namelijk: die van: 



muizen te vangen. Ook wordt deze vrucht gebez. 
om kanjdjólt van te maken, evenals de aaptri-nooi. 
Voorts legt men de bladen en vruchten van dien 
boom dikwijls in water te wecken , ten einde ver- 
volgens met dit water de tabak te besprenkelen , 
en alzoo een aangenamen geur daaraan te geven. 
Boeg. djdmpoe'ranga. 



afweren. Men zie verder : boewdgang en Idwe N". 3. 

^ ^ X (1*" par&mba). Men zie rdmbd W. 1. 

(2** parflmba). Men zie rdmbd N^ 2. 

^ ^ X NV ^O ^ (parab&ndaharai^), 't Mal. 
^t^ Jüb%j , schatkamer, 

/si^\y^\ (paramata), bep. paramat&ya, 
met het vnw. paramat&koe, 't Maleische vs^Loó, 



^^^ (1° par&p^), bep. parapaka. — Si- juweel , edelgeateenie ; van daar dikw^ls eigen- 
naam van een paard. (Brief.) Boeg. idem. 

^ ^ \y ^s (param&nna). — Mslnna ta-para- 
m&nna. Vergel. manna, 

^^\A^^h\ (paramadani), bep. p&ramada- 
nïya, 't Mal. ^tjüo«i, 't Jav. ^ic«ao^\, tapyL 

^ ^ \X ^ \-f ^ (pardfemoeng-roemd^ 
ngang), van dèmoe^^ berooken^ is eigenlek een 
Boegineesch woord, van daar die tasschenvoeging 
eener r; wordt echter ook in het Makassaarsch ge- 
bezigd, beteekent het zelfde als aahangang ^ een 
groote aarden rookpot op een ókong adngkd^ staande 
bij alle zieken, doch vooral by kraamvrouwen, bij 
besnijdenis, bij trouwen en dergel. meer gebruike- 
lijk. Dikwijls j^oor^M-, Jionden-, kaUen-, apenhaar 
daarop gegooid ; wanneer by voorb. een pas gebo- 
ren kind schrikt van een paard of een ander beest, 
brandt men terstond de haren van het dier, dat 
dien schrik veroorzaakt heeft, ten einde alzoo, ge- 
lijk men meent, de nadeelige werking te voorko- 
men of weg te nemen. Voorts onderscheidene 
kruiden, als: lêkó-ldnra^ ngéngald-kardmbae ^ enz., 
zoo ook buffel-hoornen , in den pot gegooid. 

^ ^ \X \ ^^ O ^ (paramaëscferi), bep. pa- 
ramaësoeriya, = het Mal. ^yyAMOkAJi , 't Jav. 
ii^vftui^'Tis, vorstin. Vergel. het Sanskr. /wiraw^ 
tcara^ het hoogste wezen; Siwa; JFisnoe ; Paramés- 



i, één vierde. NB. men zou verwachten pa- 
rdppd. Men zie dppa N°. 2. 

(2** par&pa), bep. parapèya, soort van groente. 

(d"" par&ppé), bep. pariLppaka, soort van boom, 
die een zeer goed brandhout oplevert. Deszelfs 
vrucht heeft den vorm van een' appel en is iets 
grooter dan de paddda , waarmede zg anders veel 
overeenkomst heeft. De smaak is zuur en men eet 
dezelve uit de hand met zout. Men zie pamdkkd 
o^pdJckdW*. 3. Soms wordt de vrucht ook als 
beeld van de vrouwelijke horsten gebezigd. (Kei.) 
Boeg. benrópa. 

/si ^ Jsi (parmiping), ringetjes aan den rand 
van het zeil, ten einde het touw door te halen. 
Vergel. söêsoerde, 

•O \ ^ /si (parêmpA). Men zie rêmpd. 

/O ^ /O ^ (parimpdbngang), het Maleische 
^yUJ^ Jl , vereeniging, (Sinr.) 

^\^/siO (parêmpasa), bep. parêmpa- 
saka, soort van heester , welks bladen tegelijk met 
roode uijen in water geweekt worden , en alsdan 
een zeer goed laxeermiddel opleveren , Gendarussa 
vulgaris Nees v, E. 

Boewl^ng, pahli, parêmpasé, Idwe , na-êrang 
angïng mamiri. Men zie itU N*. 2. NB. Het/Mi- 
rhnpasd^lad in deze phrase gebezigd wegens de 



133 
wari, Doerga^ zamengesteld uit paramat beste y kass. en Boeg. zoowel van verguldsel, als van verf 
voomaamHey eerste^ en tstoart, meesteresse. (Djay.) gebezigd, het Mal. en Jav. prdda^ dunne floot van 
^h^y\ (panrita), bep. panritaya, a) geleerd, eenig metaal^ verguldsel. Gewoonlijk hierbij ge- 



fa) èouwmeester; bijv.: pannta-k&na, weUprékend, 
die de regelen der welsprekendheid verstaat, — Pan- 
rita-bddla, die huizen weet te vervaardigen, een huis- 
bouwmeester. (G. G.) — Panrïta biaeyang, een 
seieepsbouwmeeder , (d. i. scheepstimmerman. Verg. 
*t Boeg. panrtta , bouwmeester , en 't B. panre, be- 
kwaam, 't Mal., Sd., Jav. en Sanskr. jmiu^, ge- 
leerde^ leeraar. 

ELapaniitlng, geleerdheid. 

^ X ^ •N (parênta), bep. parent&ya, 't Mal. 
en Jav. parentah, bevel, bestuur. — Aparênta, ma- 
rênta, imarênta, besturen, regeren.— Amparêntaï, 
iemand iets verordenen, bevelen te doen. (Bid.) — 
P^tfênta-sèi kn^d^o tdëwaiïg-tdbwanga, eorg eens, 
doÉ het dien heeren aan niets ontbreekt, dat z^' ge- 
noeg te eten en te drinken hebben; lett.: geef eens 
orders voor die heeren. 



dacht aan het Portugesche placa en cha^a, plaat 
(blad van metaal). Waarom niet liever aan het 
Portugesche pardda, \ï^iYx2in^\i& parade, pronk? 

S&poe-pardda, besmeren met verf, d. i. verwen. 

Aparada, a) vergulden; b) verwen, bijv.: êroka 
sd^ro parÉldai ball^koe, ik wil mijn huis laten 
vertoen. 

Papar&da, verwer. — Papar&da-boel^^, iemand 
die de kunst verstaat om te vergulden. (G. G.) 

BUppo-pawlda, = 't Mal. bökwah-prada, soort 
van vrucht die uitwendig veel overeenkomst met 
de baUdtoer^ heeft, doch van binnen veel verschilt 
en een roode verfetof bevat. 

Batoe parlLda , marmer. 

Ase-par&da. Men zie dse. 

^ ^ y^ (poerina), bep. poerinclya, vnw. poe- 
rinllngkoe, 't Boeg. dère: b\jv. llnrong*poerina» 



poeritiki stlssala kalênta, == gdssin^ki sdssald ka- 
lésia, wij euUeu sterk berouw hebben. (Eap. T. Dj.) 

^ ^ 'N •N (poerötoe), soort van boom, 
liems ep. 

^ ^ XN Ai *^ (paratcAigala), bep. paratdb- 
galaka. — j^^mboe-paratd^gaU. Men zie ^dmboe 
en tdkgald. 

/si ^ •s ^ (parantftlang). Men zie rdntald. 

^ ^ ^\ 'N *^ 'N (paratolo). Men zie para 
N*. 2. 

X ^ \ ^ /^ ^^ (peretiwi) , bep. peretiwïya, 
Onderwereld. (M^di.). — Toe-peretiwi, bewoners der 
Onderwereld. 

^ ^ ^V (par^a), bep. paradaya, in het Ma- : 



^^/^ (poenti), = gdssiug N°. 2; bijv.: <aiife. — M^ngge-poerina, öow. — AnA-poerina, 

neef, het Fransche neveu. 

/si Cs /O /O <^ (paradja^djiyang), 't Mal. 

^A:pUf>^, verbond, overeenkomst (Inl. Wet- 
boek.) 

^ hs <^ (pariya), bep. pariy&ya, naam eencr 
soort van slingerplant, gebezigd als groente en ook 
als geneesmiddel, zoowel mt- als inwendig, Momor- 
dica CharanOa, L. De panya is zeer bitter van 
smaak en komt daarom voor als beeld van ofkeer. 
(Sinr.) Boeg. idem. — Parïya l^boe, pariya ró- 
mang, en: pariya t&loeng, soorten ywapariga. —■ 
Nikakk4 pariya-taloeng, als wilde pariya gerukt, 
(heen en weer getrokken) worden (, NB. gelyk met 
de panya geschiedt , wanneer men die schoon wil 

16* 



19i 



makeii). Deze spreekwijze gebez. van een lijk dat 
heen en toeér gesleurd wordt. (M^di.) 

^ ^ <^ \^ (pariy^ma),bep.pariyam&ya, een 
tijdvak, hetzij van achty of van ^woo// jaren. 

^ ^ <^ O (pariy&saSg), *t Mal. ^j^\^J^ , 
versiersel, opschik. (Bid.) 

^ ^ Cs (pararaug), Boeg. en Bonth., = pa- 
dolle, legutcaan. 

/si ^, ^^ (paro'feroe). Men zie r<feroe N°. 2. 

^ ^ 'N ^ 'N (panrSro). Men zie róró N**. 2. 

^^'N^'N (poenróró), bep. poenroroka, 
soort van tcaterhoen. Men zie binUtpoe en kóng- 
kong-kónykoiVj . Boeg. idem. 

^ ^ ^ *^ (parocrSdang) , = 6tó, merg; bijv. : 
paroeralanna boeko'bngkoc, hei merg mijner been- 
deren. (Sinr.) 

^ ^ ^ O (panrdrassang). Men zie rarasd. 

^^^ (panrald), bep. panralaka, vorm, zoo 
als gebezigd wordt tot het maken van gebak , of 
tot het vormen van stcenen, of tot het drukken, 
en dergel. meer; bijv. : p&nral^kanre-djawa , vorm 
voor gebak. — Panrald-bata, vorm voor steenen, — 
P^nrala-oekirang, lettervormen. — Sclbra-nip&nrala, 
gedrukt boek. 

Papanrala, a) het vormen, het drukken; b) vor- 
mer, drukker. Vergel. kaidrang. 

^^*^ (par&lloe), bep. paralldbwa, 't Ara- 
bische \jèy3, goddel^ke instelling, v. d. hetgeen 
noodzakelijk geschieden moet, noodzakelyk, noodig. 

/O^X*^ (parïllle). Men zie beneden op: 
rnlle. 

^%^^ (parcfela), = assi. — Paroelanna 
boekoelêngkoe, het vleesch van (,d. i. het vUesch 
binnen^ mijn vel. (Sinr.) 

^^"\^Z iX panroli), bep. panrolika , koe- 



voet. Boeg. idem. — Panroli-kiiyoe, handspaak. — 
Pakêke-panróli, een spade geheel van ijzer. Vergel. 
kéke N°. 3 en köwang N^ 2. 

(2° panroli), soort van boozen geest, die een 
geluid maakt als het ruischen van den wind. Zoo- 
dra de Inlanders meenen, dat hij nadert, zoeken 
zij hem te verdrijven, door zooveel mogelijk allen 
te zamen in de rijstblokken te stampen. Volgens 
sommigen worden de kdwe-kdwe!s na den dood pan- 
rólis. Boeg. idem. 

/si ^ *^ \ •• (parallakkeng), = pêrang-ldk- 
keng. Men zie pdrang N°. 1 en Idkkeng, 

^^\^^^^ (paralênte), bep. paralentêya, 
't Mal. (C^JÜ^ , ontuchtig, zedeloos, 

/si ^ /s^ (parawang), 't Mal. en Jav. prdwan, 
maagd, maagdom. In de conversatie is het wat tri- 
viaal, om voor maagd dit woord te bezigen; alsdan 
gebruikel^k:^O0-Z(^i^, eigenlijk yo»^ fnensch, doch 
bij uitnemendheid van een jong meisje gebezigd. 

/si \ ^ ^^ (parêwa). Men zie êwa N**. 2. 

^\^^^^X (parewaf^ang. Men zie êwa 
N°. 2. 

/si ^ O (parfitóa), 't Arab. (j*# ^U. — Para- 
s^ya, de Perzen, (G. G.) 

/si^O (p^risi), bep. p^risika, pijn, smart. 
Boeg. pddi; Jav. Q-^^; bijv.: p^risi-gigi, tand- 
pijn. — Parisi-pam&i, hartzeer. — P^risi ri-kMe- 
kalênna. Men zie kdU N". 1. 

Ap^risi, pijn hebben; bijv.: inslkke ta-m^pdrisa, 
ik heb geen pijn, geen hartzeer, — Parisiki Sapadila, 
Spadille f orce {in het omispel); als wanneer de per- 
soon, die Spadille in de hand heeft, troef moet 
maken. 

A 

V&nsi, pijn veroorzaken, iemand zeer doen, kwel- 
len, plagen. 



125 



Kaparisang, in een smartelijien toestand verkee- 
ren, pyn^ ttnart, leed ondervinden; bijv.: naniyd 
nakap&risang ri-Karaëng-^na-BcUljeiig, hij on- 
dervindt grievende bejegening van Kardéng-dnar 
Bddjeng, 

^ ^ O (p&nroesoe),Bonth., = djaroeng-kdlli. 
Men zie kalli N^ 4. 

^ "^ ^ O (parêssa), het Mal., Sund., Jav. en 
Sanskr. pariksa, onderzoeken; bijvoorb.: niya-idja 
bi^Skia la-niparêssa, er zijn nog zaken die nweten 
onderzoekt werden. (Brief.) 

Paparessang, iets bezigen, om onderzoek naar te 
doen, iets tot het voorwerp van onderzoeking snaken, 
ergenê naar onderzoeken; bijv.: nipaparessang-mi 
injdjo s^leka, er is onderzoek gedaan ten opzigte 
van, omtrent, naar, die kris. (Brief). — Paparêssa, 
onderzoek. 

^ ^ O (pirllssi). Men zie rdssi. 
^^O (poerassi), bep. poerassiya, tand- 
vleesch. 

^^O (pobroesoe), strijken met de hand, 
V. d. streelen, afstroopen, toehalen, of toeschuiven, 
een broek bijv., of eenig ander kleedingstuk; bijv.: 
djangang nipdbroesde, een haan die gestreeld of 
ffekoederd wordt, waarvoor men bijzonder veel zorg 
draagt. — Póto pdferoesoe, knoop in de schooien 
(baya-b&ya's), wanneer het zeil opgerold is. — Koe- 
pdferoesde-naoeiïg-mi QoQoranta; taena-mo koe- 
pdbroesoie-nllï, ik stryk wel naar beneden gaande met 
de hand langs de leuning van den trap van uw htds; 
doch ik zal er stellig niet meer langs streken, op- 
gaande , d. i. gij kunt er op rekenen dat ik nimmer 
terugkeer. 

Poëroe-pdferoesoc anoe, ergens gedurig met de 
hand langs strijken. 



Pocrdcsang, baful, waarmede een broek wordt 
toegehaald. 

X ^ ^ 'N O '\ (pêroso) bep. pêrosoka, het 
Jav. tdi-rtosojiy , het Pers. en Mal. }i\myX3, een groen 
edel gesteente, Turkoois. De inlanders beweren 
dat het een uitwerpsel van de bdekoeroe-djdwa, of 
kleine tortelduif, is. 

/si "N ^ O (porasa), met byna gesloten mond 
het een of ander, bijv. gekaauwde sierih of water, 
uitspuwen; zoo als bijv. de sdnro, d. i. Inlandsche 
doctor, of doctores, bij de behandeling van patiën- 
ten doet. (Boeg. pSró). 

Paporasa, datgeen, wat op deze wijze uitge- 
spogen wordt, uitspuwsel. 

Pamorasa, 't Mal. ^sy^, donderbus. 

/O 'S ^ O (por&ssi), =z poerassi. 

/si'NfJsO (pórisi), bep. porisika, voorhuis 
van een Europecsch huis. 

/si ^ O ^ (parasangang), land, negrie. — 
Aua-parasangang, kind van een land, d. i. inboorling. 

Parasangang Qadi, kleine negrie. Dit zou men 
kunnen bezigen, om ons dorp te vertalen. De In- 
lander kent het onderscheid tusschen dorpen en 
steden niet. 

^ ^ O '^ ^ (parasangeng), = parasUi^ang. 
(D. Moes.) 

/O^O/O (parasèdja), vergeefs. 

/^ ^ O *^ (parasüa), bep. parasilaya, soort 
van gaflFeltje, waarop de in het gevecht overwon- 
nen haan met zijn' kop gelegd wordt. 

/si ^ ^ (piraoe). Men zie rdoe N°. 2. 

X /si \ ^ ^^ 'N /^ {pereóna), 't Ar. ^ykyS, 
Pharao. 

^^^ ^^ X *^ (paraëlc), bep. paraëleya, 
't Arab. (jdSLftJI, de goddelijke voorschriften, v. d. 



136 



voor den Mohammedaan: aüe voorachrijten des Ko- 
rans y V. d. bij uitnemendheid die voorschriften, 
welke betrekking hebben op de verdeeUng van er- 
femsaen, 

^ ^ i^ <^ O (parahiyiUang), 't Mal. 
^j^Mt i kJj^jJ, sieraad, (Djay.) 

^^^ (l"" pala), bep. psllaka, het holle van 
hand of voet; b^v.: plla-lima, de palm van de hand. 
Boeg. pMd, — P2J6-Mlngkeng, voetzool. — Tj<^5^>^ 
pM^bangkeng. Men zie tjoé^oe N^ l.-^Si-pêltó, 
één hand breed, — P&16-mêyong, lett.: katteklaauw. 
Aldus door den Inlander genoemd eene soort van 
boompje, welks takken, wanneer men die van den 
stam afscheurt, steeds den vorm van een katte- 
klaauwtje vertoonen. De Inlanders kennen aan 
zulk een takje een b^zondere kracht toe, tot ver- 
hrjjging van hunne wenschen, enkel en alleen op 
grond van de beteekenis van péUd N**. 4. 

(2'' p&la), bep. pal^ya, de MyrisOca fragrans, 
Houtt, Boeg. Sd. Mal. Jav. idem, Sanskr. /)Aa2a. 
— Mppo pllla, muskaainoot, — Bdbnga p&la, 
fodie. 

(S"". pdJa). — SapéOa-péOa schijnt derzelfde be- 
teekenis te hebben als het Mal. serta, en alzoo te 
dienen om twee vohdnnen zeer naauw met elkan- 
der te vereenigen , om bijvoorbeeld te kennen te 
geven, dat twee dingen tegel^kert^d plaats vin- 
den, nu eens in het HoUandsch te vertalen met 
terwijl i dan eens met wanneer ^ dan weder met wat 
anders ; bijv. : sapMa-pMa koel&mpa, koesiyagangi 
toWang ly^noe. als ik dan gaan moet, ga ik met 
mijnheer N, N. — Sap&la-pMa noedjini, nataipa- 
todjeng IMo, als g^ dan genegenheid moet opvatten , 
moge het dan zijn voor eene tcipa-tódjeng ^ of beste 
soort van mdngga's , d. i. voor een meisje van de tdt- 



stekendste hoedanigheden (Kei.) — SapUa-pala ki- 
^sseng bd^ Mangk^sadi, na-kitarrdbsi-tömmo, 
terwijl gij reeds wat Makassaarach kent, tracht het 
nu ook grondig te leeren, •— SaplLla-p^la mangeya 
ri-Djilwa, na-koet^rroesoe-tommo antlLma ri-Ba- 
l^nda, als ik naar Jawi ga, zal ik ook maar door- 
gaan naar Holland. — Sap^la-p^la mangey4 ri- 
ball^ta, koemange-tömmo adjönga, als ik tot u 
kom , zal ik ook maar tegeVjk gaan jagen, (NB. Dit 
kan men bjjvoorb. ten antwoord geven , wanneer 
de vorst ons een jagt voorstelt, en tegel^kert^d 
proponeert, om eerst nog eens daarover te komen 
praten.) — SapMa-pUa-ko b&lde-bekloe, fya-tong 
lalo ^noe b^djika, als gij verkoopt ^ moge het dan 
tevens wat goeds zijn l 

(4® p&tó), ^pÉLlé, vragen^ verzoeken, — Apala- 
dowang, beden vragen ^ d. i. bidden, — Apila 
kÉ.na, een woord vragen; v. d.: vergunning vragen 
tot iets , bijv. om een overtreder der wet binnen 
's koning's erf te binden (Rap. K. G.); v. d.: verlof 
vragen om heen te gaan, v. d. : afscheid nemen; v. 
d. ook gebezigd van : een meisje dat haren minnaar 
bedankt, hem zyn congé geeft (Kei.) 

Ampap^la-kanai, of: ampapala-kanangi,temaiMJ' 
zijn afscheid geven, hem, op zijn verzoek, vergunnen 
om heen te gaan. 

Sdbra pap^U, een verzoekschrift, 

AplLli-paid, gedurig vragen, als 't ware zjjn 
ambacht maken van hét vragen , v. d. bedelen. 

Fap^l^palé, bedelaar, 

'PeL^a\&V.]d, iemand iets vragen; bijv.: Na-iyapa- 
tanna bisêyang nipapalikkki sdbssoeng , de eigenaar 
van het vaartuig wordt gevraagd om sóhasoeng (, men 
zie sdfessoeng N**. 2). (Eap. K. G.) 

PapallLkkang, a) bezigen, een t^d by voorbeeld. 



197 



ioi vraging ^ om op ie vragen, te verzoeken; b) voor | zijt gij zoo onver9chiUig omtrent my? (NB. woorden 
iemand vragen. Byv.: &nne allowa bSicijiki nipapa- eener moeder tot haren zoon.) (Djay.) 
l&kkang parêkang-bine, deze dag is goed om te be- Kapalld.kki, onverêchHlig zijn omtrent iemand: 
sigen tot ket vragen van, enz., d. i. deze dag is goed bijv. -. teya-ko kapallakki karacnnoe, kenang;t0^«9^ 
(, gelukkig), om op ie vragen paddie tot het zaaijen niet onverschillig omtrent uwen vorst, mannen; d. i. 



van meuw gewas. — Iki.tte todoiig naranno'fewang, 
ampapalllkkangi sdbré-biseyUnna, en hij vertrouwt 
ook^ dat gij een scheepspas voor hem zult vragen. 
(Brief.) — Tdbloeng-sd, na-noepapalslkkangd pole 
ri-toe-malomp6wa la rdëwampclblo-pap&nna , help 
mij eens , om den Gouverneur voor mij nogmaals een 
tsvintig stuks latten te verzoeken. (Brief.) 

Papalakkiyangi, iets ergens voor vragen, verzoe- 
ken (, vorderen); byv.: rdëwan-taï todong nipapa- 
lakkiyangi, zestien reyaal worden daarvoor gevraagd 
(Bap. K. G.) 

Ap&tó-toeldbiïgang riyjlnoe, hulp vragen van 
N.N. 

Pap&l^toeldbngang, a) hulpvraging; b) voor het 
een (pander hulp vragen of verzoeken, bijv. riy&noe, 
aan N. N. als: ^ntoe, koepapalitoeldbnganga ri- 
k&oe, datgeen, waarvoor ik u om hulp gevraagd heb. 
— Koepapali-toelcfengang ri-tdfewang, ik vraag 
mynheer om hulp voor, te weten : het hieronder vol- 
gende. (Brief.) 

Pap^I4-toeldbngi , iemand bezigen om hulp aan 
ie verzoeken, aan iemand hulp verzoeken; bij?. : na- 
&Dne papala-toeldbnganga, to'bwang iyÉ.noe nipapsL 
Ift-toelobngi, en wat betreft dit verzoeken van hulp; 
manheer is het, wien men om deze hulp verzoekt. 

(5® p&lla), bep. pallaka, onverschillig omtrent 
het welzijn van ben, tot wie wij in naanwe betrek- 
king staan, en wier belangen wij zorgvuldig be- 
hoorden ter harte te nemen (, Boeg. mdlli); bijv.: 
angslpai naplllld-k^mmapamainoe rin^kkeP waarom 



spaart uwen vorst, waakt voor hem. (NB. woorden 
gesproken tot het volk, wanneer het ten stryde 
trekt.) — Têya-ko kapall&kki kakilnnoe , wees niet 
onverschillig omtrent uwen oudsten broeder , d. i. be- 
waak hem goed. (M^i.) 

Sikapallakki, onverschillig zijn omtrent elkan- 
der, elkander's belang niet ter harte nemen; b^v. : 
iya nasikapall&kki-mo tac^wa sipaman&kang, sisari 
b^ttang, alamd p^nra-mmt^ boettlLna, wanneer 
bloedverwanten en broeders onverschillig geworden 
zyn omtrent elkander's weêrkeerig belang, is dit een 
teeken dat de ondergang van hun landnab^' is. (Bap.) 

^*^ (r pMang). (Vergel. het Jav. ctaiiN, 
dwarshout, dwarsboom, dwarsbalk, hinderpaal, van 
Ajnnji\ , du)ars, atUêis, ékoarsboomen.) — F&lang- 
Ukki, of: palantdbkd, lett. dwarshouten van een* 
trap, V. d. treden van een trap. Vergel. tdèkd. 

F&lang-palaiïg , dwarshouten tot steuning van 
den mast. — Palang-p&lang ^mbing, een dwars- 
hout in den vorm van een rek om touwen aan 
vast te binden boven do pagoélingarig. 

Amp^ang-palangi banawslya, de bandwa van 
een pdlang-pdlang voorzien. (G. G.) Vergel. kdlang 
NM. 

PapêJang, = lanrdsaf^, aanbeeld, hakhord. 

(2** palang), Toerat., = bardèga. 

(3** pallang), walgelijk van smaak, sterk, bijv. 
boter of oly. Boeg. mdpaUang. 

^ ^ (p^li), bep. p&lika, eigenl. Boeg., doch 
ook in 't Mak. gebruikt, naar visch of bloed of lij- 



128 



ken riekende y bijv.: p&li rasanna, het heeft eene 
visch' of bloedlucht, NB. heeft overeenkomst met 
mdnjnjeré^ doch geeft een erger* graad van stank 
te kennen. 

(2® pêili), iets ergens omwinden ^ bijv. siko-aya 
si-pali, XqÜ. buikband y één ommndsely v. d. butk- 
band die één keer om het lijf gewonden wordt. — Si- 
gara si-pMi, een stgard die één keer om het hoofd 
gewonden wordt. — Si-pali-dji nSlwa-nawanna, lett. 
zijn verstand is maar één keer omgewondeny d. i. hij 
heeft niet veel verstand; is dom. 

(3« pMli). - P&lli-paili, bep. paili-pMlika, het 
Boeg. paUi, een klein stukje ^ een snippertje ^ papier 
bijv. of linnen (vergelijk het Jav. aüiA^\y half, 
help); bijv. karattasa si-palli-p&lli, een klein stukje 
papier. 

(4® p^i), bep. palliya, weinig haar aan de 
oogen en wenkbraauwen, of aan het schaamdeel 
hebbende, hetgeen voor een teeken van ongeluk 
gehouden wordt. 

^ ^ (1^ pÖ-ling). — Paiing-paling, het ge- 
deelte van den arm , van den schouder af, tot aan 
den elleboog, de bovenarm. (IM^di). Ook gespro- 
ken van de pdli)7g'pdlittg van een paard, en alsdan 
het bovenste gedeelte van de voorpooten. 

(2° paling). — P&ling-pïlUng, = inroJnro. 
Vei^. inro. 

^ ^5> (l^'pdloe). Vergel. het Mal.,Sund.en Jav. 
pdloe, klopper, hamer. 

P&loe-paloe, bep. pMoe-paldfewa, klopper, ha- 
mer, knods, werktuig om de bedding van een zout- 
pan meê vast te kloppen. Bo^. idem. 

Kïlnre-djêlwa-paloe, gebraden bras of djagong, 
fijn gemalen, en, met suiker en geraspte klapper 
gemengd, in een* vorm gedaan. 



(2° palloe), bep. palldbwa, vnw. palldbngkoe, 
soort van kombuis, zijnde niets anders dan een 
bak van hout of bamboe, in den vorm van een 
langwerpig vierkant, die met zand gevuld is, en 
gewoonlijk drie taring's (, men zie beneden op td- 
ring,) bevat. — Palloe-Q5di, een kleine pdÜoe. NB. 
deze gewoonlijk van gebakken aardewerk, en 
slechts groot genoeg, om één enkelen pot op te 
zetten. Ook verschilt de vonn geheel, zijnde niet 
langwerpig vierkant, maar aan de eene zijde met 
een hoogen en ronden rand. 

Ap^Uoe, koken. — Djené lêba-nipallcfewa, het 
gekookte water, — PêLlloe-scLla, halfgaar, — Pal- 
loe-mê.ra, lett.: droog kooksel; v. d. djdfeko'e pSilloe- 
m&ra , visch gekookt met tamarinde eji zout, — Pal- 
loe-mara têdong, buffelvleesch , gekookt met tama- 
rinde en zout, — P&lloe-mê,ra l^me, Idme-kandóra, 
of Idme-Balanda, gekookt met bruine suiker. — 
PMloe-msira cfenti, pisaii^vrucht gekookt met bruine 
suiker. — PsiUoe-m&ra bóyó, bóyó-soeldpd met sui- 

A 

ker gekookt, enz. — Tinro-pjllloe-mara, even als 
de visschen bij de palloe-mara, in allerlei rigtingeu 
door elkander liggen te slapen. 

P^lloe-b&sa, lett. nat-kooksel, en verschilt hier- 
in van de pdüoe-tndra, dat er veel water op blijft, 
terwijl bij het laatstgenoemd geregt het water na- 
genoeg opgekookt wordt. — Palloe-basa djdfeko'e, 
visch met bUmbing , zout en veel water gekookt, — 
PftUoe-bê^a têdong, buffelvleesch met bUmbing^ zout 
en veel water gekookt, — Zoo ook pdUoe-bdsa van 
hertevleesch en meer dei^el. gemaakt. 

Ap^Uoe palêle. Men zie Iele N°. 1. 

PUlloe kola. Men zie kóld N°. 2. 

PSJloe bo'fetoeng, = pdUoe kóld, 

Palloe-dj^wa, manier om de rijst te koken 



1Ü9 



waarbij het water niet afg^oten wordt (, ni- 
nnsi). 

Nip&Uoe-kêbó, gekookt worden toftdathetwU ia. 

Papalldbwangi, voor hem koken. — Noenipa 
palldbwang-mo, voor u wordt er gekookt. — Nipa- 
palldbwang-mako, er wordt voor u gekookt. 

Pap^oe, a) het koken; v. d. kS-yoe-papalloe, 
lett: kook' Y. d. brandhout. (D. Moes); b) pap^l- 
loe, kok; V. d. papSllloe golla, iemand die suiker 
kookt; Y. d. pap&lloe golKLna MangksLsaraka, de 
Makatsaarsehe nakerkokera. NB. Hieronder te ver- 
staan de bergbewoners, bijv. die bij de kof^tuinen 
van Göwa te Pê^tjoSg» boven Bonthain, wonen. 
Dese menseben worden ook genoemd /^amo^^^JiE^a 
Mangkdaaraka, men zie ménjijong N'. 1, en ins- 
gelijks de Toe-rdya^a van G6wa. — Si-pallcfewang, 
^ kookael. 

I^lloe-piLlloe, een langwerpig vierkant van 
steenen boven op de graven, tenzij men zich van 
een ialóeU^ bediene. Yergel. tal(fetde N^ 2. We- 
gens overeenkomst in vorm met de voor het ko- 
ken bestemde pdUoe^ welligt genoemd: pdüoe^pdlr- 
Ice, lett. hetgeen lykent op een pdHoe, 

^\^^ (1" pSlle), bep. palêya, zwaky v. d. 
Imddooa, v.d. ook zacht, teeder, vriendelijk. (Boeg. 
idem); b^v.: mépdJe-ng^seng-mo &nne patin- 
ting&nna monjtjo^koe, ik hen over myn ganache 
ligdkaam luatetooa, tot zelfa in de openingen der huid 
waar de haartjea door te voorachijn komen. (Sinr.) 
Biberé pdle ^pangara ri-sawinna, lippen, zacht 
(, of vriendelijk,) om zijn acheepavolk aan te sporen. 
(Dat. M.) — PMe boewakkang-mslta, zacht (,of 
vriendelijk,) de oogen opslaande. Men zie bdewd 
N*. 8. 

(2* i^le), bep. palêya, naam eener ster, de 



Avondster. Boeg. idem. — Pale m^noentoeiïga 
b&ngi, de avondster die defi ganachen nacht doc/r 
achijni; geb. als beeld van een meisje dat er aUijd 
mooi uitziet. 

(3° pale), ieta m^t smaak of zekeren zwier ver- 
rigtm. 

^ \ ^O (plLleng), = het Boeg. pale, woordje 
gebez. bij het maken eener gevolgtrekking, ons: 
dan; bijv.t&pa piLleng? wai (^f — Siganraip^leog 
k&mma? Js het dan gepast om zoo te handelen? 
(Sinr.) 

^^^ (V palo). — Paio-ptllo, bep. pMo- 
palówa, hoed. Boeg. idem. — P^lo-r^, eene 
soort van gevlochten hoed, die zoo gemaakt is, dat 
er geen kogel door dringt, dewijl hij op het hoofd 
ronddraait wanneer er iets tegen aankomt. Verg. 
rdga N". 3. — P&lo tjimpd, eene soort van ge- 
vlochten hoed, zooals gewoonlijk op de jagt en op 
reis gebezigd wordt. Verg. tjïmpd. 

(2° p&Uo), gebezigd van vrachten die er op 
het oog rijp uitzien, doch geplukt zijnde, slechts 
week zijn; komt ook voor van vruchten die onrijp 
afgeplakt en alleen door kunst of broeijing week 
gemaakt zijn. Boeg. mdpiUo. 

(3° p^o), bep. p^oka, aars-darm, B. idem. — 
Asdblo^e pall^na, eene ziekte, waarbij de/?ai^naar 
buiten komt; door de medici genoemd: eene voor- 
vaUing van het darmkanaal. 

Taï-paitó. Men zie tdi N°. 2. 

^ ^ (pila)> hoemeer, des te meer, hoe langer 
des te meer. Boeg. idem; byvoorb.: na-anjdjo kni 
roewSlya sis^lribattang pila-lómpo-lómpo-tömmi, 
en die twee brdkrtjes werden koe langer des te groo- 
ter. (^jay.) Men zie péla N^ 2. 

>^^ (pili) geheel duizelig of bewusteloos tej- 

17 



130 



nederstorien^ bijv. geb. van menscheny ook van ka- 
nen bij de hanengevechten. 

#Ni\^ (pile), mile, 't Mal. en ^BY.püih, 
kiezen, uitkiezen, uUzoeken. Boeg. ile, 

Pamïle, 't kiezen, keuze. (Bap. K. G.) — Pa- 
milêï, lett. hei een of ander, bijv. koopwaren, bezigen 
om uU te kiezen; bijv.: êro-pi nipamüêï ri-sawmna, 
zoo hij (, te weten : de amücóda^) «nl, dot er eene keuze 
gedaan worde door zjjne sdwi^s, d. i. zoo hij zyne edw^e 
uit ds gekochte goederen wil laten kiezen. (Bap. T. Dj.) 

Pamilêyang, lett. keuze, doch altoos in slechten 
zin genomen, zooals wij spreken van uitgezocht 
slecht, en van uiteohot; bijv. : pamileyanna tadbwa, 
hei uitschot dea mensehdonu. ~ Taêna-mo djdbkde, 
pamilêyang-mami, er is. geen visck meer (, bijv. op 
de tnarkf); het is slechts uitschot ((tfval). 

^ ^ (po'bU), bep. pdblaka, mengsel van rijst 
met het een of ander, b\jv. met djagonp, of sdtd- 
sdld, of ddmpoeloe öhnti, oï itseré tatpa (, d. i. 
manggapitten), of sikdpa. Men zie sdld N°. 4, ddm- 
poeloe, óhnti, tatpa en sikdpa. NB. bij schaarschte 
van r^st neemt men gewoonlijk tot d^ pdhld de 
toevlugt. Boeg. p(fel&, 

^ ^ {V pdfeli), bep. poeliya, vnw. poeling- 
koe, en: poelikoe; doch het laatste beter. Men 
vergelgke het Jav. tAA^\, teruggekeerd, hersteld, 
zich herstellen, t» den vorigen staat terugkeeren; 
standhouden, weerstand bieden, wreken. Het Ma- 
kass. poeli gebezigd van alles wat twee personen , 
of zaken, gelijkelijk, of te zomen, doen of ondervin^ 
den, (Boeg. idem); bijvoorb. in het hanengevecht, 
wanneer beide eigenaars hunne hanen zien sterven, 
zoodat geen van hen overwinnaar is. Zoo ook in 
het dobbel- of ander spel, wanneer het pdri staat; 
bijv.: pcAïli gftoeka, de zaak staat pari. — Zoo ook: 



siLwi pdbli, matrozen, die als het ware éin en hei- 
zelfde lot hebben mei hun schip , daarop dienen van 
M oogenblik af, dat het gebouwd is. Zoo ook : poto- 
pdbli, een knoop, waardoor twee touwen vereenigd 
worden, die even sterk zijn, elkander als 't ware ^e- 
lyk staan, v. d. tfwi stevige knoop. (Tar.) — Zoo : klyoe- 
po'bli, soort van boom, welks takken zich zoo sterk 
om andere boomen slingeren, dat z^ zich daarmede 
als 't ware vereenzelvigen, Loranthus sp. Ook ge- 
noemd mala^öèwi. Yergel. vooral op malaQéhn. — 
Zoo: kilSjang-pdëli, een stevige kddja^ (p^ dezelfde 
wijze te verklaren als het voorafgaande); v. d. ge- 
bez. als t)eeld van standvastigheid en getrouwheid, 
(Tar., Kei.) — M&k^^ang-pdbli , een vaste woning 
hebben, in tegenstelling van: m&ksLdjang-kft^ang, 
een* tijdd^ke woning hMen, 

Zoo ook: papo'bli, lett. doeu gelijkstaan, te weten : 
de draf met de misdaad; bijv. een moord met dood- 
straf vergeiden (jus taÜonis). (Bap.) — Nipspdfeli, vol- 
gens het jus taUoms (, d. i. hier : met den dood,) vergal' 
den worden. (Inl. Wetb.)— Tanipapoeliyaï, h^ wordt 
niet volgens het jus talionis vergolden, (Bap. T. Dj.) 

Nipasipoeliyang, zoo vastgemaakt worden, dat 
het niet meer los kan. 

(2** pdbli), (een schip) van de kiel op vermeuwen 
(Bap., Inl. Wetb.) 

(3** pcifeli). — Apo^li-pc^li, zeggen. (Sinr.) 

^ *5> (pdfelocng). — Poelcfengaiig, 't bovenste 
van de b(ft;kkoe van een padoew&kang; ook op 8n« 
dere vaartuigen aangetroffen. De poeUfengang van 
een praauw staat gelijk met de boembdbngang van 
een huis. 

^ ^^ *^ (1** pdblo), het Jav. en Mal. pf^loek, 
tiental. Boeg. idem. — Sampdfelo, tien. — Sam- 
po'felo ass^re, elf — Sampdfelo anrdëwa, twaalf. — 



131 



Sampoiblo antlilloe, dertien. — Sampdblo ngdppa, 
of: éugUppd, veertien, — Sampdblo allima, v\ifóien. 
— 8ampc»blo ngéLonang, of: ^ngènnang, zeêiien. — 
Sampoblo antc>édjoe, zeventien. — Sampdëlo asslU 
gantdMjoe, achttien, — Sampdëlo assal&pang, ne- 
genUen, — B<ibwam-p<)^lo , twintig, ~ T^lloem- 
pdëlo, dertig. — Htampciblo, veertig, — Limam- 
pcWo, vüftig. — Annampdblo, sestig. — Tdfe^oe- 
pdUo, seventig. — Sagantc^bdjoe-pc^lo, tachtig, — 
Sal&pam-pd^lo, negentig. Vergel. mijne Makass. 
Spnakk.de §§97, 98 en 99. 

Kaaampdëb, makasampdblo , of: m&kapisam- 
pdblo, tiende; v. d.: kasampoeldna , m^kaBampoe- 
lona, of mékapisampoeldna, de of het tiende van 
hem^ haar, het of: hen, v. d. ten tiende. Vei^l. 
m^ne Mak. SpraakL § 119. Vergei. ook liet Mal. 
«JyiMAO en het Jav. £èaji»A(ru^\. 

M^kasampoelona ass^re, de o^ het elfde van 
hem, haar, het, of hen, v. d. ten elfde, — M&ka- 
ampoelóna anrrfbwa, de of het twaalfde van hem, 
haar, het, of hen; v. d. ten twaalfde. — Mikasam- 
podona ant^oe , de, of: het dertiende, van hem, 
haar, hetof hen, v.d, tendertiende. — Mikaaampoe- 
ISna angapp^, de of het veertiende van hem, haar, 
keif cS hen; y. d. ten veertiende. — Mikasampoe- 
6iia allima, de oï het vijftiende van hem, haar, het, 
of hen; T. d.: ten vijftiende. — Mékaaampoelóna 
ang^nang, de of het gediende van hem, haar, het, 
of Men; ▼. d. ten zestiende. — Mdkasampoelóna an- 
tdfedjoe, de of het zeventiende van hem, haar, het, of 
he»; V. d. ten zeventiende. — MiLkaaampoelóna as- 
9i^ni(k^oe,deofhet achttiende van hem, haar, het, 
<AJken ; T. d. ten achttiende. — M^kasampoelona assa- 
lipang, de of het, negentiende van hem, haar, het, of 
hem; ▼. d. ten negentiende. 



Tawa-sampoelona , één tiende. Vergel. het Jav. 
«jiaji'naw9<L«<rtj|^t>yifl^\, zamengest. uit AJioiN, deely 
= 't Mak. tdwa, -f- (Mm^x , tien. Vcrgel. insgel. 
het Mal. xJai^JU» , welks per welligt gelijk stnat 
met het Jav. tui'rt\. Men zie mijne Mak. Spraakk. 
§ 121. 

Pisampo'blo, tien-maal. Vergelijk het Jav. 
£)x9t^injp. Men zie ook mijne Mak. Spr. § 117. 

L^pp4-sampdëlo, tienvoud. Verg. mijne Mak. 
Spr. § 118. 

(2* pdëlo-pdfelo), 't Mal. ySy3, = het Mak. 
hyoe-liy^^kang. (Rap. T. Dj.) 

\^^ (1* pêld), wegwerpen, v. d. verdreven, 
veretooten, eene vrouw bijv. — Toe-nipêU, een bal- 
ting. — Pêl6 dowé, geld weggoaijen, vermoreen. — 
Mamèl^ w&ttoe, biduren weggooigen, d. i. veron- 
achizamen , verzuimen. — Koko nipêla , lett. een 
tuin die weggeworpen wordt , d. i. een tuin zonder 
omheining; staat tegenover een kóko-nipakadjdrré , 
een tmn, die stevig omheind is. Men zie djdrré. — 
TapêUL, taëna alley&nna, lett. : weggegooid, zoodat 
er geen nemen van is, gebezigd van iemand van ver- 
regaand losse leventwyze. — Mêl&, weggooijen, 
soms pereuphemisme gebezigd voor: têtêi, kakken. 
Verg. tdi N^ 2. 

PamelAk'kaiig, wegwerping, het wegwerpen; v. 
d. : pamelakkSlnna b&raka, lett. het weggooiden van 
de Wedmoeson, v. d. het einde van de Westmoeson. 
— Famel^kkang-t&oe, uitschot van het menschdom, 

PêU-pêl4, verkwisten, vermorsen. 

Pamêl4-mel&kki k&na kar^nga, lett.: tegen 
den vorst met woorden morsen, d. i. gemeene mtdruk' 
kingen, smaadredenen bezigen tegen den vord. (Hap.) 

Sipêli, elkander verstooten , v. d. van elkander 
scheiden, echtscheiden. 



132 



Pasipêfa, doen echUcheiden. 

(2° pêla), =zptla, hoe meer^ des te meer, hoe 
langer, de% te meer, enz. — Pêla djai, hoe langer d^s 
te meer, — Pêla lompo, hoe langer des te grooter. — 
Pêla maë &II0, pêla b&dji, bij den dag beter. 



teekeneu: tot elkander terugkeereti. Vergel. póle 
N^ 2. 

Sipolêyang, samenkomen met^ v. d. overeemtem' 
men met, neerkomen op, ▼. d. ook: uUkomen, te 
weten: eene berekening of teüing; bij?.: Sipolêyangi 



T^^C^'N (pêlo), oprollen, het zeil. Boegi- ri-kanannaya lyanoe, het komt overeen met, d. i. 



neesch idem. 

Pelökang, het hout dat onder aan het zeilis; 
terwijl baoe N°. 3 boven aan hetzelve gevondenwordt. 

Pamêld, hout dat gestoken wordt in een gat aan 
het einde van de pelókang, ten einde deze om te 
draayen. 

^ ^ \ ^ (1° pole), = het Boeg. pSle, ko- 
men; bijv.: pöle tdkê.mpo ri-balla-lomp6wa, komen 
tot aan 's koning's huis, (D. Moes., M^). — Angïng 
battdbwa ri-Barang, polêya ri-Koding&reng, de 
mnd komende van Bdraiïg, komende van Kódingd- 
reng. (Dat. Moes.) — Ta-polêyaï ipaTèysi, de pad- 
die kond niet, d. i. er vast geen paddie, (Inl. Wetb.) — 
Póle-ónro-mi , het Boeg. póle-6nro-ni, h^ is hersteld, 
wordt soms ook door Makassaren gebezigd. 

Ampolei timoe-timo'ënna, = ampapélet timoe- 
timdènna, = ampabaUoe ttmoe-timöenna. (M^i.) 
Vergel. papdle hier onder. 

Papole, doen komen, bijv.: geld, d. i. betalen; 
als: apapole-dji sitanga rêyald si-kayoe dj^aiïg 
têdong-ka, hy betaalt slechts een halve reaal voor 
elk paard of buffel, (Kap.) ' 

Papolêyaiïg, ergens voor doen komen, voor beta- 
len, bijv.: roWan-rêyala-dji nipapolêyangi, twee 
realen slechts worden hem daarvoor betaald, (Bap., 
Inl. wetb., Bap. T. Dj.) 

Sipole, zamenkomen, geb. van echtgenooten, 
die na eene scheiding weder zamen trouwen. (Bap.) 
NB. SipSle zou hier ook zeer goed kunnen be- 



neder op, het zeggen van N. N. (Brief). — Ponna 
sipolêyang-dja ri-pangolóna nslwa-nawangkoe ri- 
oekirita, zoo het zamenkomt, d. i. overeenkomt met, 
d. i. nederkonU op, myne gedachte ten opzigte va» 
uw schrijven, d. i. zoo mjjne gedachte ten opzigte van 
uw schryven juist is, (Brief). — Sipolêyang-dji, 
de hoeveelheid gelds komt overeen met hetgeen er 
z\jn moet, v. d. het komt uit, . 

Pasipolêyang, iets doen zamenkomen met wat 
anders, v. d. twee dingen met elkander vergeleken, 
V. d. het een qf ander controleren door het te toetsen 
aan de waarheid, bijv.: eene rekening, bijv.: iemands 
gedrag, enz., als: kodiya-ka napasipolêyangi ri- 
katte, uit vreeze dat hy het (, te weten: wat ik hem 
verteld heb), zal controleren, of aan de waarheid 
toetsen, by u. (Brief). 

(2° pole), terugkeeren; v. d. wederom^ nog, nog- 
maals, her-, terug, en dergel. meer, soms insgelijks 
ons ook; bg voorbeeld: ta-polêyaï pakekêya, lett. 
de spade keert niet terug, d. i. blyft op het kerkhqf, 
te weten: van wege de menigte der lijken, die be- 
graven moeten worden. (Tap.) — Êrang-pole, te- 
rugbrengen, V. d. te huis brengen; als: nam^dj&nnang 
kasalam&kkanga ri-batang-kalênna, na-naërang- 
pole mange ri-bdbtta-simemang&nta, parasa^aiig 
la-kikadjannangiya, dat hem bestendig vergezeüe het 
geluk, en dat hy het ook medeneme naar het land, waar- 
voor wy van den beginne af bestemd zyn, Jtet land, waar 
wij eeuwig zullen verblyven/ vergel. verder érar^. 



133 



iya-töng-p61e, Ictt. dtU er ook nog by, v. d. 
baoendHen nog. — tnaï-pa-p61e sir^tang m&te? wie 
iê hei nóg InU^k dat sierve? te weten: wanneer tk 
niet zou derven/ (M^.) — Inlï-pa-pole anjtjiniki 
ksbaSjikllnna aringkoe, ponna ta-inakkêya? wie 
ziet er nog de braafheid van myne jongere zuster, 
200 ii heinieidoe 7 (Bid.) — Na-iya djoemall&na 616- 
dld napélaka, 3000 têdong, dj^nga-pdle, siy^pa- 
töng djaina, en het getal der weggevoerde (geroof- 
de) heeden bedraagt 3000 buffeU, de paarden nog 
(, of: ook;) daaronder gerekend , zoo veel als er dan 
geweed zijn. NB. Aldus uitgedrukt, dewyl het ge- 
tal der buffels verreweg dat di^t paarden overtrof; 
ware het gelijk geweest, zoo zou men gezegd hebben: 
3000 têdong siyagmg é^drang, SOOO buffelsenpaarden. 
— T&oeng-pole, lett. nog één jaar, d. ï.het toeko- 
mende, het volgende^ jaar, het Boeg. tdoer^-pamdr^. 

Polêyang, wederom, nog, enz.; bijv.: ésSlssa- 
polêyang, wederom wasschen, nog eens-, of over- 
wasschen. — Ap&lloe-polêyang, wederom- nog eens 
koken, over-koken. — A.pakaramo'bla polêyang, 
wederom beginnen. (Bap. T. Dj.) 

Papole, doen terugkeeren, nog eens doen zyn^ 
herhalen; bijv.: papóle bilang, eene teüing herha- 
len, d.i. nog eens tellen, óverteUen. — Papole kilna, 
nog eens of óver zeggen, — Papole kiyó, nog eens 
roepen. — Papole birita, nog eens noodigen. — 
Ampapólei s^rftya, doen terugkeeren de stem of het 
woord, d. i. het verbond ontbinden, elkander als het 
ware z^n woord teruggeven. (Bap.) Vergel. am- 
pólei sérdya, op 61e W. 1. 

Papole soemanga. Men zie soem^ngd. 

Jpapóle ook gebezigd voor ojmuü^o, de jonge 
paddie stampen, (men zie op déko,) de paddie als 
't ware doen terugkeeren tot denzelfden toestand. 



waarin zij vroeger aan de aarde is toevertrouwd, 
d. i. tot rystkorrels. 

Sipapóle b^oe, elkander terugzenden koopwa- 
ren. (Bap. T. Q.) 

(3** póle). •— Ampoleï siraya, póleï tïnjSjanoe, 
mange ampole (mole) tii^djana, möle-mole, pa- 
móle-móle. Men zie beneden (^ N°. 1. 

^ 'N *^ ^ (pólong), molong, snyden, afsnij- 
den, afhouwen, eene snede, een stuk. ^/LBl.pdtong, Boeg. 
p6lo, idem ; by v. : polong oelo'bnna, iemand*s hoofd af- 
snijden, afhouwen, d. i. onthoefden. — Pólong bajog- 
kênna, iemands been afsnijden oi afzetten. — Polong 
rar&nna, de kam van eeri haan afsneden. Men zie 
sódo. — Polong rcfekoe, gras sneden. Men zie 
kéré roekoe, op kéré^^, 1. — Pólong o^ena, iemands 
hoofdhaar c^fsnijden (,bijv. wt smaad). NB. Kan 
niet gebezigd worden voor % haar knippen. Men 
zit goenj^ü^, pa^kasd, en/i^<£N°. 3. — Amó- 
long t^boe, suikerriet doorsneden, doorhouwen. 
Soort van spel, waarbij men twee of meer stukken 
suikerriet in één slag tracht door te houwen. — 
Pólong si-paging, een gedeelte Gbijv. van zekere 
som gelds,) afsnijden, d. i. korten. » Amólong ka- 
nslnna, iemands woorden afsneden, d. i. iemand in 
de rede vallen; v. d. ook: iemand verhinderen, om 
datgeen te volvoeren, wat hy zegt te willen doen, d. i. 
iemand beletten om zjjn voornemen te volbrengen. 
(D. Moes.) — Bênteng-pólong. Men zie bén- 
teitg N°. 3. — Toe-amólong lila karaëiïg, lett. 
iemand die een vorst de tong afsnydt, v. d. iemand 
die de nadrukkelijke bevelen eens konings opzettel^k 
overtreedt. NB. nog sterker uitdrukking dan toe- 
dnémpa bdwa-kardëng. (Yeigel. têmpa, — Amólong 
dolanganga, de zee doorsnijden, met een vaartuig, 
d. i. doorklieven. (Dat. Moes.) V. d. ook, zonder 



134 



b^ voeging van dólénga^^ in dezelfde beteekenis 
genomen; b\jv.: pad&nggang ^mölonga-dji, ^b^jl 
apasimomb^ngi , wanneer de kooplieden üecM» 
de zee doorklieven^ d. i. het ruime eop kiezen y en 'i 
niet lange de kuet honden^ ie het goed^ dien (dag) tot 
zeilen te bezigen^ d. i. op dien dag te zeilen.. — 
Ta-nilal6wi bok6na; ta-nipölong dallekanna; het is 
niet vergund er achter te loopen; ook mag men niet 
deplaaia^ die er vóór ia, dóóranyden, d. i. men mag 
er noch achter-y noch vóór loopen. NB. £r wordt 
hier gesproken van het vervoeren van het r^ks- 
vaandel, waarbij men op z^ moet bl^'ven staan 
totdat het gepasseerd is. — Si-p61ong, ^én enede, 
één etuk, één gedeeUe, één haJf^ de helft; b^v.: 
rdbwan-tlif assi-pólong, twee té^ en één haUJ, d. i. 
20 reaal, (Eap.) — Polong-p^a^, tivk van een 
degen, v. d. gebezigd van een piek» wier lemmet 
van een stuk van een degen gemaakt is. (M^di). •— 
Polong-t^oe kanoekciënna, zyn nagels zijn in drieën 
gebroken, — Polong-parro^ena, of ook met wegla» 
ting van pdrroe, eenvoudig: polonna, z^n broeder 
* of zuster. (M^.) — Dingïng-si-polong-mi, h^ ie 
al voor een gedeelte koud. NB. gebezigd van iemand 
die op sterven ligt. — Tj&re-Qdjre tdsi-polong-pölong. 
Men zie: Qdre. — Apóbng-polong, aan stukken, 
V. d. ook: stukkend zijn, 

Folongang, molöngang, amolöngang, voor, 
met betrekking tot iemand, of iets, ook : ergens sny- 
den, doorsneden, doorklieven, te weten : de lucht of 
het waier. Bijvoorb, : na-napolöngang bMang-b&- 
lang dalleklLnna, de vleermuizen doorsneden hem de 
lucht, (of: de plaats), die zich vóór hem bevindt, d. 
i. doorklieven de lucht vóór hem heen , vliegen vóór 
hem uit. (Müdi.) — Amolongang rirDedêkang, 
niet betrekking tot DedikaSg de zee doorsnijden, d. i. 



voorbij of langs Dedikang varen. (Bat. M.) — Zoo 
ook: amolöngang ri-sadbkang, een afgodsiempeUje 
voorbijgaan, lett. bij een afgodstempeUje de lucht 
doorsnijden. (M^.) NB. Het zou ook wel kunnen 
zijn, dat men den y orm poldngang, dmolöngang, 
hier causative op te vatten had, zoodat het lett. 
aldus ware: het schip de zee, of: onze voeten de lucht, 
doen doorsneden, of doorklieven. 

Pamolongi, lett. datgeen, waarop men snijdt; 
van daai: een kwart-gulden, of meer, dien men 
onder den navel legt, b^ het a&n^den van de na- 
velstreng, en die later bestemd is voor de s&nro. 

Akapolöngang, ieder als 't ware een stuk , b\j- 
voorb. van het huis, bezetten; van daar: ieder^ zijn 
afzonderieke werkplaats in het paleis hebben, bij- 
voorbeeld: de goudsmeden hun afzonderlijke plaats, 
de e^^*^>^^den insgel^ks , enz. 

^^^^^ (X pallLkka, naam eener streek van 
Bone. — Toe-Palakkaya, cig. de menschen van Pa- 
lakka^ y, d. de Bonieren, (M^.) 

(2'' palakka), bep. palakk^ya, hooge plaats, v. 
d.: de Allerhoogste. (Sinr.) Van daar ook = pan- 
tasd. (D. Moes.) 

Assi-pal&kka, lett üeesch, dat hoog, d. i. met 
bulten en builen, of: geheel opgezwollen, is, Y. d. 
Issi-palakk&y^, moge ik worden als een vleesch (, of 
Ugchaam,) dat vol met builen, of: vreesseUjk geteis- 
terd is, d. i. moge de allerhevigste smart mij treffen/ 
te weten: wanneer ik niet naauwkeurig genoeg 
ben in het vermelden van de namen der vorsten. 

^ *^ >• (palaki), bep. palakiya. Men zie laki. 

^vi *C^ •• ^ (palakkd) , bep. palakkoka, dek- 
sel van een' pot om groente te koken, welks rand 
breeder is dan de opening van den pot, even als 
bq de lëngd het geval is. Beide verschillen overi- 



135 



rigens veel van elkander. De paldkkó loopt op ; 
de Unnd daarentegen gaat geheel naar beneden. 
Boeg. idem. 

^^^^ (palikang)» de sarong vastmaken, 
gelijk de vronwen dat gewoonlijk doen om het 
midden van het lijf, geheel strak, van achteren 
en van voren even lang. Vergel. Indé. — A^owê- 
yang-mi palïkang. Yergelqk 9610e. — Palïkang- 
sd^soe, gebezigd wanneer de vrouwen de sarong op 
bovengemelde wijze vastmaken, maar bofoen de èars- 
ten, — Bdënga palïkang, eene soort van bloem 
of strik, gevormd bij het vastmaken van de sarong. 

^ <^ •• O % (palakftso) , soort van geweer, 
eerti^jds in gebruik. (Hap.) 

^'N^S^^'xJ^ (polónggi), bep. polonggiya, 
naam van een' afgod in Segêri, wien men bij den 
aanvang van het ploegen hulde brengt. 

^ ^^ \ A^ O (palagèsang. Men zie Idgené. 

^^^ (paldbiïgang), hoofdkunen. — G&r- 
rïng-^rring-paldbngang-mi, lett. eij ia wat hoofd- 
kuuem-zieh. Verbloemde uitdrukking voor: éngU 
rang-mi^ de vrouw iê beUtsL Men vergelijke het 
hieronder volgende ndpalóhngang ri^ongganna^ doch 
vooral het op Wtoêd verklaarde idUbaU-pinibdU-m 
paloefigdnna. 

T&lêba8&-pimbftli-mi paloengllnna. Men zie 
UboMd. 

PdUfenga^ ook soms =paldf^ga^rii blokjes 
hout , die men van onderen langs het schip aan- 
legt, wanneer het zich in de langging en op de 
pald£gga*B bevindt. Men zie op Id^ga. 

Paloengangi, tot hoofdkuseen maken, bijv. pa- 
Idëngang napaloe^Sngi, hy gOfwkt een hoofdkus- 
êen om mei z^n ho(fd op te liggen, (S. Tjin.) 

M&paldbngang ri-bongg&nna, iemands d^ als 



hoofdkussen gebruiken , d. i. tegen iemands dij aan- 
liggen, op iemandts schoot, of knieën, liggen (Kei.) 

4^i ^ ^ (palêlpa). Vergel. Idpa N*. 1. 

^ ^ JO (pabpi), bep. palipika, e^de, kant; 
insgelyks geb. van de heup, — Palipï t^S, = d^d 
tdld, vegeVs van het tdld-bUtd. NB. Hiervan gemaakt 
de sói^kó tjïUh-tjïlo, 

#Ni ^^ (palc^mpa). Men zie Idbmpd N**. 1. 

^\^^ (palepi). Men zie l/pd W, 1. 

^ \ ¥^ \ ^ (palêmpeng), = ianrdèkai^ Urn- 
po, Vergel. djmga W, 1, en tanrdèkai^ op tanrdé. 

^ ^^ ^ ^ 'N (palompo^), maag. 

^ '^^ ^^ 'N JO (potópi). Men zie U^, 

^ ^ ^ ^s^ \ ^ (palUmpang-arêng), kinne- 
bakken. Men zie Idmpa^ N*. 4 en areng N*. 3. 

#N^ ^^ X (pallLmblng), = dmUiig, 

^ ^ X 'N (palibo). Men zie libo N'. 3. 

^ \ ^^X (palêmba). Men zie lémba W. 2. 

^X^^X (palêmbang), soort van lang ge- 
weer, eertijds in gebruik. — Ani-palêmba% , ko- 
gel van een palimhang, (Q. G. , Bap.) 

^ % ^ X (pol&mbïng), = paldmbii^. (S. 
fiin.) 

^ ^ \^ (palima) , bep. palin^ya, = 't Mal. 

I»aXA3 , bevelhebber, veldheer. (D. M.) 

^ \ ^ NV ^ ^ (palemórang). Men zie lémo 
N*. 2. 

^\^^\^^^ (palemöri.) Men zie lémo 
N*. 2. 

^*^^\ (palULta) , bep. pallatftya , aangesUht 
land. NB. op Gdwa niet bekend, daar slechts geb. 
boHta dmdra. 

^ ^C^ X\ (pal&nt^). Men zie Idnid, 

/0^X\ (pal&tting), een dun bamboesje, 
waar de weefister het garen om windt, en dat zich 



136 



bevindt in een ander dikker uitgehold bamboesje , 
tarópony genoemd. — Pab^ pal&tting is een 
tóf^ka of hamboe, met water, waarin men de/?a- 
Idüing van t^d tot t^'d nat maakt. — Falatting 
paloliyang. Vergel. lóli W. 1. 

^^^\ (palita), bep. palit&ya, Mal. en Pers. 
lamp. (Pj&y.) 

Ai ^ XS •• (palantdbki), bep. palantdbkaka. 
Vergel. /»«Za»^N". 1. 

^ *^ vv (palidang), een uitstekend gedeelte 
vóór »an het huis, waar men gewoonlijk bezoek 
afwacht, en hetwelk men door moet gaan om in 
het eigenlijke huis te komen , soort^ van bordes of 
uiMek. Boeg. paldba^. 

^ ^ NV -\ (palandó), 't Mal. J JoXi, deert- 
bokje. 

Ai^^^v (pal&na), bep. palan&ya, Mal. en 
Jav., zadel. — Palanaï, pipakêï palllna, opzadelen 
een beest. 

^^^\ (poelSlna), by herhaUng, gedur^. 
(Sinr., Kap. K. G.) 

^ \ ^ \ ^ (palêQ^. Men zie lét}^. 

^^^yo {V pal&cyang). Men zie Iddjang. 

(2** palllSjang), oud woord, = aaldngga. (Ro- 

Jsi ^ /O ^ (pil^Sjarfi). Men zie ddjard. 

^\^^<^^ (palêyó), bep. palêyoka, haUc. 
— Palêyó-Bal&nda, hr^t. Verg. het Jav. #m£J«> 
orfarvitMs en het Mal. JüJb ^y^^- 

^^«.O (1® paliyas^), bep. paliyasaka, 
soort van boom , welk's bast , bladen en wortels in 
de geneeskunst gebruikt worden. Boeg. pdli. 

(2** paliyasa), het Mal. (j**AAi, verre zij het 
van u. 

y^^^\ (pilarï). Men zie l/iri N*. 1. 



JO ^^ (pilo^broe), bep. piloerdbwa, vnw. pi- 
loero'bngkoe, 't Portug. pelouro, kogel. 

^^^<0^^ (pal&lo). Men zie Z^ N**. 1. 

^^^ (palili). Men zie lïli N^ 1. 

^^^^^^'N (pilóllong). Men zie lóUo^ 
N". 3. 

^^^^yy (palil&kkaiig). Men zie lala 
N^ 1. 

^ ^ #^ }^ (paloeldbwi). Men zie Ufeloel^^. 1 . 

^si ^ O (p^i), sich omdraayen; bijv. koe- 
p&lisi tinrókoe, ik draai m^ in mj^ slaap om. (Sinr.) 

^ ^ O (palisoe), = tampaltéoe. 

^si ^ O (paldbsoe). Men zie Idksoe. 

^ \ *^ O ^ (palêssó). Men zie Uêsé N". 2. 

^ 4^ O (pilasé), bep. pilasaka, bleek. 

Jvi ^ O (pilisi), bep. pilisika, wang. Boeg. 
püi. — Napilisi-mi bSdilina, hfj legt zyn getoeer 
al aan f lett. ky houdi het al aan de wang. — Pilisi, 
op iemand aanleggen. 

^ ^^ O ^ (poelas&ri), bep. poelasariya, 
boom^ welks bladen , jonge ranken en bast in de ge- 
neeskunst gebez. worden, Alyxia steüata R. S. 

^^^^ (1** p^wo), Boeg. Bonth. en Sal., 
= tatpa, manggaboom. — Salinring pdbQcfe-pIlwo, 
een seUndang (, lange smalle doek, die over den 
schouder en ook wel om den buik gedragen wordt,) 
van de Meur der poetjoe's of uitspruUséls van den 
manggaboom. 

P^wo-p&wo, soort van plantje, welks blaadjes 
eene geur als van mangga's verspreiden. 

Pê.wo-dj2lngki, soort van boom. Men zie 
djdngki. 

(2® pSiwo). — PHwo-pflwo, soort van geldbui- 
del, Jav. tAnüjnttmnüjnts Chiu. geïdbeurs, geldzak. 

^ A^ (1® pdfewa), bep. poew&ya, pest, (Bap.) 



137 



FfSéwB^ló^lófVee-peiê, o( vee-ziekte, — Mate-pdbwaï 
asêya, de padcke is als H ware door een pest, d. 1. 
gekeel e» al^ vemidd, 

(2° pdbwa), = het Boeg. pohod en ptfewat^, 
vader; bijv.: Vdéwi Gdlo, de vader van Qólo. 
(Brief). -^ Poewdkoe, m\in vader , ook gebezigd 
tegen een oom of ianiet die ouder is dan onze vader 
d moeder. — NB. dit pdhod. gebezigd wanneer er 
Tan menseben sprake is, die niet tot een vorste- 
lijk gedacht behooren, anders bedient men zich 
wnnpdhoanff, 

Vdéwfir'^wi, Sal. voorouders. 

^ ^^ (pdfewang), (vergel. het Boeg. ptfewang, 
vader ^ en t Boeg. pt^d, heer,) vader, gebez. van 
een' vader van vorstelijken bloede, anders gebrui- 
kelijk /h^<£ N^ 2. Een vorstelijke oom, of ta9^, 
wanneer die ouder is dan vader of moeder, insge- 
lijks met pifeuHxng betiteld. Is vader of moeder 
daaientegen ouder, zoo heet het slechts p<feto, oom 
ei é^a, koUe. (Eaup.) 

^^^^ (pdbwi). — Pc(bwi-pdbwi, bep. pdbwi- 
pdbwika, soort van houten muzijk-instrument, 
Omrinei. Boeg. idem. Van d. papdbwi-pdbwi, 
iflMOMcl die dii muzijkinstmment be^eU; v. d. een 
wttszülutni. 

^ \ ^s^ (pdbwe), spMjten, kloven, spieet, stuk 
hélfl. Boeg. idem. Fdbwe, of: ^dbwe, ro'bwa, hal- 
véren. — Si-pdfewe, één half. — Bdblang si-pdbwe, 
halve maan. — An^-sipdëwe, hinderen van een' 
voni en eene vrouw van minder afkomst, hetzij er 
een huwelijk voora%egaan zij, of niet; alzoo maar 
voor de helft (si-pdbwe) van vorstelijke afkomst. 
Vergelijk ébüM-tam4rappóna kardë^a, op rdppo 
N*. 2. (Bap.) 

Pdbwe boblo, een hamboe precies in tweeen sply- 



ten, V. d. iets juist in tweeën deelen, v. d. gebezigd 
van do verdeeUng van kinderen , ujoarèy ieder, zoo- 
wel man als vrouw, even veel kinderen tot eijn aan- 
deel krijgt. (Kap.) 

Si-pdbwe-kale , lengte van het uiterste van den 
middenvingertop tot aan het midden van het 1^'f. 

Poewêna kontoe kalo'bkoe , menschen die even 
goed b\j hem passen , met hem harmoniëren , als 
de twee stukken van een klapperboom , dien men 
door midden klooft, op elkander sluiten. (M^i.) 

^ ^ ^^ (pówa). — Tapowa, overhellen, byv 
de kast, — Tapowaï mange riyolo, de kast helt voor- 
over. — Tapowaï mange ri-boko, (de kast) helt 
achterover, 

^^\^^^ (poweng), naam eener soort van 
boom. (Tjdfewi.) 

^ % ^"^ ^ (poweng), ook wel genoemd: 
póle-sdpa , soort van medicinale plant. 

^^^^^ (poew&di), 't Arab. <5<>l^, m^n 
hati. (Tar.) 

^^s^\\y (poewêde), het Mal. v5^')-'» 
pronk" of hruidshed. Vergel. van Hoëvell's Bidas. 
bl. 398. (Qay.) 

Ai^^^^/0^ (powïldjo)» eei^ oud Boegi- 
neesch woord , een' saian of duivel te kennen ge- 
vende, V. d. powadjowang, mensehen die onder den 
invloed van eetC pcwddjo staan. En dit nu wordt be- 
weerd van zoodanige ouders die b^ herhaling dood 
geboren kinderen krijgen, of wier kinderen althans 
korten t^'d na de geboorte weder sterven. Als mid- 
del tegen de werking van zulk een boozen geest 
voorgeschreven het wasschen of baden met water 
uit een pot, waarin men den gedroogden kop van 
een aap, die z^n' natuurlijken dood gestorven is, 



18 



138 



^ ^^^ ^ /ü •• (pawo-djangki). Men zie de weefster vlak voor zich heeft, en waar zij het 
pdwo N®. 1. i afgeweven goed om windt. 



^ *\ ^^ /O *\ ^^^ (powadjówang). Men zie 
powddjo. 

^ ^^^ ^ (pdfewara), in grooie meniffte, verg. 
het Jav. (ij«i'n\, algemeen hekendy openbaar. Bijv.: 
lari-po'bwaróki djöngaya, de herten springen in 
groots menigte uU het hoech te voorschyn, — M^te- 
pdbwaróki, aUea ia dood (, in groote menigte dood). 
— Lslri-pdëwarélki tlU)e-djöng&ya , de jagers zetten 
in grooten getale het wild achterna, 

^ ^s^ <^ (pawallang), armband van roode 
koralen, of van in goud nagemaakte koralen, 

^ ^s^ ^ (paw^), heet aan de toptafel een 
worp van twee vieren, 

Jsi ^s^ ^ (piwali), ipiw&li, antwoorden. 

Piwali, iemand antwoorden. Men zie wdU 
N°. 1. 

^ ^s^ ^ (poew^li), = piwali, — lya kipa- 
poewaliyang angkan&ya, hem antwoorden w^, dat, 
(Eap. K. G.) 

^ ^^^ O (poew&sa) , bep. poewasiLya, vasten. 
Boeg., Jav., Sd., en Mal. idem. 

^ 'N ^^ O (pówisi), bep. pöwisika, soort van 
schelpjes. 

^O (1° p^)> steken, insteken ^ v. d. ^m 
«^M^V ^ote/ (wig) tl» een spleet steken, ten einde een' 
plank te kloven. Boeg. idem. 

Pamasé, een wig. Ook aldus genoemd de beide 
stukjes hout, die, nevens de patódó, in de wiijde 
openingen van de panganéyang gestoken worden, 
ten einde de gansche machine {panganéyang mêmpo) 
stevig te doen staan. Men ïiq panganéyang op dne 
1A\ 1. 

(2"" passa), bep. pass&yA, soort van raam, dat 



(3** p2Lssa). Si-passa, bep. pass&ya, één vinger 
dikte. NB. beter.- si-panjdjê^'ó, vergel. djódjó, 

(4"" pSlssa), pSlssaï, massaï, kanjSjöli, de toebe- 
hooren voor de kanjdjSli tegen een bamboesje, de pan- 
rdrdssang genaamd, aansmeren. Boeg. vidpissL 

^ O (X p&sang), 't Mal. pdsan, bevelen, ver- 
ordenen. Boeg. pdsi^. — Sdbro ta-nlpd^ng, een 
zendeling, die geene orders van noode heeft, v. d. 
ons spreekwoord : een goed verstaander heeft maar 
een ha\f woord noodig, het Lat. sapienH sat, — H- 
sang-mlmakkoena , een order, d. i. een boodschap of 
berigt, van z^n verlangen naar mij, (Sinr.) — Pi- 
sang la-battc^koe, boodschap dat ik komen zal, — 
P^lsang pangoerangingkoe, boodschap dat ik om 
iemand denk. — P^ng p&risikoe , boodschap van 
mijn verdriet. 

Pasangang, bevelen geven aan, bijv.: Sik&mma- 
minjdjo napasangaiïgaï soerokoe, zoodanige bood- 
schap slechts was het, die hy aan m^n' zendeling 
meegaf. (Brief.) 

Jpdsang, verordenen, ook dikwijls gebez. met 
de bijzondere beteekenis van verordenen, dat hd 
een of ander na onzen dood aan zeker persoon ver» 
valt, V. d. bij testament vermaken, 

Papasang, het by testament vermaken, een tes- 
tament. 

^&.^^ié£^, aan iemand vermaken, bijv.: iJUiki 
ap&sangi, pole toe-maraëng napapasangi, nadat hij 
iets vermaakt (, wij zouden zeggen : reeds een testa- 
ment gemaakt) had, heeft h^ het vervolgens weder aan 
een' ander vermaakt, (Ba^. T. Dj.) — lya ri-bokowa 
napapasangi, hij aan wien hij liet later vermaakt 
heeft. (Bap. T. Dj.) — lya nikan&ya papasang, 



139 



mateya-pa na-na4lle toe-nipapasau^iya, by datgeen 
wüt papasa^ (testament) ge^ioemd wordt , otUmngt 
ky^ aau toien iets vermaakt leordi, zulks pas by den 
dood des erflaters, (Bap. T. Q.) Men vergelyke 
bierb^ vooral op toéroeng het onderscheid tusschen 
papdsemg en papU(^roeng, 

Fapasangi en papasaiïgang ook gebezigd in de 
beteekenis van: omtrent iemand het een qf ander 
verordenen^ mededeelen; v. d. tegen iemand waar- 
9ekuweny b^'v.: koepapasangang-mi, of: koepapa- 
sangi-mi anne balllta, ik waarschuw tegen uw huis, 
te weten: wegens de slechte behandeling daar on- 
dervonden. — Taoe êróki nipapasaiïgi, de man 
voor wien men moet waarschuwen. — Tiloe lebd ni- 
papasangi, de man voor wten men gewaarschuwd 

I^pa-papasang riyanging, last aan den wind. 
Aldus genoemd zeker formulier, dat vooral de zee- 
roover aanwendt, om den wind als 't ware te be- 
zweren, opdat b\j juist zoo waaije als men het ver- 
langt. 

Fap&sang-pasangi, letterlek: iemand bezigen 
om hem gedurig boodschappen te zenden, d. i. iemand 
gedurig boodschappen zenden, b^voorbeeld, in stede 
van zelf te komen. (Kêlong.) 

(2** pasang), 't Mal. pdsang, koppel, paar, — 
Si-p&sang, ém koppel, één paar. Boeg. idem. 

(3** passang), heesch, schor, 

^ O (1° plöoe), bep. pasoWa, vnw. pasdfeiïg- 
koe, kwast of knoest van een' boom. — Ook ge- 
sproken vvaipdsoe bij een paard; alsdan = iampa- 
luoe. — Pasofenna boelowa, de kwasten of knoesten, 
d. i. de gewrichten, oan het bamboe. — Pasdbnna bi- 
seyanga, de knoesten van het vaartuig, d. i.: de 
knoesten van het hout, die nog zigtbaar zijn in de 



planken van het vaartuig. Daar nu volgens de mec- 
ning van den Inlander, de voorspoed eener praauw 
afhangt van de plaats, waar die knoesten aange- 
troffen worden; zoo zegt men: niya paso'ënnabadji 
er z^ onder zyn* qf haar knoesten, die goed, of 
gelukkig zijn, van een praauw, die gelukkig vaart, 
en ook overdragtelijk van mtiist^tJOL, die gelukkig in 
hunne ondemetningen zyn. V. d. ook : plboe ri-ké- 
rokang, een gelukkig mensch, dewijl men zich ver- 
beeldt , dat een knoest in de kérókang ( , men zie 
kéró N°. \,) van het schip, stellig geluk aanbrengt. 
(Kap. K. G.) 

P&soe-pSlsoe, wang- oijukbeen* 

Pipèsoewi boelowa, a) aan de knoesten van het 
bamboe werken , zich daarmede bezig houden; vun 
daar : a) de knoesten van het bamboe wegmaken; het 
bamboe gladsnyden; b) op de knoesten van het bam- 
boe letten, bijvoorb. om te zien, of die iets goeds 
voorspellen; van daar: nitebd ta-nipipasoe , gehou- 
wen worden zonder dat men op de knoesten van het 
bamboe acht geeft, NB. overdragtelijk geb. van 
een lyk, dat op de vreesselijkste manier verminkt 
wordt. Men houwt letterlijk, zonder te zien waar. 
(M^di). 

(2** pasoe), zonder geld toppen, gebezigd van 
menschen, die, ofschoon geen geld hebbende, tocli 
bij het hanengevecht toppen, in de hoop dat de 
haan, op welken zy wedden, de overwinning be- 
halen zal. Valt dit tegen, zoo maken zij zich uit 
de voeten en geven alzoo dikwerf aanleiding tol 
verregaande oneenigheid. Boeg* idem. 

(3** pasoe), passen in het Omi-spel. 

(4® passoe), ergens op eens uitschieten, zooals 
bijv. de pit uit een' vrucht, waarop men knijpt- 
V. d. ook gebezigd van het uitbotten der jonge tak- 

18* 



MO 



jes. V. d. ook vau het zigUmar worden der vrticht^ 
door het openbarsten der aren. Y. d. ook van het 
uitkomen der haken bij een paard. Boeg. m4paêsoe. 
^ '^ O (p^e), 't Arab. Ai^j, welsprekend ^ 
(Godsd.) — Kclbrang p^, lelt. niet welsprekend, 
V. d. wat kort uitgedrukt, 

^K>^{V P&8Ó), bep. pSLsoka, sp^ker, (G. G.) 
Boeg. idem, Mbï. pdsakh, — FSlsó-s^ppang, sp^- 
ker van sappanhout. (NB. de gewone soort voor 
vaartuigen.) — Nip^, gespijkerd worden» 

(2° pSlso-pasd), bep. p&so-p^ka, soort van 
schelp. 

^ O (1° pisang). — Fisang-pisang, looppUmk 
(scheepsterm). 

(3** pisang), dragen, (NB. wanneer dit door één 
persoon geschiedt). Bo^. isingi, idem. 

^O (pinsang), 't lAsX. pangsa»^ fiaamcfte, 
fiaauw vallen, 

^ O (pdbsoe), (tfnemen in grootte, in vermo- 
gen; V. d. slijten^ sUnken^ achteruit gaan, vermtn- 
deren i enz.; wordt bgv. gebezigd van menschen, 
wier geldelijk vermogen begint af te nemen, — T&oe- 
pdbsoe, iemand, die achteruit gaai, in verval is. 

Poepoesoe, idem. 'Boeg.piTepóé, Wordt /?cf^«oe ge- 
woonlijk slechts van menschen gebruikt; dezen vorm 
treft men insgelijks en wel meestal aan, wanneer er 
van zaken gesproken wordt, byv. van een stuk 
hout, dat door de vlam verteerd, van een potlood, 
dat door gebruik gedurig kleiner wordt; zoo ook van 
een mes, welks scherpe zyde begint te ^ten; zoo 
ook van eene kaars, die opbrandt; zoo ook van de 
haken van een paard, die reeds aan het sleten zyn. 
Polepc^, doen (rfnemen, tot het einde doen na- 
deren; V. d. ten einde brengen; byv. een tijdvak; 
zoo als de vasten van de maand rocm&llaiïg. 



Kapoepdbsang, het einde, van een tijdvak bij- 
voorbeeld. 

(2'' Fo'bssoe), bep. poessdbwa, = bonté, de klos 
garen die men van de dnd4ingkeré, welke met ge- 
droogd ^agong-blad of papier omwonden is, af- 
schuift. Boeg. pdêQoé. Vergel. bént/, en ook pdk- 
ngoesoe, 

(3"" pdéssoe). Pdbssoe-pdëssoe, bep. pdbssoe- 
poessdbwa, soort van piek, bestaande in een stuk 
pinanghout, of bamboe, waaraan men een scherpe 
punt gemaakt heeft. Boeg. idem. 

\^0 (r pêsa). — Pêsa-pèsa, laten pol- 
sen, of de ouders van een mei^ genegen z^'n, 
om hunne dochter met een' zoon van ons te laten 
trouwen. NB. Dit gaat het niu^e ddjéngaüg- 
dja^ang vooraf. 

(2"* pês4). ' Kapêsd, betasten^ bevoelen; b^'v. 
kapês&ki boerannêya ri-baïnnêya, de man betast, 
bevoelt, (NB. op onbetamelijke wijze) de vrouw, 

\ ^ O 'N (V pêsd), bep. pêsoka, mank, kren- 
pel, (Bap.) Boeg. idem. 

(2* peso) gebez. van het glad, zonder onkruid 
zijn, van een weg, (Tar.) Eigenl. Boeg., doch ook 
in het Makaasaarsch gebruikt; beter evenwel UkUk 
N^ 2. 

(3" peso), gebezigd van YLtióver-stan^m van de 
rijst in het kleine r^'stblok, of in de tweede kleine 
opening van het lange rijstblok. 

(4® pêsd), één van de dertig soorten van kaarten 
in het j9a^fo»-spel, = menist, 

^ ^ O ^ (r poso), afgenud, — Póso-pam&ï, 
yjgen, kortademig zijn, — Alle-mi posonoe, neem 
dat (voor) moe moeite, 

Posowi, (tfmatten, vermoeden, 

Paposowang, dat gedeelte van het ligchaam, 



ut 



vlak onder de (feloe-die^ dat bij iemand die hijgt, 
zigtbaar op en neer gaat. 

Kapöso-posowi, giek voor iemand vermoeden of 
MoeUe geven; b\jv.: ^tarima-k^iya ri-k&tte siyagang 
ri-Njonja, kikaposo-posowingkoe, ik bedank ü en 
Mevromo^ dat gy u moeite getft voor my^ voor my 
zorgt, (Brief). 

(r péao), = bóhno (G. G., Dat. Moes., Midi). 
NB. van vorden mag men nooit ódèno bezigen; als- 
dan pdêo gebruikt. 

(3*^ posó), Sel. »ai^. 

(4^ pdss<$), frommelen, leenig maken, iets dat 
oorspronkelijk hard is, bi|jv. een kartonnen doosfe, 
eene earong, die dyfvan iet glanzen is. (M&li.) — 
Zoo ook z^ eene yrouw, die wat hard wordt aan- 
gepakt: Napossó-matdbwa^, lett.: mijnkeer from- 
mdt my, NB. dit ziet niet zoo zeer op hare kleeren, 
maar meer daarop, dat hij haar op onvoegzame 
wigze aanpakt. 

#^Oy!^ (pasiki), bep. pasikika, vocrveckter 
(D. M.) Boeg. idem. Verg. «Sfct. 

#^0^<^ (poesiLka) bep. poesak&ya, erfenis. 

Poesakal, iets beërven, erven. 

Ampoesakaï, by wier sten toü bespreken, ver- 
maken, 

Nipapoesakang, ie erven gegeven, d. i. vermaakt 
worden aan. 

#^Oys^^ (pasikSIa), ow&i fiskaal. 

^O^^/^ (pasangalmna). Men zie 
aangSU. 

^ O /^ (pas^poe), bep. pasapciëwa. Men zie 

9t^ N^ 3. 

^ o X /O (pas^pe). Men zie sdmpe. 
^'NO^^Ni'N^^ (pósopor&gang) 
*t Mal. poespa-rdgam, = het Sanskr. poesjpa-raga, 



een topaas, zamcogest. mtpoesjpa, bloem, en rdga, 
kleur. 

/siOXX^.^'N^'N (pasibêngkoro). Men 
zie bêngkoró. 

/si 'N O X *^ ^\ (pósïbal&nd). Men ütbaldnd. 

/si O \ \y (passamêng), ons passement. 

#^ O /N /si ^ (pasantimpo). Men zie ttmpo 

/si O «> ^ (pasiyagang. Men zie agi^W. 2. 

^0«>/0^ (pasiyadjïngang), het Boeg. 
paseadjinga^, een leenman, die tegelykertyd tot de 
familie {seadjing) van den leenheer bekoort, en dos 
wel te onderscheiden y?Ln palüi , qgd! gewoon leen- 
man. (Inl. Wetb.) 

/si o «> \ *^ (pasiy&lle). Men zie düe. 

/vi O ^ (pl^ara), bep. p^raka, mar^. Sund., 
Mal. en Jav. pdsar. Boeg. pdsd. Pers. s\\[^. — 
Bêrasi-p^Lsard. Men zie beneden op bérasd. — 
M&ta-p&sara. Men zie mdta N"*. 1. — P^ra-nabi, 
markt of soort van kermis voor kinderen op den 
tienden en twee volgende dagen van de maand 

&:£l^I • J; alzoo na het eindigen van de vasten 
dier maand. 

Ap&sari, de markt bezoeken, hetzij als verkoo- 
per, hetzij als kooper. 

Papllsaraka, de menschen die de markt bezoeken, 
voorid als verkoopers. (Pjay.) 

Si-papa^brang-dji, een afstand van een* markt- 
gang sleekts, d. i. een paar uur ver. 

/vi O ^ (p^in), bep. p^irika, Pasir, naam 
eener plaats op de Oostkust van Bomeo; van daar: 
een taUbdnnang Pdsiri. Veigel. tdU N°. 2. 

Xi O ^ ^ (pisdringi). Men zie saring N"*. 1. 

/O O *^ (1** pas&la). Men zie sdla N"*. 1 en 6. 

(2'' passala), bep. p&ssalaka, 't Arab. Juoi, 
koofdstuk, €fdeéling. 



U2 



^ O ^ (paaili). Men zie stli N". 1. 

/O O \ -^ «> 'N (pasilêyo). Menzie%JN°. 2 

^O^^ (pasdbwi), bep. pasdbwika), aoort 
van boom (timmerliout). Boeg. idem. 

^ O 'N O 'N (posoao). Men zie sM N°. 1. 

/si O O 'C^ (pasis^). Men zie aald N°. 7. 

^ ^ (P^ï)> bep. pïLÏka), = 't Msl.pdhü en 
't Jav. pmi, èUieTt v. d. gal. Boeg. idem. — Tacna 
tódjeng paleng y^oe païnoe, lett.: gy hebt dan wer- 
kelijk geen gal. Zin: **men kan u de grootste be- 
*4eedigingen zeggen, zonder dat gg boos wordt." 
(M&li). 

Kayoe-piLï , = Inddra pdi, soort van boom welks 
bast en bont zeer bitter van smaak zijn, en als genees- 
middel gebruikt worden. Vooral zon het besmeren 
van het gezigt met een pap van dit hout of ook 
van den bast zeer heilzaam z^n tegen de bdUt 
(, men zie op èditi N**. 4). Wegens den bitteren 
smaak van hout en bast, wordt deze boom ook ge- 
bezigd als beeld van afkeer, 

^ ^^ (y paoe), bep. padbwa, vnw. padb^koe, 
spreken i zeggen , vertellen. 

Paoe-p&oe, épaoe-ploe, a) veel praten y b) een- 
voudig = dpdoe, spreken, zeggen, vertellen; by v.: Apa 
noepaoe-paoe? wat zegt gij? wat vertelt gy? c) p^oe- 
p£U)e, verkaal, vertelling, geschiedenis. 

Papaoe, het spreken, het zeggen, het vertellen; 
b\jv.: papadbnna tadbwa, de tnenschen vertellen, 
't Eransche on dit. 

Padbwang, pSoe-pao'bwang, vertelling, verhaal, 
geschiedenis. 

PapSk)e-paoe, a) een verhaler, b) iemand die veel 
praat, v. d. een snapper, v. d. ook: een verklikker, 
een aanbrenger. 

Papao'bwang , tegeti iemand spreken over het een 



of ander; bijv.: appaki tlU)e roepanna ta-maka ui- 
papadbwangri-appakatodongroepanna, erzyn vier 
soorten van menschen, tegen wie men niet kan spreken 
over de vier volgende soorten van dingen. (Bap. K. 
G.) ^ Bissdbwa ta-maka nipapadbwangia gaoe-pa- 
kalabini, de óissoé's tegen wie men niet over trouwen 
kan praten. (Bap. K. G.) 

Sipa()bwang, of: sipap^, met elkander spreken, 
zamen praten, redetwisten. 

(2^ paoe), mam^e, einden ; b^v. : kslmma-minnc 
maë nipaoe sêtang mdk^^aka, alzoo is hier de on- 
deugende satan gebonden. (Tam.) — Djarang ni- 
paoeka, het paard dat gebonden is; v. d. het paard, 
waarvoor men by zonder zorg draagt, hetwelk men 
op stal laat staan, terwijl de andere maar buiten 
rondloopen. (Bap.) — Pamao'bkang, letterlgk : de 
plaats, waar men als een paard gebonden is, als 
't ware zyn' stal heeft, van daar: waar men zjjn 
vast verblijf heeft; van daar ook gebezigd voor: ge- 
boortegrond, vaderland. 

(3° p^e). — Tapaoeki rasHnna, de geur is 
overal verspreid; v. d. : tapao'eki tcfewang, mynheer 
riekt sterk, bijv. naar drank, b^jv. naar oliteiten 
in 't haar. (Kei.) 

/>i\^^ (1° p3lë), afscheuren, afrukken, byv.; 
vruchten of takken. 

Bappo si-p&ë, één tros pina^'s. (Bap.) — Koe- 
mépaë-köntoe r&ppo, ik ben met u als een tros pi- 
nang's, d. i. ik ben het met u eens. (S. Tjin.) 

(2° p&ë). — Paë-ptó, bep. p&ë-paeya, de Zingi- 
ber Cassumtmar Boxb. 

•O ^^ "N (p&o) , Sal. en Boeg. = tatpa. 

/>i 'N \ /^ (poëng), een groote tak, 

^ % /N<N ^ (pööng), Sal., 't Mül. pd/um, boom, 
boomstam. 



U3 



Anrong-tóoe mdpoöng, hoofden, die een' stam 
hebben y d. i. wier voorouderB bekend zijn, die van 
goede afkomst zyn, = anrong-tdoe dpókó. Vergel. 
pókó N^ 1. (D. Moes.) 

^ ^^ ^ (paiiïgi). Men zie ingd, 
^ ^^ As (paantaf^). Men zie dntang, 
/si ^^ hs (paari). Men zie dri W, 2. 
^/s^/s^^ (padfeward), épadfewaré, jagen 
zonder het wild van te voren te laten opdrijven, 
== anddssa, hetgeen beter Makassaarsch is. 

yO \ ^^ O (paëssoe). Men zie éssóe N^ 2. 



/si^^^O (paoesoe), vergel. het Mal. /?airo^«, 
tcalvisch, — l)jcA;koe pampaoesde, of: papaoesde, 
locUvisch. 

/si ^ \ O ^ (païssêngang). Men zie tssenff. 

/si^O (pahang), = hei Jsly. padm, zich iets 
herinneren, herkennen, van het Arab. iw^, het ver- 
staan, verstand; v. d. ook opsteüen, bijv. een* brief, 
een gedicht, enz. 

/O ^O ^ (pahala), bep. pahalslya, verdienste, 
verdienstelijkheid, vergelding, belooning. (Godsd., 
Rap. K. G.) Mal. idem. 



X (ba). Vijfde letter van het Makassaarsch 
alpbabeth. 

X (1® ba), woordje dat een* sterke toestem- 
ming te kennen geeft. Bo^. idem. — Op de vraag 
bijv. '«scfewara-Sji pftsaraka? is de markt druk be- 
zoekt T* volgt soms het antwoord: Ba. SoWara-Sji» 
wel ateUig, die is goed bezocht. Op de vraag: *'moet 
gï} dai doen?" kan men antwoorden: ba, in&kke- 
mi, wi steüig, dat is my n werk. 

(2** ba). — T&oeng-ba, = het Jav. B^, zijnde 
de naam van de tweede letter van het Arabische 
alpbabeth , en van het zesde jaar van een Windoe. 
Vergel. Gericke in zijn Jav. woordenb. opo^cnN en 
op ^^x. (Hap. T. Dj.) 



(3** ba), Saleyereesch , a) = het Makassaarsche 
ta, onafscheidbaar voornaamwoord van den eer- 
sten persoon, mannelyk en vronwelijk, meervou- 
dig, bijvoorbeeld: djardniba, ons paard. Vergel. ta 
N°. 3. 

b) = het Makassaarsche ta, onafscheidbaar 
voornaamwoord van den tweeden persoon, manpe- 
lijk en vrouwelijk, enkel- en meervoudig, bijvoor- 
beeld djardmba, uw paard. Vergel. ta N**. 4. 

X (1* bang), woordje, dat den klank van het 
tikken, of vdUen nabootst. Vergel. bantimtferoeng en 
baniindOó. 

(2^ bang). Mal. bang, roeping tot het gebed in 
de moskee door den bilala. (Godsd.) 



iU 



S: (1** boe), bep. bcftjwa, 't Mal. boeboe, viach' 
fuik. Boeg. idem. 

(2** boe). Veigel. boe4élanp'anron^. 

X (boeng), waterput Boeg. b<fedjoeng, 

\ X (béng). Men zie bêdeng, 

X % (b6), verbastering van ons boek, 

X 'N (1** böng), = b6wong. Men zie beneden. 

(2** böng) , ons bom, — Manyang böng , een 
mortier, 

X^^ (r bUtó), bep. bftkaka, mmd van ge- 
vlochten bamboe voor suiker, visch, enz. 

(2** b&kkd), db&kka, groeien, opgroeien, ufaaaen, 
uUdeyeUy toenemen , groot worden, den tecudom, den 
huwbaren le^ijd bereiken (, Boeg. pdkkd,) by v. : 
dbd.kk&ki djam&nna , zijn werk vordert. 

Ase-b&kkd, onharige paddie. Vergel. dse. 

Pab&kk^, doen groeyen, opgroeien, enz. , byv, ; 
nipablLkkd tinggina empow&nna, de hoogte van zijn' 
rang wordt vermeerderd; d. i. hy neemt in rang toe. 
— Anne kaï^ënga napab^kkdki tiLoe kUtoe-katoe- 
wdwang; deze vorst maakte, was oorzaak, dat de 
menschen (kinderen), die verzorgd werden, den huw- 
baren leefiyd bereikten. (G. G.) NB. Het al of niet 
voorspoedig zyn der ouders met hunne kinderen 
wordt aan de wijze van bestuur des koning's toe- 
geschreven ! 

Pib&kkd, doen groeyen, opgroeyen, enz., v. d. : 
bamne nipibakk^na, de vrouw die hy als H ware 
heeft doen opgroeyen, d. i. die hy gehuwi heeft, toen 
zij nog jong was. (M^di.) 

Kabakkakkang,of: kabakki-bakklLkkang , het 
groeyen, 

(3"" b^kk^). — l^angang bSlkkd, een haan die 
wit is over het gansche lyf en hier en daar met roode 
spikkeVs. 



(4" bêikkd) , Sal. , groot. Men zie ópoe. 

(5'b&kk8), abakka, Sal., galoj^en (jpaard); 
overdragtelijk gebez. van soldaten, die met drift 
op elkander inrennen. (D. Moes.) 

Bakkai, of: dmakkaï, of: m^akkaï, met de 
voorpooten tegen iemand aanspringen, een paardhiyr. 
(Bid., M^i.) 

Xys^ (I^ b&ngka), a) een groot gat, of: lek, 
hMen, v. d. : geheel stuk, of: vernield zyn , 

b) een groot gat maken, geheel stuk breken, Boeg. 
idem. Bijvoorbeeld: b&ngkai k&ppalaka, hd schip 
herft een groot lek. — B&ngka pakéboena kot&ya, 
*de poort van het fort he^ een groot gat, is geheel 
stuk, V. d. in oorlogs-tijden : het fort is genomen, 
V. d.: biLngka kotaya, idem. Zoo ook: blL£gka 
G6wa, Gówa genomen zynde, enz. — BUngka- 
dbring, als een rystpot stuk gaan; v. d. : b&ngka- 
dbringi baïnnêya, geb. wanneer b^ eene bevalling 
de bilnaad scheurt. — B&ngkai rinringa, den muur 
doorbreken, — Nib&ngka-o'bring parasang&nna , 
lett. zyn land is als een rystpot stuk gegooid, d. i. 
veroverd en verwoest. (Bap.) 

B^ngka-dbloe, soort van hommel met gespleten 
kop, van daar haar naam. Boeg. bdkka-dkloe, 

(2"* yingka). — Tab^ngka, schrikken, ontstellen, 
verbaasd zyn; bijv.: ta-tibaiigk&ki, gy verschrikt 
niet. (Rap. K. G.) — Tdbaiïgkang, ergens van 
schrikken, ergens over verbaasd zyn;hï}y. iya-minjdjo 
kan&ya koetdbangkang, daarover ben ik verbaasd. 
(Brief.) — Gade nat&bangkanga taoWa, eene taak, 
of: daad, waarvan de menschen schrikken. (Bap. 
K. G.) — Anne battdbnoe rinSlkke, tobwang, koe- 
t&bangkangi, wat uw komen tot my betrtft, mynheer, 
ik ben er van verschrikt. — Nitébangka-bangkang-mi 

A 

garrinna, menis ontsteld, bekommerd,ooer zyne ziekte. 



lio 



Tabaugkang ook gebez. als uitroep van ver- 
wondering: het is ontzettend! 

S:^^ (bangkang). — Tabaiïgkang, onver- 
wachtSy op eens, soms, bijv.: dmêmpo-mêmpowa 
siyagang to'bwang iydnoe; tabangkang b^ttoe- 
uiUmi si-taoe , ik zat met N, iV., toen daar op eens 
een man kwam, — lya-dji angkana, tabangkang 
nakana, in^kke angkana, hij slechts heeft het ge- 



tail, uw eigen zin, niete, d. 'i.zij u tot w^aatstaf, d. i. 
gij nioet het zelf weten, uw* eigetC zin volgen. — 
Koebakoe erolcoe, Vc handel willekeurig, lett. ik 
nieet mijn' wil, d. i. vraag slechts naar mijn eigen 
wil, handel willekeurig ; of welligt beter dus te ver- 
klaren , ik meet, wel te verstaan: mijn eigen wil is 
het slechts die meet, door mij tot maatstaf geno- 
men wordt. — Nocb^koe eronoe, gij handelt ml- 



segd, en op een» beweert hij , dat ik htt gezegd heb. \ lekeurig. 



— Tab&ngkang niya-mo lêyaiïg, eensklaps zag hij 
daar een hol, (Tam. , Djay.) — Pónna tdbangkang 



Bakolikaiïg, meting, maat, (G. G.) 

Pabakóe, a) het meten, maatstaf, maai, bijv. 



iinjala pamaïnoe ri-Rewat&ya , zoo soms uw gemoed \ y dm paarden, als: narapi pabakoe, het ïieeft de voor 
zondigt tegen het Opperwezen (Rap. K. G.) — Ta- ' gonvemementspaarden vereischte maat, — Nalalo 
bangkang batto'bwako ri-Gówa, pabatto'fewanga ta- 1 pabakoe, het is boven — ; en: koeranna ri-pabakoc, 
Ix^yakoe ri-karaënga, soms komt gij te Gówa, d. i. ; het is beneden de maat; 



soo gij te Gówa komt , breng dan myn groeten over 
aau den koning. — T^b^ngkang niyallcyako sal- 



b) doen, of: laten, meten. 

Pabakóe-eróki, lett. deti wil slechts doen meten. 



lang kar^ng; katoetoWi panggaoekannoe , soms tot maatstaf nemen voor, of: bij; a) hetzij den wü 

zult gij tot koning genomen, worden, d. i. zoo gy tot van ee?i.* ander; v. d. iemands zin doen (l)jay.), 

konimg zult genomen, of: gekozen worden; let dan op ■ b) hetzij den teil van zich zelven, zijn* eigen wil, 

usee daden, — Tabangkang ninanrowako, tt?eZ^/^ v.d.: koepabakoe-eróki&nj^jokokówa, tA:c?o^, Zoa/, 

i 
wordt u gegeven, d. i, zoo u gegeven wordt, enz. het wülen slechts, te weten: van mijzelven, d. i. mijn 

(Rap. K. G.) I eigen wü , meten dien tuin ; met andere woorden : 

X •• (1" b&koe), bcp. bakoeka, maat, meten ; het willen slechts bestuurt mij, en geen gevoel van 

V. d. fnaat van tijd, d. i.: duur, d. i. zoo lang als; regtvaardigheid, d. i. ik handel willekeurig met dien 

bijv. : b^kdc-natab&na gftrring manggêna , tïnang | tuin. — Noepabakóe-eróki anjdjo kokówa, gy han- 

lakkakkaï riyampina manggêna, lett. naarde mate, ' delt vkllekeurig met dien tuin, — Teyaïya at&nnoe, 

d. i. den dunr, van het ziek zijn haar's vaders, d, i. : na-êróka noepabako'e-eróki , ik ben uw slaaf niet , 

zoo lang als haar vader ziek was, scheidde zij nooit en gij wilt naar willekeur met mij handelen. — 

van haren vader, (Djay.) — Bakoena taoe, naarden \ Atanta kd^lleki pabakoe-pamaiki ; t&oe-marS«nga 

duur van zijn mensch-zijn , d. i. zoolang als hij ta-koellêyai , omtrent onze slaven kunnen wij onzen 



mensch is, d. i. van zijne geboorte af aan. CPjay.) — 
Bakoié niyana ri-Paranggi, naar den duur van zijn 
z^ te Pardnggi, d. i. zoolang als hij te Pardnggi 
icas, — Eronoe bakoeki pamaïnoe, lett. uw eigen 



eigen zin volgen; met anderen gaat dat niet, — Ta- 
nakoellêyaï nipab^ko'e-pamaikiya toeiiggo'fena, men 
kan niet altijd doen, wat men wü, (Hap. K. G.) 
Sibakdbkanga allowa, lett. ik heb het gelijk met 

19 



146 



de Zon afgemeten^ d. i. ik hen tegelijk met het on- 
dergaan van de Zon aangekomen. 

(r bako'e). - Bakoe-bakoe, bep. bakde-ba. 
koeka, soort van boom, welks bast gebezigd wordt, 
om touw van te maken. NB. ook genoemd kdyoe 
Sóhnèa. 

(8* bako'e), bep. bakoeka, 't Mal. bdkol, mand. 
Boeg. idem. — Lada bako'e-bakofe. Men zie Idda. 

— Bakoe-rampa, kruiden-mand of doos. Vergelijk 
rdmpa N**. 8. — Bakóe-pabaile, medic^f^mand. 
NB. men beeft twee soorten van bdkde-pahdüe ^ 
te weten: hódof^^ rondaehtigy en taboe ^ langwerpig, 

— Bakoe-karaëng, of: bakoé-djadjakkang, soort 
van mandjes , die bij gelegenheid van feesten, als : 
besnydenis, en dergelijke, van geboorte, of van 
ziekte, enz., met rijst gevuld worden, om daarin, 
bij wijze van kandelaar's, de kanjdjóli's te zetten, 
ï? B. voor een' regerend vorst, en alle prinsen of 
prinsessen van eersten rang (an£-karaëng amba- 
niya ri-gadfekanga) worden 18 Cpinrdfewang sala- 
pang), en voor minder voorname personen 14(pin- 
rdfewaiïg tcfedjoe) zulke mandjes gebezigd. Geringe 
menseben mogen er hoogstens 7 hebben. Anders 
is het bdssoeng, — Bako'e-padêngka. Men zie 
dSgka, — Bakde-rómong. Men zie r6mmg, 

X ^f (bangkoeng) , soort van haak, aan het 
uiteinde van de baratang , om de palewaï van de 
beréwang meê vast te houden. 

X \ •• (bakke), bep. bakkêya, kreng, lyk. 
Boeg. idem. Sd., Mal. en Jav. bangke. Het wordt 
alleen gebezigd van menw^en en kemphanen , en 
is wel te onderscheiden van mdyd\ het eerste 
beteekent slechts eenvoudig weg ons l^k, het 
tweede meer ons irfgeUorvene, Men zal b^voor- 
beeld spreken van de bdkke*a , of l^ken , op een 



slagveld, van de bdkke, of 7 l^k, van een mensch 
dat men op den weg vindt liggen, zonder te weten 
van wien het is. Ziet men daarentegen een lijk 
grafwaarts dragen; zoo bezigt men het woord 
mdyd, — Van alle beesten behalve de kemphanen, 
wordt noch b^ke noch m4yd gebezigd. Men om- 
schrijft het bijv. met te zeggen: têdong-mdUy een 
doode bvffel; djdrang-mdte , een dood paard, enz. 

Nibakke, tot lijk gemaakt worden , v. d. gedood, 
overwonnen worden. Insgelijks alleen van menachen 
en hanen geb. (Kei.) 

Bakke-tdëwo, lett. een levend Ujk, van daar: 
iemand, die als 't ware tot een Ujk gemaakt, ais een 
lijk te beschouwen is, doordien men hem geheel over- 
wonnen heeft, en die alleen door te vlugten z\in leven 
gered heeft; v. d. soms gebez. van iemand die Ittf- 
hartig zijne wapenen en letterlijk alles wat hij bezat 
in de steek gelaten heeft, om zijn leven door de vUtgt 
te redden. Ook deze spreekwijze komt natunrlijk 
enkel van menschen en hanen voor. Dat men op 
een'^oit, die eenmaal bdkke-töhco geweest is, wei- 
nig vertrouwen stelt, wanneer h^ wederom in de 
wdla-wdla of kampplaats (,men zie beneden op wdla 
N®. 1,) gebragt wordt, spireekt van zelf. (NB. töewa 
geen Makass. maar Boeg., = tdUassd, N°. 2.) B^- 
voorb.: aiijdjo tadëwa bakke-tdbwoï, die manie een 
bdkke4öewo, d. i. een lafaard die zijn leven door de 
vlugt gered hetft. — BAsa-bakke, lijklucht. NB. 
overeenkomstig het boven gezegde, alleen dan ge- 
bezigd, wanneer men zeker weet, dat het van een 
mensch of haan is. — Gilingi bakkêna , iemand*s 
dood wreken; lett. : iemand's l^ omdraaijen, omkee- 
ren, wdligt aldus uitgedrukt , dewijl men het lijk 
van zgn' vriend niet mag aanroeren, voordat men 
den gedooden gewroken heeft. 



U7 



X\^^ (bangkcng), voei, leen, pooty klaauw, boom, welks bast gebezigd wordt bij het zwart- 



kei einde of aUdy van eca gedkhi bijv. (Sinr.), kei 
tmderêU van iets, een pi/deslal bijv., het hout waar 
de émdMn^keré <^ rusi, enz. — A3jllppa-b&ngkeiïg, 
ie voei gaan. — Bangkeng-bódo, soort van duif. 
Vergd. bMo. — Bodo-bllngkeng , koripooi, bij- 
naam voor varkens. — P&la-b&ngkeng , voetzool. 
Men ae péUd N**. 1. — L&pi-bangkeng, tnuü, voet- 
êchoeisel (, men zie Idpd N°. 2), naam van het 
geld , dat men een' sdhro , of 6ode , die b^' eene 
regtzaak heen en weer heeft moeten loopen, te be- 
talen heeft, als 't ware voor hei vertlyten zyner 
êcMoenen (Eap. T. Dj.); van daar zegt men: lya-mi 
nilapi-bangkêngi, daar werd lapd^oAgkeng voor 
deiaaU. (Rap.) — Bangkeng-tope, het onderste van 
de tSpe (, men zie beneden op topé), of die opening 
▼an de iópe welke bg het dragen onder-komi. Ver- 
gel, bawdna tqpêya op béwa. — B&ngkeiïg-s&laré , 
kei voetêiuk voor de twee achterste houten van den 
groeien mad. 

B&ngkeng-bard, lett. de voeten ^ v. d. de voor- 
loopers van de Wesimoeson; v. d. a) soort van vlie- 
gtnde mieren ^ zich vertoonendc bij het begin van 
de JFeslmoeson; b) de zwarte wolken die men tegen 
het einde der Oostmoeson in het Westen ziet op- 
komen. (Tar.) — Bdsi tacna bangkênna, lett. re- 
gen zonder voeten^ d. i. regen dien men niet ïieeft 
zien ottniameny alzoo: regen ^ dien men niei op grond 



verwen van kleêren. Boeg. bakko. Wanneer echter 
het goed er te lang in bl^ft liggen, bederft het; 
V. d. lalo-bSlngko, eene oude vrijster. (Kei.) Vergel. 
mo N'. 1. — NibaSgko. met bdiigko geverfd 
toerden. 

Ib&ngko, een rijkssieraad van Gowa. — Angge- 
Miigko, een donderbns, insgel^ks onder de rijks- 
sieraden van Gowa behoorende. 

X ^f (bikoe), bep. biko'bwa, soort van slakke 
hnieye, dat men tegen de boomen aan vindt. NB. 
De slakkehuisjes aan strand heeten kalAnaug. 

J^^f (bingkoeng), inlandsch werktuig, om 
den grond meê om te hakken. Ook timmermans- 

A 

werktuig, een diesel. Boeg. idem. — Bingkoeng 
lomböngang. Men zie lómbong. 

Pamingkdbngaiïg k&yoe , hetgeen met de dissel 
van hei hout wordt afgehakt^ = tdtald^ krullen. Ver- 
gel, tdtald N^ 1. 

X \ •• (bike). — Tabike, = tdsi^ngke. — Ta- 
bike singaraka, gebez. van den tijd die onmiddel- 
lijk op het sisi-mi rdga volgt, en nog v66r het op- 
gaan der zon ; circa 5 ure. 

X^<^ (bdbka), bep. boek&ya. Mal. en Jav., 
eigenlijjk : opening , openen ; van daar in 't Makass. 
soms gebruikt voor het eindigen van de vasten. 
Boeg. idem. Men zal b^jv. zeggen: leba-pi bo'bka 
(, zonder bijvoeging van poewasdga), = lappassé- 



CMM zwarte wolken had kunnen verwachten^ een pi poewasdga, wanneer de vasten geëindigd zuUett zijn. 

klein regenbuitje. — Bdéka-pangac^aï , 's avonds te 6 ure b\j Zons- 

Sib&ngkeng-bangkcngi bakkêya , de lyken lig- ondergang in de vastenmaand , als wanneer men 

gen voet aan voet, oï mei de voelen tegen elkander, weder «mA mag pruimen. Vergel. paitga^jüi. — 



d. i. kunnen wegens de overgroote merugte niet be^ 
koorl^k begraven worden. 

X^^*\ (baiigko), bep. bangkowa, soort van 



Bdbka-Sjené-b^bang, 's avonds te 7 ure in de 
vastenmaand^ als wanneer men weder koffij of thee 
mag drinken. — IkAïka-kanrc, 's avonds ongeveer 

19* 



148 



te 8 ure in de vastenmaand ^ als wanneer men we- 
der rijst niag eten. — Bdbka-pÉlppasd, zeer vroeg 
in den morgen. Vergel. pdppasd N°. 1. 

J^^f (1° bdfekoe), bep. boekdfewa, vnw. boe- 
kdbngkoe, been, beenderen. B. idem. — Bdfekoe k&I- 
long, haUbeeyi. — Bo'bkoe-djo'bkóe, vischgraat. — 
Bo'bkoe-düngkd, ruggegraai. — Bdbkoe dbroesoe, 
of: bo'bkoe-rdbsoe (, Mal. roesoekh), ribben. — Ta- 
dbwa boekoenna, iemand'a beenderen, d. i. kuip. — 
Alêbasdki boekdbnna, ienumd^a beenderen wegduwen, 
V. d. iemand verdringen, iemand vervangen. (Rap. 
K. G.) — Ka-kamma-idji koes^ring tdëtoeloe bo'b- 
koe-boekc/fengkoe. Vergel. töhioeloe. — Nj&wa-ma- 
têpoe-pa siyagang bdbkoe-m^gassing, wanneer men 
volkomen gezond en sterk is (, vergel. njdwa , over : 
njdwamdtêpoe) , lett. met sterke (gezonde) beenderen, 

Boekdbwi, kenang, spant al je krachten in, man- 
nen! (, laat als *t ware uw' beenderen werken.) 
NB. gezegd tegen menschen , die bezig zijn iets 
zwaars te dragen, en die wel wat meer moeite mog- 
ten aanwenden. 

(2° bdbkoe). — Kana si-boeko'fewang, één woord. 
Vergel. mijne Mak. Spraakk. § 116. 

(3** bdfekkoe), bep. bo'bkkoeka, 't Mal. boeng- 
koel, buU. — BdfekkoVkê-yoe, kwast in het hoid. 

B(fekkoe ook soort van dak op een praauw, 
van bamboe en kddjang gemaakt. Vergel. koeroef^ 
N°. 2. Boeg. idem. 

Abo'bkkoe, knobbelig, hobbelig. — Bolitta-bobk- 
koG, hobbelig, d. i. bergachtig, land, — Lampa-naïka 
ri-bo^tta-bo'fekkoeka , ik ga op naar het bergachtige 
land. NB. Hierbij denkt men te Makassar aan : 
Toerateya. — Lampa-ant^ma ri-bc(fetta-bol*kkoeka, 
ik ga het bergachtige land binnen. NB. Hierbij 
denkt de Inlander aan : het land van Gówa. 



Abo'iikkoe-bo'bkkoe, g^ukt loopen. 

(4° bo'bkkoe) , één van de dertig soorten van 
kaarten bij het paiffewi- en kówa-gönggot^-spel. 

X \ •• (bo'feké), *t Mal. en Jav. boekU, berg, 
heuvel. (Djay.) 

X \ •• (1° bo'fengkeng) , schaal van een pi- 
nang-blad, die op zekeren ouderdom afvalt, wordt 
o. a. gebezigd, om op reis gaande de gekookte 
rijst in te wikkelen. De bdbngkeng alsdan ge- 
noemd l^oe. Men zie Idpoe N**. 2. — Lakka- 
bdbngkeng , evenals een pinangschaal van den boom 
scheiden, doen afvaüen, (D. M., Sinr. K. G.) 

(2° bdfengkeiïg) , soort van koffertje, gemaakt 
van de bast van den roemhiya-, of sago-boom, van 
boven en aan de kanten met lanjtjtfeneng's , of ook 
soms met fijn-gesneden bamhoesje's overdekt. 

^••^ (bdfengko), bep. boengkowa. — Ana 
bo'biïgko, laaM-^eboren-, jongste kind. 

\Si^^ (bêkd), bep. bêkaka, ^i»/* van vogels 
en menschen, doch bij de laatsten de kuif op het 
midden van het hoofd, zooals de Inlanders dit soms 
hebben , ter onderscheiding van de bósang of ku^ 
van voren. Naar de kuif wordt de kaketoe ook dik- 
wijls genoemd bêkd, dus zooveel als kuifoogel. 

\ X^^ (bêkkang), soort van wormen, die de 
paddie vernielt. 

^^••'N (bêko), bep. bekówa, 't Mal. en 
Jav. bengkokh, krom ; wordt geb. van iets dat slecht 
is uitgedrukt, zooals wij ons ook bedienen van de 
phrase krom spreken. (Bap. T. Dj.) 

^^•^ (1° boka). — Boka-bSka, bep. boka- 
bokaya, Bonth. = kóngkong-kóngkong. Men zie op 
kóngkong. 

(2° bükka), bep. bókkaka, gedrukt, een paard 
bijvoorb. Boeg. idem. 



149 



X "N •• (lx)iïgka), wegjagen. 
Pabóngka-sctang , duvoelverdrijver. Hieronder 
verstaat men gewoonlijk die instrumenten, welke 
bij gel^nheid van ziekte, of van geboorte, of van 
het afsnijden van den navel, of van besnijdenis en 
tanden schuren, of van trouwen, enz., gebezigd 
worden , tot verdry ving der booze geesten. Soms 
noemt men ze ook eenvoudig : paèdUe, geneesniid- 
del. De voornaamste z^n: de appo, de bóelo siya- 
9%ya^ de adtdi, Sdja, tndro, bdèndóe^ dnd-bdt^ing^ en 
fjoertga^ alsmede: ddmard^dioe en Idè'-ldë. De pa- 
bóagka-aêtang'a der bisaoe's bestaan , nu eens in de 
Üidrraeng'a der inroe'st als bossen zamengebonden, 
dan eens gemaakt van bamboe en lontarblad, en 
allerlei figuren voorstellende, dan eens bekend on- 
der den naam van gadkkang-Loe, hebbende den vorm 
▼aneen haan, en bij bijzonder plegtige gelegenheden 
aan het hof van Gówa gebruikelijk. Verg.^ob^ N®. 2. 
X'N^^ (bókki), bep. bokkiya, duister, niet 
duidelijk; bijv. de inhoud van eenig geschrift. 

X'N^^ (bongki), bep. bongkiya, soort van 
pot voor drinkwater, grooter dan de bóhsoe. 

X'N^^'N (böko), bep. bokowa, achterdeel, 
hetgeen achter ia , zoowel van tyd als plaata gebe- 
zigd. — Boko-o'feloe , achterhoofd, — Bóko-lima, de 
rug van de hand (, staat tegenover: pdld-lima), — 
Boko-t61i, dai wat achter het oor ia, als 't ware: 
de rug van het oor, v. d.: m^nna apa nipao'bwangko, 
noeparibokotolinnoe-dji , wat men u ook zegge, gij 
üial het niet in uwe ooren , maar daar achter gaan, 
d. i.: gij geeft er geen acht op. 

T^oe-büko, iemand die ontvangen weldaden 
niet meer gedenkt, als 't ware achter zijn' rug 
plaatst. Vcrgel. beneden bokówi, 

Ri-boko, aan hetgeen achter is, v. d. achter; 



bijv. : tuoe ri-boko, iemand die achter ia, die hier 
^^. — Kaminang ri-bóko, aUerlaatat; als: nabi 
ri-bokówa , de laatate profeet (Tar.) — Ana ri-bóko, 
lett. kinderen die achter den vorat zitten, v. d. de 
pakaldwitTg epöe^a. Vergel. and en kaldwing, — lii- 
bokókoe, ac/Uer mij, v. d. ook: na mij, nadat ik zal 
heengegaan zijn, (Djay.) — Toe-ri-bokona, 2)de me?i- 
achen die na hem leven, b) de menachen die hij ach- 
terlaat, die hij niet meé op reia neemt ^ d. i. zijne 
vrouw en kinderen, (Rap. T. Dj.) 

Têmpa-boko. Men zie témpa, 

Anjtjiniki boköna, a) zien hetgeen men achter 
zich heeft, oi hetgeen ergena achter is, d. i.: niet 
alleen letten op hetgeen voor oogen is , maar ook 
op dat wat buiten het bereik van zyn gezigt valt, het- 
geen men achter zich heeft, alzoo: eene zaak terdeege 
bekijken; b) zien op datgeeti wat na dezen gebeuren 
zal, op de gevolgen van iets, (Rap. K. G.) — Inakke 
tao'ë kê.le-k^le, taëna ^ngallêyanga bokokoe, ik 
ben geheel aUeen, er ia niemand, die voor mij haalt ^ 
hetgeen achter mij ia, d. i. hetgeen ik niet zie en dus 
ook niet zelf halen kan, d. i. : er ia niemand, die zich 
om mij bekommert, of m^ helpt in de behartiging 
mijner belangen, — KMa boköna lino koeparidal- 
lêkang, {liever), dan dat ik ueene wereld van acïUer, 
d. i. een omgekeerde wereld, eene wereld zooals zij 
er niet werkelijk uitziet, voor oogen stel , d. i. dan 
dat ik u met allerlei moojje praatjea tracht te mislei- 
den. (Sinr.) 

Kana-boko, of: böko-kana, lett.: een gezegde van 
achter, d. i. : een gezegde dat niet eigenlijk op te vat- 
ten, niet zoo gemeend is. Wanneer wij bijv. te mid- 
den van een' zware regenbui tegen iemand, die ons 
komt bezoeken, zeggen, dat hij thans wel zou doen 
van op te stappen , of wanneer bijv. eene naijvcrigr 



150 



vrouw haren man toevoegt: ga maar naar uwe min- 
naresae, die de oorzaak uwer koelheid ia, Vcrgel. 
tdknggef^. Dergelijke gezegden zijn 5o^a-^«iii, en 
men spreekt van: asare boko-kiina, iemand zulk 
een bescheid of antwoord geven, — Bij het kcauMko 
of b6ko-4cdng, is het onverschillig, of het uit gekheid 
dan wel uit wrevd gebezigd wordt, en alzoo wel 
te onderscheiden van piaóla. Men zie sóla N°. 2. 

As^re boko lytLnoe, N, N, zijn rug toedraaien y 
voor hem aan de haal gaan, (D. Moes.) 

. Lonjdjd-boko. Dus genoemd de paddievelden 
van den koning van G6wa, welligt dewijl zij zoo 
veel opbrengen, dat de benoodigde maaijers wegens 
hun groot aantal, letterlijk rug aan rug staan. 

IiLnta-b6ko. Dus genoemd de paddievelden 
van den JR^kaèestuurder, of toe-mdèi^ara^dbUa 
van Gowa, misschien wel, dew^'1 z\j aan de eene 
z^de hooger liggen dan aan de andere, alzoo als 
't ware verdiepingen hebben. Men zie léaUd, 

Boko-b6ko, soort van houten rugeieunsel voor de 
weefster, 

Mon6-b6ko, achteruii-gaan. 

Ri-bokow&nna, naderhand^ daarna. 

Aboko, achiemü-gaany =£= mênó^bóko, (Tam.) 

Bokówi anoe, het een cf ander achter z^n^ rug 
doen zijn , d. i. achter zijn rug hebben of houden. 
(Rap. T. DJ.) 

Abokówi pasoerowang^ een bevel niet opvolgen ^ 
(Godsd.) 

Sibokowi, gebez. van twee menschen, die bijv. 
in ccn huis wonende, te gelijkertijd, óf nagenoeg 
tegelijkertijd, op reis gsoLU, elkander dus als 't ware 
den rug toedraaien; hetgeen bij de Inlanders voor 
kassipdUi gehouden wordt. Ook gebezigd van men- 
schen, die, zamen ergens zijnde, ongeveer tegelij- 



kertyd ieder naar zyn huis gaan. — Sibokowi ka- 
naya, de woorden draaijen elkander als H ware den 
rug toe , d. i. spreken malkander tegen. 

Pariboko, achter iemand's rug plaatsen^ v. d. 
ontstelen. 

Fapanbokowang, iemand maken tot het voor^ 
werpi waaraan men iets ontsteelt ihi^Y,: t&oe nipapari 
boko wang, Jl^', aan wien iets ontstolen wordt. 
(Bap.) 

(2'' bokkd), bep. bokkoka, goedgevuld. Boeg. 
idem; bijv.: g^ong hokkóy een goedgevulde voor- 
raadachuur. — Basse bókkó, goed-gevulde, d. i. 
zware bos (paddie); v. d. overdragtelijk : een zwaar- 
lijvig menseh. — Ngllnr&-bökkó, zioh opproppen 
met eten, (Rap. K. G.) — T£u>e.b6kkó, een goed- 
gevuld , V. d. welgesteld menseh, (Kei.) 

X % •• % (bokong), voorraad levensmiddelen. 
Boeg. idem. — lya la-nabokonga, dat wat h^ als 
leeftogt zou gebruiken. (Rap. K. G.) 

Fibókongiyangi, iemand iets als leeftogt mee- 
geven; bijvoorb.: ponna m^teya pibokongiyanga 
tjinjijingkoe, lett.: zoo ik dood zal zijn, moet gij mij 
mijn* ring als lerftogt meegeven, d. i. moet gij mijn 
ring beleden voor het bd^a taldkking, en m^ alzoo 
een goeden overtogt naar den Hemel bezorgen. 

X ^f ^f (bakdbkoeng), soort van visch, groot 
met taaije huid, en alt^d op smerigheid azende. 

X^^'N^^ (bïngkoki), bep. bingkokaka, 
ligtblaauwe vogeVs. 

X •• ^ 'N (bakapo), nest, van kippen byv. — 
Nit&nnang bakapo, lett. tot een nest gemaakt wor- 
den, y.^, bewaard worden om te broeden, NB. Deze 
spreekwijze gebezigd van gebrekkige kinderen, die 
men niet verdeelt tusschen de ouders (, of de mees- 
ters, zoo deze tot den slavenstaud behooren), maar 



ibi 



wacht totdat zij zelve weder kinderen hebben, ten 
einde die dan te verdeelen. 

X •• Cs (!• b&kard), bep. Mikaraka. - P6kó- 
bakara» broodboom^ Jrtocarput ap. Boeg. bakd, 

(2" b&kkara), openen. — Tdbakkaré, geopend^ 
onÜoken s^n, een öloem bijv. Boeg. tabslkk^. — 
T^U)&kkar&» of mdm&kkard pdbroeng-pdbroenga, 
iei levengeaUmie-komi ie voorachijn^ = soemdkkard 
pdhven^p<fhroei^a, 

BakkiLrrang» =^ aoengkêyaSgy van mfengke; v. d. 
gebez. bij het tellen van sommige voorwerpen, die 
geopend^ opengeslagen worden; b^*v.: k^jang si- 
hakkSirrang, één Huk kadjang-nuU. Zoo ook gevoegd 
b^ tdpperé en djdli. NB. Is het echter een üoeU 
WÊotje {tdpperé kadéra)^ zoo bezigt men 't woord l&ngo, het anker ligten, — Bongkard loerangaiïg, 



karang, *t openen; b^v.: b^djiki boekarang-baw&na, 
lett.: goed is het openen txin zign mondy d. i.: h^ 
spreekt goedy is welsprekend. (Sinr., S. Tjin.) 

X •• ^ (bdfengkara), SB]..,=iö'ekardy=sd'engke. 

X •• ^ (bdbkoeroe), bep. bo'fekoeroeka, tcrtel- 
duif. Boeg. bakkoe. — Bdbkoeroe lompo, of: g^^ 
of: dêndang, of: têdong, groote tortelduif. — Bdë- 
koeroe-Dj&wa, kleine soort van tortelduif. 

\ X •• 's Cs 'N (bêngkord), mengen. 

Sibêngkoró, ziek mengen. 

Pasibêngkord, zich te zamen doen vermengen ^ 
d. i. zamen vermengen. 

X 'N •• Cs (bóngkara), = 't Mal. hoilgkar^ op- 
trekken ^ ophalen y Boeg. idem; v. d. bongkadL ba- 



Uuoard. YergeL Mak. Spr., § 110 en IIS. 

X^^Cs (bakk&rraiïg). Men zie bdkkard 
N*. 2. 

X •• Cs (bangkaril), bep. biLngkaraka, oorring^ 
of oorsieraadt Boeg. idem, v. d. ook: dat geen wat 
zieh op zy van den kop van een* haan bevindt. — 
B&ngkard-roweld, hangend oorsieraad. Men zie 
rómdé. — BangkadUtoe-Pökd, een sieraad, behoo- 
rende tot Gdwa's rijkssieraden. — L&wi-Ulwi bang- 
Men zie Idwi. 

Pabangkarafïg, dat gedeelte van het oor, waar- 
in men ringen en dergelijke draagt. 

B&ngka-b^kara, bep. b&ngka-bftngkaraka, 
eene tgnantheree. 

X^f^ (bingkdbroe), bep. bingkoerdfewa, 
't '^tLsl.mangkoedoey soort van boom, welks wortels 
gebezigd worden om rood te verwen, de Morinda 
eUrifólia L. 

X y!^ Cs (bdfekard), Toer. =i stfengke, openen. 
Vergel. 't Mal. boeka. — Boek^iig, of: bdbkapboe- 



ladinq onischepen, onÜaden. — Bóngkara bdbtta, 
spitten. — Am6ngkaF& rahasiy&na, iemand' s gehei- 
men openbaren. 

X ^ ^<^ % Cs '^ (bókoro), bep. bökoroka, een 
kleine koperen , züveren of gouden kom. Jav. bokor^ 
idem. Sd. en Mal. bokor, een kleine kom, bekken, 
wasehkomy ook : een kleine kruik, of kan, met oi zon- 
der deksel. Boeg. idem. 

X^<^Cs*Ö (bakarSLnj^ing), soort van Sam- 
bawaasch schild. (D. Moes.) 

X^^ *^ (!"* bSlngkató), bep. b&iïgkalaka. — 
T&napbllngkalé, hoogland, hooge grond; zoo bijv.: 
de opgehoogde plaats voor hanen-gevèchten , bij gele- 
genheid van groote feesten. Boeg. idem. 

(2** bafigkal^), bep. b^ngkalaka, soort van tim- 
merhout. 

(3** b&ngkató), = mdngkald. 

X^f^ (bangko'bli), bep. baiigkdblika, boom- 
bast , die zoo diep in een gleuf van het hout zit, 
dat die er niet uit te snijden is, zonder dat de paal 



152 



Tan- 



of balk bcschadij^d wordt. Boeg. idem. 
paiïg baiigkocli. Men zie iaripany, 

S^^f^^^ (bo'bkkoeloe), Toer. = mdekkoeloe, 
NB. dit welligt de primitive vonn. 



gebcz. van een groot lek, in een schip, anders 
bonjtjoro. 

Bainne biiïgkasd, eene vroKW die door moeijelyke 
kraam veel geleden heeft. Er is in dit geval twee- 



X^f\^^ (boeko'blefïg), vel, huid, van men- I derlei soort van hii^kasd, te weten : biitgkasd bdm, 
schen , of dieren, zoo lang als die nog aan het lig- wanneer er eene verzakking van de baarmoeder 
chaam vastzit. Verg. kdekkoeloe. heeft plaats gehad, waardoor de vrouw gedurig 

Bócko'bleiïg p^dja-p^dja , liefelijk zwarte huid, vocht kwijtraakt; en bingkaad kalótoró, hetgeen 
Men ziejpo^fl N^ 1. — Bockdfeleng t&rrïng. Men doorgaans nog gevaarlijker is , dewijl er alsdan 



zie tdrring N^ 2. — Bóekdbleiïg tdfede , = babi 
toede, mosselschelp, — Boeko'ëleng kayoe, = babi 
kdyoe, bast van eerC boom. — Boekdbleng lame- 
lame, = taèi Idme-ldme, aardappelschillen. Voorts 
boekóeleng gebezigd van schiüen van alle soorten 
van vruchten. 

X"\^^*C^ (bongkala), bep. bongkalaka, 



geen vocht te voorschijn komt en men dus eigenlijk 
niet weet wat de lijderesse deert. 

Bi^kasa irdte, lek van boven, d. i. aan de pa- 
pang-bisêyan^ , zijplanken van het schip, (Bap. K. 
G.) — Bingkasd ir^wa, lek van onderen, d. i. aan 
de kiel van het vaartuig, (Kap. K. G.) 

^••O (bo'bngkoesoe), Mal en Jav., bundel. 



't Mal. bongkal, soort van goud gewigt. Éen bóng- pak, ingewikkeld. — Bdëngkoeso'eki bangkenua, 
kal = ongeveer 20 m^ias. j zijne voeten bedekken, inwikkelen. — Boengkoesoena 

Boelaëng abóngkala goud aan klompen of staven ; Sêtanga, = goeloeng^ina Sétaiiga , iemand die door 
van circa 20 maa^, j den Duivel in eeuwigheid rondgewenteld wordt. 

^••^N^ (bangk&wang, 't Mal. bangkdwan, (NB. dewijl men vergeten heeft, de banden der 
daklat, lat waaraan het dakriet wordt vastgehecht, — ' lykkleeren los te maken. — Bcfengkoesoeki, geb. 
Patóngko si-bangkawang , ééfi stuk atap of dakriet. \ van een kind, dat bij de geboorte een vlies over het 

Pabaiigkawaiïgang, latten die in de lengte van geheele hoofd heeft. Vergel. böng N®. 1 en bówong. 
het dak loopen, en waar men de patóngk&s als — Amana-bo'bngkoesoeki , zij baart zulk een kind. 



't ware aan rijgt. 

X •• ^^^ (boekdbwang). Men zie bcfekoe N°. 2. 

X •• O (bakkas^). Verg. bókkosó. — Bafnne 
ta-nabakkasa-pi tjcra, lett. : eene vrouw, die nog 
geen bloed gestort, d. i. nog geene stonden gehad 
heeft. — Nabakkasd-mi tjêrd, zij heeft reeds de 
stonden. 

}:•• O (bikasa), bep. bïkasaka. — Tana bi- 
kasa, onvruchtbaar land. 

X^^O (bingkasd), bep. bingkasaka, lek; 



X 'N •• O (bóngkasa), bep. bongkasaka, bran- 
ding op zee. Boeg. idem. Ook gebezigd van iemand 
wiens voorkomen onwillekeurig onze aandacht tot 
zich trekt, d. i. iemand van eerbiedwaardig manne- 
lijk voorkomen, of ook wel: eene schoone vrouw. 

Boiigkasi, ergens met geweld tegen aanslaan, of 
klotsen, geb. van golven. (Madi.) 

X 'N •• 'N O 's (bokkosü). 

Tabokkoso, storten, bijv. van bloed geb. 

Tabokkösi, ergens tegen aan storten; bijv.: 



153 



ponna mar^ng nakamatêï, maraëiïg nat^bokkosi 
tjêra, enz., zoo hij op eene andere plaaU konU te 
Hemen dan waar zijn bloed gestort is, (Hap.) 

X ^^ ^^ ^ (bangkadfeloe). Men zie hdngka 
N^ 1. 

X ^ (baga), bep. bagaka, naam eener soort 
van Yiscb. 



X\^«^ (bagêya), bep. bagêyaka, sago 
met bruine suiker en geraspte klapper, die in een 
pisang-blad gevyikkdd, vervolgens plat gedrukt, en 
tusschen heete steenen gebakken wordt. 

X^^'NX^ (bagoré), bep. bagoreka, boom, 
welks takken geheel met dorens bezet zyn. De 
vrucht zit in een' harde schaal , en bestaat uit 4 



X'N ^ (b6g4), 't Arab. xtH-ii, eene begeer- \ pitten, of boonen, die als knikkers of ook bij het 
lijke^ eene wensehelyke zaak. (Bap.) \ galdtjai^-sipel gebezigd worden, v. d. ook: bagóré 



X 'N Ai (bongga), bep. bonggaya, vnw. bong- 
giLngkoe, djj. — Pokd-bongga , het bovenste van de 
dif. — Nikódjolo-bongga. Men zie kódjoló. — 
Bongga kan^na toe-m^lompowa, de regterdjj, wij 
zoaden zeggen: de regterhand^ van den Gouverneur. 
— Met den naam van bongga ook bestempeld : het 
hoat dat geheel van onderen in de lengte van het 
spinnewiel gevonden wordt, en waarop men iets 
acwaars legt of anders den voet 2et, ten einde het 
verBchuiven van het spinnewiel te voorkomen ; als 
't ware de d^j van het spinnewiel, — Zoo spreekt 
men ook van : boi^gdnna boelékanga, Yergel. boeU- 
Jbtt^ op bdiU. 

Mibongga, by gelegenheid van het slagten van 
een' buffel of andere beesten, de d^ aan den vorst 
of aan het hoofd der plaats ^ep«». (Bap.) bijvoorb.: 
pdbnna ^Udënoe-têdong toe-m^il41anga ilalang-maë 
ri-Gdwa, ta-mibonggaï, zoo de toe-mdUdUmg een 
buffel slagt binnen Gówa, behoeft hij hiervan geen 
hout aan den vorst te geven. (Rap. K. G.) — Sik&li 
töiydji nibongga, er wordt ook slechts ééns een 
bout (, te weten: van een huffd) aan de Overheid 
gegetoen, (Bap. K. G.) 

Lekd nib6^;ga-djangang, sierihblad, zoo ge- 
vouwen , dat de einden naar binnen komen , aldus 
oenigermate den vorm van een' kippebout hebbende. 



= knikker. Boeg. idem. Deze pitten bevatten een 
witte en harde, doch eetbare zelfstandigheid, die 
bitter van smaak is, en, fijn gewreven, de dienst 
van wormkruid doet, of ook gebezigd wordt, om 
daarmede de borsten eener zogende vrouw te besme- 
ren, wanneer men verlangt om het kind te spenen. 

X^^^ (biLgald), bep. bagalaka, geb. van een 
wel-geprqportionneerd mensch, niet te lang, en niet 
te kort, niet te dik, en niet te mager. 

\ X Ai ^ (Bengg&li), bep. Beüggaliya, Ben- 
galen, Bengaalsch, Vergel. kdsa N**. 1. 

X\Ai^X (tóge-l&ba), bep. bège-lablLya, 
't Mal. v-*if i^^^* '* ^^^- %<?-^«^» handels- 
terra, lett. beteekenende: deeUng van winst. Men 
heeft: bdge-laba sangkamma, waarbij winst en ver- 
lies gelijkelijk gededd worden, (Bap. T. Dj.) en 
bdge-lc3>asamat(fela, waarby een overeenkomst wordt 
aangegaan , en wel deze, dat de Anakoda volstrekt 
geen risico, maar dan ook van de winst slechts een 
derde zal hebben, terwijl de eigenaar van het goed 
twee derden erlangt. (Bap. T. Dj.) Vergel. samatöéla, 

X^O (b^oeso'e), bep. b^oesoeka, 't Jav. 
en Mal. bdgoes, mooi, fraai; v. d. btoi bSlgoesoe 
(men zie badilt), soort van moo^e geweren met één 
loop. 

Xa^^ (Bangg^). Onder dezen naam be- 

20 



154 



kend een groep eilanden aan de Oostkust van Ce- 
Icbes. — Batoe Baiïggai, soort van schelpjeü, veelal 
gehecht op de kanddga^a. Vergel. boven. 

X ^ (Mnga), een Pandaniu sp, 

S^X (Miigi), bep. bangiya, vnw. bangikoe, 
en : bangiiïgkoe, doch het eerste beter, nacht, avond. 
Boeg. wannu — Bangi-bèngi , aUe nachten, — Bi- 
bangiya, in den afgeloopen nacht, — Anne bangi- 
ya, heden nacht. — Bllngi-pi, aanstaande nacht, — 
Bangi t&Uassaki, des nachts leeft zij. (Bid.) — Na- 
iya-bangina-mo léb^ta-mo dnganrc, mange-maki, 
enz., toen het nacht geworden was, en wij gegeten 
hadden, gingen wij, enz. (Brief.) 

SibUngi, lett. één nacht, v. d. gisteren, 

Sib8.ngiyangang, eergisteren. 

Sib&ngiyangangang, vóór-eergisteren. 

AbUngi, overnachten, y Lanriiïka ri-Ambong, 
la-bS-ngi si-p^ttang, ik zal (van Makassar) naar 
Jmhon gaan, om daar één nacht te overnachten. 
NB. Hiermede bedoelt de Inlander niet één nacht, 
maar één jaar; het is alzoo zoo veel als: ik zal 
naar Ambon gaan , om daar één jaar te verblijven, 
Welligt is deze spreekwijze hieruit te verklaren, dat 
(Ie kooplui, wanneer zij te Ambon één nacht over* 
blijven, om handel te drijven, gewoonlijk langer, 
ja wegens de verandering van moeson tot één jaar 
toe aldaar vertoeven moeten. 

La-bangi-bSlngiyd, ik zal er eenige jaren ver- 
blijven. (NB. la-mdnlang-mantam/d zou aanduiden 
voor eenige maanden,) (Oendang-o'bndang). 

Pabangi , doen overnachten. 

X ^ (b&ngoe). — B&ngoe-b&ngoc, bep. b^ngoe- 
baiïgo'fewa, het hout waarop het middelste of voorste 
bamboe van den grooten mast rust. Men zie pa- 
nol?ndoe op toendoe. Boeg. idem. 



Xi^ (bafïgoeng), (vergel. het Mal. bdngoen, 
opstaan , wakker worden , en het Jav. bangoen , op- 
rigten, Jter stellen, daarstéllen, verbeteren^ a) opstaan, 
ontwaken, b) doen opstaan, opwekken, oprigten, óp- 
zetten, bouwen; bijv. bangoeng-mako, ontwaak gij. 
— Baiïgoeng-tdfero'e, gedurig opgaande volgen, d. i. 
geheel met den wind mee zeilen, (D. M.) 

NibangoeiTg, wakker gemaakt, opgewekt worden. 
(Rap. K. G.); of: opgerigt, gebouwd worden. (Bap. 
K. (x.) — Mimangoeng bcllla, een huis oprigten, 
bouwen, (Bap.) — Bangoeng-k&lli , lett.: het op- 
staan, of: het oprigten eener gevallen omheining ; 
van da&r overdragtdijk gebezigd van : de hersteU 
Ung van een volk dat z^ne on(rfhankeljjkheid verloren 
had, (G. G.) — Ba^oeng palaySlrang, een* mast 
oprigten, opzetten, 

Bangdbngaug oeldbnna, zjjn hoofd overend of t» 
de hoogte heffen, (M^di.) 

Pamangdbngang, a) oprigten voor iemand; \i) be- 
zigen een zekeren tijd tot oprigting, of om daarop op 
te rigten; bijvoorb. : pamafigcfengangi masigi , voor 
iemand eene moskee bouwen, (G. G.) — BdblaiigbfU 
djika nipamango'bngang hM&, de maand die goed 
[gelukkig) is , om daarin een huis te bouwen. (Bap- 
T.DJ.) 

X^^ (1° bango), bep. bangówa, verstande- 
loos, gek, onzinnig. Boeg. idem. — THoe-bango, 
lett. onzinnig, v. d. slecht, volk; dikwijls gebezigd 
voor: menschefi die heimelijk roovers zijn. — Bisê- 
yang tAoe-b^lngo, praauwen van geheime roovers. 

Bango-baiïgowi, of: bftngo-bangówangi, of: 
pibango-bangowi, iem^ind als onzinnig beschouwen, 
V. d. : misleiden, bedriegen. 

Kabangowi, als gek behandeleti, den gek mee 
deken; bijvoorbeeld: tlnjSjo bitjaraya nikaba- 



155 



ugówi , md die rede wordt de gek gestoken, (Rap. 
K. G.) 

Kabaugowang, onverstand^ onzinnigheid. (Tar. 
D. Mat.) 

(2" b&ngo). Bango-bango, bep. baSgo-bangowa, 
= bdngoe-bdngoe. Men zie op bdngoe. 

XX (bdënga), bep.: boengaya, vnw.: boeiïga- 
koe, en niet: boengslngkoe, zoo als men soms te 
üiakassar hoort, bloem y bloesem. Maleisch idem. 
Boeg. ö€Nga. — Bo'fenga êSja, lett. roode, v.d. ook 
Qampdga-bloem, Men zie êdja. Dikw^ls geb. als 
eigen naam Yoor een paard. — Bdbnga-b&toe, spons, 
— Bobnga-baroc, lett. bloem van den bdroe-boomy 
NB. em gele bloem; v. d.: naam eener soort van 
▼isch. Van daar ook: pasapoe bo'bnga-baroe, ^«Ztf 
Jkcojddoek. — Anna noepo'bpoeloe bdbnga nildr 
moeng-lamdbngkoc, gy hebt geplukt mijne bloem» 
d. i. geroofd mijn maagdom (Sinr. K. G.) — Bdbnga- 
siügkoeloe, de verst uitstekende knokkel van den 
eIlebo(^, wanneer men de hand aan den schouder 
biengt. — Bo^bSga bara. Men zie bdra N°. 3. — 
Bobnga palikang. Men zie palUcaf^. 

B<ibnga-bdbnga, soort van timmerhout. 

Abdbnga, met bloemen zijn^ met bloesem zyn^ v. d. 
Uceijen; bijv.: Mange abo'bnga, bloemen gaan strooijeti 
op de graven der afgestorvenen, — Abdëngaï pókd- 
kaycA;wa, de boom bloeit, — Abo'bngaï tamparanga, 
de zee bloeit^ d. i. is vol schepen, — Abo'bnga-rêyaï 
tamp4ranga. Men zie réga. 

Djamang ^bo'fenga-bo'bnga, bloemwcrk. 

Boengaï, met bloemen bestrooijen, 

Ab()bnga-boengai, ergens als H ware bloesem ^ 
d. i. aanleg^ voor hebben; bijv.: nabo'bnga-boengaï- 
ini garrïng penteng, of: garring rókong, lett.: hij 



reeds een' aanleg tot, of liever: eeti beginsel van 
tering, 

X i^ (bo'bngoeng), pui, — Bo^bfigoeng ta-maësa, 
lett. een put, die nimmer droog wordt; v. d. zekere 
gleuf op het lemmet van een sdkkingsdkking , die 
den eigenaar veel geluk voorspelt, als 't ware eene 
bron van geluk, die nimmer opdroogt. 

\SiX^ (bêiïgo), bep. bëiigowa, dronken, be- 
dwelmd; V. d. als 't ware dronken ^ of: geheel ont- 
hutst van ontsteltenis en verwarring. (Djay.) — 
Mibêngo-b&llo, dronken van saguweer. — Bëngo- 
tamb&ko, ziek van het rooken, — Bëngo-rappo, be- , 
dwelmd van het kaauwen vanpinaiig, — Bëngo-bom- 
bang, zeeziek, 

Amciïgowi rasanna, de lucht van het een of an- 
der bedwelmt Jiem, 

Pamêngo, iets dat bedwelmt, NB. ook van ver- 
gift gebezigd. 

X 'N ^ (1° bönga), bep. böngSlya, soort van tnsch , 

(2° bonga), bep. böiig^ya), hs, in zijne manier 
van leven; byv.: ngSlpa noebönga-kamma? hoe komt 
gij zoo los? — Taoe-bönga-bönga, los mensch. 

Abóüga-böngaï, ergens los meéte werk gaan,er mee 
spelen, het uitligtzinnigheidverknoeijen,oi: opmaken. 

Pabönga-böngaï,2ricA los jegens iemand gedragen, 
zich dUerlei ongepaste vrijheden veroorloven. — Pa- 
bönga-böiïgai njawana, met zijn leven spelen, 

Paböngaiig, = taoe-bönga-èöf^a, 

Pabönga-böiïgangi, = pabönga-böngaï. 

Sibönga-böngai, op losse manier met elkander 
omgaan, te zamen spelen, of stoeijen, 

XXX (boengangi), = sdkngke, open maken, 
(Madi). 

X^^ (boengo'fengaiïg), = boewdeiigangy = 



heeft reeds eerC bloesem voor tering, d. i. hij heeft \ boembt^ngaitg 



20 



156 



X^^ (baiïgartt). — TabSngara, gapen (zich 
openen), v. d. beginnen te ontkiemen. Boeg. tdbüngd, 

BÜngard ook in de beteekenis van aangapen^ 
en van daar verschrikt ^ verwüderd staan kijken; 
wordt bijvoorb. van bnfiPel's en ook van menschen 
gebezigd. 

X ^ 'N ^ 'N(bcfengoró),bep.bo'bngoroka, naam 
van zekeren boom, = kaUfemparTg N°. 1; en dewijl 
de bast van de vracht van dien boom, wanneer die 
als geneesmiddel gebezigd wordt, er donkerbruin, 
ja b^na zwart uitziet, zegt men: rappo, nkï bo^ 
fïgorona, eene pinangnooiy die van binnen zwart ge- 
worden M, alzoo: een* slechte pinangnoot ; v. d. geb. 
als zinnebeeld van een gering en ellendig mensch 
(Kei.) 

£ ^ i. ^ •«^ -s (bófigoló), Sal. = tóSgció, doof. 

i: ^ O (bingas^), met de hand, doch voorzig- 
tig, en alzoo gelijk, afscheuren^ een blad bijv.; staat 
tegenover: simré^ dat, eenvoudig scheuren betee- 
kent. Wegens dit gelijke in de beteekenis, bezigt 
men het woord Hngasd insgel^ks, even als het 
woord (felasd, van de vakken of kasten, waarin zich 
bij de pompelmoes'' en ^a2i-vrucht het eetbare be- 
vindt. Daar nu de bingasd van de ^^^vrucht bij- 
zonder vast en hard is, zoodat zij niet dan met be- 
hulp van een mes of dergelijke uit elkander te 
kragen is; zoo spreekt men in de sinrili's van 
btiigasdna kdmma tdld, ten einde onverbreekbare 
vriendschap aan te duiden. (M^). 

X ^ O (bo'bngasa) bep. bo'b^;asdEa, het eerste 
van wat het ook zij, v. d.: palêle boengas^a, een 
meisje van haar maagdom berooven, (Kei.) — San- 
tang bo'bngaaa, de eerste klappermelk die men uit 
eene kokosnoot perst, — Bappo bdbngasa , de eerste 
vntcht van een* boom. — Taoe bo'bngasa, iemand 



die voor de eerste keer met eene vrouw slaapt. — 
Bo'bngasa tjinikoe: het eerste, het begin van m\jn 
zien, d. i. mijner Uefde. — Na-alle bdbfïgasa-b^i, 
lett. het begin van het ijzer heeft hem beet; d. i. nog 
niet gewend zijnde, om uit een wond, door ijjzer 
veroorzaakt, bijv. ten gevolge van aderlating, of 
kris-steek, bloed te zien vloeijen, krijgt hij daarvan 
een ilaauwte of ziekte. 

\i:i.O (bêfigisi), bep. bengisika, r^«<rfief- 
jes, soort van vogeltjes. — Bengisi-dj&wa, of: 
döngd, ligt-blaauwe rystdiefjes met wiite wan- 
getjes. — Bëngisi-b&llang-(>bloe, soort van r^st- 
diefjes met witte kopjes, — Bëngisi-s&ppaiïg, don- 
kerroode rystdiefjes. Men zie sdppang, — Bengisi- 
blltard, donkerroode rijstdirfjes vol witte spikkels, 

X^ (bapi), bep. b^paka, = matige, vader, 

X^\^ (bamp&r^, = bdrang-pdré. Men 
zie bdrang, — Bamparekoe mUte, het is my onver- 
schiUig of ik sterf (omkom); laat m^ maar sterven, 
(Bid.) 

X \ /O O (bampêso'e), bep. bampêsoeka, soort 
van medicinaal plantje. 

X X (1^ b^bd), = bal^^, ergens óm-winden, bijv. 
een touw, 't Boeg. bJkd, 't Mal. boM, en 't Jav. 
£n Si Êrijf\ , omwonden. NB. babd beteek. eenvoudig : 
ergens óm-mnden, terwijl kdlasd te kennen geeft, 
dat dit zóó geschiedt, dat men het touw, of wat 
het ook zij, in elkander vlecht, — Kalêwang ni- 
baba-boelaëng-mata, een kalêwa^ mei zilver als 
H ware om/wonden, 

Pab^ba toli-toli. Men zie tM. — Pab^bd 4\é, 
een band van zilverdraad of dergel., heiwdk om de 
schee der kris gewonden, of: geslagen , wordt, deels 
tot sieraad, deels om de schee goed zamen te hou- 
den. NB. Niet bij alle krissen gebruikt. 



157 



(2" baba), Bonth., = 3aiöo, mond^ opening, (Bap.) 

XX (bamba), bep. bamb^ya, moei mensch (S. 
fjin.) 

XX (b&mbang), heet^ warm, — Bambafig- 
pam^, warm, drifUgy ver%tocrd. — Bambang-kMe, 
warm wm gedel. (Brief). — B&mbang ngdp&-op&. 
Men zie ^d N*". 3. 

B&rang s^rroki b&mbang-il&laug, lett.: welUfft 
zyt ^ inwendig zeer verhit , d. i. wélUgt hebt gij ge- 
brek aan dodgang. — Blünbang-piLdja-baranning. 
Men ae: bardnning. — B&mbangi, k^ ie Iteet, d. i. 
ieeft de keete koorts. — B&mbang-b4mbangi gdr- 
riiïga, de ziekte is zeer erg, of ook: woedt hevig, — 
Karêba b&mbang (, in oorlog), heete, verontrustende , 
iyding, — Kana bambang, = kdna tSdjeng, == kdna- 
lampOy =r kana battdld, eed, 

Bdmèang, even als het Mal. pdnas^ ook gebez. 
van het ongduk-aOkbrengende van een hnis, ten ge- 
volge van overladen; weshalve men dit bdmbaüg 
door middel van pastU tracht weg te nemen. — 
Béminng ook gebez. van eene betrekking tnsschen 
twee bloedverwanten, die te na is, dan dat z^ ge- 
voegelijk zamen kunnen trouwen. De betrekking 
tnsschen volle neef en nicht bijvoorbeeld is bamhang. 
Dus liever geen huwelijk. 

Bambangi l&mpa, iets gedurig (, telkens,) warm 
maken y opwarmen , opkoken, 

Kabamblngang, kiUe, (D. Moes.) 

XX (babi) bep. b^bika, bwt van een boom, 
9ckü van een vrucht. — B^bi-tdbde, mosselschelp y 
= boekóileng4oede. Men zie bi^kdkleng, 

X X (b&boe), bep. baboeka, volgens sommigen 
soort van musykimtrumenty volgens anderen soort 
▼an kleedmgstuky dat thans geheel in onbruik ge- 
raakt is. In de Boeginesche heldengedichten komt 



dikwerf een kleedingstuk van dien naam, een soort 
van bMjoe, voor. — - Jlimüï baboeka beteekent in 
het eerste geval de baboe hafderen y in het tweede de 
mouwen van de baboe bezigen^ daarin zjjne armen ste- 
ken, (G. G. en Eap. K. G.) 

X X (bibi), b\i kleine stukjes ergens met de hand 
(tfbrekeuy of qfpeuzelen, bijv.: van een' vischy die 
vóór ons op tafd staat; v. d.ockimet de hand schil- 
leny of pellen y byv. een ei, (Bid.) Boeg. bibt, 

Tdbibi, b^ kleine beetjes wegraken ;h^Y.: tdbibi- 
mi l&ttanga, de steenpuist raakt bij kleine beetjes et- 
ter kw^ty en dtzoo langzamerhand wegy er komt ge- 
durig een beetje etter uit de steenpuist, 

Si-bibi, een stukje y een beetje, 

Pabibi, by kleine stukjes laten a/peuzelen , v. d. 
overdragtel^k: zeer gering voordeel laten genieten. 
(Bap.) 

X X (1° b^bde)y uittrekken y te voorschijn trek- 
ken,— "MLtkhoe bme, zaadpaddie uit den grond trek- 
ken y ten einde later weder te planten. -- Bc&bde 
p^anga, hd zwaard uit de scheede trekken, — Boe- 
bo^eki ball^na, lett., z^ huis (uit den grond) trek- 
ken, d. i. opbreken. — Bcebo'eki patongk^na bdto- 
loka, het deksely d. i. de kurk, van defiesch uittrek- 
ken y d. i. defiesch ontkurken; van daar: paboebo'e- 
bótoló, kurkdrekker. — Niboebde pokdna, lett.: 
z^n stam wordt uitgemkty v. d. overdragtelijk geb. 
van een schuldenaar y die, na alles gegeven te heb- 
ben, wat hij bezit, zijne schulden nog niet kan af- 
betalen, en daarom ten slotte zyn eigen persoon ver- 
pandt, (Bap. T. ]^.) 

Tdbo^ebde, lett. uitgetrokken zijn, geb. van de 
kris, die wel niet geheel, maar toch voor een klein 
gedeelte uit de scheede valt. Vergel. bdbboesóéy 
bóéroesóéy bblosó. 



158 



Boebdbki, uittrekken aany bijv. boebcibki dja- 
nganga, aan de kip ttiUrekken, te weten: de veeren, 
d. i. plukken de kip. 

Boeboekang, vallen (, touwen om de zeilen mee 
te hijschen). 

(2** boeboe), bep. bocboeka, a) Aet meel dai 
door het knagen van de wormen uit hout of bamboe 
valt, b) die voormen zelve. Bo^. b&óé, idem. Jav. 
boeboeky vermolmd, poeder, myt, inade. Mal. boe- 
boekh, stof, dat in bamboes zit, rjJBtworm^ houtworm. 

i^are-boeboe. Men vergel. tjdre. — Aling- 
bocboe. Men zie dUng, 

Boebo'ëkang, vermolmd. 

X X (X bo'bmboeng). — Boembdbngang, = 
boeng(fei^ang , = boeuxfengar^ ^ het bovenste ge- 

deelte van het dak. Vergel. het Mal. yjJ^f^ 
Men zie ook panrdngkd crp rdngkd N°. 1 , en «i- 
móengai^. Boeg. boewde^ang^ idem. 

(2° bcA^mboeng), Bonth., = tmpo^ bamboe om 
water te halen. 

(3° Ix^mboeng), vcl^ gevuld; geb. van een maat 
met rijst, katjang en dergel. meer, in één woord 
van alles, wat men maar met iets dat niet vloei- 
baar \& gevidd\iËdi\ bijv.: têya-kö bdbmboeng-ddb- 
doe, doe *t niet te vol. — Bdbmboengi battslnna 
bainne tiyana^a, lett. de buik der zwangere 
vrouw is vol, d. i.: het oogenblik harer bevalling is 
nabij. 

Bdbmboeng-boembdbngi , het wat vol maken, 
bijv. de maat. 

\ X X (bêmbaiïg), in menigte door malkander 
loopen. Boeg. mdbimbang. 

Tabëmbangang, ergens voor door malkander 
loopen, (D. Moes.) 

'^ X X X (bebe), Toer. en Bonth., = bêwe. — 



Tdbêbe, =- tdbêwe; gebez. van H lichten van den 
bliksem. (Sinr.) 

XX'^X (bcmb^), bep. bembêya. — Bêmbe 
laki, bok. — Bembe g^na, geit. Bo^. idem. 

'^XXX (bêmbeiïg), wegnemen ^ opnemen, op- 
brengen, bijv. eten, of drinken, sierih, enz. — Bem- 
beiïg-padja. Men zie pddjd N**. 2. — Bêmbeng- 
kado, a) het leveren van ryst door de onderdanen 
aan den vorst, wanneer deze een feest wil geven» 
(G. G.); b) voorname menschen, wien het eten be- 
hoorlek gebragt wordt, wanneer zij hier of daar 
met eenig werk belast zijn. (Rap. K. G.) 

Tabêmbeng, opgeUgt, in de hoogte geUgl zijn. 
— Pabêmbeng, zij, die voor den vorst opbrengen het 
eten, enz. 

Pamembëngang, voor iemand opzetten; b^v.: 
Napamembêngang-mi pangadjai ri-talang boe- 
laëng , hem wordt sierih op een gouden schenkblad 
aangeboden. 

X'NX (bombang), golf. Vergel. gdUoerde. 
Boeg. idem. — Bengo-bómbang, zeeziek. Men zie 
bengo. — Bombang-pi, namamise, eerst toen de 
zee hol stond, begon men te scheppen (roeden). Men 
denke aan ons spreekwoord: "den put dempen, 
wanneer het kalf verdronken is." 

Bombang-talloe, drie elkander onmiddeïlyk op- 
volgende golfslagen. Zulks treft men, volgens de 
Inlanders, aan tusschen Tanakéke , en de liydekang 
tdHoem^baüfewa, genaamd: Bdoe-lökwang , Satdnga 
en Bdyang-dayangang , en wel alle etmalen eens , 
hoewel niet steeds op den zelfden tijd. Het moet 
hoogst gevaarlijk voor de praauwen zijn. Men zie: 
l(fewa. (Kei.) — Loemoe-mi bombanga. Men zie 
losmoe N**. 1. — Bombang-bombang, kleine golfjes. 

X % X 'N (1" bobo), bep. bobówa, krop. Boeg. 



159 



idem. — Bobo-djangang, kippevoeder, (Rap. K. G.) 

— Asare bobo, voeden, vogels, bijv. 
Bobowi, voeden, de kippen bijv. 

Abobo djdbkoe, lett. visck voeden; v. d.: verge- 
ven met eene soort van vergift, die gemaakt wordt 
van de wortels van de toewa. Men zie tóhoa N°. 5. 
V. d. ook: nigappa-mi nibóbo lySlnoe , N, N, is 
vergeven, 

(2"* bobo). — Bdboki lim^na, zijne hand eenig- 
zins tdlgesirekt, maar met een ktdltje houden. 

Lima kabobd, eene hand op deze wijze ge- 
houden. 

Têmpa kabóbd, een klap met eene aldus gehou- 
den hand. (NB. eigenl. Boeg., doch ook in het 
Mak. gebruikt.) 

(3° bdbó), wtbroeijen eijeren; bijv. bSbd-mi 
djanganga, ele hen heeft hare ei/eren al uOgeèroeid. 

— Djaiïgang-soiigk<5koe-dji &ntoe, bdbd ilMang bi- 
likoe, dat is mijn gekoesterde ^oa» (vergel. op sdt^- 
Jtv)y uitgegroeid in myne kamer. (M^di.) 

(4° bdbd). — B^d-bisêyang, de rumte binnen 
den omtrek van een vaartuig. Boeg. idem. Van daar 
op see een vaartuig dikwijls uit zeker bijgeloof, 
ten einde de booze geesten te verschalken, in stede 
van èiséyang, genoemd: 6666. 

(5° bobo), ergens een gat in maken, bijv. in een 
tcand. — Bdbdna badjc(bwa , de opening van boven 
aan het baadje, om het hoofd door te steken. 

X'NX'N (bómbong), uitspruitsel van de bla- 
den der palmen en andere boomen , reeds meer 
ontwikkeld dan depöhtjóé, en minder dan de ma- 
rawdnting. Overdragtelijk gebezigd van jonge meis- 
jes. (Kei.) Boeg. idem. — S&ma-bömbong, gebe- 
zigd van elk langwerpig voorwerp, dat overal even 
dik is, bijv.: een liniaal. — Bómbong-pandang , 



bómbong van pdndang. Dewijl deze er wU uitziet , 
wordt zij dikwerf gebezigd als zinnebeeld van den 
grijsaard. (Tar.) — Djêlrang bombong-pandang, 
paard dat de kleur van de hómhong-pémdang heeft, 
een vos mst witte manen en staart. 

Bómbong-pandang is insgelijks de benaming van 
zeker Makassaarsch gezang. 

X X ^ (boembdbngang). Men zie htfemhoeng 
NM. 

Xi:'*v^\'N (babótd), bep. babotoka, een 
geregt van half-rotten visch, die met fijn gesneden 
^^-blad bestrooid, en in een blad van denzelf- 
den naam gewikkeld en gekookt wordt. Men zie 
tólongW.2.. 

XX ^ (baba^oe), bep. babanjoWa, middel 
om de tanden zwart te maken, bestaande in de 
schil van een granaat-appel , stinkend klapperwater, 
en paddkkt. Meestal wordt de granaatappel-schil 
(,k(k\i dalima,) afzonderlijk in den mond gestoken 
en gekaauwd. Daarbij neemt men van tijd tot t^*d 
een pen met kapas omwonden, en met het oude 
klapperwater bevochtigd , in den mond , tusschen 
de tanden. Voorts verzuimt men niet, om , zoo 
dikwijls men met de operatie ophoudt , de tanden 
te wrijven met een pruimpje tabak , dat in de pa- 
ddkkt gedoopt is. 

Ababanjoe, babanjoe gebruiken. 

X X ^ (1* b^bara). — B^ba-bSbara, gebezigd 
van iemand, die wat koortsig is: warm zijn, 
droog van huid en inwendig gloeyende zijn. 

(2° b&bara), a) bakken met vuur onder en 
boven. 

b) soort van gebak, gemaakt van geel van 
eijeren, met een weinig meel en sap van pdndang- 
bladen. (M^di.) 



160 



XX^ (bimbara), = mtmbard, 't Arab. 

jjjji , preekstoel. (Godsd.) 

i\X\^ (biberé), bep. bibereka, lippen. 
Mal. èiebir en Boeg. wiwe\ idem. — Paballe-biberé, 
Uppen-pomade, gemaakt yan witte waskaars, ge- 
kookt met klapperol\j. De Inlandsche dames sme- 
ren zich hiermede de lippen, en wanneer zij dan 
sierih-kaauwen , trachten zij het speeksel met zeer 
veel behoedzaamheid uit te spuwen, opdat de 
uiterste randen goed wit blijjyen , en alzoo naar 
hare meening, fraai aüsteken tegen het bloedrood, 
dat het sierih-kaauwsel op de lippen achterlaat. 

XX ^ (bo^eboeroe). — TaUang-boeboePofe , 
als een hakdeen naar den grond gaan, Gebez. van 
een vaartuig. 

X \ X ^ (boembêra), bep. boember&ya, roode 
boommier. — Nipikdkoki boembêra ^njdjo tacA^wa, 
lett. men laat dien man door roode boommieren b^ten. 
NB. dit is eene straf welke de koning van G6wa 
soms, in geval van diefstal, of welke misdaad het 
ook wezen moge, aan den overtreder oplegt. Deze 
wordt dan nageno^ geheel naakt tegen een' boom 
aangebonden , van top tot teen met bruine suiker 
besmeerd, en, nadat men hem alleen de ooren en 
neusgaten met kapas heeft digtgestopt, aan een 
nest met mieren, hetwelk men op z^n lijf neder- 
zet, prijs gegeven. 

\X\X\^ (r beberé), méberë, imêheré, 
layang-l&yanga, de vlieger maakt eene iriüende be- 
weging (tegeli^jkert^d een end naar beneden ko- 
mende.) 

Pabébcré liLyang-l^yanga, den vUeger doen trillen. 

T&beberé, beven ^ trillen; gebezigd van men- 
scben. 

Bebere-baldbwangi , gebezigd van iemand die 



altoos met het hoofd eene bevende of trillende be- 
weging maakt ; als 't ware als een weduwnaar , of 
weduwe, trilt. 

(2° beberé), Sal. = ttpd N°. 2, spoedig. 

X%X^^^ (boboró), M. gekookte r^si. 

XX«^ (blbaUL), bep. b^balaka, a) zweep , 
b) de stokjes voor de ganrang N°. 2 ; c) lange bam- 
boezen stok, dien de patdnrd dwars over de toptafel 
houdt , totdat de betaling geschied is. Boeg. babd. 

La-koesiLre-ko b^bal&, ik zal u met de zweep 
geven* 

Nitdbnroeng samb^bali, evenveel slaag kragen, 
ook overdragtel^'k : voor evenveel beboet worden. 
Vervolgens wordt sambabald gebezigd van allee wat 
in eenig opzigt met iets anders overeenkomt, bijv. 
even groot of Idein , even hoog of laag , even veel of 
weinig, even r^k of arm, is, enz. — Anjdjo t<A> 
wanga samblbaUlki bainnênna, die heer is even 
groot als, komt goed in podmtr by, zijne vrouw. 

X X «^ (boebdblang) , een tuin met beddingen 
van suikerriet, S^agong, pdt^ó, of Idme. (Bap.) 

Paboebd^ng, tuinman. (Daëng Tjamm). 

XX\*^\^ (bambalêle), soort van Sum- 
bawaasch gezang. (D. Moes.) 

X X \ ^^ O (bambalêsoe), bep. bambalesdbwa, 
zeekakkerlak. 

X X O (blLbas^). Men zie bdsa N°. 1. 

X X O (Ixlbboesde), ergens uit-v<ülen, uit mal- 
kander vallen. — Bdbboeso'eki sLnaka, het kind valt 
er by de bevalling als 't ware van zdf uit. — Bdfe- 
boesoeki biseya^, het vaartuig, of eigenlek: de 
kiel daarvan, gaai, vaU, uit malkander. 

Kaboebdbsang, in een' toestand zijn, dat ons iets 
ontvalt. Bijv. gebez. van een' moeder, wier kind er 
big de bevalling, als 't ware van zelf uit-valt. 



161 



\ X X O (bêUasd), bep. bêbaeaka (, vcrgeJ. 't 
Ma]. 6éj6aê^ vry, en 't J&r. beöas, daglooner zooder 
den kost), vrye» ioeyang Aeböen, van wege z^ne be- 
trekkingbij voorb., overal bekend zijn. -^Tio^hèhasi, 

iemand die ergem algemeen bekend ie ^ lett.: overal 

l—J 
vrijen toegang heeft, ^ l^i-bêbasa, kan gebezigd 

wolden Tan het onderêeheidmgsteeken van 's gouver- 
nementsambtenaren en oppassers. — Sdbra-bêbasd, 



X X X O (bèboeeoé). — Bêboeade-mi bwnnêya, 
de vrouw eid reede ieder uur hare bevalling te 
ffemoet. 

XX O X^^ (bdbboea^bftla), == Qaroewdra, 
vreten» 

X X \ ^^ (bamb^ng)« grens. Vcrgel. bdëng, 

Ji^\ iX bslta), bep. bat&ya, gebakken deen^ 
Boeg., Sd., Mal., en Jav. idem; r. d. mmtr; v« d. 
fort. (Rap.) 

Ambfttoe-b^taï boettHya ri-T^Uo, hel land van 
Teilo met een muur omgeven. (Bap. K. G.) 

(2"* b&ta). ~ Bata-bllta, iio^elen, aarede». 
Boeg. idem. — Ta-bdla-b&ta, nid tmjfelen ei aar- 
zdeuy d. i. onvertaagd £Ün. 

Mta-bataï, Ueijfel keederen omirenly y. d. ook: 
nddtouwen^ verdomeen; bqv.: taëna nib&ta-bataï, 
er wordt niet aan gekeiifdd^ hd m oaiw^elbaar. — 
üijé ^jjd}0 tdk>e koeblto-bataï, daar is die man^ 
wien ik verdenk, (Brief.) — Tc^wang ly&noe ambllta- 
batfiïyakift, N. N. verdenkt u. (Brief). — I^^e 
nibftta-batm, g^ wordt verdacht. (Brief.) — Tftoe 
nibHta-batafya, de verdachte persoon, (Brief). — 
Koebüta-bataï, djn sala-oekirikoe, ik vrees dat ik 
m^ dikw^ versehreven heb. 

iy \AMl), ophoogen en gdykmaken; v. d. b&ta- 
t&na, opgehoogde grond of teeg. — Kar^ttas& si-bHt^, 



= kardttasd si^dnraitpy één riem papier, — B&tiki 
tan^ya, den gronde of weg^ ophoogen. 

(4** b&tta), iets kleins en hards, als bijv. een noot 
of pit, (met mes of b^l) doorhakken of doorsneden. 
Boeg. b^tta. —Vandaar: blittapsaï llojdjo rappöwa, 
sn^d é^ pinaf^noot eens door; van daar: r&ppo si- 
b&tta, één stukje pinangnoot. NB. wel te onder- 
scheiden van rdppo si-bdtoe^ ^ pindngnod. Vergel. 
m^'ne Mak. Spr. { 108. ^ Bfttta-kaKwang, met 
een kalê»a£g dóór^hakken. 

Fabfttta, doen, of laten, hakken, snijden ;h^v.: 
pab&tta ri-baltoe, iemand op een* steen laten hakken. 
Dew^i nu het hakmes bederft, wanneer men in 
stede van een stnk hout een^ steen of iets anders, 
hetwelk bijzonder hard is, onder het door te hak- 
kene 1^; zoo beteekent deze phrase overdragtelijk : 
iemand er in late» loops»; v. d.: Ng&pa in^ke noe- 
pablltta ri-bditoe? «taarom laat gij mij er inloopen ? 
NB. by V. gebez. wanneer iemand een slecht paard 
koopt, terwijjl een ander, zulks wetende, hem maar 
stilleljes laat begaan. 

Zoo ook; M&te-dj^, kdbrang^sui; ng4pa inikke 
noepabiitta ri-b&toe, lett: ik derf immere, d. i. 
gy maakt me ongelukkig, jij onbeschofte I waarom 
laat gij mjj er too inloopen^ Aldus scheldt bgvoor- 
beeld eene vrouw haren man uit, die buiten haar 
weten aehulden gemaakt heeft. 

(P"" b^ta), onthoofden. Boeg. wiUa. - Blltta- 
b&tta« koppeeneüe». — Koeb&tta ri-tlippeie, lett. 
welligt: ik onthoofd je in mijne gedachten op ome 
mat, d. i. ik wensch je een' geweldige» dood toe, e» 
hoop maar dat ik je overleve. (NB. woorden eener 
gekr^ikte vxouw tegen haren man). Ven daar: 
M^akd, kodi-ka nab^ttd ri-tapperdka kaïftang 
baïnnêya, = mdUaké kódi-ka uaUSdd kardëOg 

21 



IG^ 



baïnneyay d. i. ik vrees dat de varstin 7ny ooerlete^ bdüang, oi gierst, genoemd bdnne'^'*, 2, en gekookt 



d. i., dat ik een* vroegtijdigen dood ondermnde. (Ge- 
bez. door een' vorst, die bang is om zijner wettige 
echtgenoote ontrouw te worden.) 

(6"bïltta). — Batta-batta, Tabemae montana^p. 

Xr\ (1° batang), stam, steel , stengel. Mal. 
idem. Boeg. todiang, -- B&tang-^se, halm der pad- 
die (,op het veld staande). — Bö.tang-k&llong, 
hals. — Mtang-kalênna, z^n ligchaam, h^ zelf. — 
Batang-kallang, sitft van een pen, — BêLtang-ka- 
mo'ëroe. Men zie kamóhve. — BlLtaiïg-ban^wa, 
lett. de kiel van een vaartuig; doch eertijds in ge- 
bruik, als titel van een hoofd. (Bap.) — B&tang- 
padjêko, titel van een hoofd, dat zorgt voor het 
beploegen van de omamentsvelden van Gówa. Boeg. 
todtan-rdtoe. Men vergel. pa^éko op c^êko. 

Si-bSltang-karêmeiïg, één vinger breed. 

AbUtang, met een stam^ met een ligchaam z^n, 
een ligchaam y of tot ligchaam hebben; b\}v.: Nabsl- 
tangi rewllta, een geest heeft hem tot ligchaam, 
woont in hem, d. i. hy wordt door een' geest bezield. 

Djönga sambsltang, mannetjes-hert, dat takken 
aan zyne hoornen begint te kragen. Vergelijk djöi^a 
N°. 1. 

Batangang-b^dili, loop van een geweer. 

(2" battang), bmk, Bo^. wittai^. — BUttang- 
bitisi. Vergel. bitisi. — lApi-b^ttaiig, een laag 
(in) de buik, d. i. ontbijt. Vergel. Idpd N". 2. — 
Sikd-b&ttang, buikband. — Mlnge-b&ttang, mis- 
kraam. (G. G.) — Apa koep&ré, m&ntang, ka-kir^ 
pë-mi battangkoe? W(U doe ik, meer te blijven daar 
gij gebroken hebt mijn* buik, d. i. my m^ne paddie- 
velden, en aUes wat tot levensonderhoud dienen kant 
ontnomen hebt F 

(3° battang), gierst. NB. Op Saleijer wordt de 



zijnde: kdnre-tóppd. Verg. tóppdW. 5. 

(4° battang). — Battang-battang , soort van 
boom. Meliosma sp. 

X/N (bantd). ^ Bantd-bantd, bep. banta- 
bantaka, soort van verkoudheid, gepaard met erge 
benaauwdheid, die zich soms b^ kinderen vertoont. 
Boeg. idem. 

X ^\ (1° bantang), draad oi koord. Boeg. idem. 
Van daar: bantang-taSga, de fijne draad, juist tus- 
sehen de twee raderen van 'het spinnewiel. — Ban- 
tang dêko, de dikke draad of koord, tusschen de 
beide raderen over en wéér loopende. Vergel. déko 
N°. 2. — Bantang bissoró. Verg. bissoró, 

(2^ bantang), soort van medicinale plant, die 
tevens als groente gegeten wordt. — Bantang-bi- 
nanga, soort van bantang, insgelijks in de genees- 
kunst gebezigd. 

(3° bantang), instorten in eene ziekte. Mal. 
bintan; bijv.: banting poeiana anjdjo tac^bwa, die 
man stort gedurig weder in, 

X>N (1** bati). — Bati-bati, tegenspreken. 

Sibati-bati, elkander tegenspreken, over eene zaak 
disputeren, redetwisten (in der minne). 

(2° bati), zeer bijzonder, verg. het Jav. ÊJtSis, 
buitenmate, b^zonder, al^. van AjnSts. Bijvoorb. 
bati erokoe, b^zonder sterk is mijn verlangen. (Tar., 
G. G.) 

(3° bati), eigenl. Boeg. = dssald N". 2. Van 
daar : la-nipibati , êróki nibatikang, of: la-nibati- 
kaiïg, = la-nipigdssdld. Men zie dssald W. 2. 

(4" batti), bep. battika, spikkel; v. d. zwarte 
vlekjes op het gezigt, van wege de Zon. (NB. de bi- 
ddra-pdi een goed geneesmiddel daarvoor.) Boeg. 
biUi, 



163 



X^\ (F b&toe),bep.batdfewa, vnw. batdfe^- ! (2** baltoe), komen; bijv.: battoe kêre-ko mtó? 
koe, steen. Boeg., Mal., en Jav. idem. Van daar: j waar komt gij van daan F — BUttoewa ri-Bantaëng, 
tteepsieen, of steen, gebezigd om te wegen, eertijds in ' ik kom van Banidëng. — BlLttoe-maki ri-Bantllëng ? 
gebruik. (G. G.) Dit woord ook gebezigd bg het — Minassa-md, z^t gif gekomen van? v. d. zjjt gij 
tellen van sommige voorwerpen. Men zegt b\jv. : wel geweest te , Bantdèng ? — 3a dikwijls, 
balla rdbwam-batoe , tweV huizen. Zoo insgelijks Battoe ri-arênna pangg^ekllnna, lett. zijne 



voorkomende by het tellen van : kokosnoten (Bap.), 
van: schepen (p}gLy.),Ywa.: huizen (Bap.), van: broe- 
ken (, waarbij men insgelijks bezigt Idward, Men 
zie beneden.), enz. Vergel. m^'ne Mak. Spraakk. 
§ 108. — Ambard si-batoe, één amberbal, behoo- 
rende tot de rówe-rówelé. Men zie rówelé. — B&toe- 
inj^oeroe, of: b&toe nidêngka, jwi». Vergel. dnj- 
Qoeroe en déiigka, — Batoe-mllwang, puimsteen. 
Vergel. dwang N°. 1. — B&toe-bar^ni, zeilsteen. Men 
zie: bardni N°. 2. — B&toe-dalima, robijn, ~- Ba- 
toe-tillassa, lett. levende steen, v. d. rots. ~* Batoe- 
êdja , robijn, — Batoe-Banggaï, vergel. Banggii, — 
B&toe-l&ga , soort van schelpvisch. — Batoe-laga 
patitili, een bdtoe-ldga, waarop men de genees- 
middelen doet voor het zetten van medicinale 
dippen. Men zie titüi, 

Bobnga batoe, een GnaphaUum sp. 

L&boe-batoe. Men zie: Idboe N°. 2. 

Ambfttoe-bataï. Men zie bdtaW.l, 

Abltoe, = dkalêpoe, a) heel, d. i. niet stuk, zijn; 
bijvoorbeeld: b&^iki dbatc/bnna, taena Qappina, 
tsèna tengerina, het is goed dat het heel is , zonder 
simk er uü, en zonder barstjes, 

b) in zijn, haar^ of hun, gélheel, of: geheel, niet 
ten deele, met stuksgewijze, zijn; b^voorbeeld: mi- 
Daï-mönne mabatoe ri-bolatiugkoe , mijne ziekte, te 
weten: het hartzeer, stijgt in haar geheel, stijgt 
keel (, niet ten dede,) tot in mijn boldtmg, (Sinr.) 
Men zic: boiüüm/. 



handehoijze komt van z\jn* naam, d, ï. is in overeen- 
stemming met zijn* naam. NB. Deze spreekwijze 
b\iv. door den Inlander gebezigd, wanneer iemand 
Frede heet, en nu ook toevallig zeer vreedzaam of 
vredelievend in zijne manier van handden is. 

B&ttoe-^a , gebez. van eene officiële visite der 
vorsten bij het Bestuur. Vergel. ddd N*. 2. 

Battoe noemiLlo-dji , lett. : h^ komt maar om te 
passeren, d. i. hy gaat niet eens zitten, hij komt 
maar eventjes aan, — Andfenna tong, b4ttoe ri- 
manggêna, het behoort hem ook toe als komende, 
d.i. als zijnde afkomstig, van zjjn' vader. (Brief.) 
— Ka-b&ttoewi koesdbro Qini takiLdderena, daar ik 
bevolen h^ om te komen zien, of: vernemen, zijn 
toekomstig lot. (Djay.) — B&ttoe-melmo antoe ki- 
so'bro pSlloe, lett.: gij hebt slechts te bevelen dat 
men het kome koken, d. i. laat het maar dadelijk 
koken, zonder er iets anders aan te doen, (Brief.) 

Mttoe-b&ttoewi, hij komt telkens. Vergel. Mak. 
Spr. § 166, 2°. — T^oe battoc-battcAïwa, lett.: de 
menschen die slechts gedurig van elders komen, er- 
gens niet Vhuis behooren, d. i. de vreemdelingen. 

Battdbwi, kommen tot; bijv.: nabattdbwi pongo- 
rona, zijne krankzinnigheid komt tot hem, bevang i 
hem, hij wordt weder krankzinnig, (Brief.) — Na- 
battdbwi-mo tasêla-matanna, tU hem kwam, d. i. 
hem beving, de slaap, 

Pabattoe, doeti komen, volvoeren, bewerkstel- 
! ligen. 

i 91 • 



164 



Pabattdbwang, a) iets beeigm, of: hebben, 
om toer te komen, ergena voor ^om^;b^voorbeeld.: 
taëna tömpa na-niparêgsa, apa napabattdbwang, 
men heeft ook nog niet onderzocht, waarvoor, of 
waarom, zij gekomen zijn, (Djay.) 

b) een zekeren tijd bezigen iot konUng , d. i. om 
op te komen; bijvoorb.: lya-^nne allówa napabalr 
t(^wang ^rring, lett. jüiet dezen dag bezigt nekte 
om op te komen, d. i. juist op dezen dag komi er 
ziekte. 

c) =r batti^kwang, beteekeni» , begrip. Men rie be- 
neden op: baitdhcai^. 

Kabattdbwang, a) =s pabatk^ang , lett. a en 
b^ Koodat men ook zeer goed kan seggen: tya-énne 
aüéwa nakabattdhoa^ géMig. 

b) het komen, het ergene van komen, afkomêHg 
z^n, ooreprmg; bij?.: ta-Doewfteseng^bacyika ka- 
battoew&nna , gij weet met goed waar het goed van 
daan komt, d. i. hier: qf het niet gestolen is. (Inl. 
Wetb.) 

c) tioe-kabattdbwafig, iemand tot wien de boose 
geesten komen, v. d..* een bezetene, 

Batt(^wa% ofi pabattcIëwaSg, of: pamattd^ 
wang, letterlijk: koming, *t komen, r. d. overdrag- 
telyk het iot stand komen^ het zich vormen van een 
denkbeeld, bij het yernemen van een woord; alzoo: 
beteekemsy begrip; b^v.: ta-m&ngftsseng battdbwang 
siyagSng Mi, lett. de beteekenis (der woorden, of 
ook t der zaken), gel^k ook de adats, of: gewoonten, 
niet kennende, d. i. onbesehaafd. (Tar.) — B&iang 
nasMa-pamattdbwaï^, welligt begrijpt hij het ver- 
keerd. (Brief.) 

BattoWangi, of: amattdëwangi , iets begrijpen, 
verstaan. 

Battoewangi, iets doen begrepen, iets uitleggen. 



Batt(>bwangiya^i, iemand iets uitleggen, doen 
begrijpen, 

X r\ (r b3lntde), Mal. en Jav., helpen. 

{2"* b&ntoe), bep. biLntoeka, hd, log, loom, in 
zijne bewegingen bijvoorbeeld. — TfiU)e*tóntde , log 
mensch. — Djftrang b&ntde, luipaard, 

(Z"* bllnto'e). — Bantdena panambêya, soms ge- 
bezigd , om niet te zeggen : boetóna panambêya, we- 
gens de letter^ke beteekenis van bókto. Men zie 
beneden op bdkto. 

X^ (b&ntoeng), ophalen, optrekken, ophy- 
schen, Gkbez. van visschen, van zeilen, enz. (Dat. 
Moes., Bid.) Boeg. bdttoei^. 

X\y\ (rWlte), bep. batéga, (veigel.hetJav. 
énvfKnêmjis teeken, spoor, bljjk, oorzaak^ teeken; 
y. d. alwat tot teeken dient. Boeg. idem. Zoo on- 
der anderen gebezigd voor: vlag, voor: vaandel; 
V. d. hy die een vaandel mag gebruiken, d. i. een 
vorst, — BSLte-salUpang, de negen kiesheeren van 
Oówa, — Tdëdjoe-b^te, de zeven kiesheeren van het 
voormalig leenvorstendom van TéUo. ^ Xjêrd batéya. 
Men zie ^érd. — Batéya ri-Langika, de Hemel" 
teekenen, — BfiLte 6nj^6, teeken^ van treden, d. i. 
voetspoor, — B&te-lftding, lett. teeken, of spoor, van 
een mes; v. d. overdragtelyk: dat gedeelte van 't 
pudendum eener vronw, waar z^ besneden is. 
(Maoet.) — Amöteré-mi nag&ya ma£ge p61e ri- 
batêna, de NSga keerde terug naar zijn teeken, d. i. 
naar zijne plaats. (Djay.) ->- Antoe pok^na nika- 
n&ya g&db in&blldji, itntoe ampaëmp6waï g&oeka 
ri-batêna, gftde m^nab&ya ri-bi^&ra lldaka, siya* 
gang ri-bi^&ra s&raka, dat is de bron van hetgeen 
men noemt eene goede behafideUng van zaken, dat 
men op hare plaats laat, d. i. niet met elkander ver- 
wart, de zaken die tot de adats, vergcl. ddd N**. 1, 



165 



en de zaken die toi de aard (, men verg. edrd W. 1,) 
behooren, (Bap.) — Pole ri-baiêna, tervgkeeren tot 
zyn teeken ^ d.i. tot zijne plaaUy en v. d. overdrag- 
telijk: tot t^n' vorigen toestand (Kap.) — Pdnna na- 
agang-m&mo batêna, zoo slechts de zaak kddr tee* 
ken, d. i. hdAr spoor, (het spoor dat ejf te volgen 
heeft,) ga, d. i. zoo de zaak slechts naar hehooren 
geschiede. (Bap. K. G.) — Batêna-m&mo koebat- 
tdbwi , de sporen, d. i. de overèl^selen (van de stad) 
vind ik deehts, — Paslipoe bdte-Djak&tar^noe, wo 
koqfddoek, die het teeken, d. i. merk, van Batavia 
heeft, d. i.: wo Bataoiasche hoofddoek, (M^di.) — 
B&te-lapp^na, lett.: het teeken van haar vouwen, 
▼. d.: de sierih, die zij gevouwen, of tot een pruimpje 
gekneed had, (M^di.) — Am^toe-mlltoewi baténa 
Am&na tlioe-tow&noe ri-k&oe, lett. nutüg is het tee- 
ken van ter wereld brengen, d. i. eenrondig: nuttig 
is h^ ter wereld brengen van u door uwe ouders, 
d. u het is uwen ouders goed, dat z^ u ter wereld 
gebragt hMen, (^jay.) — B&te-tanndbnna lyUnoe, 
lett. het teeken van weven van N. N,, v. d. haar weef- 
sel, haar weefwerk. (M^di.) — Djangang bllte-ka- 
toewdna, het hoen, het teeken van z^ verzorging, 
d. i. het hoen, dat hy verzorgd herft. (Tar.) — 
£&^iki batênoe pMloe, lett. goed is uw teeken van 
koken; Y. d. uwe manier van koken, uw koken, d. i. 
^ kookt goed, — Nipi-nipisi batênoe molong, dun 
zij tüw teeken, uwe manier, van snijden, d. i. snijd 
ioch dun. — B&^iki baténa m^êk(5-b&ll(5 MangklU 
«ara, goed is zyn teeken, zijne manier, van Makas- 
saarsche handschriften lezen, d. i. h^ leest goed 
Makassaarsche handschriften, (G. G.) — Ante-töng- 
k&mma k&oe batênoe? Hoe is uw teeken, d. i. uwe 
manier van handelen, d. i. wat is dat nu voor ma^ 
nier van doen/ Hoe komt gij nu tot zoo iets/ 



B(LtG-b&te, a) bamboezen ^ loopende door de pa- 
len Yan het hnis en uitkomende aan de binnenzyde 
van het dak. [NB. Tusschen deze bdle^bdt/s en 
het dak heeft men eene bergplaats, genaamd Idn- 
dard. Onder aan deze bdte-bdte^s worden de Ican- 
dawdri en tdU^tdla (,veigel. tdla N°. 4) vastge- 
maakt.] 

b) vorstenzonen, als H ware kleine vorstjes, Veig. 
Mak. Spr. § 46, lett. c. 

KarlLêng pabllte-bsLte, wel te onderscheiden van 
de bdte's, of onafhankelijke vorsten; als 't ware 
vorsten, die maar een schijn van waardigheid, of 
die maar een klein vaandel hebben; alzoo: onder- 
geschikte regenten, Yergel. Mak. Spraakk. } 46 , 
lett. c en d, — Paribatêna, op zijn, haar, of: hun, 
teeken, en v. d. plaats, doen zijn, of: laten; byvb.: 
taëna naparibatêna kanê.nna, lett. hij laat zijne 
woorden niet op hunne plaats, d. i. h^ trekt zijne 
woorden in, (Inl. Wetb.) 

Mdm&te, teekens maken, v. d. teekens, of plan^ 
nen maken voor z^n werk, v. d. oudtijds eenvoudig 
gebezigd voor: het maken van kunstwerken; bijv.: 
ming&ssengi m&m^te, hij is bedreven in het daar- 
stellen van allerlei werk, (G. G.) — M^ng&ssengi 
m&m&te scA^ki I)j&wa, sdbki Bdbgisi, hij is bedreven 
in Jaoaansch en Boegineesch borduurwerk, (G. G.) 

Batêï, beteekenen, ergens een teeken aan maken, 
V. d. onderscheiden, uitkiezen, v. d. ook: iemand in 
zijne gedachten van anderen onderscheiden, en v. d. 
kennen, herkennen, enz. bijv.: sdbro nibatêï. Men 
zie: sdisro, — Allo nibatêï, een beteekende, d. i. uit- 
gekozen, d. i. voor het een of ander vastgestelde dag, 
verschijndag, enz. » Ta-koewassênga-mi koebatêï, 
ik kan hem niet meer beteekenen, v. d. niet meer te 
huis brengen, herkennen. 



166 



Sibateï, elkander öeieekenen, v. d. ierkemien; 
bijv.: ta-siyassënga-mi sibateï. Men zie dsaeiiff N°. 2. 

Pabatêï, eette plaats bezigen om teekens te ma- 
ken^ V. d. ergetu teekens maken ^ voorteekens geven ^ 
b|jv.: napabatêi ronrong-baloe gantoerókoe, onder 
den uitersten benedenrand van mijn dak laat een vo- 
gel rónroiig-bdloe (, verg. op rónrong^) eich hooren; 
lett. geeft hij vooréeekens, (M^i.) 

Kabatêyang, te beteekenen^ y. d. te kennen, ken- 
baar, te herkennen, enz., bijyoorb.: kabatêyang-mi 
sombal^na, zijne zeilen zijn reeds te kennen. — 
Kabateyangi ri-roepanta, het ia op uw gelaat te ken- 
nen, d. i. kenbaar, te lezen. — Kabatêyang-mi 
gaoeta, het is al kenbaar, te zien, wat g^ in den 
zin hebt. 

Bateiyang, teeken, bewijs. (Bap.) 

Pamat^ = batetyang, teeken, beiers. 

(2" bate), bep. b^tcka, = 't JaV. batik, geschil- 
derd, van lijnwaad, en wel, door die plaatsen, 
welke ongekleurd moeten blijyen, met kokende 
was te bestrijken; op die wijze geschilderd lijnwaad. — 
Andblisi-bate, batikken kleedjes. 

(S** batte). — Batte-batte, ^b^tte-bltte, pikken, 
vechten, geb. yan hanen, (D. Moes.) V. d. oyer- 
dragtelijk ook van menschen. (M^di.) — Insgelyks 
oyerdragtelijk gebez. van het elkander raken der 
steenen in den stryd. (Midi.) Boeg. bïte. 

^\^\ (bateng), het Arab. ^^vt^^ , inwendig; 
bijy.: ri-batenga, in het inwendige, d. i. in het bin- 
nenste, in het hart. (Kap.) -^ Panne lahere-bateng. 
Men zie Idheré. — Nika-bateng, eene nika, die 
soms op de nxka-ldheré, of: de ntka voor den pries- 
ter, yolgt, en alleen tusschen de jonggetrouwden 
plaats heeft. (Maoet.) 

X^\ (binta), bep. bintaka, rooversvaartuig. 



heeft een ampélat^, of soort van verscbansing, 
van voren, voorts meestal twee jp^wi^'a bovenop, 
en twee rijen roeiriemen aan iedere zijde, alsmede 
twee masten, die elk uit drie houten met een bd^- 
keng-sdlard bestaan. Boeg. idem. 

« AA 

X As (binting) = bénteng N°. 1 , met één hand 
iets dragen, en wel zoo, dat het hangt, b^v.: een 
visch, of wat het ook z^. (Midi.) Boeg. mdbïQat^, 
idem. 

X AN (1° bdbta), bep. boetaya, bUnd, Mal. idem. 
Boeg. öéta. 

(2^ bdbtta), bep. boettaya, aarde, grond, land. 
— Bdfetta pi, kleiaarde. Men zie pi N°. 3. — 
Bdbtta roso, magere, d. i. onvruchtbare, grond. — 
Si-bdbtta bêleng. Men zie béleng. — Taoe-boettaya, 
de menschen van het land, d. i. bewoners des lands. 
Wanneer het echter staat tegenover vreemdelingen 
(tdoe-dddngkó-ddi^kó), beteekent het: de inboorlin- 
gen, vaste bewoners des lands. 

Toe-mabi^ara-bdbtta, lands-, qf ryksbestierder. 

Toe-mabdbtta, a) menschen die grond bezitten, 
grondbezitters. (Bap.) 

b) menschen, die in een land zijn, bewoners van 
een land (Djay.); v. d. zy die eenvoudig bewoners des 
lands zijn, en niet tot een voornamen stand behoor en, 
d. i. geringe menschen, (Bap.) 

Paboettaëng, grondgebied. (Kap.) 

X >\ (bdbtti). — Pakabdfetti, eeren, hoogschat- 
ten, met onderscheiding behandelen. (Kap.) 

X>\ (bdfetïng), = baif^, = bóQtng = bó- 
^eng. Men zie beneden. (Midi.) 

X>\ (b()fenting), verloofde, bruid, bruigom. 
Boeg. bóti^. — Bdëntüïg bero'ëwa, de jonge bruid 
of bruigom. Dikwijls als eigennaam voor een paard 
gebezigd. 



1C7 



Abdfenting, iroutcen, 

Amboentingi ly&noe , mei zeker nmsje trouwen, 

Pabdfentiiïg, laten (doen) trouwen; v. d. ook 
voor : een huwelijksfeest geven, 

Paboentingang, a) bruiloft. 

b) een zekeren tijd bezigen tot trouwen ^ om op te 
trouwen^ bijv.: ^njdjo ri-b^ngi-napaboentinganga 
silllang anana ly&noe , dien nacht waarin trouwen 
zal de dochter van N, N. , lett. : dien zij bezigen zal 
om^ te trouwen, — Bellang blldjika nipaboenti- 
ngang, de maand die goed (gelukkig) is om daarin 
te trouwen^ lett. : goed om gebezigd te worden voor 
kH trouwen. (Kap. T. Dj.) 

X •N (1° bdfetolï), bep. bdbtoeka, spoedig, zon- 
der reden ; bijv. : bo'feto'e-lSirro , spoedig (zonder re- 
den) boos, — Bo'btde-bdfetoe tinrowi nèoeng dja- 
rlLngkoe, spoedig {zonder reden, enkel uit kuren ,) 
gaat myn paard liggen, 

(2" bdfetoe). — Boetdfekang, eene opzwelling, 
ten gevolge van stooten en drukken, of ook ten ge- 
volge eener wond die niet goed genezen is. Gebez. 
van menschen en beesten. 

(3^ bdbttoe), bep. boettdbwa, knobbels op het 
ligchaam; bijv.: bdbttoe-k&Uong, haUknobbel, v. d. 
de adamsappel. 

Bd^tta mdbdbttoe-boettdbwa, lett. de grond met 
knobbels, d. i. met kleine verhevenheden, (Rap. 
T.Dj.) 

(4* bdfettde). - Tdbdfetto'e, = tdkdttó, = td- 
sémréy dsdnrd, men zie op sénrd; v. d. : pole bdét- 
toë , onverrigter zake terugkeeren. (M^i.) 



naar Bantaë%, alsmede bij de graven van Gówa 
in menigte vindt. 

(2° bdbtoeiïg.) — Vcrgel. mffetoeug , brapden , 
schroeijen, verschroeien, dat welligt van boetoeng 
af te leiden is. Van daar: bclbtoeng-t^na, droogte 
tegen het einde der Oostmoeson , welligt lett. ver- 
schroeijing van grond. — Bd^toeng-tlina-kêke-mi, 
het is eene kleine droogte. — Bo'btoeng-tlLna-lowe-mi, 
het is eene groote droogte, — Bosi-lKfetoeüg-tanaya, 
de regen bij het einde van de Oostmoeson, (Sinr. 
K. G.) 

(3° bdfetoeng), soort van boom, welks bladen, 
stam en wortels inde geneeskunst gebruikt worden, 

(4° bdbtoeng), naam van een eiland bij Cele- 
bes , Boeton. — LAme-Bdëtoeng. Men zie Idme. — 
PaUoe-Bdfetoeng. Men zie kM N". 2. 

X^\% (bdbto), bep. boetowa, het scrotum. 
Mal. boetoe, idem. — Liseré bo'bto, teelballen. — 
Sambi-s^mbi bdbto. Men zie sdmb%\ 

Onder den naam van bóHo en in den vorm van 
buffelbdUen ook bekend één van de rijkseieraden 
van Gowa. (Rap.) Men vergel. 't Tijdschr. v. N. 
Indie, Jg. V., Aflev. IV. bl. 429. 

Bdbto-karlLmboe, lett. buffelbaüen. Aldus door 
de Inlanders algemeen genoemd onze kruiken 
voor Seltzer- en Fachinger-water. — Bdfeto-dj&- 
roeng. Vergel. é^droeng N°. 1. — Bdfeto-pantobe, 
zaJc van eenpandmbe, waarin men bij het visschen, 
den visch tracht te lokken. 

Nibdbto , geluèt worden, — Djangang nibdbto , 
gelubte haan, d. i. kapoen. 



X r\ (1° bdbtoeiig). — Bdbtoeng-bdbtoeng , j \ X •n (1° bèta), mêta, overwinnen , winnen in 
= gokioeng-góHoeng , = góto^-gótong , = bênte- het spel. Boeg. idem. — Nibéta, overwonnen wor- 
bênie N". 2, kleine met gras begroeide verhevenheden, \den, verliezen in het spel. — Betóna Sambaopoe, 
of heuveltjes, gelijk men op den we^ van Makassar ! toen SambaSpoe ovenconnen was. 



1G8 



(2° bèta), = pmrd. Boeg. idem. Bijr. : bêtarini 
ri-tjipoeroe, hij m te gronde gegaan , ongelukkig ge» 
wcrd^ door hongersnood, ri-g&mnga, door de ziekte. 
— lya-iylLnna^mo t&oe bèta boett^ne, al wiens land 
te gronde gegaan j ongelukkig geworden is. (Bap. 
K. G.) 

NB. Welligt beteekent dit bèta oorspronkelijk: 
overwonnen zijn. Men zie bHa N**. 1. 

(3^ bèta) , aan de haal gaan , het land ontruimen 
(verlaten); bijv. op het vernemen , dat de vijand 
nadert, of op welk ander slecht gerucht het ook 
wezen moge. (Boeg. idem.) 

NB. Welligt beteck. dit bèta oorspronkelyk: »c4 
door vrees laten overweldigen^ Men zie bèta N". 1. 

(4** bèta). — Pabèta, zijn volk verzamelen, 
hetzij om gemeenschappelijk tegen den v^and op 
te trekken, hetz^' om gemeenschappelijk te vingten. 

Deze beteekenis volgens de door m^ geraad- 
pleegde Inlanders ook van toepassing op een in 
den Bap. K. G. voorkomende plaats: napabèta- 
hita'4öng mdbdbndóé. Alsdan zijn deze woorden al- 
dns te vertalen: en h^ verzamelt ook steeds in den 
oorlog de zijnen om zich heen. Het is echter niet te 
ontkennen, dat de zin wel zoo goed zou klinken , 
als men volgens bèta N®. 1 vertaalde: en h^ is ook 
steeds overwinnaar in den oorlog. 

\S:^\ (bêntang), — Tabêntang, aan hei te- 
rugkaatsen gèltragt z^n, v. d. teruggekaatzt worden; 
bijv. t^bèntangi piloerdbwa, de kogel wordt terugge- 
kaatd. — T^ntang^, ik word teruggekaatst. Ge- 
bezigd wanneer twee personen tegen elkander aan- 
bonzen. — S^ra tabèntang, teruggekaatst geluid, 
d. i. een echo. 

\X\^\ (béte), bep. betêya. — Bête-bète, 
soort van visch. Boeg. idem. 



Bete-bete karisd, bète-b^ topa, bête-bète ti- 
n(^mboe, en: bête-bète silammang, soorten van 
bète-bète. 

S6mbal4 bete , een zeil in den vorm van een 
bête-bète-visch , d. i. van een driehoek. 

\X:\^s (bêteiïg). — Abèteng-bêteng , voor 
oogen zweven; bijv.: nabète^-bètengit ilnjdjo tlUxs 
matêya, m^ zweeft (gedurig) hei gezigt van éten 
doode voor de oogen. (Sinr.) 

^X \ /N (1" bèntc), bep. bentêya. — Bênte 
iLse, de korrels, die uit den bolster springen, wan- 
neer men de paddie op eene heete pan legt. — 
Bènte-bir&lle, ontstaat uit dedjdgoSg, oï tmrksehe 
tarwe, op dezelfde wijze als de bènie-ése uit de 
paddie. 

(2'* bênte), bep. bentêya. — Bênte-bênte = 
bóktoeng-bdHoeng, Ueine met gras begroeide keu-- 
veUjes. 

(3^ bênte), bep. bentêya. — Bênte-bênte, soort 

van medicinale plant, zeer laag bg den grond 

groeiende met witte bloempjes. (M^i, 8. Tjin.) 

'^X^^s (1* bênteng), mênteng. Men zie 
d - 
binii^. 

(2® bênteng), ^Ofj^vtfrw^, boUoerk, imi/. Jav.idem. 
Skr. bhUtiy een wal van aarde oj metselwerk. Boeg. 
bêteng, idem. — Bênteng t&nga, het fort Freden- 
burg, als liggende tusschen het fort Rotterdam en 
de thans verwoeste vesting van Sambadpoe. 

Abênteng, met een bênteng zijn; van daar: 4bên- 
tengi tacfewa ri-biring-kêasika, de menschen ver- 
schansen zich als 't ware aan het strand^ d. L imt- 
zamelen zich m grooten getale aan het strand. 

Bentengi , bènteOg's oprigfen tegen. 

(3" bênteng), paal. — Bênteng kalli, paaltjes 
eener omheining. Vcrgel. kdlU N". 4. — Béntcfijr 



16» 



balla, piüen van een htua. — Bênteiïg mdntlrroesoe, geen toaar de rog mee ateekt, soort van angel. Men 
palen die tot boven in het huis doorloopen. — Bênteiïg '• zie lanièdroe. 

bodo, korte palen ^ d. i. paUti die slechts tot aan Kalna ta-nabêto lila, woord dat men niet op de 
óe padóm/kó^éké*8 loopen. — Bcnteng t&nga, mid- i tong neemt ^ welligt lett. niet aan de tong rijgt. 
dehte paal. NB. Soms vindt men een' paal juist , (2** bêto), Sal., = lambdroe. 
in het middenpunt van het huis (, pótji-hdUd, men X 's rN (bóta), bep. bótaka, = 't Jav. hoeta, een 
zie póiji N^ 2); deze loopt dan tot aan het dak. \ demon, IVïfl«,ofr«w.Skr.Mo^to, een Demon, booze 
In de huizen, die een' /wwjöw^o^ hebben, bijv. verslindende, vooral op begraafplaatsen rondwarende 
die van vier palen in de breedte, vindt men geen' geest.— Bóta Bilasllmba, één der voornaamste 5oi^«. 
paal juist in het midden, en dan geldt de uit- X'N/^ (boting), eigenl. Boeg. geb. van de 
drukking bênteng tanga van de twee middelste pa- manier, waarop krijgshelden en struikroovers ge- 
len, die slechts tot aan'^dejww^f^^-A'c^tf loopen.— woonlijk hun hoofdhaar dragen. Zij scheren het 
Bcnteng poloiïg, een paal, dien men ongeveer haar van voren een weinig weg, en laten het ove- 
halveman's lengte boven de vloer afgehouwen heeft, j rige zoo lang mogelijk groeijen, zoodat er eene 
en waarop van tijd tot tijd geofferd wordt, vooral j soort van staart ontstaat, die zij om het hoofd win- 
hy gelegenheid van de inwijding van een huis. — ! den en, na de punt naar binnen gestoken te heb- 



De béniei^-pólong ook genoemd: bènteng-paldlangy 
▼an Wang, als zijnde binnett de lijn van de andere 
palen. Vei^l. Idlarig N". 1. — Bênteiig-pakaï, de 
bmtende palen aan den wand van het huis, aldus ge- 
noemd, dewijl de Inlander, die steeds zooveel mo- 
gelijk langs den wand gaat, daar ligt blijft ha- 
ken met zijn' kleêren, van kat. Vergel. boven 
op kdi. 

Bênteng-bênteng, a) de paaltjes van de and- 
timgkeré en ook van de tingkeré zelve. 

b) = tdoe-tdoe. Vergel. tdoe N°. 4. 

c) de houten of bamboezen, die op depadóiigkó 
staan 9 en van daar tot boven in het huis loopen. 
Zg zijn hierin onderscheiden van de paf^dmboeng's, 
dat zij op zich zelve staan, en niet, gelijk deze, 
ab 't ware de verlengstukken van de bénteng's zijn. 
Vergel. panjdmioeng op sdmboeng. 

^ X •N'N (1** bêto), bep. betówa, weDigt oor- 
spronkelijk = tódó. — Betóna lambarc>bwa, dat- 



ben, met een hoofddoek bedekken. (M^di.) — 
Kakk^ang botinga, de bMng los maken en alzoo 
de lange haren los laten hangen. NB. dit geschiedt 
in den oorlog, bij het amokmaken, en ook bij het 
m^u^droe. Men zie: droe. — Botinna djal&ya, liet 
bovenste gedeelte van het net^ dat gedeelte waarbij 
men het net vasthoudt, en dat in den vorm eenige 
overeenkomst met een bóting heeft; v. d. iya ant^- 
galdki botïnna djal&ya, hij houdt de bóting van het 
net in handen; v. d. overdragtelyk voor: hij heeft 

A 

de magt in handen. — Botmna l^yang-l&yanga, de 
papieren staart van den vlieger, die eenige overeenkomst 
heeft met een* bóting; v. d. l&yang-l^yang ubóting^ 
die soort van vlieger welke een' bóti^ heeft. — Bo- 

A 

tinna kondówa, de kam achter aan den kop van den 
reiger, die eenige overeenkomst heeft met een' bótti^. 

Bóting = bóhting^ = bóting, -— bó^eiig. 

X'N^^N (1° bóte), bep. bóteka. het vleezige 
van de bil, linker- en regterbil. 



at» 



170 



(2* hoiê), B6te-djdbkoe, Bonth, = baydtco i klopt, ten einde er de wonnen, zijn gewoon voed- 
djVekoé, vischkuit. sel, uit te doen komen, welligt zamengesteld uit 



X % X ^\ (bonté), bep. bótiteka,^p<ffS9oe N°. 2. 

X 'N •N % (1° boto), raden, loaarzegger. (Djay.) 
— Bóto-botówang, raadsel, 

(^ bóttd), stinken. 

Bottd-toeixfengang , naam eener boete te Tópe- 
dj&wa, nog in IS 54 in zwang, bestaande in de 
som van 2 gulden, welke door den L6m6^ of Regent, 
wordt ingevorderd, zoodra men een' dooden buffel, 
of iets anders dat maar vuil is, oistmki, over boord 
gooit. Het woord beteek. lett. de inêchepingsplaatê 
stinkt. 

Botto-t&[, soort van visch. 

X'N^N^ (bonto), bep. bontöwa, *t vade 
Inndy wcU, oeoer. Boeg. bdtio. 

Abonto, aan wal gaan. 

Naï dbonto, aan wal kümmen. 

X ^\ yy (batllkang), duêdboom van den ploeg. 
(G. G.) 

X^s^ (bint&poe), bep. bintapd^wa, soort 
van waterhoen. Men zie poenróró, en kóngkoiig. 
Boeg. idem. 

X/^v^^ (bantim&ra), bep. bantimaraya, 
soort van groote tor, die de klapperboomen ver- 
nielt. 

X ^ v^ ^ (bantimd^roeng), naam van den 
waterval bij Maros, waarschijnlijk zamengesteld 
uit boKg N°. 1 en timdèroeng N*. 1. 

X •x •x "N \ ^^ (bintatóëng), soort van boom, 
welks bladeren geb. worden in de geneeskunst De 
boonen van dien boom worden als groente gegeten. 

X /^ y^^ 'N ^\ 'N (bantinótt<^ bep. bantinót- 
toka, soort van vogel, soms ümmerwan genoemd, 
dewyl bij met zyn' snavel op den stnm des booms 



bang N°. 1 , dat den klank van het tikken nabootst, 
en tir^óUó. Men vergelijke hierbij tótló N°. 4, als- 
mede T. Boorda's Jav. Spraakk. § 416, over het 
zoogenaamde oude Passief. 

Daar deze vogel altoos van beneden naar bo- 
ven voortgaande tegen den boom aanklopt, wordt 
hij gebezigd als beeld van rijzing in geluk en voor- 
spoed. Van hier ook, dat men dikwijls by de 
kooplui den kop van een' hantinóUó aantreft, dien 
zy hier of daar dood hebben vinden liggen. (NB. 
zoo zy hem dood schieten , is het niet het ware !) 
Zij houden zich alsdan overtuigd van gedurigen 
vooruitgang in hunne zaken. Zulk een bantixóUó- 
kop in dat geval een paloeldbwi genoemd. Men ver- 
gel, op löeloe N*. 1. 

X /N «^ ^ % ^ 'N (bantiy4nggor<5), naam 
van een* boom. 

X •N ^ (1° Bat&ra), bep. batar&ya. Men vor- 
gelyke het Jav. Batara, titel van een' God van 
den eersten rang, ook van eene incarnatie van een 
Godheid. Skr. bhaüdra, vereerenswaardig , ook een 
heilige, eene Godheid, een vorst. In het Makas- 
saarsch de benaming van Baidra soms gegeven aan 
de Godheid. (Sinr.) Welligt ook oudtyds een titel 
voor de koningen van Gowa, even als rdioe. (Bap. 
K. G.) 

Mabat&ra, bidden, verzoeken. (Sinr.) 

Pabatarang, bede. (Sinr., Kei.) 

(2° batara). bep. b&taraka, Sal. = ^V^Öfe, Boeg. 
bdtd. 

B^tara todjeng, garst. 

X^\'*s^ (batörang), het onderste en bo- 
venste bamboe of hout van een' wand. Boeg. idem. 



171 



Zoo ook het onderste bamboe of hout van eene 
dear. (NB. het bovenste heet kdUw^, Vergel. ka- 

X \ XN \ ^ (bo^tero). — Aloë bolïterë. Men 
zi€ koe N^ 1. 

\X\^N\^ (ben tere), beschroomd syn. — 
Ta-bênteré, onbeschroomd zijn, naar niemand of 
nieU luidereuy om niets geven, — Ta-benterai, hij 
geeft om niets, 

X'\y\^^^ (r botoro), bep. botoroka, 
soort van rank met boonen, wier pitten gebakken 
en met Eout gegeten worden. Op Saleyer karêta 
genoemd. Men zie karêta N^. 2. 

(2* botoro). Vei^g. het Jav. «^ ann 1 1^ «sn r ^ \ , spe- 
ler^ dobbelaar, 

Abótoró, dobbelen. Boeg. bóió, 

Botóri, ergens op raden, zetten, h^v, op een* haan 
wedden, zetten eene zekere som. 

Botorangi, besteden om te dobbelen , verdobbelen, 
eenig geld bijv. (Kap. T. Dj.) 

Pabotoró, dobbelaar, 

X^v^ (battala), bep. baitalaka, zwaarte, 
gtmigt^ zwaar, drukkend, bezwarend, — B2Lttala-giyó, 
zwaar in zijne bewegingen, d, i,log, loom, traag. — 
Battató-k^e, zwaar van Ugchaam, v. d. ook ge- 
bruikt voor: loom, — Battala r&te, zwaar van bo- 
ren, topzwaar, -- Battal^na, lett. hetgeen iemand 
zwaar maakt, hem gewigt bijzet, v. d. welligt: zijne 
vrouw en kinderen, — A£gêrang-b&ttaldki baïn- 
néya, de vrouw draagt een vracht met zieh mede, 
d. i. M f» gezegenden staat, — Angêrangi batta- 
lana, het zware van eene zaak dragen, d. i.: er ver- 
aUwoordelyk voor zijn. — B^ttalaki ri-panggao'b- 
kang mdblUljika, hü is zwaar, v. d. traag, in het 
doen van de goede daden, — B&ttalaki boewakkang- 



matanna, hij is zwaar, d. i. lomn, in het opslaan 
zijner oogen, d. i. hy slaat zijne oogen loom op, 

Batt&llaiig na, zwaat^er dan, (Eap, K. G.) Ver- 
gcl. mijne Mak. Spraakk. § 80. 

Kabattallang, a) zwaarte, loomheid, traagheid, 

b) zwaar, drukkend zijn voor; bijv. : nakabattal- 
langi bone-boett&ya, het is bezwarend, drukkend 
voor de bevolking des lands, 

c) zwaar, drukkend aehten voor iemand; bijv. : 
koekabatt&Uangi kan&nna lylknoe , iJc houd het ge- 
zegde van N, N, voor drukkend (, voor grievend,) 
voor hem. 

Battlllli, zwaar maken, bezwaren, verzwaren. 

Battalliyangi , 't zwaar maken voor, doen druk- 
ken op, iemand; bijv.: ta-mékoellêyaï nibattalli- 
yang baldënna, dat (te weten : de schulden van den 
overledene,) kan men niet doen drukken op zijne we- 
duwe. (Inl. wetb.) 

Na-iya-mo nibattalliyang ambSlyaraki , op hen 
doet men het drukken, d. i. op hen rust de verplig- 
ting, daé te betalen, (Inl. wetb.) 

Samb&ttald, of: simbattal^» even zwaar, van 
even veel gewigt of waarde; bijvoorbeeld van getui- 
gen gebezigd. (Bap.) 

Pasimbattalli , van even veel gewigt achten, 

PasimbiLttalliyaug, even zwaar achten als; bij- 
voorb.: nipasimbtlttalliyangi, even zwaar geacht 
worden als h^. — Nipasimb&ttalliyangi &njdjo 
g^e roew^ya, even zwaar geacht worden als die twee 
zaken. (Bap. K. G.) 

X^S^ (bantalang), hetzelfde als balade, 
maar gewoonlijk van touw, — Bant&lang okoiig. 
Men zie ókoi^, 

X^^ (bantilaiïg), loods, schuur, bewaar, 
plaats voor een praauw. (Bap.) Boeg. baitilang, 

22* 



172 



X y\ ^t" (b&tili)» bep. batilika , kom , of hdp 
vaii metaal, hetzij van gdilang N*". 1, of van koper^ 
of van goudy of iets anders. Maleisch bdtü^ idem. 
(Bid.) 

X^v'N'C' (bantolang), soort van knop aan 
het eind van de piek, (wel te verstaan dat eind, 
hetwelk het verst van het lemmet verwijderd is,) 
alleen door den koning van Gowa en diens Bi- 
tjara-bo'btta, gelijk eertijds ook door den koning 
van Tello, te gebruiken, tenzy gemelde vorsten 
zulks aan één hunner grooten vergunnen. 

« AA 

X ^v '^ ^ 'N (bintold), bep. bintoloka , buU- 
jes.. Mal. bintü, blaar , bobbel. 

Xr\^ (bdbntató), bep. bdëntalaka, soort 
van visch. Boeg. idem. Wegens het vergiftige van 
dezen visch, wordt h^* gebezigd , als beeld van een 
gevaarlijk mensch, dat men zoo veel mogel^k ont- 
loopt. (Kei.) 

Wanneer men echter de vergift-buis er uit- 
snijdt, kan de visch gerust gegeten worden. En 
alsdan schijnt de bd'entald van Gardssi, eene negrie 
b^' Tópe-Bjdway in de Zuiderdistrikten van het 
Gouvernement van Makassar, een' zeer goeden 
naam te hebben, van 'daar deze soort van bdkniald 
gebezigd als beeld van een meisje dat voor den 
jongman b^zonder veel aantrekkel^ks heeft. (Kei.) 

Bo'bntald doeriyang, soort van bóèntald, 
Xx\*^ (bo'bntoeloe), abdfentoeloe, mamofen- 
toeloe, onimodeHy treffen, vinden , ondervinden, bijv.: 
rampen. — Ponna noeboyaï na ta-noeboentdfela, 
200 gy het zoekt en niet vindt. — Taëna-ki koebdbn- 
toeloe ri-balla, ik trof u niet te huis, — Ta-koe- 
bo'fentoelóeki , of: ta-koeboentc(felM, linókoe aher^- 



geluk ondervinden/ (te weten: wanneer ik geene 
waarheid spreek.) 

Sibdfentoelde, elkander ontmoeten, oï treffen. V. 
d. : handgemeen worden in den oorlog. (Bap. K. G.) 
V. d. ook : bij elkander passen , op elkander sluiten ; 
bijv.: p&oe-p^ ta-sibdbntoelde, taal, die niet op 
elkander sluit , wartaal. 

Pasibdëntoeloe , elkander doen ontmoeten, of 
treffen; bijv. pasibdbntoelöe bi^&ra, \eii. maken, 
dat de zaken goed op elkander sluiten, d. i. de zaken 
in orde brengen. 

'Boenidél8Lüg,iemand tegemoet gaan, (Bap. K. G.) 
Boentdëli, iemand te gemoet gaan, of komen; v. 
d. verwelkomen, v. d. ook: roepen, doch slechta ge- 
bezigd van het roepen van sdnro*8, en van men- 
schen van goede afkomst. Bijv. : antek&mma biya- 
s&ya niboentd^li oetc(bsanga, zooals de gezanten 
gewoonlijk verwelkomd worden. (Djay.) — Boen- 
tdfeli-mê^ sanrèwa, roep den doctor. — Boentdbli 
kar^ënga ékldó, den vorst roepen om te eten. 

Boentöhli geeft ook soms te kennen dat men 
den genoodigden gast laat weten, dat het tyd is om 
te komen, hem als H ware te gemoet komen , of afha- 
len. (Bap. K. G.) 

Boentdbli parêya, de paddie als H ware tege- 
moet komen, verwelkomen, of ook: roepen, d. i. Inj 
het bewerken der paddievelden al het noodige (vooral 
zekere bjjgeloovighdien niet te vergeten!) doen ter 
vermijding van kassipdUi. (Bap. K. G.) 

Boentoeliyang, het tegemoetkomen; bijv. boen- 
toeliyUnna parêya, het boentóèli (, zie boven,) van 
de paddie. 

Pamoentdfeli, hij die iemand tegemoet gaai, of 



koe! lett. moge ik noch mijne wereld, noch mijn* He- verwelkomt; bijv.: pamoentoelinna kariwïnga, z^ du- 
mei vinden! d. i. moge ik noch hier, noch namaals den vorst tegemoet gaan. (I^jay.) 



173 



Kaboentoelang, a) lett. ontmoeting met een boo- 
zen geest; v. d. ziekte daaraan toegeschreven ^ = ka- 
seréioang. Men zie stro N'*. 2. 

b) te ontmoeten. 

X^XN^"^'^ (bótolü), botoloka, 't Port. 
Melka, Eng. botüe ^ Jlesch, — Boelaëng-padedeka 
si-botoló, een fiesch stofgoud. (Bid.) — Sal&ngga- 
botoló, schouders als de buik eenerflesch naar be- 
neden loopende. Men zie sardso. 

X^\^^^ (batoelllga). Men zie bdioe N"". 1. 

X \ ^v *^ ^ ^ "N (boetêlanganrong), scheld- 
naam, zamengest. uitdoe -h télang^ wouwelijk schaam^ 
deel, + dnrong, moeder. (D. M.) 

X y\ ^^^ (batt<ibwaiig). Men zie bdUoe N®. 2. 

X '^ •N ^^^ *^ (1**. Bontoewald), bep. Bon- 
toewSdaka, naam eener plaats digt b^ Makassar. 



larrowi, maraëug napabettcsi, hy laat zijtie gram- 
schap losbarsten tegen een* ander\ dan op men hij 
verstoord is. 

Pabettêsang, lett. losbarsting, geb. bijv. van 
iemand, die te huis komende, zonder reden los- 
barst tegen zijne vrouw, niets goed vindt, maar 
op alles aanmerking maakt. 

X*\^\0 (böntisi), 't Holl. boontjes, sny- 
boontjes, enz. 

X ^v *\ \ ^^ (bintoëng), ster. Boeg. tcitoëng, 
idem. 

X^V (bsUla), bep. b&daka. 't Mal. bddakh, 
rhinoceros. 

X^V (badang). 't Mal., Sd., en Jav. da^;», 
ligchaam; bijv.: madjêirré ri-bad&nna, vast, sterk, 
in zijn ligcJuiam, v. d. in zich zelven, d. i. vast in 



Van daar welligt ook een soort van kris aldus ge- ^ geloof. (Sinr.) 



noemd. 

(2* bontoewMa), één van de dertig soorten van 
kaarten bg het patóewi- en kówa-gónggoi^'Spéi. 

X ^s O (battasa), bep. battasaka, helder^ dui- 
delijk; gebez. van geluid. — Taëna nabattaséL, het 
is onduidelijk, onverstaanbaar. 

X>\0 (bitisi), bep. bitisika, 't Mal. betis, 
been, hei deel tusschen de knie en den voet. Boeg. 
bUi, idem. — Banneng-bitisi. Men zie boHneng. — 
B&ttang-bitisi, het dikke, lett. de buik van de bitisi, 
d. i. de kuit. Boeg. wiUam-ptti , idem. 

Xx\0 (bcfetoesóe). — Boetdbsaiïg, op eens 
treffen, of bevangen, bijv.: na-naboetdfesang-mi la- 
riya, hij is op eens aan de haal gegaan. (Madi.) 

\ X \ XW O (bêttesé), barsten, een zak bijv., 
door- of openbreken , een steenpuist, bijv. — Abêtte- 
bettese koelina, luiar vel is gebarsten. (Bidas.) 

Pabettêsi, losbarsten tegen, bijv.: maraëiïg naka- 



X ^V (banda), bep. b&ndaka, gebez. yaxt kleine 
menschen en beesten, zoo veel als: dwerg. Komt 
echter ook voor y&n paddie, b\jv.: asc-band^, zeer 
laag bij den grond staande paddie. Vergel. dse. — 
Ase-b&nda dj&maU. Verg. djdmald. 

X ^V (b&ndang), naam van het eiland Banda. 
Asêre-bêLndang. Men zie sére N". 2. — SHnggariU 
bUndang, soort van Inlandsch geregt, bestaande 
uit fijngesneden kip en allerlei specerijen. Vergel. 
sdnggard. 

X ^ (badi.) — B&di-b&di, bep. b&di-badika, 
eene soort van mes of liever wapen, ook gebezigd 
om te hakken, even als de béraitg, waarvan zij in 
vorm alleen voor zoover onderscheiden is, dat haar 
stompe z^de,ofde rug van het wapen, tot de punt 
toe nagenoeg regt loopt, terwijl die van de berang 
aan het uiteinde cenigzins rond is. Mal. bddrj- 
bddej, een mes, kleine platte kromme ponjaard. Jav. 



174 



badiky eene soort van messen. — Badi-gdbroe, soort 
van priester wapen. — Bêraflg-bMi. Men zie: èé- 
rdnj), 

X ^ (b^ndiiï^), soort van boomvrucht, 

X^VN (!*" badó), bep. b^oka, Bonth. en 
Sal., == hirdlle. 

(2° b^dd) , naam van een' boom , welks kleine 
noten gebruikt worden voor de beroemde Makas- 
saarsche ö^y, eene Sapindacea? 

XvV*\ (b&doiïg), kolf van een geweer. 
(D. M.) 

X ^V^ (b^ndong), soort van net. Boeg. hdn- 
roiig, — Abandong, visschen met een bdndong-net. — 

B&ndofïg 3j^né, de scheppers, die men by de 
zoutpannen bezigt, om het zeewater daarin te 
pompen. 

Pab&ndong, Jiy die met een hdndong-net viseki. 

Pabandöiïgang , een bamboezen stellaadje in de 
zee , van wier hoogte men de bdndoiuj in het water 
neer laat. — Tannang- pabandöngang, een paban- 
döiïgang zetten. 

X ^V (bida), gebez. van het vastbinden van de 
sarong om het lijf^ zoo als de mannen^^dat plegen 
te doen , van voren schuins en daardoor langer dan 
van achteren; b^v.: bid4-ko lipa, bind uwe sa- 
rtmg vast, — Tilmpo-t&mpo bidina. Men zie tdm^ 
po N". 2. (M^di.) — khidi ip^ntard, de sarong 
buiten, d. i. boven, de kris vastmaken, — Abida-sdb- 
soe, de sarong boven de borsten vastbinden, NB. is 
niet geoorloofd in tegenwoordigheid van den vorst. 

X ^V (1** bdëndo'e) bep. bdëndoeka, oorlog, — 
Abdbndoe, strijden , oorlogen, — Lcle-bdbndoe. 
Men zie léle. — Paboenddbkang , oorlogvoering, 
het oorlogvoeren. 

(2® bo'fendoo), oud Makass. woord, = bérang. 



(Rap.) Van daar welligt dit boendoe, ook gebezigd 
van een soort van pMngka'sêta^ voor kleine kin- 
deren, bestaande in een groot mes, dat aan de 
scherpe zijde met bdelo kartsd bedekt is. 

\ X \ ^V (bêdcng), of zamengetrokken : èëiig, 
wordt gebezigd bij het doen van mededeelingen , 
voor wier waarheid men niet instaat, die men zelf 
maar van hooren zeggen vernomen heeft; v. d. bij 
het verhalen van een sprookje of fabel , en dergel. 
meer. Dikwijls wordt de kracht van dit woordje 
in het HoUandsch het best weergegeven met be- 
hulp van ons eou of moet, van ons gel^k men ver- 
haalt, en dergel. meer; b^v.: angkiLna: o'bwang- 
mi bêiïg êró napaniya, hjj beloofde dat hjj zou ma- 
ken , dat het geld er was , d. i. dat hij zou betalen, 
(Brief.) — Niy& bêdeng sere kar^êng, enz., er was 
eens, zoo luidt het verhaal^ een koning, enz. — lya 
bëng kananna pêtord Maroesoe, dit waren, volgeus 
hun zeggen, de woorden van den Adsistent-Resident 
van Maros. (Brief.) — Ng&pa-bêng? lett.: waartoe 
dat woordje be^ gebruikt? d. i. waarom nog te ken- 
nen gegeven , dat gij niet voor de waarheid van het 
gezegde instaat? het is immers aan geen* twijfel on- 
derhevig ; V. d. gebezigd als toestemmend antwoord, 
bijv. op de vraag, of het een of ander geschieden 
kan? Wij zouden zeggen: wel steUig, (Rap., Djay., 
Sinr.) 

Pabedêngang, iemand iets slechts van hooren 
zeggen mededeelen; bijv. koepabedêiJgang-djako 
^njdjo, ik deel u dat van hooren zeggen mede, ik stu 
u niet voor de waarheid in, 

X'N ^V (büd^), bep. bödaka, a) stuk bamboe, 
bij wyze van drinkglas gebezigd. Boeg. idem. 

b) bamboezen kokertje , waarin de ingrediënten 
voor het sierihpruimpje fijn en onder eikander ge- 



175 



stampt worden. Vergel. padêngka-dêngka ^ op: ; dm om ze rond te maken , d. i. zijne woorden lateti 

déngka. niets te wenêchen overig ^ zij zijn geheel naar behoo- 

X "N ^V (bonda), Mal. moeder. ' ren^ volkomen goed en duidelyk, 

X *\ "V (bddi), bep. bódiya, soort van boom , , BodoiTg-bSdong, = het Jav. ierong, soort van 

welks bladen in de geneeskunst gebez. worden. ' meloen , Solanum , sp.y welligt dus genoemd wegens 
X*\ X ^V (bondeng), naam van een praauw. ' den ronden vorm. — Bddong-bodong ptea, soort 

(Tar.) — Bóndeng-bondeng, ook naam van een ! van bódong-bódong. Men zie pdrrd N®. 10. Deze 



praauw. (Tar.) 



I soort gebezigd als middel tegen kiespijn , door 



X*\^V*\ (b6do),bep. bodowa, Xror^. — Bódo- de vrucht te roosteren, en er dan, terwijl zy nog 

I ^ 

bSlngkeng, en: bS.iïgkeng-bodo. Men zie bdngkeiig, ; heet is, in te byten. 

— Bodo patjini, kort van gezigt, kortzigtig, — ' Bodöngi^ lêko-dbnti, pisangbladen rondmaken, 

— Bodo d}kmpang, kort in het behartigen, v. d. of snjjden, ten einde daarmede den bodem van 
anacktzaam, — Mdbodowi alldwa, de Zon is kort, een mandje, waarin men het een of ander doen 
te weten: bij den ondergang; gebez. van ongeveer wil, te bedekken. 

mjf ure des namiddags. (G. G.) Bddongiyangi , het rond maken voor iemand, 

Bodówi , dmodówi, kort maken , v. d. bekorten , van daar welligt : hem den overgang gemakkelijk 

inkorten, inhalen, verkorten, enz.; bijv.: boli-k&mma maken om iets te raden, door de eerste lettergreep 

koebodowi, laat mij Hbekorten, d. i.: om kort te gaan, van het woord in kwestie op te geven; bijv.: bddong- 

Bodowiyang, het kortmaken, *t verkorten, enz.; bddöngi-sHi, geef eens de eerste lettergreep van het 

bijv.: bodowiy&nna sdbraka, lett. de verkorting van, te raden woord op, 

V. d. het uittreksel uit, den brief, X ^V ^V ^ (bidadS.ri), bep. bidadariya. Mal, 

Boddwang, = boenówang (büa), doch meer ge- Hemelsche nymph. (Bid.) 

bezigd wanneer er van kleine vischvy vers sprake X'^^V/O (bandêdja), bep. bandedjaya, een 



is. (Rap.) 

Paeba b6do-bod6wa, zij, die incisie's in den 
saguweer-boom doen, opdat de saguweer er uit- 
dmppele. NB. Deze uitdrukking in Ktferróe-ktferroe' 
djüngang gebez., dewijl de insnijdingen slechts in 
een zeer klein gedeelte van den boom plaats hebben. 

X 'N vw (1** bddong), rond. — K^dd bddong, 
r^si (, onverschillig welke soort of hoe klaarge- 
maakt,) die zóó in een blad gewikkeld is, dat men 
eem ronden vorm verkrijgt, — Anjdjo kan&nna tcfe- 
wang ta-nitarika-mi nabddong, die woorden van 
m^heer behoeven niet meer gelijk gemeden te wor- 



vierkant Chineesch houten schenkblad; terwijl ló^ong 
een rond Chineesch houten schenkblad is. 

X ^ «^ (bandiya), bep. bandiyaya. — K&sa 
bandiya. Vergel. kdsa N**. 1. 

X^V^ (bandba), bep. bandar^ya, 't Mal. 
bendahdra, schatmeester, ontvanger. 

X \ NV C^ (bandera), bep. bander^ya, *t Port. 
bandeira, vlag, Sund., Jav. idem. 

Bandera insgelijks één van de dertig soorten 
van kaarten b^ het patt^i- en kówa^nggong-STpel. 

Pabanderang, tHaggestok. 

X^V^ (bid&ra), bep. bidarflya, soort van 



176 



boom, welks hout ook gebezigd wordt bij het ma- , X^ (1° b&ni), bep. baniya, 6lj. — Djene'- 
ken van bedakh (Tar., M^di.), Zizyphus sp. Bo^. bani, honig, — Taï-b2lni, tcas, — Roemoeng^bani, 
idem. — Bidira pai, de zoogenaamde wüde bidnray honiggraaL 

die veel op Sumbawa gevonden wordt. De bast j (2° biLni) , = ambdni , men zie beneden ; bgv. : 
en het hout van dezen boom bitter van smaak en , bani-mi sampdblo ^o, = atnhdni-mi sampdhlo 
een goed geneesmiddel tegen d«l^/. Men zie j5«/. ^ dUo, — Anrinni ri-b&ni-baniya, hierin de na- 

X vv ^ (bdbndoeroe) , 't Holl. boender, v. d. ' byheid, 
borstel, S:\y^{V bane). — Banêyaiïg, onderbuik, gc- 

X vv *^ (band&la), bep. bandaldya, 't Mal. ! deelte van den buik onderden navel. (G. G.) Boeg. 
bandeüa, Portug. baal, wanéyang, idem. 

X <V ^ (bidili), bep. b^dilika,^<Pie<?éT, Sund., (2** binne), Sal., = bdUa^ N^ 3. 
Mal., Jav. bëdü, idem. Boeg. bdlUi, idem. — B2- X\/^ (b&nneng). Mnneng-bitisi, het vlee- 



dili séé-sélêkang, pistool, — B^dili bfigoesóe. 
Men zie bdgoesde, — B^dili ^pêmpeng. Men zie 
pêmpeng, — B^dili lómpo, grof geschut, (G. G.) — 
An^-bldili, kogel. 



zige van de bïtisi, d. i. de kuit. Boeg. wdnneng, — 
Bannênna g&nranga, hei middelste^ of: dikste, ge- 
deelte der gdnratig, 

X \ /^^ (bine), bep. binêya, zaadpaddie. Boeg. 



kmi^\, schieten, — Êroka nab^dili-bcfelo, üy vjtne, — Panaoeng bine, paddie zaaien, (Bap. 
wil mij met een^ bamboe schieten, — B^dili-boHo-saï, ! K. G.) 



schiet hem eens met een bamboe, enz. Deze phrases 



Pabinêyang, veld voor zaadpaddie, — Pabinê- 



gebezigd , wanneer men niet wetende waar iemand \YVLng ta-nitdbri , een veld voor zaadpaddie, waarop 
zich opgehouden of wat hy gedaan /èeejï, stout weg i fwg geen streep of gleuf met den ploeg gemaakt is; 
het een of ander opnoemt, als wist men zulks zeer^v. d. overdragtelijk voor een: ongetrouwde vrowr 
goed, ten einde langs dien weg achter de waarheid te \ die nog maagd is, 
kunnen komen. Treft men nu het juiste, zoo heet X/^s (1® bdfeni), bep. boeniya. — Ana-bcAmi, 



het: koetsiba-mi koeb^dili-bdblo, ik heb hem met 
een bamboe gdroffen, 

Pam^dili, schutter, 

XnV*\*^ (bandola), bep. bandol&ya, Por- 
tug. kruidhoom, 

X ^V ^ (bidala). Men zie bildld, 

X/^ (bfilnnang), 't Mal. benai^ en 't Jav. 
Si^\, garen. Boeg. wémnang. — B&nnang-boe- 
laëng, goud-draad. — B&nnang-boelllëng djap- 
pong, soort van gouddraad, minder dan de ban- 
nang tingkoró, insgelijks eene soort van gottddraad. 



onechte kinderen. (Godsd.) NB. Onder dné-bdhii 
verstaat men kinderen, door een vrije of slaaf bui- 
ten huwelijk verwekt bij eene vrije vrouw of de 
slavin eens anders. — De kinderen die iemand bg 
zijn' eigen' slavin, buiten huwelijk, verwekt, hecten 
geen' dnd-bdhii, maar: dna-dia, dnd-góendt, dewijl 
iemand tot zulk een' bijslaap volkomen geregtigd 
is volgens het pipi pipina, bdtaiig batdnna. Vergel. 
pipt N°. 1. Om die reden de kinderen van een vorst, 
buiten huwelijk bij één zijner onderdanen ver- 
wekt, ook nooit dné^bóhii genoemd, dewijl de on- 



177 



derdanen als zyn* slaven beschouwd worden. Ver- 
gel, and-ri-ianutrappónna kardënga op rdppo N°. 2. 
— Bamne tiy&nang bo'bni, vrouw die zwanger gaat 
van eèn onecht kind. (Rap.) Vergel. het Mal. èoenie^ 
verbergen. 

(2" bo'feni). — T&ï-bdfeni, nageboorte. Men zie 
tdi N^ 2. 

X\^\ (boene), soort van Indische aalbessen. 
Boeg. idem. De vrucht van de boene kleiner dan 
die van de I6be46be. Twee soorten van boene, na- 
melijk: boene-tédong y en: boene-maritja ; de eerste 
de grootste en lekkerste. — L&wi-l^wi boene. 
Men zie Idwi-ldwi^ op: Idwi. — Boene-boene sóngd 
ri-ioep^nna, lett.: aU *t ware besjes zweet op zijn 
gezigt. Wij zouden zeggen: parels zweet op zijn 
gezigt. 

X ^\ ^ (bd^no), dooden ; uitdoooeti , blussehen^ 
vuur. Jav. boenoeh. Mal. boenoh. Boeg. ökno. — 
Koebdbno ri-katinrowang , = koebdtta ri-tdpperé. 
Men zie bdtta N°. 5. 

Sibdbno, elkander dooden. 

Fasibo'bno , iemand die orders geeft tot het weer- 
heerig dooden ; v. d. aanvoerder in den strijd. 

Nipasiboenowang, gebragt worden in een* toe- 
standvan weêrkeerig dooden, d. i. gevaar-loopen om 
zijn leven te verliezen. (Rap., Inl. Wetb.) 

Boendwang, pamoenowang, het dooden. — 
BoenowlLnna, of: pamoenowtlnna, bilaya, het bin- 
nenste^ of: de doodkamer, van de büa of baviboezen 
vuekfidk ; di.i. de binnenste afdeeUng van de b%la, 
waarin men de visschen opsc/iept en vervolgens na- 
tuurlijk doodmaakt. Men zie büa N**. 3. 

"^ X \ ^s (béne). — Tabêne, als druppel, of in 
druppels ergens aan bleven hangen; geb. van water, 
of^y pis, stront, enz.; bijv.: t^benéyaï djineka, 



het water hangt in druppels, b^ voorbeeld aan een* 
stok, dien men uit een vat met water getrokken 
heeft. 

Tdbêne-bêne, gedurig als druppel, oi in drup- 
pels, ergens aan Jumgen, 

Pabêne-bêne, iets als druppel of in di^ppels er- 
gens aan laten liangen. 

X ^ /^ (bónaiïg). — Lompo-bónang, vloed; 
staat tegenover: eb, 

Somp(5-bonang. Men zie s6mp6 N'*. 3. 

X 'N '^ <s (1** bóne), bep. bonêya, inhoud, vul- 
sel. — Taëna nabonêna, het he^ geen* inhoud, het 
is ledig. — B6ne-balld, lett. vulsel van een huis, 
bepaald gebezigd voor dienstmaagden aan een hof. 
— Bonêna b&llaka, het vulsel van het huis; geb. 
van aUe bewo}iers van het huis: de huisgenooten. — 

Bone-bo'fetta , bewoners van een land. — Bone- 
k&mboe, ingewanden. 

Bonêï, monêï, vullen, v. d. ergens in doen, er- 
gens in schenken, ergens in zetten, en v. d. ergens zet- 
ten; stellen; bijv.: bonêï djenë ri-padjénêkanga, 
water vullen ^ of: doen, in de badkuip. — Bonêï bl- 
dilika, het geweer vullen, d. i. laden. —- Bonêï t6pe, 
een kleedje vuUen, d. i. aantrekken; van daar over- 
dragtelijk, wanneer men de geliefde met een 
kleedje vergelijkt: em meisje trouwen, of ook wel 
eenvoudig: gemeenschap met haar hebben. (Tar.) ~ 
Bonêï ^nggi, een* pr^s, of: waarde, op iets stellen, 
een* prijs bepalen. — Bonêï b^te-lima , eene hand- 
teekening stellen, of zetten op het een of ander. — 
Amboneïyaï b&lli-pdbtta maradek&ya, lett. het stel- 
len van een davenprijs op den vrjjen , ^.\, het ver- 
nederen van den vrijen man tot een slaaf. (Rap. 
T. %) 

Boneiyang, ergent voor vuUen, voor tMlen, voor 

23 



178 



sHten; bijv. : niboneiyangi inr&nna, gesteld^ besteed 
Korden tot afdoening zyner schulden, (Hap.) 

Pamóne, of: pamonêyang, datgeen wat gebe- 
zigd wordt , om het een of ander in te doen , te 
bewaren; koker ^ doosje^ potje, kistje, bijv.: pamo- 
nêi-dSLwd, inktkoker, inktpotje. — Pamonêyang 
o'febd, kmidhoom, — Pamonêyang tambê,ko-ka- 
mo'broe, snuifdoos. 

(2'» bone), Sal., == kctsst N^ 1, zand. 

X '^ /^ ^ (bdnó) , bep. bdnoka , walgelijk van 
smaak, meeUg, bijv. gebez. van visch, bedorven bij- 
voorb. vleesch. Boeg. idem. — Djo'bkoe bóno-bond, 
halfroÜe visch. 

X<s^ (binanga), bep. binang^ya, rivier. — 
Pokdnaï binang&ya, a) de tak der rivier, b) de 
oorsprong der rivier. Hiermede in Maoet. vergele- 
ken de iémpó sómbong. 

Bma-binaiigay kreek. 

i^sX (bin^ó), bep. bin^baka, de ader, 
welke door de borst loopt, en bij gemoedsaan- 
doeningen hevig klopt; v. d.: anna tübenrong 
bindb^na barambangkoe, de ader van mijn' borst 
beweegt zich heen en weer, d. i. : mijn gemoed is 
Iievig ontsteld, verontrust, (Sinr.) 

X \ /^ \ ^s (boenêne), bep. boenenêya, een 
ver-afgeschilde jonge kokosnoot. 

X/Ts/^O (binn^nas^), bep. binn&nasaka, 
geeft in de oude geschriften te kennen : al de raads- 
heeren van Gówa, bijv.: den Rijksbestierder, den 
Toe-maïl&lang, de bate-sal&pang's, enzz. (Bap.K.G.) 

X /ïs <^ (bin&y^), =. hindyo. 

X/^^^'N (binayo), rondfladderen, nergens 
voor goed gaan zitten. Boeg, binddja, bijv.: niya- 
mi sëng binayöna Itdfewang, mijnheer is al weder 
aan het rondfladderen. 



TdbinöLyo, = 't Boeg. tdbinddja, rondfladderen; 
bijv.; nïyi-mi sêng tdbinllyo, //y is al weder aan 
het rondfladderen. (Kei.) 

X /^^ ^^ ^ (baniy^ga) , *t Mal. baniydga, han- 
deldrijven; v. d.: 5amS.ra baniyagèya; vergel. tja- 
mdra N". 1. — Sllë baniy&ga, een kris, die door 
de kooplui van elders is aangebragt, (Madi, Sinr.) 

X ^v ^ (1* b&nnara), bep. binnaraka , soort 
van maat, eertyds in gebruik, zoo groot, dat er 
veertig handvol in gaat. (G. G.) 

(2** Minnare). — Bllnnara batt&ngkoe, ik ben 
hardl^vig. Boeg. mSinrd bahoewdkoe, idem. 

NisafiggadL ib&nnard. Men zie sdnggard. 

(3" WlnnariL), bep. b^nnaraka, belasting, verg. 
sabdnnard; v. d. bannarSna toeroeng&ngkoe , de 
ankeragiegelden, die mij toekomen. (D. Moes.) 

X'N/^^ (bönaró), rotten. — Têdong bó- 
nard, een buffel, die ligt te rotten. — Bonaraki t&oc 
matêya, het lijk rei. — BAsa bonard, rotlncht. 

X /^^^^ (banawa), bep. banaw&ya, soort van 
vaartuig tot transport van beesten, met kanda- 
wdri aan beide kanten en koelóbngang bovenop, ge- 
woonlijk twee masten hebbende, die elk uit drie 
houten met bdngkei^-sdlard bestaan. Boeg. idem. 

Batang-banslwa, kiel van een banawa, v. d. : titel 
van een hoofd. (Rap.) 

X ^s V ^^^ (banowa), bep. banowaya, scheede 
van een kris byv.. Boeg. wawfewa. — Sónri niba- 
nowaï, een sónn die van scheede voorzien is, (G.G.) 
— Banowa b&lili, al het hout aan een getceer. Men 
zie bddor^. — Banowa bo'bla, scheede uit één stuk. 
Men zie bd^ld. 

Bo'blo-banówa, soort van bamboe. Men zie bdtflo. 

X ^\ ^^^ (bindbwai^), = Idring, streep, kring 
(,maan). (D. Moes.) 



179 



X/^O (\)lnoesot)y afstroopen, iZij ziJQ geheel van ijzer, en worden, tot wering 

\ X /^v O (benoesde), bep. binoesoeka, ffe- j van de booze geesten, met geweld tegen elkander 

knewd, geschaafd z^'n. Boeg. mdbênjóe. — Benoe- i geslagen. 

soe bangkêngkoe, myn voet is geschaqfd, X *Ö (b&njÖO» *^ Mal. èiniji , haten , afkeer 

X*^ (ba^a), maQa), *t Mal. Idtja, lezen, hebben, (ÏKr,)^OQg, bdiji, idem. 



Boeg. idem. — B&^a dówang, gebeden lezen. — 
Asc^ro m^^a, laten lezen ^ te weten: gebeden; v. d. 
eenfeeet aanleggen, dewijl beide b\j den Inlander 
steeds gepaard gaan. — Ba^a talakking, taldk- 
ib/f^ (men zie beneden,) Ztf^m. — B^^a-katoeba , 
eeti^ preek lezen, — Batja-s^la, lett. verkeerd {decht) 
lezen, v. d. iemand verdenken, bijv. : nabatja-sala-ma 
lyanoc, N. N, verdenkt mij, heeft achterdocht op 
mij. (Bap.) — B^^a ri-par^nna karaëng, lezetè in 
het binnenste zyner mede-vorsten, d. i. hen doorgron- 
den , hen door en door kennen. (G.G.) 

BaQangi, iemand voorlezen; bijv. iya ba^angi, 
angkanaya, dit uzelven (pamaïnoe) voorlezende, d. i. 
voorhoudende , d. i. dit bij u zelven bedenkende , iai, 
enz. (Kap. K. G.) 

Pamatjangi, ietnand bezigen , of hebben, om ge- 
beden voor te lezen, d. i. gebeden lezen voor, of ten 
behoeve van, bijv.: tbe-nipama^anga, degenen voor 
wie gelezen wordt, d. i. voor wie men gebeden leest op 
de graven, d. i. : de overledenen, (Bap. K. G.) — 
L&-koesdbro pama^angi Nabita, lett. ik zal laten 
lezen voor onzen Trof eet; v. d. ik zal een offer voor 
den Profeet in de moskee brengen, dewijl over zulk 
een offer eerst gebeden moeten gelezen worden. 
NB. Zulk een offer bestaat gewoonlijk in pisang 
en dergel. 

X *^ (b^tQing). — - An^battjing , Boeg. and 
balQing, soort van duivelverdrijver , bestaande in 
twee platte staaQes, die ieder aan beide einden een 
langwerpig vierkant, insgelijks plat, blokje hebben. 



X^'N (baQd), bep. ba^oka, = bdsó, een 
klein jongetje, jongeheer. Boeg idem. 

X^'Jj (biQoe), — Bi^oe-bi^oe, bep. bi^oe-bi- 
^o'bwa, windas. 

X*^ (bi^Qoe)» = léseré, op zij schuiven. 

Binj^'o'bwang, ergens voor op zjj schuiven; v. d. 
achteruit krabben, zich terugtrekken. 

Si'^ (bcfeQoe), iets langwerpigs met den arm 
in de hoogte, ergens naar toe gooijen. Boeg. idem; 
bijv. een pdéssoe-pdhssoe (men üeipokssoe N". 3), 
hijy. : taboe (sink suikerriet), NB. dit laatste ge- 
woon kinderspel ; bij hetzelve trachten de kinderen 
met een stuk suikerriet zoo op een ander stuk 
suikerriet te mikken, dat dit laatste breekt; 
bijvoorb. : la-koebdb^'óe-ko poke, ik zal u met een 
lans gooyen. 

PabdfeQde, iets bezigen om mei te gooijen, by v. la- 
koepabcfeQo'ekipokêkoe, iJc zal met m^n lans werpefi. 

\X\*^ (bê^é), smerig. (^. hfni&t : Icfetjd.) 
Bijv. : bê^Ai aganga , de weg is smerig. — Ng&pa 
noemangc ibêtjé-bê^jé (, bijvoorbeeld gebezigd te- 
gen kinderen die in de plassen liggen te ploeteren), 
waarom gaat gij n nu zoo smerig {vuil) maken? 

X 'N *Ö (bótjing). Men zie bóting. 

X*^'^*^ (bü^jé), bep. bo^eka, eenc plant, 
wier bloem ligtblaauw is, en de gedaante van een* 
pluim heeft. Deze bloem wordt als groente met 
kdijang (soort van peulvrucht) gekookt. Zij wordt 
ook wel in azijn gelegd, en bij wijze van zi/t/r 

{atjar) gegeten. 

23* 



IfO 



X 'N \ -o (botjeiTg) , = boijin^. 

X 's *^ 's (1® bdöo), bep. bóQówa, roi, afdee- 
(ing (soldaten). Boeg. idem. Voorts bezigt men dit 
bóijo ook, even als het Makass. tdhnpoe, om de 
onderscheidene groote staten van Celebes aan te 
duiden. Vergcl. tdhmpoe. 

(2** bd5<Q, bep. bd^oka, Boeg. een sarong, of 
iets anders van dien aard , dat men b^ gebrek aan 
beter, als gordijn over een slapend kind gehangen kerft, 

X^'^^^ (bi^êkang), oogontsteking. Boeg. 
idem. 

X*'^ ^s (binJS^na, bep. binjÖanö.ya, èeleedi- 
ging, lastering, 't Mal. bin^dna en 't Jav. banj- 
tjana, moeite, moeyelykkeid, bezwaar , plaag , ramp, 
onheil, Skr. bhandjana, brekend, bedervend, bedroe- 
vend, kwellend; en wan^ana, bedrog. 

AbinjQsLna, beleedigen, (Bap.) 

X*Ö/^ (boenj^ini), bep. boenj^ioika, yrcw^ 
hagedis, — Boenj^jini k&lasd, soort van hagedis. — 
Pano boenjtjini, soort van huidziekte. Men zie 
pdno N**. 1. Boeg. boetjini, idem. 

X^^ (boe^i^ji), bep. boe^i^ika, aldus ge- 
noemd alles wat geer, zeer klein ia; vandaar 
gebezigd van de vruchten die zich pas gezet heb- 
ben , na het afvallen der bloesems (Midi) , Boeg. 
batji^oe, idem; byv.: boetjini, boe^i^i nakiLnre 
balfllwo, telkens zeUen zich vruchten, en dan worden 
zij door de muizen opgegeten, 

(2° boeQiQi), bep. boe^itjika. Zoo ook ge- 
noemd zeker beestje , dat naar Inlandsch geloof in 
den buik van sommige vrouwen gevonden wordt 
en haar belet, om immer moeder te worden. Boeg. 
batjt^i, idem. 

X \ *Ö '^ ^ (boe^ênj^eng), op de teenen loo- 
pev, trippelen. (S. Tjin.j 



X *^ ^ (bitjara), bep. bi^araya , gesprek , re- 
denering, raad, regtsgeding, kwestie, zaak, spreketi, 
redeneren, raad geven, pleiten, regterl^ke uitspraak 
doen. Boeg. idem. Mal bitjdra, gesprek, redenering, 
raad, enz. Jav. bitjara, of witjara, raad, enz. Skr. 
wiQdra, redenering. Bijv.: bitjarilnna kayipo'feranga, 
de zaak van den hongersnood. — Ada-bitjara, Raad, 
— Toe-m^bi^Stra, raadsheer, — Toe-m^biQ^ra- 
boUta, of ook wel eenvoudig; Bitj&ra-bcfetta, 
R^ksbedierder. NB. Alzoo in G6wa genoemd de 
eerste persoon na den koning. — Toe-nibUj&ra, 
h^, voor wien , (hy, ten wiens behoeve,) regt gespro- 
ken (, regterl^ke uHspraak gedaan,) wordt. (Bap.) — 
LeWl-mi nabiQ&ra Allataala, lett God heeft zijn 
vonnis uitgesproken^ v. d. : h^ is overleden. 

PabiQarang , a) iemand maken tot het voorwerp 
waarvoor men regterlijke uitspraak doet, bijvoorb. 
ponna si-tlk)e-dja t&oe-nipabitjarSng', zoo er slechts 
één persoon is, waarover regterl^ke uitspraak gedaan 
wordt , zoo de kwestie slechts handelt over één slaaf, 
(Kap. K. G.) 

b) aan iemand zeggen; by v. : niyó t&oe towa am- 
pabiQaröi^;^ pab&lle; er was een oud man die mij 
zeide (,«(; opgqf,) een geneesmiddel, (Djay.) 

BiQar&nna, welligt letterlgk: wanneer dit de 
zaak, dit het geval was, v. d. ware het dat; bijv. 
bi^arilnna naniya berasikoe, ware het, dat ik 
rijst had. 

\Si\^\^ (bê^eré), = bêseré. 

Be^êra^, twistzucht. 

X 'S *^ 'N ^ 'N (bónjöord), bep. bonj^Joroka, 
lek, Jav. en Mal. boQor, idem. 

NB. TabónjQoró wordt in de Makassaarsche 
vertaling des Koran's ook gebezigd van het opwel- 
len des waters uit een rots, (Koran). 



181 



X -^ ^ (boefjilla). — Taboe^jilldki matanna, 
(gebezigd van oogen, waarvan alleen het mt zigt- 
baar is, ten gevolge van een stuip b^voorb. Boeg. 
Moenj^éüd. 

'^ X *^ 's 'C' '^ (bêQolo), qfschrampen (even 
raken), êchram. — NibêQolóki ana-b^dili, hy 
krygt een schramschot, 

XyO (r badjd), bep.badjaka, B.idem, 't Mal. 
óadja, staal, 

(2** badja), bep. bSuljaka, Morinda dtrifolia, i. 

X/O (badjang), = bdyar^ ^ doorschijnend, 
(Sinr. K. G. 

X/O (l'^ba^i), bep. biiSjika, goed, wel; 
bgv. : blLdji kanrey&nna , goed om te eten, (NB. ba- 
Sjt ianrêna ware eenigzins dubbelzinnig, als kun- 
nende ook beteekenen: goed is zijn gekookte rijst.) 
— Anne-mSlë ri-bHSji-boettana Gówa, vroeger , 
toen G6wa goed, d. i. bloeyende, nog niet overwon- 
nen , was, — BêUlji pamÉLi, goed van hart (gemoed), 
d. i. edel. — Badji kalênna, (of: toebdbna,) lett. 
goed van ligchaam, d. i. gezond, — Na-p6nna niyi- 
mo p41eng ri-bo-ta ; ^pa-ka badjma-m^o, lett.: 
en zoo gy ze (te weten : zékere woorden ,) dan reeds 
in uw boek (, tao woordenboek,) opgeteekend hebt, wat 
iê het P ^ wel het goede slechte er van, d. i. des te be- 
/er. (Brief). 

Badjï-mi, a.) het is goed. (NB. antwoord op een' 
ifoodschap, bijv. op de vraag, of wij op zekeren tijd- 
te spreken zijn.) 

b) hij ie weer wel , hij is hersteld. (NB. wan- 
neer er over iemand's gezondheid gesproken wordt.) 

Ta-kciëlle badji , het kan niet goed worden, d. i. 
herstellen, 

Badji-b&dji-mi, het is wat beter met zyne ge- 
zondheid. 



Badjiki bisêyanga, het vaartuig is in goeden 
staat. Gebezigd op zee , om aan te duiden , dat 
het lek is. Dit geschiedt uit bygeloovige vrees, 
dat anders het ongeluk hoe langer des te slimmer 
worde. 

Ante-k&mma bcldji labo'ëna? hoe is de lengte 
goed? d. i. hoe lang moet het zijn? 

Allo badji, goede, oï gelukkige dag. Dit bij uit- 
nemendheid toegepast op de maand Boem Allang; 
van daar zal men een' Inlander bij het eindigen 
van de vasten onder anderen toewenschen: poro 
lalo-djaki gappa allo badjita taoeng pole? Moogt 
gij het volgende jaar uw* goeden dag, d. i. de maand 
Roemdllaiig, weder beleven! 

Baïune badji-badji, eene schoone vrouw. 

Sabadji-badjina, zoogoed, zoo inooi, mogelijk , 
op zijn best, op zijn mooist genomen; bijv.: na-sa- 
b&dji-badjma-dja, ponna nag^ppa, op zijn mooist 
zou het zijn, zoo hij kreeg, enz. (Bid.) 

Bddji soms gebezigd, om on^ juist, precies en 
dergel. uit te drukken; bijv.: baSjiki, of: Ma-ba- 
djiki, ta-kilangeré &nj?JO kareb&ya, zou het goed, 
of: juist, zijn, als men beweerde, dat^ dai gerucht 
niet gehoord hebt ? d. i. zoudt gij dat gerucht niet 
gehoord hebben? — Op de vraag "of het zal rege- 
nen", antwoordt soms een Inlander: "ala-badjiki, 
kisala? lett. zou het goed of juist zyn, als men zeide, 
dat gif het mis hebt? d. i. gy moet het immers beter 
weten, dan ik " — Ala-badjiki niyapa, lett.: wat 
zou goed zyn , dat er gedaan werd, d. i. wat valt er 
te doen? Boeg. dla-madétje-gi riydga? — Badjina 
ta-insLkke, lett. het goede (, d. i. juiste,) van de 
zaak is, dat ik het niet ben (, t^ het niet gedaan heb^ 
d. i. ik ben liet stellig ( , of ook : immers,) niet. — 
Manna m^tinro-tinro-djn , na-m&nganre baïnnêya , 



183 



nitawa-rdbwa-badji-dji , al had de vrouw ook nieU 
anders gedaan dan slapen en eten , zoo worden zjj 
(y te weten : de gemeenschappelijke goederen van man 
en vrouw,) toch maar precies Qmsi) in tweeën gedeeld, 
(Bap. T. Dj.) — Toe-malompowa la-koemangêï , 
naiya badji tong koewagaug sibocntd^lang, ik zou 
naar den Gouverneur gaan , en juist ( , lett. : goed 
ook dat,) kwam hij mij tegen. 

Kabadjikang, a) het goed zyn, v. d. deugdelyk- 
heid, welzijn, enz,, b) in een goeden, gelukkigen, toe- 
stand verkeeren, c) het ergens goed by hebben, er- 
gens goed bij varen; bijv. : amp^ewi ri-toe-m41oni- 
powa, inaka nakabadjikanga boettslya ri-Sanraböne 
zoo te spreken met den Gouverneur, dat het welzjjn 
van Sanrabóne daardoor bewerkt worde, lett. het land 
van Sanrabóne daardoor in een gelukkigen toestand 
verkeere, — Sanggênna gUde êroka napangg^Loe- 
kangang ri-boettêlya ri-P61ongbangkeng, nakan&ya 
kabadjikang siyagang kasannangang, aUe daden 
welke hij wenscht te verrigten in FóUmgbdngkeng , 
waardoor hij vermeent, dat het land gelukkig en rus- 
tig zal zijn, — Koekabadjikang-dji, pongkoe pa- 
kammaï, ik vaar er immers goed bij , d. i. het is 
immers goed voor my, zoo ik het aldus doe, 

Badjiki, goed-maken, v. d. H goed doen; v. d. 
ook: iemand tevreden stellen, bevredigen, verzoenen; 
bijv.: badjiki, of: mamadjiki pamaïna manggêna, 
fiet gemoed van zijrC vader goed wijken, d. i. ievre»^ 
den stellen, d. i. zijiC zin doen. 

Sikabadjiki, zich met elkander verzoenen. Ook 
per cupjiemisme gebezigd van de eerste huwelijks- 
gemeenschap van een pas getrouwd paar; omdat 
de jonge vrouw zich geruimen tijd houdt, alsof zij 
niets van haar* man wil weten. 

Pamadjiki, hd goed maken, het tevredenstel- 



len, het voldoen, voldoening (ssXïsïaciie); bijv.:d8&re 
pamaSjiki, voldoenitig, of: saiisfacUe, geven. 

Pakablldji, goed maken, 't goed doen, in orde 
brengen. 

KabcUlji-b&djikanna, het is op zyn best. 

(2** b^ji), madji, slaan; v. d.: een* goeden dag 
ergens in doen, b^v. : in eten, drinken, winst by het 
spel, enz.; het zelfde wat wij soms in het dage- 
lijksch leven zeggen : hy veegt hem ter deege, 

Nib^ji ri-IyïLnoe, ter deege waargenomen wor- 
den door N. N, , soms per euphemisme gebez. van 
eene vrouw, die met zeker iemand in ongeoorloofde 
gemeenschap leeft. 

Sibddji, elkander slaan, elkander een pak geven, 
zamen vechten. (Djay.) NB. Insgelijks per euphe- 
misme gebezigd van den coUus tusschen man eu 
vrouw. 

X/O (banjdji), bep. banjdjiya. — Oekiri 
banjdji , soort van snijjwerk, waarvan de figuren in 
elkander loopen. — Koerisi b2L5<ijii gebezigd van 
kris, b^i of piek, waarvan de doornen in elkan- 
der loopen. Vergel. koerisi, 

X /O (badjoe), bep. badjdbwa, vnw. badjcfeng- 
koe, baadje, soort van overkleed, door mannen 
zoowel als door vrouwen gedragen. Mal. en Jav. 
idem. Bo^. wddjoe, — Badjoe galênrong, een 
kort mannen baadje, dat bijzonder wijd is, en 
daardoor vr^ los hangt, met korte mouwen , die 
even over de ellebogen komen; welligt zoo ge- 
noemd wegens de overeenkomst met een <7a2^ro/^. 
Men zie boven. — Blldjoe kob&yd, een baadje, dat 
nagenoeg als een' vrouwen-kabaai is. Men zie ko- 
bdyd, — Badjoe sosó, een baadje met knoopjes, dat 
tot over de knieën reikt, en welks mouwen tot aan de 
handen kotnen, — Badjoe l)6do , kort baadje, — 



183 



B&djoe rawang, doorschijnend baadje, — BMjoe ^ dóórloopen ; v. d. : sïssi-bdbdjoeroe , een schub die 
k^ bólo-boló, baadje van dik netéldoek, — Badjoe ! regt doorloopt, v. d. overdragtelijk : een mensch die 
sar&ni. Men zie sardni. — Badjoe-rênte, hemd van regt door zee gaat, een opregt mensch, — Si-adlo, 
yzer- of koperdraad, * si-pHttafïg bdfedjoeroe, lett. éen dag en nacht regt 



Het woord badjoe ook gebez. van het vlies om 
de piUen der rappo-tjidóe. Vergel. kaidmmong, 

Bacijoe>b&djoe, soort van buisje met korte 
mouwen, soms door mannen gedragen. 

X /O (bidja) , bep. bidjslya, vnw. bidjSlngkoe, 
naiomeUng^ geslacht , v. d. bloedverwant, familie 
in het algemeen. Boeg. widja, idem. Mal. biedji, 
zaad. — Bidja ri-boko, qfstammeUng van ver ver^ 
Kaderden graad. — Djangang bidja, een haan 
van goede afkomst, — Bidja pamanakkanna, zyne 
familie, 

Abidja , m^bidja-bidja , kinderen krygen. (Inl. 
Wetboek.) — Tabi^a, zonder kinderen. (Kap. 
K. G.) 

Sipabidjang , met elkander vermaagschapt. 

S:\yO (biSjé). — TibiSjéallowa, Sal. = 
tdbódJM aUówa, Vergel. bó^oló N^ 1. 

X 'N \ /O (bónjdjeng), naakt, — Solard boiy- 
djeiïg, geheel naakt. — Tdfenoe-bóJ^djengi djo'b- 
koeka, lett. den visch naakt braden, d. i.: den 
risch, zooals hij uU het water komt, in de vlam hou- 
den, en op deze w^ze braden. 

X'N/O'N (boSjo), bep. bodjowa, Boeg. = 



doorhopende , d. i. een gansch etmaal door; bijv.: 
na-koe-si-&llo , si-pS^ttang bo'bdjoero'e ta-mang&nrc, 

A t 

ta-mdiïginoeng, ta-m^tinro, een gansch etmaal door, 
heb ik niet gegeten, noch gedronken, noch geslapen. 

— Si-k&le bdfedjoerde tinggina, lett. een ligchaam, 
regt door hopende, d. i. een geheel ligchaam met de 
hand uitgestrekt hoog, 

Boedjdbri , regt doorgaan , voortgaan met betrek- 
king tot iemand of iets , tot een tijd, enz., bijv. : 
naboedjdbri allowa paris ma, zijn pijn ging regt door, 
ging voort, met betrekking tot den dag, d. i. zijn pijn 
duurde den ganschen dag door, — Ênroeiïg ri-na- 
boedjoennnoe, lett. een hartstogt, die regt door- 
ging, die voortging met opzigt tot «, d. i. een 
hartstogt dien hij u bestendig toedroeg. (Kei.) 

X/0*^ (b&njdjoelo'e) , bep. b&rydjoeloeka, 
boert, scherts , jokkemij, schertsen, boer ten, stoeijen. 

— B&njdjoe-bllnjdjoelo'e , voor de grap, niet zoo 
gemeend. 

Banjdjo'^li, stoeijen met, eene rroww bijvoorb. 
(Inl. Wetb.) 

X ^ /O *x "^ ^ (1** bd:djol(5), uitsteken, dóór- 
steken, — BSdjolo-padêngka-dêngka , (, men zie: 
het Mak. siso, soort van schelpdier, te vinden iifc ^adéf^ka-dêngka op déngka), een stokje met knop, 



de kralen en moerassen. 

X /O ^ (baSjard). Sal. betalen, 

X/0^ (bdfeSjoeroe). Vergel. het Mal. boe- 
djor, overlangs, de lengte van eene vlakte, en het 
Jav. banjdjoer, voortgaan, vervolgen, regt doorgaan, 
doorreizen, enz. En zoo beteekent het Makass. 
hf^djoertk welligt oorspronkelijk: regt doorgaan. 



dat men door een kleine opening in den bodem 
van de bódd tot aan de knop toe, héénsteekt (, men 
zie bódd lett. b\ Als de ingrediënten voor het 
sierihpruimpje onder elkander gestampt zijn, 
duwt men de knop, en alzoo tegelykertijd het 
pruimpje naar boven. Boeg. idem. 

Tabodjolo, ergens dóór gestoken zijn; v. d. ^- 



184 



geni uit konten kijken; v. d. uUbotten (, wanneer | spreken; bijv.: &nj3jo tdbwanga hin^nxi-ko^diê Heer 
het van planten gebezigd yNOTdi)^ doorkomen, te voor- \ werpt u eyne vroeger bewezen diensten voor de voeten, 
schijn komen (, wanneer het op de Zou wordt toegc- i Paminjaró, het verwijten. (Eap. K. G.) 
past). Vergel. Indjé. X f^ (b&ya). — Baya-baya, bep. baya-bay&ya, 



(2'*bodjold), soort van boom. Wanneer men den 
stam van binnen met een hout doorstoot of door- 
steekt, komt daaruit een weeke witte zelfstandig- 
heid te voorschijn, en deze stof wordt gebezigd om 
bloemen en dergel^ke uit te kneden of te snijden, 
even als wij uit was doen; v. d. tómpoiig b<5djol6. 
Men zie tómpong. Boeg. idem. 

X^^ (1° banjé), bep. banjaka, gans. Jav. 
banjak, idem. 

(2** banj5^). — Bafy nja-banjiya, ^^^^tf»^ maken 
(, staan lagchen en spotten). (Kei.) Boeg. idem. 

X ^^ (banjnjang), a) strak, gespannen, bijv. 
touw op schepen. — BSlnjnjangi anginga, de wind 
staat strak, blaast sterk. 

b) uittrekken, eenel^ bijv.— Ba^Jyangi lolówa, 
aanbrassen. — Bslnjnjangi baya-bayana, de schoten 
aanhalen (, = dlle-dlle bdya-baydna). 

PabïLnjnjafïg, een beambte, eenigennate gelijk 
staande met totcuiig. Men zie tówa N". 1. 

X^ (bdbnji). — Pabdbnji-boeiyiyang, het 
Mal. boenji-boenjie-an, muzijkinstrumeni. 

X'N^^'N (bonjc)), bep. bonjoka, beursch, 
overrijp. Boeg. idem. 



visch. 

X ^^ ^ ^ ^ (banjoro), bep. banjoroka, soort 
van timmerhout, vooral gebez. voor de pdpang 
Idmma , Mdppa sp. 

X^^^ (binjard), iemand bewezen diensten 
herinneren om hem gjjne ondankbaarheid te verwijten, 
of ook: tegen anderen over deze bewezen diensten 



schoten op een schip. Boeg. bddja-bddja, idem. — 
Asare, of: anrorosang, b&ya-baya, de schoten los- 
laten, vieren. — Banjnjang, of: angcLlle-Mle b&ya- 
b&ya, de schoten aanhalen. 

B&ya-bayui sómbalaka, idem. 

X«^ (l'* bHyaiïg), 't Mal. bdjany , schaduw , 
V. daar: spooksel, schim, (Sinr. K. G.); van daar 
ook; afschaduwing, af schijnsel; v. d. ook: dun, 
doorschijnend. Boeg. b&djang, dun, doorschijnend. — 
T&Uang-b&yang, schemeren ('s avond's). — Ati- 
bay^nna kilaka, lett. het doorschijnende hart van 
den bliksem, dichterlyke omschrijving van den bUk- 
sem. (Sinr., Tar.) — Pepé b&yang, metaal tot 
dunne platen slaan. 

Abayang, met een qfschijnsel zjjn, een c^schijn- 
sel (eene verafschaduwing) hebbeti, of: geven; v. d. 
zigtbaar worden, zich vertoonen. 

Pab^yang, doen zigtbaar worden, vertoonen; v. 
d. pabayafïg roep&nna, z\jn gelaat vertoonen. (Kei.) 
— Pabayaiïg-k&le, lett. {zyn) Ugchaam vertoonen ; 
V. d.: zich vertoonen; bijv.: 4pabayang-kale-s^o , 
ei lieve I vertoon u nog eens, laat u nog eens zien. 
(Madi.) 



X ^>^ ^ (baujara), bep. banjaraka, soort vani >?* Bayangang, lett. een doorschijnende plaats ; v.d. 

een' ondiepte vol steenen , = bdwo-bdgaiig. Men zie 
bdwo N^ 1. 

Pibayaiïg tallassina, letterl.: zi/n leven, d. i. 
den duur van zijn leven (,de ure van zyn dood,) 
als een beeld op den spiegel doen ie voorschijn komen ; 
V. d.: door middel van een êrang of djtmd, zie», 
hoe lang men nog te leven hebbe. NB. Sommige in- 



185 



landers beweren hiertoe bij magtetezijn. (D. Moes.) 
Veigel. tónton^ atênna op.- tóntoilg. 

Bayang-bayang, schemerbtg, — Bo'fetta b&yang- 
bayang, land dat nog in de acheinering ligt, d. i. 
land hetwelk men, bijv. op zee zijnde, in de verte 
waarneemt, zonder het nog goed te kunnen onder- 
scheiden. 

Abayang-b^yang, schemerept. 

Tib^yang-bayang, verafsckaduwd worden ;hi}v.: 
ik&oe-dji tab&yafïg-b&yang il&lang riyatikoe, lett.: 
gij ilecUê wordt in myn binnenste veraf schaduwde 
d. i. uw beeld slechts woont in mijn binnenste. (Tar.) 

(2* b&yang), 't Mal. èdjan, perekiet, groene vo- 
gel met gelen bek, Boeg. idem. 

(8* biLyang), soort van boom (, rood gevlamd 
bout). 

(4* b^yaiïg). Vergeï. het Arab. ^jaS nom. 
act. van ^ü, scheiden, echtscheiden ; v. d.: talla- 
Wlya^» een echtscheiding, waarbij geen hereeni- 
ging meer mogelyk is, tenzij de vrouw eerst in het 
bed eens anders is overgegaan. Vergel. tdlld 
N**. 4. (Sar.) 

X<5^ (r bfiLyoe), Bonth., = parif N°. 1., 
maken. (Sinr.) 

Bayo'fewang, = parêkang, èndd. Vergel. paré- 
kang op pdréW. 1. Boeg. badjdkwang. — Êmpo- 
ri-bayo^bwangi, hy of zij, vrijt, is geëngageerd. 

Sipabllyoewangang, zamen verloofd z^n. 

(2* biLyoe), = mdroe. — AbSlyoe, = dmdroe. — 
Pab&yoe, =:pamdroe. 

X<^^ (b&yo), bep. bayówa, = toe-ri-djêné. 
Men zie op ^?né. (Kei.) — Langiri-B&yo. Men 
zie tangin. 

X«^ (biyang). — Pabiyang, ^= pabêgang. 
Men zie bêyang. 



X<5^ (biyoeiïg), s('l^eef, e/K>ar«; bijv.: biyoeiïgi 
pamêntciig&nna, het staat ftcheef, bijv. het huis. — 
Biyoengi baw&na, hij heeft een scheeven mond. 

X«^ (bo'feyafïg), papier. (NB. geen schrijf- 
papier, zoo als: kardttasdy maar gekleurd papier en 
dergel. meer. Boeg. o^fedjang, idem. — Bobyang- 
pakarenang, speelkaarten. 

Abdfeyang-bdfeyang, kaart spelen. 

X<<^ (boeyoeiig). — Kabdfeyoeng-bdfeyoeng, 
= kahtfeyong-bffeyong. (Sinr. K. G.) 

X f^ 'S (bo'feyo). — Bdtjyo-bcH'yo, glinsteren; 
bijv.: bo'byo-bdbyowi matSnna all6wa,rftf Zon glins- 
tert. (Sinr.) 

Kabdbyo-bdbyo, welligt lett.: doende glinsteren ; 
V. d. glinstering veroorzakend, v. d. glinsterend, 
schitterend, v. d. kostelijk, kostbaar. 

M^abdhyo-boeyowang, glinstering, schittering 
veroorzakend; bijv.: angiiïg mdkabo'byo-boeyówang, 
welligt letterlijk: wind die schittering , glinstering , 
veroorzaakt, een wind, die alles voor onze oogen doet 
glinsteren. (Sinr.) 

= mdkabdkyong-bdhyong , = mdkaóö^oeng' 
bifeyoeng. 

X «^ ^ (bdfeyong). — Mikabo'byong-bdëyong, 
(Sinr.), = mdkabdkyo-boeyówang. Men zie btfeyo. 

'^ X «* (1° bêya), bep. beyftya, tol, belasting. 
Mal. en Jav. idem. — Nibêya-mi, het is belast, er 
is belasting van betaald. (Bap.) 

Pabeyang, havenmeester. 

K&ntoró pabeyang, haven-bureait. 

(2° bêya). — Bêya-bêya, blozen, bijv.: wegens 
kwade conscientie; als: bêya-bêyi ri-tdfewang, ik 
bloos voor manheer. 

\ X «^ (bêyang). — Pabeyang, vergunnen, toe- 
laten; bijv.: ta-koepabeyanga-mi ^l&mpa Dj&ya 

24 



18G 



langkilra, ik laat Djdyalaiigkdra met meer vertrek- 
ken. Mal. bejar^ idem. (Djay, Kap., Sinr.) 

\ X «> 'V (bêyo), bep. beyowa, soort van vo- 
gel, geelachtig van kleur, en bekend door zyn pra- 
ten. Jav. en Mal. idem. 

X'N «^ (boya), zoeken; bijv. niya-mi boy&ta, 
(of: paboyata,) b&ttoe, er m iemand om u ie zoeken, 
te noodigen. 

Boy&na toemélompowa, degenen die door den 
Gouverneur uitgezonden zijn om ie zoeken. — Taëna 
boy&nna anrinni, lett.: er is hier geen zoeken naar, 
d. i. ^^ ia hier niet ie vinden. (Rap. K. G.) 

Aboya-mi karèënga, de vorst zoekt. NB. Dit 
geeft te kennen, dai hij honger heeft. — Tjtpoeroe, 
van een' vorst gebezigd, zou te plat uitgedrukt 
zijn. — Taëna-mo mSlka naboya paml^a, hei ge- 
moed herft niets meer ie zoeken^ d. i. men kan niets 
meer verlangen, — Toe-mdboy&ya, de man die zoekt, 
V. d. in regteu: de man die eischt, reclameert, aan- 
klaagt; in één woord: eene zaak in regten vervolgt 
(Rap.); van daar: soferd-paboya, brief van rédame. 
— Namdboya warisina, zijne erfgenamen zoeken de 
zaak in regten, d. i.: brengen Jutar voor den Regier. 
(Rap. T. Dj.) — Ambóyaï kalamboesanna, z^ regt 
zoeken, eene zaak in regten vervolgen. (Inl. Wetb.) — 
Ambóyaï kalambdbsang kale-kalonna, hij v>ïL zijn 
eigen regier zijn, lett.: hij zoekt zijn eigen regt. — 

Amboyang, zoeken naar, bijv.: amboyangaï 
kabddjikanna pardnna tao'bwa, het zoeken naar, 
d. i.: trachten ie bewerken, het welz^n zyner mede- 
mensclien. (Rap. K. G.) 

Pabóya, doen, of: laien, zoeken. 

Paboyaï, a) bezigen om te laten zoeken, d. i. ie- 
zigen om mee te zoeken, bijv.: na-noesare póle ba- 
loe-biLloe, na-napaboyaï, en geef gy hem nogmaals 



koopwaren, om met mnsi te zoeken, d. i. te hande- 
len. (Rap. T. I)j.) 

b) iemand bezigen, of: hebben, om. te diens op- 
zigie, v. d.: bij, van, of: tegen hem te zoeken, v. d. 
zoeken bij, of: tegen iemand; bijv.: toe-nipaboyaïya, 
de man tegen men men het zoekt, te weten: in reg- 
ten, d. i.: de aangeklaagde. (Rap. T. Dj.) 

Paboyang, iemand hebben, oï bezigen, om voor 
te zoeken , d. i. zoeken voor iemand; bijv.* kalênna- 
dji napaboyang beUlji, hy zoekt slechts geluk voor 
zich zelven, d. i. is een egcüsi. 

Sipaboying kodi , hoaad tegen elkander zoeken, 
d. i. : elkander kwaad trachten ie berokkenen, (Rap. 

Abóya-boya, gedurig zoeken, sterk zoeken; bijv.: 
abóya-boyaïnjdjo pamaïkoe, tdëwang, ri-biya- 
rdnna tdëwaiïg pesek&la, mijnheer, ik zoek sterk, d. 
i. : ik weet volstrekt niet, hoe ik hei heb met de uit- 
maak van den fiskaal. (Brief.) — Aboya-boya-idji 
pamaïka ri-iyanoe, mjjn gemoed zoekt, d. i. verlangt 
nog sterk, nog iets meer, d. i. ik ben nog niet tevre- 
den met hetgeen ik gezien, of ontvangen heh, v. d. 
ook gebezigd door eene vrouw die bij den coïtus 
niet voldaan is; hetgeen ook dus wordt uitgedrukt : 
koepaboyaï boerannêngkoe, ik zoek wat, ik heb 
een grief, tegen mijn* man. Vergel. boven /wdoyat. 

Taoe taëna boy a-boy anna, lett. iemand die niet 
kan vinden, te weten : die dingen, waarvan de ken- 
nis den Inlander boven alles noodig toeschijnt, als r 
êrang kahoerannêyang en dergelijke erang^s meer. 

Ta-djariyaï boya-boyanta ri-Baland&ya, de ken- 
nis dier èrang^s helpt ons niet tegen de HoUander's. 

Toe-mdbóya-boyaya, de menschen die gedurig 
(winst) zoeken, wier beroep het is, tcinst te zoeken, 
menschen die handel drijven. (Rap. T. Dj.) 



187 



Taoc pabuya-boya, iemand die altoos zoekt , er 
aUoos op uit is tcat te verdienen^ en daarvoor geene 
inoeiie ontziet. 

Paboya-boyaï kalênna , èij zich zelven iets sterk 
zoeken, d. i. iets geheel missen, NB. ziet op iemand 
die zeer ongeschikt is voor den cmtus. 

Paboya-boyang (, of: paboyang-katallassanna), 
daigeen waarmede men dagelijks zijn leoensonder- 
houd zoekt, d. i. middel van bestaan, beroep, am- 
bacht, enz. 

X'N«^'N (boyd), bep. boyoka, soort van 
komkommer, behoorende alzoo tot de cucurbitaceae. 
— Boyo soelapa, of: boyd tene, soort van boy 6, 
het Mal. Idboe. — Boyd l^ba, insgelijks soort van 
héyó. — Boyd pampdbna, ook soort van bóyó, — 
Boyd karappde, ons agurkje. — Boyd bilókka, 
soort van bóyó, groot en waterig, te Makassar ge- 
woonlijk genoemd: kraai, 

Boyd-boyd, Bo^. bódjMódjó, soort van doos 
om olij, kammen en dergcl. in te bergen, aldus 
genoemd , dewijl die eenige overeenkomst in vorm 
heeft met een bóyó kardppóe, 

Boyd-boyd-balawo, eene Bryonia sp. 

X 'N <^ ^ (boyo^). — Bóyong-boyoiig, be- 
ginnen met; bijv.: toe-nabóyong-boyong n&kkoe, 
ienumd wiens hartstogt nog in de eerste phase en van 
daar zeer innig is. (Sinr., Kei.) 

Naboyong-boyongi , zij begint op haar verhaal 
t€ komen, hei begint met haar te schikken; bijvoorb. 
geb. van eene kraamvrouw , of van eene vrouw die 
haren man verloren heeft ^ enz. — Naboyong-bo- 
yongi rammoesoe , hij heeft eeji beginsel (, eene aan- 
doening,) van koorts. 

X«>^ (bayara), betalen. Mal., Sund., Jav. 
bajar. Boeg. wdJjn. 



Bayari, voor iemand, of: ergens voor betalen. 
(Inl. Wetb.) 

Bayariyangi, a) aan iemand betalen (Inl. Wetb.) , 
b) ergens voor belalen, bezigen tot betaling van, bijv. 
nibayariyangi inninna, wordt gebezigd tot betaling 
zijner schulden. (Inl. Wetb.) 

KabayS-rang, betaling; v. d.: akabayaraiïg, met 
betaling. — Takabayarang, zonder betaling; v. d.: 
to'iikard takabayarang, lett. het is verwissele?i, maar 
geen betaling , d. i. eene verwisseling van twee per- 
sonen of zaken, die niet gelijk staan, zoodat alzoo de 
een niet als betaling (aequivalent) van den ander te 
beschouwen is. Tegen een meisje gebezigd , heeft 
het byv. dezen zin: Ik kan wel een* ander tot vrouw 
bekomen, maar niemand, die met u gelijk staat, (Sinr.) 

Pabayara, doen betalen. 

Pabayaraiïg , bezigen tot betaling van het een of 
ander; bijv. na-iya-raóntoe koepabaySlrang , en dat 
(geld) bezig ik tot betaling, enz. — Oewaug nain- 
rang, dfewang napabay^ng, zoo hij geld geleend 
heeft, moet hij ook geld bezigen om te betalen, d. i. : 
ook in geld terug-betalen (Rap. T. Dj.) 

i «^ *^ "N (biyalo) , tabiyalo , in een oogen- 
blik voorbij zijn en daarom ook slechts ten halve 
waar te nemen; bijvoorb. te bezigen van een blik- 
semstraal, die op eens gezien , ook op eens verdwe- 
nen is; bijv. tébiyalo koetjiniki^ ik zie het, maar 
in een oogenblik is het voorbij, ik zie het maar 
ten halve. — Tabiyalo koelangere s^ranna, ik hoor 
het geluid, maar oogenblikkelijk is het voorbij, zoo- 
dat ik niet zeker weet wat het is. (Bid.) — Ala- 
ngerd biyalöna sarJinna, iemand' s stem slechts ten 
halve hoor en. — Tacna mêmang natabiyalo, er is 
zelfs geen schijn van hem zigtbaar geworden, hij heeft 
zich zelfs niet voor een oogenblikje vertoond. 



188 



X «^ % ^ (biyola), 't Port. viola, viool (mu- 
zijkinstrument.) — Oeloe biyola, H hoofd y d. i. het 
bovenste y of dunne gedeelte, van een viool ^ v. d. ook 
aldus, wegens overeenkomst in vorm, genoemd 
het voorste gedeelte van een toop , vervangende de 
pamdroeng-riyólo van andere Inlandsche vaartuigen. 

X «> ^^^ "*\ (bayilwo), bep. bayawowa, ei. — 
Bayawo-boembêra, eijeren van roode boommieren. — 
Baydwo-djdfekde, vischkuii. — Didi-bayawo, dqjer, 
— Edja-bayawo idem ; doch minder gebruikel^k , 
meer als eene vertaling van *t Mal. mefrah telor te 
beschouwen. 

Abayawo, e^feren leggen. 

X «^ ^N^ O (biySiwasa), bep. biyliwasaka, 
a) soort van visch, b) naam eener sterregrocp, 
waartoe onder andere behooren Caator en Pollux, 
gelijk ook Jupiier, 

X <^ O (biy&sa), bep. biyasê^ya, gewoon zyn, 
gewoonte. Mal. en Jav. idem. Skr. abbjdsa, oefening, 
praktijk. — Ada biyasana bocttslya , de gebruiken 
en gewoonten des kmds. 

Pakabiyasa, doen gewennen. 

Pakabiyasang, ergens aan doen gewennen. (Hap. 
K. G.) 

X«^^^ (biyai), draaijen, vlechten. (D. 
Moes.) 

X^ (1° b^a), bep. baraya, kraal, beesten- 
kraal, beestenstal , afgeperkte ruimte voor eene herte- 
jagt. — Bara djSlrang, paardenstal. — Mantama 
ri-bar&na , (even als een beest) in zijn stal binnen 
gaan, v. d. ergens geheel te huis zyn. (Rap.) — 
Bara-bara bato'bwa, de omheiningen van opgesta- 
pelde steenen. (Dat. Moes.) 

Pabarafïgi, een' kraaljagt voor iematfd doen 
plaats hebben. 



(2" bara), bep. baraya. — Mra pêpé, vuurko- 
len, kolen vuur. Mal. bara , kool , gloeijende kool. 
Boeg. wdra, idem. 

(3** bara). — Mra-bara, bep. b&ra-baraya, gor- 
del, buikband. — Bara lükkasa. Vergel. Idkkasd. — 
IkHmbe malipi-bar&ya, wij, (te weten: de Malei- 
jers,) die eene sarong by wijze van bdra , d. i. niet 
aan elkander genaaid, dragen, — Bclbnga bara, soort 
van bloem, of strik, gevormd big het vastmaken 
van den buikgordel. — Sis&mboeng bdfenga-b&ra, 
elkander bij de böeilga-bdra vasthouden. NB. gebez. 
van twee vechtenden. (D. Moes.) 

Bdra ook gebezigd als benaming voor éen van 
de rijkssieraden van Gowa, het zelfde als in 
't Tijdschr. voor N. Ind. Jg. V, Aflev. 4, bl. 429, 
verkeerdel^k genoemd wordt Bonaija. 

Pibaraï, iemand een' bidkgordel ten geschenke 
geven. (Bap. K. G.) 

Papibaraiyaiig, iemand (eene zekere som bij- 
voorb.) in den buikgordel steken. (G.G.) 

(4** b^ra). — Si-b&ra, het J&y. sa-bara, honderd 
mülioen , eertyds ook in Gówa gebruikelyk. (Bap. 
K. G.) — SiMra-èardna, zoo veel als: een getal 
dat niet meer uit te spreken is,, lett. é^ honderd mü- 
lioen honderd mülioenen er van. 

(5** b&rd), bep. baraka. Westen-wind, regenbui. 
(Bid.) Boeg. bdr&, idem. Jav. borat, wind, wind- 
vlaag, stormwind. Mal. bdrat. West, Westen. — Bara 
tappd. Westenwind. — Bard-daya, = bdrat ddja. 
Zuidwestenwind. — Bara Ikfe, = bdrat Idwoet, 
Noordwestemcind. — Bêira-b&ra, zachte Westenwind. 
— Wattoe \ATi,Westmoeson. — Bard lólo, begin der 
westmoeson, — Bdrdlolówa dikwijls eigennaam 
van een paard. — B«Lngkeng-bêLra. Men zie bdilg- 
ketï^g. — (5cloe-bara, begin van de Westmoeson. — 



189 



Bara tallocm-bungi , lett. de Jf^estmoeson van drie 
nachten^ d. i. dat gedeelte van de Westmoeson, 
waarin de regen telkens drie dagen achter elkan- 
der bgna onophoudelijk voortduurt. Dit is vol- 
gens de Inlanders gewoonlijk in het begin der 
Westmoeson het geval. Hierop zou de bard Ufeé^oe 
bdi^y of Westmoeaon van zeven «ocA^ , vervolgens 
de ödrdpinrifetoaH^'idèdjoebdi^yOÏfrestmoeson van 
veeriien nachiefi , en eindelijk de bard patampöélo 
bdngi of de Wedmoeaon van veeiiig nachten, volgen. 
— T&lloeng-mi b&ra oemoeroena , Ay is reeds drie 
wesiMoeson's, d. i. twee jaar, oud, = tdüoeng-mi 
pakattÓKofl^, Vergel. kdtto N°. 1. 

(6** b^), bep. b^aka, bedakh, soort van poe- 
der van rystemeel gemaakt. Boeg. badd, idem. — 
Bira kêbo^ loUte bedakh. NB. de beddtk die de da- 
mes gebruiken, om zich het ligchaam, inzonder- 
heid het gezigt, mee te besmeren. — tór^ pab&lle, 
de bedakk die men als geneesmiddel bezigt, insge- 
lijks door er zich meê te besmeren. — Blra 
dinging, bar&kammoe, en: b^ra b^mbang, soorten 
van bedakh, aldus genoemd, naar gelang van de 
min of meer heete specerijen, die men in de be- 
dakh doet, als: notenmuskaat, enz. — B^rd loeide, 
hetgeen op het aangezigt achterblijft, wanneer men 
zich met bedakh besmeerd, en vervolgens zeer 
zacht met een doek afgeveegd heefl, zooveel als 
blanketsel van bedakh, 

Ab^ra, a) bedakh gebruiken, b) bedakh maken. 

Bdraki, iemand met bedakh besmeren; bijvoorb.: 
abirê.kiya, besmeer my met bedakh. 



Pabarakang, eene klapperdop, of bak voor de 
toebereide bedakh. (Bid.) 

{V barra). — KabSirra-b^rra, bep. kabarra-bar- 
r^ya, overal bekend , zoowel in goeden als kwaden 
zin. (M^.) 

X^ (1** bêirang), welUgt, soms. Mal. bdrang 
kali. Jav. en Boeg. bdra^ idem; b^v.: bslrang na- 
oeng-sa riyolo ri-Djoemp&ndang, weüigt is het 
goed dat ik maar vooreerst naar Makassar ga, 

Barang-parena, het is mij onverschillig; lett. 
toeüigt. ... (ik weet het niet,) het is z^n werk. 

Bdlrang-parêkang, onverschillig zyn ten opzigte 
van, d. i. zich niet bekommeren om iemand; of: ten 
opzigte van eene zaak, d. i. die verwaarloozen, niet 
behartigen. — Noeb^ng-parêkang-dji,on8 spreek- 
woord : van eens anderman^s leer is het goed riemden 
snijden, letterl.: gij verwaarloost zijne zaak maar, 
te weten: om enkel uw eigen belang te beharti- 
gen. — BdraOg soms ook gebez. om 't wenschen 
uit te drukken, bijv.: biLrang ^ko'blle-ko'blle-mi, 
moge hij hersteld zjjnl letterlijk: wdMgt is hij 
reeds gezond. — Dikwerf wordt er in dit geval 
ook bijgevoegd: kdmma-if/igdpa. Men zie kdmma 
N^2. 

Baraiïgaï. Misschien is dit woord aldus te ver- 
klaren: **is dat nog eene zaak om van welligt te 
spreken?!" v. d. "is dat eene zaak die nog aan tw^- 
fel onderhevig kan zijn?l" v. d.: stellig, immers, enz. 
Bijvoorbeeld op de vraag wie het een of ander ge- 
daan heeft, volgt soms het antwoord: barangaï, ta 
insLkke, ik stelUg niet, ik immers niet. (Kei.) — 



Ook met den naam van bard bestempeld eene Baraiïgaï ka-koek«Lna, ik heb het u immers wel ge- 
soort van welriekende witte balletjes, waarde vn^- zegd (,lett.: was het nog twijfelachtig? te weten; 
wen zich meê besmeren, tot verkoeling en sieraad, en dat dit gebeuren zou, daar ik H u gezegd had? (Tar.) 
waarvan de óe(/(tfM het voornaamste bestanddeel is. — Baraiïgaï, ka-Alla-taala-dji ampadjari alaji^ 



190 



lóUong bonêna, God jflecJdè heeft immers de wereld 
geschapen met al wU daarin is. 

Barangk&na. Dit woord wordt gebezigd om te 
kennen te geven , dat er het een of ander volgt tot 
opheldering en verklaring van het voorafgaande, 
te vertalen met: bijvoorbeeld y te weten ^ namelijk ^ 
dat iSy met andere woorden, en dergel. meer; als: 
na-iya b^llaka-dji, tawslna baïnnêya, bILrangk&na 
taoe-balo'bwa, en wat het kuis betrtft, dat is ket 
deel van de vrouw, te weten: (^,wel te verstaan.) de 
weduwe. (Bap.) — Kamm&ya barangkdina, ponna 
kikalarrowi at&nta, als b^voorbeeld, zoo wy ons boos 
maken op onze slaven, (Rap.) — Sik&mma ta-ki- 
rapika, barangkslna sal&mang, al onze tekortko- 
mingen, dat is: (, qf:) onze fouten. Op de woorden: 
"To'ëwang ly&noe abêseré toemalompowa," "i\r. N. 
ligt overhoop met den Gouverneur,'^ wordt bijv. door 
iemand geantwoord: "Ngllpa bteiiigkana?" "JJb^/ 
wat zegt gij daar? zeg dit nog eens m>et andere woor- 
den. Ik begrijp u immers verkeerd? hoe toch zou dit 
mogelijk zijn/" (Bap., G. G., Godsd.) 

Poliwa mab^rangi. Dit beteek.: z^ sterven in 
ontzettend groote menigte, als door een pest wegge- 
sleept. Het gebruik van mébdrang duidt misschien 
hierop, dat er zooveel bezwijken, dat menonmoge- 
lyk meer met zekerheid opgeven kan hoeveel ? Men 
kan slechts zeggen : welligt zooveel of zooveel. (M^di). 

Sibarang, elkander wantrouwen, of: verdenken; 
eigenlijk: niet zeker van elkander zijn, de een van 
den ander denken, dat hij welligt iets kwaads in 
den zin heeft; bijv.: sibarangi an)djo tadëwa, die 
menschen wantrouwen elkander. 

(2° barang). Vergel. het Jav. barang, eenig bij- 
condor ding , eenige zaak, eenig goed, iets, dingen, 
goed, goede7'€fi. Mal, idem. Vergel. ook het Jav. sa- 



barang, alle bijzondere; alle, wie het ook zijn mogen. 
Zoo ook het Makassaarsche bdrai^, of: sabdraitg 
(,Boeg. bdra, of: sibdra), = lya-iydnna-mo, wie 
of wat ook; bijv.: barang, of: sabarang tèoe, weUe 
mensch ook. — B&rang-sere (, Boeg. bdra-sedhca), 
een wie, of: wat ook; één, nog niet zeker wie of W€U. 
— Ta-barang-tlLoe (,'t Boeg. ta-bdra-tdoe), 't Mal. 
hoekan bdraiig-bdrang mdnoesjiea, geen aUedaagsch, 
geen gering mensch, — Barang-^pa, wat ook, v. d. 
manna ta-bdrang-dpa manna ta-paramdnna. Vergel. 
manna. 

Mrang-bSlrang, 't Mal. bdrong-bdrang , 't Jav. 
barang, 't Boeg. wdram^pdrang , goed, goederen; 
en V. d. mab&rang-barang, met goederen zjjn, goe- 
deren bezitten, (Rap. K. G.) 

Ampabarang-barangangi pamaïna, lett.: goede- 
ren doen zijn, of: sleüen voor z^n gemoed, d. i.: zijn 
gemoed vervullen met de gedachte aan goederen, v. d.: 
haken naar goederen, bigvoorb. naar geschenken. 
(Oud Contract der vorsten van Toeratêya.) 

(3° b&rang). Barang-b&rang, een knoestig gewas, 
dat uit oude boomen en daken te voorschijn schiet , 
met een blad in den vorm van een' waaijer. Het is bit- 
ter van smaak, en deszelfs afkooksel wordt met klap- 
permelk en kc/bnji vermengd, als wanneer het een zeer 
goed purgeermiddel is, vooral voor kraamvrouwen. 

X ^ (1** b^), bep. bariya, zuur geworden, eten. 
Boeg. wdri; bijvoorb.: bsLri-mi, is bedorven; gebez. 
van gekookte rijst, of vleesch, of soep, of welk eten 
ook, dat byvoorbeeld een' nacht is over blijven 
staan en nu zuur geworden of bedorven is. — Tottó 
bari, dus genoemd /tet puntje van de bek der kie- 
k^, als stinkende gelyk bedorven eten. Van daar: 
nipasoljlóeki tottó barina, dit puntje wordt er afge- 
daan. (NB. anders, zoo meent de Inlander, zouden 



) 



191 



de kiekens niet goed groeijen); v. d. overdragtelijk 
gebez. van een meisje dat besneden wordt. 

(2** btó), bep. bS,rika, vlammen (in het hout), 
gefolamd, gestreept; v. d. vlakken vaneen* muskuskaty 
Of djind, — Djangang bari, haan die gestreept, bijv. 
wit en zwart van kleur is. Boeg. idem. 

X^ (b&riiig). — Tdbaring-btóng, rusteloos, 
ontrust, bekommerd. 

Tabaring-baringang, bekommerd over, — Nitd- 

A A 

baring-baringaiïg-mi garrinna, men is bekommerd 
over 2^n€ ziekte. 

X^ (banri) bep. bannya/^ouc?. (Bap., Bid.) 
— Djené-bSlnri, intrest van goud, — Over de dj/né- 
bdnri bij bet bdUi-tagald vergel. op tdgald, 

Asik(5-banri, zoowel van mannen als van vrou- 
wen gebezigd, geeft te kennen, dat zij met deprach- 
tigste stof gekleed zijn; docb z<5o, dat bet bd^oe en 
de t^e van onderscheiden kleur zijn. Zyn die bei- 
de van dezelfde kleur, zoo heet zulk een pracht- 
kleeómg pasangiftgang. Vergel. sdnging. 

Waarom men nu juist spreekt van dstkó-bdnri, 
van gouden knoopen voorzien, is mij niet regt duide- 
lijk. Welbgt heeft alleen het prachtige van de klee- 
ding daartoe aanleiding gegeven. Het zou echter 
ook kunnen zijn, dat het dragen van gouden arm- 
banden en dergel., hetgeen daarmee steeds gepaard 
gaat, de uitdrukking heeft doen ontstaan. 

X ^ (1** baróe), bep. baroeka, de schors van 
zekere boomen, die men bezigt bij wyze van zwam. 
Ook gebruikt tot het digtstoppen van de naden der 
vaartuigen. Boeg. idem. — Ook gebezigd tot het 
maken van touw, doch dit is niet bestand tegen de 
vocht. Deze bdroe gewoonlijk genomen van dm 
iirrc^-boom, ook wel van den roembty a^hoom, zoo 
ook van den pókó bdroe-gdüang. 



(2° baroe) bep. baroeka, soort van boom, Hi- 
biscus tiliaceus L. Mal. idem. Jav. en Boeg. jcdroe. 
— Bdbnga-b^ro'e. Men zie böenga, — Baroe laoe, 
soort van bdroe-hoom, Hibiscus populeus, L. — 
Pókó b^ro'e-gallang, ook soort van bdroe-hoom. 

X^ (b&roeng). — B&roefig-bSlroeng, hul, 
stulp. Mal. bdroiig, idem. 

X ^ 'N (1** b&ro). — Tïlï-b^ro, en: tabarowang 
(, verbastering van tdï-barówang), = tdï-ldso, 

(2** baro). — Sambaro-b&ro, == sangkdmma. 
(Kdferro'e). 

(3** baro). — BÖTO-baro, bep. b^ro-barówa, = 
bdra-bardni, vermetel. (S- Tjin.) 

(4® b&rro), naam eener plaats op Bomeo; v. d. 
boéldëng Bdrro. Men zie boeldéng. 

(5** bSlrro). — Bslrro-bawiyang, opzwelling van 
de klieren aan beide kanten van de keel, door- 
gaans gepaard gaande met koorts. 

(ö** bSlrro), bep. barroka, = dto N''. 1, borstlap 
voor kinderen. 

X^ (bira) bep. birèya, soort van gewas, eene 
Ardidea, een' man's lengte hoog, en in den stam 
vocht bevattende dat jeuking veroorzaakt. Deszelfs 
bladen een halve arm lang en iets minder breed, 
gebezigd om garen in te wikkelen, als volgens de 
meening der Inlanders vastigheid aan de kleuren 
gevende. 

X^ (birang), grof wit linnen. (Sinr.) Boeg. 
vndang, — Birang sibira^gi, lett.: btrang dat met 
ètrang is; v. d. overdragtelijk: menschen van gelijke, 
en (in tegenstelling van boeldmg, goud) even geringe 
afkomst. (Sinr.) 

Pabirangang, de naad die de twee lange smalle 
lappen, waarvan een sarong gemaakt wordt, teza- 
men verbindt, zoodat die de vercischte breedte 



192 



krijgen. (NB. om vervolgens van die twee, nu 
(jcnigzins breeder geworden, strookcn goed een aa- 
roiigy of soort van vrauwenrok, te vervaardigen, 
naait men de beide, in vergelijking met de twee 
andere, nog steeds smalle uiteinden aan elkander, 
zoodat men aan een sarong steeds twee elkander 
kruisende naden ontwaart. Laatstgenoemde naad 
is bekend onder den naam van paëntèngaiTy, 
Vcrgel. ënteng,) 

i r^ (biri). — Biri-biri, bep. biri-biriya, soort 
van schelp visch (, wenteltrapje). Boeg. idem. 

i ^ (biring), kani. Boeg. foiring , idem. Mal. 
bierih, boord^ l^st. — Biring-k&ssi, kust, strand. — 
Biriiig-m^ta, rand van hei oog, — Birinna langika, 
lett. de rand des Hemels ^ v. d. Jwrizont^ gezigtsein- 
der, — Birinna pasapo'bwa, de rand van de hoofd- 
doek, — Biring-lipd , rand van een sarong. — Bi- 
ring-kalênna, de zelfkant^ van een' hoofddoek byv., 
de kanten die niet meer behoeven gezoomd te worden . 

— Biring nidjSï, een omzoomde kant^ bijv. van een 
lioofddoek. — Póke-biring, soort van piek, ook ge- 
noemd: póke-Sambdwa^ of: Sambdtoasche piek, en 
ook : tóembd. Van de pdke»bïring heeft men twee 
soorten: V btrU^-képé met twee gaatjes in het 
lemmet, en 2** itring ióitgoló^ die als *t ware doof 
is, die twee gaatjes of oortjes niet heeft. 

Biring-dj ene, soort van groente, gebruikt bij 
schildpad, en aan den kant van het water groei- 
jende, eene Myrtacea? 

Abiring, aan den kant zijn, bijv.: mébiriilg be- 
lang, visschen aan den kant van een kraal. (Hap.) 

— Abiriiïg-mi lampa toe-mdlomp5wa, lett. de Gou- 
vemeur is al aan den rand om te gaan, d. i. gaat 
binnen kort. — AbiriSg-mi tambardbwa , lett. het 
Nieuwejaar is reeds aan den rand, d. i. hei m bin- 



nen kort Nieiiwejaar. — Abiring-mi gappa ^ilaka , 
hij was reeds aan den rand om een ongeluk te krij- 
gen, d. i. hij kreeg bijna een ongeluk, — Abiring-mi 
n&sseng basa Mangkasara, h^ is reeds aan den 
rand om Makassaarsch te kennen, d. i. hij kent 
reeds bijna Makassaarsch. — Abiring mange, er- 
gens langs gaan, 

Kamiring, het ergens langs gaan ; v. d. kami- 
ring lanri anging in de sinrili's : de wind die er- 
gens langs gaat, te weten: langs het huis der ge- 
liefde. (Sinr.) — Sonri nikamiriiïga malêla = 
sSnri nibirif^a malêla , de sónrt met een rand van 
staal. 

Tinrang-biriiïg, of: tdbnrang-biri iïg. Vergel. 
tmrang, en: tdignrang. 

Sitinrang-biring. Veiig. tmrang. 

Sito'fenrang-biring. Verg. ttfenrang. 

AQini-biriiJg. Verg. ^ïnl, 

Si^ini-biring. Verg. ijtni. 

Biring-k&na, in het voormalig rijk van Teüo 
de eerste persoon na den koning. — Zijne waar- 
digheid stond eenigermate gelyk met die der 
volkstribunen in het Bomeinsche rijk. Tegen sijn' 
wil vermogt de koning niets te doen. Boeg. pabi- 
ri^g-dda. Hij was voorts de man , die de woorden 
des konings tot het volk, en omgekeerd de woor- 
den des volks tot den koning overbragt. Hy was 
als het ware de rand van beider woorden , met an- 
dere woorden: de man, langs wien de woorden van 
koning en vóUc voorhij gingen, van biring, men zie 
boven, en kdna N**. 1. 

i ^ (biroe), bep. birdfcwa, naam eener soort 
vaift boompje, welks bladen gebez. worden bq de 
bereiding van mddd; alsmede om de sierih in te 
wikkelen. B. idem. 



193 



X ^ (binroe), dbinroe, 6^ het vuur zUten^ zich 

A 

by het vuur warmen; bijv.: abinrdeka, tdbwang, 
dinging^, ik zit bij hei vuur, mynheer, ik ben koud. 

X^'N (bird), bep. biroka, scheel. — Bird- 
biró djangang, loenzen. 

X^ (1** bdbra), bedriegen, fopp^y veinzen. 
(Sinr. , Tar.) 

(2** bdéri). — Pabdbra-m&li , bep. pabdferd-mlU 
lika, eigenl. Boeg.; lelt. iemand die evenals een pi- 
sang-iad op hei vxUer ronddrijft; ▼. d. zwendelaar, 
lediglooper, schurk; zamengest. uit het Boeg. bolsrd, 
= mdsa-ohUiy pisang^ast, en 't Boeg. mdU , drijven, 
bijv. op het water. Yerg.pagórrd'mdli oji górrd'i^^. 2. 

X ^ (bo'bnrang) , flaauw , of Ugt van kleur. 
Alleen van oogen geb. — Toe-m^bdbnranga ma- 
t&nna, de menschen die Ugtkleurige oogen hebben, 
d. i. de Europeanen, in tegenstelling van de Ma- 
tassaren, die meestal donkere oogen hqbben. (D. 
Moes.) — Bdbnrang-mi mat&nna, zjjne oogen staan 
reeds fiaauw. NB. gebezigd van iemand die op ster- 
ven ligt. 

xhs, (bo'bri). Djangang bdbn, bep. bo'brika, 
een haan die veel overeenkomst heeft met de 
djwgang-boertnti, doch met langer* strepen. Boeg. 
mdnoe-hifert, idem. Jav. boeriky pokdalig. Mal. 
boerikh, gestreept, gespikkeld, pokdalig. 

X ^ (!*" bdferoeng). Mal. vogd. — Bdëroeng 
garêdja. Aldus te Makassar genoemd de HoUand- 
sche mosschen , dewijl men^ die derwaarts overge- 
biBgt, en bij de nu verlaten kerk in het fort losge- 
laten heeft , waar zij zich nog heden in grooten 
getale ophouden; terw^l men ze elders bijna te 
vergeefs zoekt. 

(2* boeroeng), soort van riet, gebez. tot bind- 
sel, Maranta arundinacea, L. 



(3° boljrocng). Bdbrocng-lxAiroeiTg, fijn rood 
insektje. 

X\^ (bdbnre), bep. boenrêya, soort van 
schepnet. 

X \ ^ (bdbnreng). Bo'bnrefig , of: bdbnreng- 
battang, dikbuikig. — T^oe-bdbnreng , iemand met 
een* dikken buik. 

\X^ (bêré), Sal., = bdtiaU, zwaar. Mal. 
brat, idem. 

\X^ (bêrang), hakmes. Jav. idem. Mal. 
parang. 

Bêrang-badi, jagtmes. Men zie bddt. — Bêraiïg- 
kalêwaiïg, in Toerateya = kalêwai^. (M^di.) 

Nibêrang-bdëlo, met een hakmes gehouwen wor- 
den , alsof men een stuk bamboe ware. (Madi.) 

\X^ (bênra), lett. van aüe kanten komen. 
Boeg. idem, bijv. : nabênra poke, er wordt van aUe 
kanten met pieken gestoken. 

Sibenraï, van aüe kanten tot elkander-, of: zo- 
menkomen;. bijv.: nasibenrai gong, lett. van aüe 
kanten komen er gongs zamen, d. i. van alle kanten 
verneemt men het gduid der gong. 

Pasibenröi, a) van alle kanten op iemand doen 
aankomen, b) iemand bezigen om van alle kanten 
op aan te komen of aan te vallen ; d. i. van alle 
kanten op iemand aankomen, hem aanvallen; b^v.i 
napasibenraïyd kongkdnna IjSlnoe, d. i. de honden 
van NN. vallen van alle kanten op mij aan. -— Niya 
djaï tHoe ampasibenraïb&rang-barSlnnatoe-mateya, 
d. i. er z^n vele mensehen, welke van alle kanten op 
de goederen van den overledene aromen, om die on- 
der zich te verdeelen. 

\X^ (bêroe), bep. ben^wa, vnw. berdfcng- 

koe, nieuw. Boeg. bdroe,eïï Mal. bhdroe, idem. -— 

Bo'fenti^ berdbwa, de jong-getrouwden. 

5."i 



\n 



Berofewi, vernieuwen. 



(3° bêro). — Pamcro-mêrowi, iets in groote hoe- 



\ X \ ^ (1° bere), welligt te vergelijken met ' veelheid verbruiken; bijv. paogadjai , d. i. gedurig- 
ons woord: stuk. (Verg. Mak. Spraakk. § 87.) —^ door derih-kaauwen, en daarbij telkens weder een 
Si-bere, =sere, één, bijv. : t^ si-bere, ém mensch. \ nieuw pruimpje nemen. Zoo ook bijvoorbeeld pake- 
— Pas&poe si-bere, een hoqfddoek. — And si-bire- yang, d. i. telkens weder een nieuw kleed dragen. 
bérêna slnne, =dnd d-tdoe-tadenna-anney dit is zijn i Vergel. tjamêro en éro N**. 2. 
eenigste kind. — Sibe'rêya, = séréya, het eene, ofj XX^'N (bênroiïg). — Tabênrong, heen en 
ook: het andere. — Si-bérêyanga, = sérêyanga, het weer bewogen ^ byv. : poko-kayo'fewa , de boomen, v. 
eene, het andere. — Tasi-bere-t&i-bere , = tds/re- d. ook overdragtelyk tdbênrong-mi bindb^na, z^ne 
tdse're, elk, alle, bijv.: tdsi-bere-tdsi-bere phTasa- ^ binabd is in beweging gebragt; d. i. zyn gemoed is 



ngang, elk land, alle landen, (Djay.) 

(2** bêre). — Bêre-bêre, Boeg., = kaloewdra, 
mier. 

(3** bêre). — Bêre-bêre , de Melastama aspe- 
rum, L. 

(4** bêré) , doorbreken, een steenpuist by v. 



ontsteld, verschrikt. Vergel. binabd. 

Pabênrong bin&b^na, iemand verontrusten, doen 
ontstellen, (Sinr., D. Moes., M^di.) 

Bênrong-bênrong, soort van riet, met eene 
bloem als eene witte wollen pluim, welligt aldus 
genoemd wegens de bewegelijkheid van de bloem. 



\ X \ ^ (1® bêreng). Bêreng-bêreng, glaze- Dit riet wordt dikwyls gebezigd voor omheiningen. 



7naker (insekt). — Bêreng-bêreng êdja, bêreng- 
bêreng dêntde, en: bêreng-bêreng poppó, soorten 
van bêreng-bêreng. 

(2° berêng). Berëiïg-berëng, bekken (van den 
omroeper). NB. alleen te Makassar in gebruik. 

\X\^ (bênre). — Allo bênre-bênre, = 
dUo démioe-óhmboeróe. Vergel. demboeroe. 

^X^'N (r berd), tabêro, slordig, bemorst 
zijn , geb. van een schrift bijv. wanneer er inkt- 
vlakken op liggen, of zoo de regels scheef loopen, 
en derg. meer. Ook gebez. wanneer men spreekt 
over het maken van een kleed; bijv..- têya-ko pa- 
bêró-bêrokintoe , doe het niet slordig , vermors het 
7net, Boeg. idem. 

(2° bêro). — T6bêro, door de lengte bijna langs 
den grond sleepen; byv.: t&bêrowi bangkênna, zijne 
beenen sleepen nagenoeg langs den grond; van een' 
ruiter gebez. die byzonder lange beenen heeft. 



— Bo'ektiffeleng- bênrong-bênrong, eene huid zoo 
mooi van kleur als ligtgeel bênrong-bênrong-riet. 

X "\ ^ (borrd), bep. borraka, Borak, het paard 
van Mohammed. (D. Moes). 

X"*\ V, (1** bóri), = parasüngatTg ; v. d. bijv. 
de eigen naam BórisdUo, en andere. 

Sambón, of: simbori, in één land, d. i. te zamen 
zijn, makkers zyn, schoolkamercukn, enz. (Sinr.) 

(2** bori). — Batoe-bori, Sal. = bdta, meUeU 
steen. Vergel. bdta N". 1. 

X'N^;^ (boring), snip, met regten snavel. — 
Boring-lompo, groote snip, met krommen bek. 

X^\Cs (bore). — Bore-bóre, bep. bore- 
borêya, zeldzame uitdrukking, op zee soms gebez. 
voor and, kind, uit vrees, dat de booze geesten 
anders het kind kwaad zouden doen. 

X ^ ^ ^ (1° bóro), ons ior^. — Naï borokiko ? 
wie is uw borg? 



195 



(2° boro), Toer., = kdmhatly; opzwellen. nooit barakkd, aangezien men die verheven afkomst 

(3** borrd), bep. borroka, opgeblazen, kooginoedlg. j aan niemand kan meêdeelen. Zulk een geschenk 
X'N ^ 'N (1° borong), bundel, hoop, menigte, j slechts joiZ/i^rotf genoemd.] 

bloemen bijvoorbeeld, of: vrucJden, Boeg. éro^, X ^V^ (baro'bkang), soort van visch. 

idem. Vergel. het Mal. bdrom/, iets in het groot , X *5< % •• (barrókang), kropgezwel. 

doen, in het groot handelen. — Borong-lêkd, een bun- \ X ^ ^ (bardfega), bep. baroegSlya, soort van 

del Herih; alzoo ook genoemd een hert, dat zeer j bamboezen gebouw tot het houden van vergadering, 



oud geworden zijnde, een bijzonder zwaren bundel 
hoornen op zijn kop heeft. Vergel. c^ouga W 1, 
(Kei.) — Bintoëng éborong-bóroiig, *t zevenge- 
êtemte, als 't ware: een hoop sterren, — Djangang 
borong-nlrang, een haan met groeien kam. — 
Tjinjtjiiïg intang-mdborong, een ring met vele 
(Uamanten. 

Wakkili,of:kow^, h6Ton^,algemeengemagtigde. 

(2° borong). — Borong-borong, eiland, (D. Moes.) 

(3° borong), Bonth., == roma^, bosck. — Borong- 
boroiTg, kreupelbosch. 

X^y^ (barakka), bep. barakkaka, 't Mal. 
berkat, zegeti. Boeg. bardkkd, idem. — Barakkdki, 
h^ ia gezegend, 

Bardkkd ook gebez. als : geschenk van iemand 
die veel zegen van den Hemd ontvangt, hetz^ door 
tot hoogen rang op te klimmen, hetzij door veel 
schatten te vergaderen, hetzij door hoogen ouder- 
dom te bereiken, hetz\j door op cenige andere 
wijze bijzonder grooten vooruitgang te maken. Zulk 
een bardkkd bestaat bijv. in wat geld, of een' kris, 
of wat het ook wezen moge, en zal, meent men, 
hem, wien het gegeven wordt, den z^en van Al- 
lah in dezelfde mate doen ondervinden ; v. d. zegt 
men bijv.: sare-ma barakkd, geef mij een bardkkd. 
[NB. De gift echter van een' regerend vorst, of 
kardéng mdgdoe, die alleen wegens geboorte tot 
zijne hooge waardigheid opgeklommen is, heet 



en tot huisvesting van vreemdelingen bestemd. 
Boeg. idem. 

Amêmpo ri-bardbga, op den eigenlijken dag 
van het feest, d. i. bijv. bij een besnijdenisfeest op 
den dag der besn^denis zelven, tegenwoordig njn. 
Vergel. matdnna gdoeka op mdta. 

Abardbga, lett. in een baröega zamenkomen, v. 
d. in het algemeen gezelschappen bijwonen, al is 
het ook niet in een barifega, 

Pabardbga, iemand die gezelschappen bezoekt, 
feesten, of partijen bewoont, 

Bfilroe-baro'bga, soort van bamboezen zitplaats, 
= dêgo-dêgo. 

X ^ A^ ^ (biragÉLra), bep. biragaraya, lasti- 
ring, (Sinr.) — Nibiragara, ^tfto^ef tt?or(fe«. (Kei.) 

S:^^ (banrangang), een bos bokken- of ander 
haar, of ook wel: een bos lange veeren, die men on- 
der aan een piek hangt, NB. zulke pieken omge- 
keerd en voor den vorst uitgedragen. Boeg. ban- 
rünga, idem. — Poke banranga^, een piek met een 
banrü^ang, — Poero'fekaiïg banraiïgaiig, zak voor 
een banrüngang, — Kakk&sang banranganga, de 
banrüngang van de zak ontdoen, eti haar los laten 
hangen, zoo als bijv. in den oorlog geschiedt. 

X^\i^ (barangeng), rattekruid. Boeg. «?«- 
ring&ng. Mal. bardngan, — Selé nibarangeng, ver- 
giftigde kris. — Baraiigengi seleka, de kris vergif- 
tigen. 

25* 



196 



X ^ i. (barïngang). — Bariugang tdëka, spor- 
ten eener ladder. (Tar.) Boeg. idem. 

X ^ \ ^ (boero'bngeng), grooter dan de btri- 
liiri, maar van binnen insgel^ks met eene soort 
van wenteltrapje. Boeg. idem. V. d. beeld van 
valschheid, als van buiten glad, van binnen ge- 
draaid zijnde. (Sinr.) 

X ^ i. i. (baroeiigfinga), bep. baroengöMydya^ 
soort van boom , welks bladen en stam als medicgn 
gebezigd worden. 

X^^ (binr^pi), bep. binrapaka, boompje, 
welks bladen als geneesmiddel en als piQtfbroe ge- 
bruikt worden. 

X^X (bar&mba^), borst — Kaloró-barilm- 
baiïg, fflei{f vau vore» aan de bordy tusschen de 
beide rijjen ribben. 

X ^ X (1'* barc&boe), bep. barc^boeka, gruis ^ 
snippers^ vodden^ lorren, — Baroebdb-taoe, iemand 
die weinig beieekent;w^ zouden zeggen: een lor van 
een mensch, — Baroeboe-kayoe, gruis van koui, d. 
i. spaanders. 

(2° bardfeboe), .bep. baroebdfewa, een droo- 
ge alles verzengende wind in de Oostmoeson, 
vooral in de Noorder distrikten van het Gou- 
vernement van Celebes en onderhoorigheden waai- 
jende. 

X ^ X (1** bardfemboeng). — Djürang baro'fem- 
boeng , schimmeL — Boeg. baröhnpoeng. — Bardém- 
boeng-kcbo, witte schimmel, — Barobmboeng-pare- 
pdbncie, ijzerschimmel. — Baro'ëmboeng-panowang, 
appelsckimm€l, — Bardbmboeng-tallppd, = baröhn- 
boef^-poHÓwang^ doch met eenigzinsyroo^^/i^i^^^. 
— BanAsmboeng-tambaga, koperschimmel. — Ba- 
rd^mboeng-tjêra, roodschimmeL — Bardbroboeng 
daré, vale schimmel. 



Djangang-bardbmboeng, haan die schimmel- 
kleurig is. 

Bdroe^röhmboeng ook van andere voorwer- 
pen dan van paarden en hanen gebezigd, lett. 
beteekenende: veel van een schimm^el hebbende, v.d. 
gr^s; byv,: baroe-bardfemboeng oena, grijs is z^ 
hoofdhaar, 

(2" bardfemboeng), berooken; bijv.: nibardbm- 
boeng ddëpa» met doepa berookt worden, (Sinr.) 

Pabaroembo'bngang, soort van pot om te be- 
rooken; bijv. gebruikt door iemand die lang ziek 
geweest is, of ook door jonggetrouwden, ten einde 
de zweetlucht weg te nemen. NB. men plaatst 
den pot onder zich, en gaat er vlak boven zitten, 
zich geheel met een sarong overdekkende. 

X\^\X (barébé), bep. barebeka, schor, 
dof, niet helder van geluid, geb. van de stem, ook 
van het geluid van slecht glas oï porselein, wanneer 
men er tegen tikt. 

X ^ "N X ^^^ <^ (b&rro-bawiyang). Men zie 
bdrro N°. 5. 

X ^ X O (bar^basd), inregenen. Boeg. idem. 

X ^ X O (baribasél), bep. baribasaka, morgen, 
ochtend; v. d. ng&nre-baribasi, des morgen*s eten, 
V. d. ontbeten. — Ei-banbasaka, gepasseerden mor- 

AA A 

gen. — Anne baribasaka, dezen morgen. — Ban- 
bas^pi, aanstaande morgen, — Naiya banbas^na- 
mo timbor<$-maki maë ri-Segêri, €les morgen's vroeg 
gingen w^ naar Segiri, (Brief). — Baribasi-baribasa, 
oUe morgens, — Bari-baribasa, 's morgens, ik weel 
niet juist hoe laat. 

X^\^\^\ (baramdbnteiïg), soort van boom. 

X ^ v^ ^ (bdbrd-mMi). — Pabdbra-mali. Men 
zie bökrd N**. 2. 

X^ ^\ (barata), rouw, (Jav. braia, boetedoe- 



197 



«wr^, Skr. wraUij een verdienstelijke, hetzij vrij- 
willige, of door eene gelofte op zich genomene 
drmge oefening of boetedoening,) Dit woord ook 
gebez. van de volslagen rust en werkeloosheid, 
tegen het begin van den zaaitijd, gelijk ook later 
op andere tijdstippen, en die ons aan den rouw 
wegens een' overledene denken doen. (Hap. K. G.) 
Boeg. idem. 

X ^ •s (bariltang), de bamboezen die op de 
lépa4épa paUwai, de baldlang, enz. op zij uit de 
praauw steken en waarover dan in de lengte van 
het vaartuig aan beide kanten een andere bamboe, 
palewüt geheeten, gelegd wordt, zoodat op deze 
wyze de dusgenoemde vlerken ontstaan. Boeg. 



X^^\ (bar&toe), bep. barato'bwa, het salaris 
voor den patdnrd en voor den tóngkó-houder. Ver- 
gel, het Jav. braioe^ voorschot bij het spel. 

X^^s (birita), bep. biritSlya, berigt, mare, 
goede naam. Boeg. idem. Mal. brieta, berigt, ty- 
ding. — Birita-mako, gy hebt (krijgt) een* goeden 
naam. (Eap. K. G.) 

Kabiritang, het hebben van een* goeden naam, 
U geëerd zyn, eer, enz. 

Pobiritaï ri. Boeg. = at^gdppai birita rt, een' 
goeden naam verwerven b\j. 

Pabiritangi, iemand ergens kennis van geven, 

Biritaï, iemand noodigen tot een feest, lett. hem 
er berigt van geven; bijv.: taoe nibiritaiya, de ge- 
noodigde menschen, (Djay.) 

Pabirita, iemand die noodigt, bijv. : pabiritana 
kar&ë^a , degenen die de gasten uit naam des ko- 
mmgê noodigen, (Djay.) 

« m A / A 

X ^ ^s (boerinti) , bep. boerintika , kleine 
zwarte vlekjes op de huid; v. d. djaiigang boerinti, 



gespikkelde haan. Men spreekt van : boertnlt-kébó 
wanneer de mtie, en van: boenntt-l/leng , wanneer 
de zwarte kleur de bovenhand heeft. 

X ^ •s '>• (barat&mmoe) , het Mal. bertemoe, 
ontmoeten, soms in het Makassaarsch gebez. van 
de huwelijksgemeenschap. (Maoet.) 

X ^ /^ (1** bar&na), bep. baranaka, soort van 
hoogen zwarenboom, wel te onderscheiden van de 
mardnd. 

(2** baranna), bara-bar&nna, a) ergens iets aan 
doen; v. d. zich om iemand, of: iets, bekommeren, 
bekreunen; v. d. ook: iets veranderen, ergens wat 
afnemen, iets verminderen , bijv. : têya-k6 bara-ba- 
rannaï, z:^ iêya-kó dporapiï, doe er niets aan, — 
Ka-lebd-ma ta-nabarlLnna, cZcuir hij zich om mij niet 
bekreund he^, (Sinr.) — I-ta-nib&ra-baranna, = 
i'ta-nipinra pinraï, menschen waaraan men niets ver- 
anderd, menschen van wier tanden en pudendum men 
niets cf genomen heeft, d. i. menschen die niet besneden, 
en wier tanden niet geschuurd zijn, (Dat. Moes.) 

b) ergens iets van hebben; v. d. ergens eenige 
overeenkomst meé hebben, byv.: nis&re-sêiig-pole 
r^ppo-r^ppo mabllra-bar^nna roepanna, zij ontvan- 
gen dl weder vruchten, wier voorkomen wel iets heeft 
van, d. i. eenige overeenkomst heeft met, te weten: 
die vruchten, welke zij op Aarde gezien hebben, (Ma- 
kass. Vert. des Korans, Sur. 2, vs. 23. 

X^/^ (1** barSlni), bep. baraniya, vnw. 
baraningkoe, stout, vermetel, durven, Bo(^. wardni. 
Mal. bardtU, Jav. baranni, idem. — Barani pamélï, 
kloekmoedig, onbeschroomd, 

(2° bar&ni.) BiLssi bar&ni, bep. baraniya, mag- 
neet, Jav. branni, naam van hard gemaakt ^zer , 
staal. Mal. besie branie, magneet, — Batoe-barani , 
zeilsteen. Mal. en Bo^. idem. 



198 



X^/^ (baranniiTg), groote pot voor drink- 
water, kleiner dan de g(fembang. — Seró, of eigen- 
lijk: paseró, baranning, een klapperdop met een 
bamboe er aan, om het drinkwater mee uit de 
baranning te scheppen. — Bambang padja-bar^n- 
ning , zoo heet als het onderste van een baranning , 
d. i. alles behalve heet of koortsig , integendeel zoo 
koel , als het onderste van zulk een pot, die bijaK)n- 
der koel pleegt te z^'n. 

X ^ ^ /^ (baronang), soort van visch. 

X ^ \ /ï\ (boerfiinne), bep. boerannêya, vnw. 
boerannéngkoe , man, mannelijk. Boegin. woro- 
dnne. — M&te-boerUnne, als man, d. i. op het slag- 
veld, sterven. 

Aboeranne, m^t een man zijn, eeiC man hebben, 
getrouwd zijn met; gebez. van eene vrouw. 

Boerannêyang , tot man maken, of: nemen, d. 
i. : trouwen. 

Paboer^nneyslnna-mi, zij is reeds huwbaar, lett. 
haar tijd, om met een man te zijn, is reeds daar. 

Bo'fera-boeranne , een jongetje. 

Êrang-kaboerannêyang. Men zie érang. 

X ^ *ö>^ (barat^oeng) , soort van vuurwerk , 
kleine papieren pijpjes welke met kruid gevuld 
zijn, door de kinderen te Makassar in groote me- 
nigte afgestoken. (G. G.) 

X^'N*^ (baróyi), bep. barotiiya. — Sa- 
lo'bwari-baró^i, een kort broekje van gestreepte zijde, 
met twee- of drieërlei kleuren. Vergel. het Mal. 
baroetjie, manttfactuur van zijde en katoen. 

X%s*^*^ (bari^'alla), bep. bari^jallaya, 
iemand, die het terstond opmerkt, wanneer er iets 
niet goed is, wanneer er iets niet is, zoo als het be* 
hoort. Dit woord gebezigd in goeden en in kwa- 
den zin. In het eerste geval is het iemand die bij 



de hand, een goed opmerker is. In het tweede ge- 
val beteekent het: eeji vitter, bedÜler. Men vergel. 
het Mal. berie, geven, en Qeld, vlak, smet, fout. 

X ^ ^^ (biranjo'e), heen en weder drjjven, 
bijv. een schip bij windstilte; ook overdragt. geb. 
van iemand die ligt te zieltogen. Yergel. manjoé op : 
injo^. Welligt te denken aan het Mal. berhdnjoet. 

X ^ <^ (barayang), = dnoe tdtiling, iets dal 
schuins loopt; v. d. : salslngga bar&yang, letterlijk 
schuindoopende schouders. Met deze uitdrukking 
tracht de moeder van Toe-mdsalangga^rdyang 
de misvormdheid haar's zoons te vergoelijken. Wij 
zouden zeggen: «zijne schouders zijn niet scheef, 
zij loopen maar wat schuins." (G. G.) 

X ^ *^ (barala) , bep. baral&ya, = barahdla. 

X^^^'N (barald), bep. baralóka. Men zie 
boroló. 

X ^ ^ *^ (bir^lle) , bep. birallêya, djagong , 
Turksche tarwe. Boeg. bar alle. — BirS-Ue nisapoe. 
Men zie sdpóe N°. 2. 

X "N ^ ^ *^ ^ (borolo), bep. boroloka, vast 
planken dek op een schip, wel te onderscheiden 
van de galöemd, die wat lager ligt dan de borolo, 
overigens hetzelfde is. NB. volgens sommigen niet 
te zeggen : boroló, maar: baraló. 

X'N^^^^'N (bonrotó), bep. bonroloka, 
schaamteplaatje van goud. Men zie djémpang. Boeg. 



X % ^^^ (baro'bwang), *t Mal. beroewang, beer. 
(Bap. T. Dj.) 

X^^^s^ (birowang), soort van praauw, 
hebbende één mast, die uit drie houten en bditg- 
keng-sdlard bestaat, alsmede pamdroeng en bang- 
koeng-bardiang . 

X ^ O (1° barrassa) , vegen. 



199 



Pabarrassa, bep. pabarrassaka, bezem. 

(2** barrassa), =: dppo. 

X ^ O (barrisi), bep. barrisika, het Jav. ha- 
riê, troepen krijgsvolk, 't Sd. en Mal. bdris, streep, 
^> 'Vj ^^^^ van krijgslieden, klankteeken. Alzoo 
in Ddtoe-Moeseng geb. van de gelederen der solda- 
ten. Zoo ook gebez. van de klankteekens, of de iee^ 
iens die I, 0^, e en o te kennen geven. Zoo ook: 
ab^rrisi, exerceren (soldaten). Boeg. idem. 

X^O (1** baroesoe), bep. baroesoeka, soort 
van boom, 

(2** barroesoe), éb&rroeso'e, gebeden over iemand 
prevelen , gelyk dikwerf door den sdnro geschiedt, 
die alsdan daarbij gedurig op den lijder blaast, 
Boeg. warroei^ ; bijv.: DJ&yalangk&ra arab&rroe- 
scfeki tdfewafïg PoUiri, Bjdyalangkdra prevelde ge- 
beden over de Prinses. (Djay.) 

Na-anjdjo t^oe-garrïnga nibarrcfesi-mami , toot 
dien zieke betreft, men prevelt maar gebeden over 
kern, gebez. van iemand die zeer erg ziek is. 

XCsO (birasa), geen uitwerking meer doen, 
mei meer aangenomen worden, bijv. een geneesmid- i berej, verstrooid. 
del, eene raadgeving, enz. | Tabêre-bêresé, verstrooid liggen, bijv. vodden, 

X%;,0 (bïrisi), afkeerig zijn, haten. Mal. of papieren o^ een* tafel, 
biniji. Boeg. bat^i. i Pabêre-bêresë, verstrooien. 

Kabïri-birisi, hatelijk, gehaat. \ Berêsailg, verstrooid laten liggen; v. d. door 



I bcferoe-bo'broesöe, vallen, ontvallen, en wel ten ge- 
volge van het losrakeji of opengaan van datgeen, 
waardoor iets vast- of tegengehouden wordt; bijv.: 
het geld, door het breken van den zak, het woord, 
door het openen van den mond, eene broek, door 
het breken van de poeroesang, eene sarotlg, door 
het losgaan van den knoop, het kind, dat op eens, 
geheel onverwacht, uit den moederschoot te voor- 
schijn komt. — Kana tabo'broe-bo'broesoe, los 
woord, woord, dat men er uitflapt, zonder daarbij 
te denken. 

Kaboerdbsang-ma, soms per euphemisme geb. 
voor: idbóeroesoe-mi taingkoe. 

\X^O (bêrasa), bep. bêrasaka, (Wï^e^ooA:^ 
ontbolsterde rijst, *t Mal. en Jav. beras, en *t Boeg. 
bard, idem. — Bêrasa pasard, allerlei soort van 
bêrasa door elkander. 

Abêras4-idji kanrêya, = kóntaï kanréya, de 
rijst is nog maar half gaar, letterl.: nog bras-achtig, 
nog als bêrasa. 

\ X \ ^ \ O (bêresé). Vergel. 't Mal. tjerej- 



Kabirisi , haat koesteren jegens iemand. — Ni- 
kabirisi, gehaat worden, bijv.: toe-nikabirisinta , 
menschen die door ons gehaat worden. (Inl. "Wetb.) 

X^O (bdferasa), bep. bdferasaka, rijst met 
klappermelk in een pisangblad gewikkeld, en dan 
gekookt, na alvorens terdeege met koewald om- 
wonden te zijn; van daar: bal^b^bo'bras^ki, iets, 
wat het ook zij, ter deege omwinden. 



achteloosheid zoek maken, verleggen, zoodat men 
't niet vinden kan, iets laten vallen, zonder het 
terstond te bemerken. 

X'NCsO (borging), dborassing, niezen. 
Mal. bersin. Boeg. barassi^ang, idem. 

X ^ Cs 'N O 'N (borosd), barsten , bijv. boro- 
soki ballassêya, de zak barst. — Amb&ni-mi borosd 
batt&nna ri-panganrêya, zijn buik barst bijna van 



X ^ O (bciferoesoe). — Tabo'feroesoe, of: ta- ' het eten. 



200 



Balla-nitodo. Vergel. tódó. — Balla-nitonrolo. 

Vergel. iónroló, 

Apala billla, huiweating verzoeken, (Inl. Wetb,) 
Ball4-baila, hu^je, krib, — Baila-baila k&yoe, 

houten huutfe, meibank. — Balld-balla plürang, 



X ^ O *C (bari-8&llang). H Mal. bërie-salam, 
groeien, (Godsd.) 

•X^"^^^ (bir&ëng), naam eener soort van 
boom, lïcus 8p,y waaraan, volgens bewering van 
den Inlander, nooit bloemen komen; van daar: 

bo'fenga birèëng, een birdëf^Moeni, zoo veel aüs: foachtkuiêje op kei paddieveld, (R&ip.) 
wonderbloem y of: vMe raaf, (Sinr., Tar.) | Paribillla, in huis opnetneut Jiuiweden, herbergen . 

X^ ^ (bir&hi). Mal. en Jav. beminnen, khkWi ri, ie huis z^n, inwonen, zijn intrek ne- 
liefhebben, \ men bij ; bijv.: AbdUaki ri-ndkke, hy woont b^ mij. 

X ^ ^O *^ (barabft,la), bep. barahal&ya. Af- — Kê-djakó maë db&lla? waar neemt gij uw' intrek r 
god, 't Mal. berhdla, en 't Jav. braftala, — Êmpo-mi tab^lla-karaë^, lett.r hy zit niet meer 

X «C (1® b&la). *- BMa-b^la, bep. biLla-balaya, als een vorst in zijn huis, d. i. hy bewaart niet meer 
begonnen maar nog onvóUooid werk; v. d. overdragt. de deftigheid van een vorst, loopt als een razende 
ook geb. van een bruid, (Rap.) | rond, (Madi.) 

(2^ bala), bep. balslya, ramp, tegenspoed, = 't i BallsLki, amallaki, te huis doen zyn^ opnemen in 
Mal. beid, 't Jav. bilaï, 't Arab. ^^. n/« ^»**. herbergen, bezitten, hebben, byv. natoe- 

(3^ balla). bep. b&llaka, Auw. Boeg. 5^. Zoo ro'bngangi an^na baïnnênna, niyaka naball&ki, 
ook genoemd één van de dertig soorten van kaar- en z{jn daarvoor aansprakelijk zjjne vrouw en kinde- 
ten bij het/ïfl/d^- en *(^fl-^(^«^^o^-spel. — BlUld ren, die hij by zich in huis heeft, (Bap.) — Koe- 
lompowa, lett.: het grooie huis; v. d. het huis van talloem-bdblang-monne naball&ki goeroed&ya, de 
een kampongshoofd , of van een prms. Ook wel ge- griffoen houdt m\j reeds drie maanden in zjjne wo- 
bez. voor den vorst zei ven. — Ballé-lówe, insge- ning, (Bid.) — Na-polïnua amallaki-ko bslrang-b^- 



lijks lett. groot huis; y. d. zoo veel als: huis van 
den vorst, v. d. ook van den vorst zdven gebez.; 
byv.: naüUe balla-lówc, lett.: het vorstelijk huis 
heeft hem opgenomen, NB. dit ziet op den slaaf, 
die, door zijn meester mishandeld, zijne toevlugt 
tot den vorst neemt, als wanneer alle vervolging 
ophoudt. (Bap.) 

B&Ud-kêppang, lett. een mank huis; aldus ge- 
noemd eene ster, die met de Bdloe en Bdloe-md- 
r(feroeng tot het Zuiderkruis behoort. 

B^Ua-nit&tarapa^i, een huis wéks paldtTgga" 
Umpds ver uitsteken. Aldus genoemd wegens het 
snijwerk. Vergel. iMa-rdpang op tata N°. 1. — 



rang, en zoo gij goederen in uw huis hebt, bezit, enz. 
(Bap. K. G.) 

Ballakiyang, huisvesting, b\jv.: ballakiyè.nna 
lamboesoeka, lett.: de huisvesting van, d,i, hd zich 
verwerven, of: zich eigen maken van de regtschapen- 
heid, (Rap. K. G.) 

Ampaballaki, of: amballakangi, ball^na lyanoe, 
het huis van N, N, bewonen, bijvoorbeeld m huur 
hebben, — T&oe-ampabSlllakiyaï , de bewoner, — 
Mdkodi nipaballaki, slecht om bewoond te worden. 
(Rap. T. Dj.) 

Paball&kang, oprigting van een huis; v. d. plaats 
waar men een huis wil zetten; v. d. pabMla-ball^- 



SOI 



kaag, oprigting van een huls in overdragtelijkcn 
zin; Y,d. huisselijk-, of: huwelijksleven^ huwelijk y-r^ 
pakalabimyang y vergel. kalaèmi; bijv.: gêsara-pa- 
b41UUballakangi, lett.: h\j verstoort iemand' s huwe- 
lijky door zaden van tweedragt uit te strooijen, of 
door overspel met iemand*s vrouw te plegen, of 
op welke andere wijze ook. 

Siballa, éénhuizig, ie zamen één huis bezittendey 
of: ^«Poii^»M?tf . — Siball^koe, lett.: mijne huisgenoote, 
of: myn huisgenotft, door den man van zijne vrouw, 
en weerkeerig door de vrouw van haren man ge- 
bezigd, wanneer men op nederigen toon, bijv.: 
tegen een' vorst wil spreken; = siügoenngkoe, 
vei^l. dhring, 

Pasiballa, in één huis doen zijn, doen zam-en 
wonen. , 

Pasiballakang , zam^mwoning . 

(4** balla), 't Mal., Sd. en Jav. èëlahy splijten, 
Hoven; bijv.: ^injtjing balla-rótang, een ring die 
veel overeenkomst heeft met een gespleten rotting. 

X *^ (1° belang), kra^l, stilstaand water. 
Boeg. idem. NB. zulk een bdlang heeft wel geen 
oipheining; echter is het alleen aan den eigenaar ver- 
gund om daar te visschen of tonjdjong's te pluk- 
ken (, vergel. beneden op tónj^ong). De bdlang is 
dns in overdragtelijken zin afgesloten of omheind; 
y. d., dat men hier het woord bdlang gewoonlijk 
met kraal vertaalt, en van vischkrcden , gelijk ook 
Tan t^djong-kralen spreekt. — Bale-balang, kraal- 
viêch. (NB. bale Boeg., = *t Mak. djoekoe, visch.) 
— Kiti-blLlaiïg, kraaleend. 

(2® balang). — Balang-balaiïg, kleine soort van 
vleermuis. (Madi.) Boeg. idem. 

(3** ballang), bonty gevlekt, 't Boeg. méballang, 
alsmede het Jav. en Mal. ^^i^w^, idem. — Ballang 



ko'ënji, lett. boutgeel; v. d. gal (, wel te verstaan: 
die uitgespogen wordt. Vergel. pat). — üj^rang 
ballang-bS.irgkeiïg,, j^flflre? met witte pooten, lett.: 
bont, doordien de pooten wit, d. i. hier: van eene 
andere kleur dan het overige van het beest zijn. 

BdlUmg in het spel staat tegenover :oH"in munt, 
en beteekent ons : kruis. 

A A 

X ^ (1° bali), helpen. Boeg. idem. — Bali 
anjdj^ma, medewerken. 

(2** bali), bep. baliya, vnw. balii^koe, vijmd. 
Boeg. idem. 

Baliyang, als vijand beschouwen, v. d, bevech- 
ten, toeér staan. (D. Moes.) 

Sipabaliyang, met elkander in vijandschap zijn. 

(Djay.) 

Bali-bali kanïlnna, iemand^s woorden vyandig zijn, 
d. i. iemand tegenspreken. 

Sibali-b^li kananna, elkander tegenspreken. — 
Sibali-bali ewangILnna, de wapenen tegen malkander 
voeren. 

' (3° bali), het Mal. bdlas, vergelden, beantwoor- 
den-, bijv.: baLli soerana, het antwoord op zijtC brief. 
— Bali kananna, iemands woorden beantwoorden. 
(Godsd.) Ook wel zonder kma, in de beteekenis 
van: antwoorden. (Brief.) Boeg. paidli dda. 

Sib^li-bali, elkander antwoorden. 

(4° bali), temgkeeren. 

Baliyangang, a) het terugkeer en. (Sinr.) 

b) doen temgkeeren, v. d. terugbrengen, terug- 
geven; bijvoorb.: koebaliyangangi , ik geef het hem 
terug. NB. De vorm bali voor temgkeeren, niet 
meer aangetroffen; alsdan gebruikt: bah N**. 5. 

(5** bali), keeren, wenden, draaijen, temgkeeren^ 
vergel. 't Mal. bdllkh, keeren, omkeeren, wederkee- 
ren; bijv.: bali kat&rang. Men zie kcUdrang. — 

2G 



S09 



Bali olówaiïg, den Kleven Kenden, eêne verloren reis 
hebben. Ook overdragtelijk gebez., bijv. van iemand, 
die tot zijne oude betrekking moet tentgkeeren. — 
BMiki mange ri Gowa, lett. hij wendt, keert om, 
(1. i. valt af, zich wendende tot Gówa, — BMiki ri- 



(getal). — Bi-bali-tallobnna anne taoenga, lett. 
aan deze z^de van de drie, d. i. twee jaren, vóór dit 
jaar, d. i. wanneer men bijvoorb. Anno 1858 spre- 
kende gedacht wordt: in het jaar 1856; alzoo: mi 
het voorlaatste jaar. — Ei-bali-app^na &nne t^nga, 



empow&nna, hij keert terug tot zijne plaats. — Ngapa | drie jaren vóór dit jaar, d. i. : in het jaar 1855 , 
noebitjara bali-bïlli? waarom spreekt gij met sl^n- wanneer men namelijk Anno 1858 sprekende ge- 



ters? waarom draait gij? NB. beleefde uitdrukking, 
om niet te zeggen: waarom liegt gij? Boog. paèdli- 
balt. — B^li-bllli-mtlta, iemand die den menschen 
een rad voorde oogen draait, een goochelaar. — BMi- 
blÜlang, trouweloos, schurk, bedrieger; weDigt te 
denken aan het bdüang (,of kruis,) van de duit, 
in tegenstelling van het dbkirt (, of i»««^, alzoo 
iemand, die, wanneer het munt (óhkirt) is, zoo 
draait, dat het kruis (bdüang) wordt. — Aiïging 
bali-bali, gedurig draaijende, d. i. onbestendige 
wind, nu eens Noord , dan eens Ooet, enz. 

Balikangi, iemand den rug toedraaijen, v. d. : 
hem afvallen, of: ontrouw worden. 

6** b^i), =. wdli, welligt: z^de. — lbali-gïU)e, 
temand in zyne betrekking ter zyde staan , ambtge- 
noot, plaaisbekleeder , plaatsvervanger zijn. (Boeg. 
idem.) Wordt bijvoorbeeld gebez. van den koning 
van Têllo, genaamd: Toe-ménanga-ri^Makowdgai^ , 
als Rijksbestierder van Gówa's koning, Toe-niSjdlló 
(G. G., Bap. K. G.) — Ab^li-êmpo, lett. ter zijde 
zitten. NB. zou in het gebruik hierin van dódli- 
gade verschillen, dat het laatstgenoemde alleen ge- 
bezigd woidt van personen, wier rang volkomen 
gelijkstaat, zooals bijvoorbeeld in Gówa, vooral 
in oude tijden, het geval was. De koningen van 
Gówa en T^ waren beide kardëng mógéóé. 

Gkani-hkW, lett., volkomen aan de zijden, d. i. 
even (getal). Vergel. beneden ta-simbdli^ oneven 



dacht wordt; alzoo in het vóór-voorlaatste jaar. — 
Men zou ook kunnen z^gen: ri-bMi-roew^nna 
^nne tiLoenga, verleden jaar, doch dan bezigt men 
liever: ri-si-tdoenga. 

Bali-djoem^. Hiermede bedoeld : de Vrijdag die 
op den tegenwoordigen Vrijdag volgt. Zoo spreekt 
men ook van: bdli-sdltoe, bdli-dhd, enz. — B^i- 
pasa. Hiermede bedoeld: de marktdag die volgt 
op den tegenwoordigen marktdag, gewoonlijk over 
vijf dagen. — Zoo spreekt men ook van : bdU-btfe- 
laiig, en: bdti-tdoeng. — Bali-parasangangd , ik ben 
uit de negrie, die aan de uwe grenst. — BSili-bêd- 
la-k^, ik ben uw buurman. 

BMi-timbangang, tegenwigt. — Pónna niya 
piksoe dbali ant^le, zoo er knoesten in het hout zifn 
welke tegenover elkander zitten (, ieder in een tegen- 
overgestelde plank). (Eap. K. G.) 

Ab&li-bMi , ter eene zijde , van weerszoden , ter 
zijde zijn van ; bijv.: agangkoe abali-billi, at&nna 
karaënta Popo, de slaven van ons beide, ter eene 
zijde van mij , ter andere van KJaraenta Popo. Bijv. 
gebez., wanneer ik eene slavin, en Kardëf^ Pópo 
een' slaaf heeft, welke wij beide te zamen hebben 
laten trouwen. 

SiblLli-bS.li ball^na, tegenover (vis a vis) zijn 
huis. 

Pimb^i, of: pimbMi-bali, aan weerszijden. 
Vergel. boven o^ piOg. 



203 



Sainbuli, of: siiiibali, = sinykdmniay en: aaiig' 
kdmnuiy gel^k; bijv. bangkeng , ta-simb^i, beenen 
die ongelijk gijn; gebez. van iemand die mank is. — 
Tftoe simbddi-blLli, iemand die van geUjke afkomst 
aU een ander w. — T^wd simb&li-bali, ik ben 
iemand van gelijke afkcmui. — Bainne ta-simba- 
linna , = bainne ta-sangkammd.nna , eene vrotito die 
niet van gelijke (, d. i. ra» minder,) afkomst is, als 
kaar man. 

Ta-simbdli ode geb. voor ons: ongelijk, van 
daar oneven getal ; b^v. : ta-simbaliyaï, het is een 
oneven getal, 

(7° U]ï). — B&li-bódo. Men zie btla^bódo, op 
iila N*. 3. 

(8** bSllli), bep. balliya, vnw. ballmgkoc, koo- 
pen^ prijs. Boeg. ^i; byv. : nibadli si-t&ï, voor één 
téU gekocht worden. (M^di.) — BaUi-tègala. Vcrgel. 
tdgalé. — Mlli-njê.wa, lett., prijs van iemand" s le- 
ven, V. d. geldelijke waarde van iemands persoon, = 
émggd pasarana, zijne waarde, wanneer hij als 
slac^ op de markt verkocht wordt. (Bap.) — BMli 
kalênna, losprijs voor een' slaaf, lett. prijs van zijn 
Ugchaam, 

f^alli, laten koopen iets, v. d. ook, iemand iets 
laten koopen, d. i. het hem verkoopen, 

Pam&lli, a) H koopen, dat wat koopt: koopprijs» 

b) laten koopen, bezigen om ie koopen , bijv. geld 
bezigen om te koopen, 

Pamalli, koopen met betrekking tot ; v. d. koopen 
voor, of van iemand; koopen ergens, enz.; bijvoorb. 
I-Pat^6 na-pamalli ipar^na karaé^ Aloë, van 
I'Pdt^ó heeft de zwager van Kardè'ng Jloe gekocht 
(, te weten: de buffels). (Brief.) — Inaï noepa- 

A 

malli? van wiefi hebt gij (dat) gekocht? — TSoe- 
iiapamalliya , de man van wien hij gekocht heeft. 



(Inl. Wetb.) — - Balla-napamalliya, het huis, waar 
hij gekocht heeft. (Inl. Wetb.) 

Baliiyang, bezigen om voor te koopen; bijv.: na- 
ponna ^noe kib^lii-b&IIi, kiballiyangi , nitokkö- 
ngangi, en zoo het iets is, dat wij gekocht hebben, 
wordt tot vergoeding daarvan betaald de som , waar- 
voor wij het gekocht hebben, lett. die wy besteed 
hebben otn het voor te koopen. (Bap. T. Dj.) — Anj- 
djo bldilika sampdblo &ppa koeballiyangi, na- 
pónna niyd ampanraki ; iya tömpa koeballiyangaï, 
nab&yanyanga, dat geweer heb ik voor veertien reaal 
gekocht; en zoo er iemand is, die het bederft, die be- 
taalt my de som, waarvoor ik het gekocht heb,- 

Pamalliyang, a) bezigen tot kooping, bezigen een 
zekeren tijd, om daarop te koopen , bijv. : Idlo badji 
nipamalliyang, dag, waarop het goed is te koopen, 
lett. goed om gebezigd te worden tot kooping; 

f A 

b) koopen voor iemand, bijvoorb.: kipamalli- 
yaüg-toiïga, koop gij ook voor mij. 

Piballiyaüg , aan iemand iets laten koopen, v. 
d. iemand iets verkoopen; bijv. : ta-koepibSJliyangaï 
antoe, lett.: ik laat hem dat niet koopen, d. i. ik ver- 
koop hem dat niet. 

(9^ b&lli), b&Uiki, of: malliki, ^^ngkapdjang. 
kkytL, de ophopende ^éa^ka^dngkt^s met latten, 
die langs het dak loopen, vastdrukken. 

Pamallx, de naam van zulk een lat. 

X*^^ (1** baloe), bep. baldfewa, baldfengkoe, 
weduwe, of: weduwenaar. Boeg. wdloe. — Boeriinne- 
baloe, weduwenaar. — Baloe-boeranne, een man, 
die zonder echtgenoote leeft, hetzij hg vroeger ge- 
trouwd geweest zij, of niet. — Bainne-baloe, we- 
duwe. — Bflloe-bainne, eene vrouw die zonder man 
leeft, hetzij zg vroeger getrouwd geweest zij, 

of niet. 

2G* 



904 



Baloe-ronroiTg, vei^el. rdnrouy, 

BMoe-rappo-mi. Men zie rdppo N**. 2. 

Tawa-baloe, verdeeling van goederen bij het 
overlijden van één der echtgenooten. 

Dïnging-byoe, erg koud, hetgeen volgens den 
Inlander een teeken is, dat er weldra iemand «?<?- 
dufcenaar of weduwe worden zal, van daar de nit- 
drukking: weduicenaar- of: weduw-houd. 

BdLoe ook naam eener ster , even als de bdloe 
méroWoei^y en de hdlld kêppang (, vergel. hdUd 
N°. 3), behoorende tot het Zuiderkrida. * 

Baloe-mardferoeng, naam eener ster, even als 
de bdloe en bdlld-kêppang , behoorende tot het Zui- 
derknds. 

Kabalo'bwang, ket tceduwenaar- , of: weduwe- 
schap; v. d. ook soms gebez. van ^q gemeenschap- 
pelijke goederen van man en vrouw (men zie : tjdk- 
kard), als die, in geval van overlijden, voor een 
groot gedeelte aan hem of haar, die overblijft, ver- 
vallen. (Bap. T. Q.) 

(2° balde), oprollen; bijv. djdlika, of: tappe- 
rekay de matten. 

Pamalloe, het hout, hetwelk de tanjdjengang*8, 
of: tanrdkang'a van het wee%etouw te zamen ver- 
eenigt, en om hetwelk de panganégang gewonden 
wordt. 

(3** bfillo'e), balde-baloe, rw^oflpwi, verkoop, koop- 
waren (Bap. T. Dj.) Boeg. idem. 

Baloe-balo'bkang , koopwaren, 

Pabaloe-bMoe , verkooper, kooptnan. 

BalolikarTgi , verkoopen aan ieniand. — Balo'fe- 
kaiïgi riyanoe, het een of ander voor iets verkoopen, 
d. i. het verkoopen om iels anders voor in te koopen, 
bijv.: manna inakke kibalcTekaiig ri-kipasa, al ver- 
kocht gij mij, ovi een ivaaljer in mijm plaats te koo- 



pen , of : om een waaijer te koopen voor /iet geld dat 
ik zou opbrengen. (Bid.) 

Pibaldbki , aan iemand verkoopen ; bijv. : Inai 
ampibalo'bki-ko? wie heeft het u verkocht? 

Sipibalo'e-bMoe, elkander gedurig iets verkoopen, 
bijv.: sipibalóe-balóe taoe, elkander gedurig men- 
échen verkoopen. 

Sambdlde gebez. van twee menschen , die door 
het gedurig verkoopen van den een, en het gedurig 
koopen van den ander , te samen verbonden zijn , 
wordt alzoo gebezigd, zoowel van kooper als ver- 
kooper; bijv.: sambdloe-dadikoe kan zoowel mijn 
vaste melkboer beteekenen, als de man die dagelijks 
(jgedurig) bij mij melk koopt. -— SamhaLoe-djoektSs- 
koe zoowel: m^n vaste vischboer, als: de persoon die 
altoos bij m^ visch koopt. — Nitappoe ri-sambe- 
loena, ket wordt uitgemikt (, d. i. hier: bekend,) 
door den man , aan wien hy aUoos {zijne gestolen* 
goederen) verkocht. NB. Men denke hier aan een' 
dief, die een' ander in zyn geheim neemt, aan 
wien hij steeds de gestolen goederen tegen gerin- 
gen prijs verkoopt. De heeler nu verraadt den 
man van wien hij het goed gekocht heeft, en alzoo 
den dief (Rap. T. Q\) 

Pabalc/bkang, het verkoopen; bijv.: ada biyasa 
pabald^kanga siyagang pabiseyaiïganga, verkoops- 
en scheepsgebruiken. (Rap. T. Dj.) — Ponnapanrd, 
na-pabaloekanna-dja ampanrêlki, zoo er schade is, 
en het verkoopen der goederen slechts de schade aan- 
brengt, d. i. zoo er slechts met schade verhoekt wordt, 
zonder dat de anakoda daaraan schuld heeft. (Rap. 
T. ^.) 

PabMóe-balo'ëkaiTg, het verkoelen, het gedurig 
verkoopen. (Rap. T. Dj.) 

(4° baloe), faauw doen vallen door bloedverlies ; 



205 



bijv. nabaloewa, ik valflaauto van óloedverÜes, lett. 
/tet doet mij flaauw vaUen. — Nab^loe-ko, gij valt 
fiaauw van hloedverlies. Vergel. bóhnt/aad, en: 
Idoesoé. 

X \ -^ (1° b^le), = 't Mal. blah , zijde, kant. 

— I-bale, bezijden, aan de eene zijde, aan de over- 
zijde, bijv. ib^le ri-Sililyara, aan de over zy de op Sa- 
le^er, — I-bale-maë, aan deze zijde. — I-bale anj- 
djóreng, aan gene zijde. — I-bileyanna ball^na 
tdbwang lyanoe, naast het huis van N. N. — I-b^- 
ley^nna m^ ball^na tc^wang lyanoe, aan deze 
s^de van het huis van N.N,. — I-b^ey&nna a^- 
djóreng ball^na tdëwang lyanoe , aan gene z^de 
v€M kei huis van N. N. — Bale-bdlêyang, aan deze 
en gene zijde. — Si-b^êyang-klile, eene lengte van 
den top des middelsten vingers tot aan de andere 
zijde des ligchaams, d. i. tot aan den verst verwij- 
derden schouder. 

(2° b&le), Boeg., = 't Mak. djdekóe, visch. — 
BlLle-kêbd, lett. toitte visch , v. d. soort van visch. 

— Bale-balang, kraalviseh. — BMe-tamparang , 
insgelijks soort van visch. — Bale-teko, bep. bale- 
tëkowa, Boeg., = het Mak. kanjdjtlo nüdngga, ge- 
roosterde kanjdjüo. Vergel. kanjdjtlo, 

(3** bale), bep. balcya, lekker van smaak, (Kei.) 
Boeg. wdle, idem; bijv.: bale-idji pang^jaingkoe, 
ik hé) nog een lekkeren smaak van de sierih in mijn 
mond. 

Mata-bale, '/ wit van een schijf, lett. een lekker 
oog, als 't ware een oog, waar de schutters begeerig 
naar zijn. Misschien ook heeft men te denken aan 
het oog van een visch, volgens bdle N°. 2. Vergel. 
sffSêdraifg. 

Balei, lekker maken; bijv.: balei gaiïganga, 
het een of ander (, het zij gedroogde, of verschc 



visch, hetzij vlecsch of iets anders,) in de groente, 
die bij de rijst gegeten wordt, doen, mn er een lek- 
keren smaak aan te geven. 

Pab^e, hetgeen tot bovengemeld doel in de 
groente gedaan wordt; bijv.: Apa pabalêna anjdjo 
ganganga? — Djdbko'e kalótord, — djo'fekoe basa, 
tcat is de fobdle van die groente? — Gedroogde 
visch, — versche visch. 

Pam&le, = pabdle. 

Pabale-balêyang, potjes om sambal's en dergel. 
die Mcker bij de rijst smaken, te doen. 

(4** balie). — B&lle-b&lle, liegen, leugen, bedrie- 
gelijke woorden. Boeg. biüe-baüe; byv.: toe-wangê- 
ranga balle-balle mange ri-karslënga, zij, die be- 
driegelijke woorden (leugentaal) tot den koning bren- 
gen. (Rap.) 

Ballêyang, iemand bedriegen, bijvoorb.: Nabal. 
lêyang-ma tdfewang, mijnheer heeft mij bedrogen. 

M&b&Ue-ballêi, bedriegelyk handelen jegens 
iemand, of: ten opzigte van iets. 

Piballe-ballêi, iemand bedriegen. 

Ab&lle-parroe, vergel. ^arro^ N°. 2. 

(5° biLlle). — Ballêi, onder geneeskundige behan- 
deling nemen, iemand geneeskundig behandelen, iemand 
geneesmiddelen toedienen; bqv. niballêï bSlllü ri- 
Anggttrisika, i^ werd door de EngeUchen genees- 
kundig behanddd met saguweer, d. i. de Efigelschen 
gebruikten saguweer als geneesmiddel voor zijne kwaal, 
dienden Item saguweer daarvoor toe. (G. G.) NB. 
welligt brandewijn bedoeld. — Tabi amballêï ka- 
raë^a, na-taena dko'blle ampakabadjiki ri-garrin- 
na kardlënga, de doctoren namen den vorst onder 
hunne geneeskundige behandeling, doch konden Item 
niet doen herstellen van zijne ziekte. (Djay.) — Ponua 
nïyataoe mate-matc-djangaiig, naniballêï, napiya. 



306 



zoo er iemand U die de vallende ziekte heeft, en ge- 



neeèkundig behandeld tcordi^ eti herstelt. (Inl. Wetb., d/dmpi (valk) met tcitte vlekken 



Djarang b&lo-llba, als 't ware eenjlaauwe sjek, een 



Balleiyang» a) *i geneeskundig èehandelem, bijv.: 
taêna ballêïysLnna, er is geen geneeskundige behtoP' 
deling voor, het is ongeneeslijk. 

b) iemand als medicijn voorschryvem cü geven het 
een of ander; bijv.: bdbnga ki^ma-kcibna-kebü ni- 
balleiyangi karaënga, loiüe kö'eTm-koema-hlaetft wordt 
den vorst als geneesmiddel gegeven. (Djay). 

Pab&lle, bep. paballêya, geneesmitUiltiy'-'^ 
Paballe padbroe, za^ft smeersel. Men zie bene- 
den op: derde N^. 2. — Apaballe, geneesmiddelen 
gebruiken. 

BdUe ook naam eener soort van medicinalen 
wortel. 

(6"* b^e), omgooyen^ uitstorten. 

Tébaile, uitgestort zijn. (Sinr.) Boeg. tdbdüó. 

Tdballêï, ergens op gestort zijn; b\jv. bate dawa 
nataballêï, een vlak, ontstaan, doordien ergens 
inkt tegen uitgestort is, d. i. een inktvlak. 

Amballêya^i , ergens o/p uitstorten. 

X\*^ (b&leiig.) — B&leng-bMeng, zooge- 
naamde stangkogeVs, of: kegels die twee aan twee 
door middel van een stang te zamen verbonden 
zijn. Welligt is dit woord een lülknoeying van 
bdlUdlt, vergel. bdli N^ 5, dM|l het eigenaar- 
dige dezer stangkogels is, dat zy gedurig draaien. 

X *^ "\ (r b&ló), bep. baloka, ons balk. — 
Dowé hUó, vroeger soort van munt, bestaande in 
kleine staafjes koper. 

(2** balo), bep. balowa, bont; bijv.: dj&rang balo, 
bontkUurig paard, sjek. Boeg. idem. — Djarang 
balo-dondo, een sjek met een streep op den kop, als 
't ware met een masker, vergel. ddndó (M^di.) — 



(3° balld), balloka, saguweer. - BaUo-ailïng. 
zure saguweer, v. d.: azijn. — BkUó &se, saguweer 
van rijst, d. i. brom. — Taï-balló, het drabbige van 
de saguweer. — Lekd ballo. Men zie Ukó N^ 8. 

Paballókang, een zuiper, dronkaard. 

X^ (r büa), bep. bilaya, Ügtbruin. Bo^. 
idem. — DjSlrang bila, ligtbruin paard. — Bila 
161o, b^zonder ligtbruin. — Bila-p&la, een notemus- 
kaatkleurig paard. (M^). — Djangang bila, een 
haan die ligtbruin van kleur is. 

(2*" bila) bep. bililya, soort van vruchtboom met 
noten, die een zoetachtig sap hebben en zeer geu- 
rig zijn. Boeg. idem. — Bila-Balllnda, soort van 
vruchtboom. Mal. kawista. Lat. Feronia Elephan- 
turn. 

(3** bila), eene soort van bamboezen vischfuik, 
door de Maleijer^s sêro genoemd. Boeg. baüa, idem . 
— Bila-b6do, lett. korte bila. Hieronder verstaat 
men de korfjes die de visscher, in iedere hand één, 
houdt, en welke hij bij laag water op den visch 
tracht te zetten; volgens sommigen zou men niet 
btla^ódo, maar bdU-bódo behooren te zeggen. — 
Bila si-tibang, één vak van eeiC büa. Men zie: 
t\ha;i^ N**. 2. — Bila si-labdbwai^, één bda. Ver- 
gel.: labdéwang op Idboe N**. 4. — Boenow&nna bi- 
l&ya, of: pamoenowÊnnu bilaya. Vergel.: bdkno. — 
Bodowïlnna bilaya. Men zie bódo, 

(4** bila). — Bila-bila, bep. bila-bil2lya, eigen- 
lek Boegin., een reep lontar-blad, waarin men een 
zeker aantal platte knoopen gelegd heeft, die elk 
aan beide z^dcn drie vouwen vertoonen, zinspe- 
lende op het onder den naam van Ldmoem-Patóhwe 
ri-Timóhroeng bekende verbond, waarbij Bóne, 



207 



Wadjo en Soppei^ als broeders te zamen veree- 
nigd zijn. Men heeft tweederlei soort van èïla- 
öïlay de eene gebezigd om de paseadjii^am/*8 van 
Bone tot een feest te noodigen. (NB. deze alleen, 
niet de bondgenootenl), de andere om hen op te 
roepen, ten einde met den leenheer tegen den vij- 
and op te trekken. — De eerste bila-htla bestaat 
uit 80 knoopen, om aan te duiden, dat het feest 
over 80 dagen zal plaats hebben. De andere heeft 
zooveel knoopen als er nog dagen verloopen moe- 
ten, vddrdat de oorlog begint. De vorm van de 
knoopen der beide btla-biUCs verschilt slechts wei- 
nig. Giooter onderscheid bestaat er in de wijze, 
waarop de beide büa^la's worden aangenomen. 
De büa-büa voor een feest, wordt door den vorst, 
▼oor wien zij bestemd is, met de regterhand aange- 
nomen, terwijl hij met de linkerhand de bij het 
dansen gebruikelijke beweging maakt. Yergel. 
akaléyó op Uyó N°. 2. — De bila-bïla voor den 
oorlog daarentegen, die, even als de andere bita- 
htla^ door den gezant met de regterhand wordt 
overgereikt, neemt de vorst met de linkerhand aan, 
tegelijkertijd de regterhand aan de kris slaande , 
ten einde vervolgens te mdttgdroe. Vergel. droe, — 
Wil de vorst van de oproeping niets weten, zoo 
z^ hij bijvoorb.: "pakamma-mintoe. Sangkam- 
ma-mintoe koetarim^na siyagang ta-koetarimd.na; 
laai het maar zoo blijven. Het kond op hetzelfde 
neer f of ik de btla-èila aanneem, al dan niet." In- 
dien men echter zonder geldige reden weigert om 
sich op het ontvangen van één der beide btla-bUa^s 
tot den leenheer te begeven , laat deze zulks niet 
ongestraft. — Wat de afleiding van het woord be- 
treft, zoo zou men, indien de gewoonte van het 
zenden der büa-btla's niet van de Boeginezen af* 



komstig ware , die van bUa N°. 8 kunnen afleiden, 
omdat de menschen door middel van zulk een bila- 
bila, even als de visschen in een bila, oivisch- 
fuik, word^d zamengebragt. Doch een hila N**.3 
heet in het Boeg. biUa, Men drake dus liever 
aan het IKpeginesche en Makass. bilang, tellen, de- 
wijl èttÜa'iüa met hare knoopen tevens een middel 
is, om t^. berekenen, hoeveel dagen er nog ver- 
loopen moeten, hetzij voor den oorlog, hetzij voor 
het feest. — M^patd.ntang bila-bila, een bttorhUa 
cmPSè^ifêH rondgaan. (M^di, D. Moes.) 

i *^ (bilang), tellen. Boegin. idem. Mal. 
bilang, tellen, rekenen, opaommen, vertellen, ver- 
halen. — Sd^-bilang, of: dj^ï sd^gi-bila iïg, ver- 
gel. 8(fegi. — BilaiIg-t£U)e, menschen die üeehts 
per hoofd, en niet naar stand of betrekking ge- 
teld worden, van daar: de geringste klasse des 
volks. (G. G., Eap. K. G.) — Lóntara-bïlaiïg , 
dagregister. 

Bilang-bilang , hulpmiddel om te tellen. Hier- 
voor bezigt de Inlander in het dagelijksch leven 
een bdmbong, die hij aan reepen snijdt, of scheurt, 
en vervolgens aan elkander vastmaakt, op die 
wijze eene soort van zeer lang koord vervaardi- 
gende. Zooveel stuks nu als hij in zijn geheugen 
bewaren wil, léolfeel knoopen maakt hij ook in de 
bómèong. Bij htiA; tellen der gebeden bedient men 
zich gewoonlijk Tan een snoer met koralen, ons 
rozenkrans, oï paternoster, het Arab. aaam«.Y. Ver- 
gel, tantangi btlang-btlang op tdntang N°. I. 

Bilangang, Jtonderdtal. — Si-bilangang , één 
honderd. — Rdbwam-bilaiigang, ttcee honderd. — 
Ei-taoeng si-sébcibwa t^loembilanganna , in het 
jaar 1300. 

X^ (bili), bep. bilika, kamer. Mal. biélikh. 



208 



— Toe-ri-bili , kamenier, zoowel van de vorstin als 
van den vorst. 

i*^ (1° bïloe), loeven (, NB. staat tegenover 
toeroe). Ook gebezigd van een* vlieger. Boeg. idem. 
Mal. bejlokh. — Mri bilóe , al loevende er anel 
doorgaan, bijv. een êckip, 

(2° biloc), bep. biloeka, soort vaa praauw, die 
alleen door den koning van Gowa mag gebruikt 
worden. Heeft veel overeenkomst met de praauw 
paldri , is echter slanker en puntiger of hoekiger 
dan deze. Ook bestaat er eenig verschil-^' den 
vorm van de sangküang. Voorts vindt men op de 
htloe een palaydrany panjórotig, hetgeen niet altoos 
op de praauw paldri het geval is. (G.G.) 

X*^ (bdëld), bep. bdfelaka, rond, aardkloot. 
Mal. boeht, rond, als een stok, bat, cirkel, — K&le- 
kale boelina, letlerl^k aüeen, gelijk een boom die 
rond, of zonder fikken is, v. d. ffeheel alleen, zonder 
eeniff e familie, 

Bo'bla-mi, zij is reeds rond, gebezigd wanneer 
de paddieaar reeds een weinig b^nt te zwellen ; 
later spreekt men vaxLbassoró-mi (, vergel. bdsêoro); 
van beide kan men ook zeggen tiydnangi asêya. 
Verg. tiydnang, 

TjinjQing bdfel^l&tQoe , ronde gladde ring, — - 
Banowa bo'bla. Men zie banówa, ' 

X *0 (1° bcAïlaiïg), maan, n^mmd, Sd. en Mal. 
hoelan. — Jav. woelan en boelan. Boeg. dhlafïj}, — 
Bo'felang panrapi, of: panjólong, lett. : overvallende, 
of: verrassende maan; v. d.: de zestiende van de 
Arabische maand, di, \, de eerst-e na volle maan, of: 
de eerste van afnemende maan. Deze nacht, volgens 
het zeggen van den Inlander, aldus genoemd, de- 
wijl er dan eenoogenblik is, dat de2iOn niet meer. 



duisternis profiteren wil, wordt ligtelijk door de 
Maan overvallen. Jongelui eten dien avond ook 
nooit, voordat de Maan is zigtbaar geworden. 
Deze nacht ook genoemd : garêse batdwo. Men zie 
garêse. 

Bdfelang laboesoe bangiya, volle maan. — Bck'- 
lang si-po'bwe, halve maan. — Bdblang pake pfi- 
yoeng, een maan met een kring daarom. — Bdblaiig 
dk&nre lêkoka. Men zie kdnre, — Si-patt&nna 
bc^langa, op den eersten der maand. •— Bi-rdb- 
wam-bangina bc(blanga, op den tweeden der maand. 
— Bi-talloem-bangina bo'felanga, op den derden der 
maand. — Ri-sampdblo bangina bdblanga, op den 
tienden der maand. — Ri-sampoel6na as^re boe- 
langa, op den elfden der maand. — Ei-sampoelonu 
anrdëwa bdblanga, op den twaalfden der maand, — 
Ei-gannana bd^langa, op den laatsten der maand, — 
Pirang-b&ngi-mi bdblanga, of: siy^pa-mi bangina 
bdblaiïga, de hoeveelste is het ? 

M^bdblang, maanden, d. i. lang^ ergens zijn; 
pónna mabo'ëlang riïya, zoo het (, eenig goed,) 
maanden, d. i. lang, bij hem verbleven is. (Rap.) — 
M&nna m^bo'blang iialang pamonêyang, ofschoon 
het vermaand, maanden, dat is: lang, geileven is in 
een* pot. (Bap. K. G.) 

Bdblang-boelaiTgang, maanziek, ook gebez. 
van een' windbuidel, — Boelai^-bero'bwang, = 
bdklattg^boelangailg, 

(2° bo'blang), met eene spoor tcapenen; byv.: 
nibo'blang-mi djanganga , men doet den haan eene 
spoor aan. — Bcfelang-l&lo. Dit wordt gebezigd 
van de gewone manier om den haan de spoor aan 
te binden , te weten onder den linkerpoot. — Bol»- 
lang patang, de spoor een weinig hooger, boven de 



en de Maan nog niet zigtbaar is. Wie alzoo van de ' klaanwen vastbinden. — Bo'blang patang ilMang, 



W)9 

dt êpoor op bovengemelde icijze aan de binnenzijde bin- \ kipab^Ui^^i ri-kónerkong, taëna-tömmo naënS éU61- 
den. — Bdfelaiïg p&tang ip&ntara, de spoor op boven- i loiïg, indien mijn haar, d. i. m\jn gedrag, niet gél^k 



gemelde «ij ze aan de buitenzijde binden, — Bdblatig 
koel&ntóé , de spoor aan de binnenzijde op de hoogte 
van de knie binden. NB. Dit geschiedt bijvoorbeeld, 
wanneer een groote haan met een' kleinen vecht. 

Pamcft?lang, het binden van de spoor, en v. d. 
het daarvoor gebezigde touto. (Siti Tj.) 

X^ (rbo'bli). Bdbli-bo'feli, bep. bdbH-boe- 
liya, klein potje, vooral gebezigd , om een toover- 
middel in te doen, waarmede men de harten der 
meisjes tot zich trekt. Vergel. ktroe N". 2. Boeg. 
idem. — B^wa boljli-bo'feli, leelijke kleine mond, er 
uitziende als een bo'eli-böéli, 

(2* bdbli). Pabo^bli, bep. paboeliya, de bittere 
bast van een* boom, dien men in de saguweer doet, 
om die aangenaam en onschadelijk te maken. De 
pabdêli van den boom, genaamd tdmboe, wordt voor 
de beste gehouden. Boeg. idem. (Rap.) = paséne. 
Vergel. séne. 

X^ (F bcfeloe), bep. boelo'fewa, vnw. boe- 
Idbngkoe, haar (NB. niet van hoofdhaar gebez. 
▼erg. de); dons, veders, enz. Boeg. Mal. en Suud. 
idem. Jav. woeloe, — Bdëloe-m&ta, ooghaartjes; t. 
d. de benedenranden van een atappen dak. — Bo'ëloe- 
sdbmi, knevels; v. d.: pabdbloe-soemikans^, gedeelte 
van het gezigt , icaar m^n de knevels draagt. — DjS.- 
raug bo'^loe-daré , paard met apenhaar, d. i. een 
muisnaal paard. — Ponna sisala-mi boelcd'ngkoe 
tingkokokoe, têya-maki tapp^kki ri-nllkke, zoo 
myne veeren in stryd zjjn met mijn kraaijen, d. i. 
niet meer passen bij myn kraaijen , d. i. zoo mijne 
woorden en daden met elkander in strijd zyn, be- 
hoeft gij mij niet meer te gelooven. — Pónna taëna- 
mo uasinrd^pa boelc(bngkoe tliïgkokókoe , mSlnna 



is aan mijn kraaijen, d. i. mijne woorden, al verruilt 
gij my ook tegen eeiC hond, zoo zal ook die hond niets 
meer in eyn* bek willen nemen, d. i. dan ben ik vol- 
strekt voor niets meer goed. 

Djangang bo'bloe-sapiri , hoenders die de kleur 
van kamirie^noot hebben, d. i. paarsch zijn. — Dja- 
ngang bc(feloe-sirc/fewa, een haan die tweederlei kleur 
van veeren heeft. — Djaiïgang bdfeloe4woe, asch-' 
kleurijfè hoenders. 

Mmma bo'ëloe. Vergel. idmma N**. 3. 

Bo'^loe-bo'feloe,/?ittm,van een Ao^é? bij voorbeeld. 

(2° bo'feloc). Boeg., = het Mak. m6njïjong,berg. 

X *5^ (bo^ïlloeirg), soort van zeekwab^ Boegin. 
idem. 

X \ *^ (bc/llé) , dragen met een draagboom 
over den schouder. (NB. dit geschiedt minstens 
door twee personen.) Boeg. dklé. 

Allo-bdblé, = düo-dknjdjoeroe , sterfdag, lett. 
dag , waarop iemand gedragen wordt , te weten : 
grttfwaarts. 

Nibcfelé-bSlwi , aU een varken, en v. d. geheel 
gebonden, gedragen worden; v. d.: bdblé-bllwi ka- 
lênna, na overgave van de kris, zich geheel in 
iemands magt sMien. 

I-Bo'felé, vroeger een rijkssieraad van de Bd- 
djengsehen (, toe-Bddjeiïyd) , bestaande in een 
blaasroer , thans op Gowa. 

Pabdfelé, drager, koelie. — Paboelena padje- 
kowa, vergel. padjéko, op djêko. 

Boelêkang, draagstoel, of tandoe, insgelijks 
gebez. van de draagkoets waarin het lijk grafwaarts 
gedragen wordt. — Boelêkang Ar^, een Arabische 
lyk' , of draagkoets, z^nde in den vorm van een' 

27 



910 



driehoek. -— Boelêkang gallSirrang, een lijkkoeis in boe, dat by de ianntfeiiyany gdrró de plaats van de 

den vorm van een vierkant , gebezigd voor gaUdr- ianrdkang inneemt. 

ranges en andere menschen van dergelijken stand. K^dd-bo'blo, dse-pohióe met klappermelk en zout, 

— Boelêkang r&toe, vorstelijke boelêkang^ insgelijks dU men in een van binnen met klapperbldren bekleede 



den vorm van een vierkant hebbende, maar met 
drie verdiepingen, waarvan de onderste en grootste 
het lijk bevat. NB. deze boelêkang gewoonlijk 
door dertien menschen gedragen, en met acht zon- 
neschermen behangen , terwijl vier vooruit gedra- 
•gen worden. Ook wordt er voor en achter de boe- 
lêkang een buffel geslagt, ten einde beide zijden 
daarmede te besprengen. — Bong^nnaboelêkanga, 
lett. de dijen van de lijkkoets, zijnde pinangstam- 
men, die den bodem van de boelêkang in de lengte 
formeren , al naar gelang van den stand des over- 
ledenen twaalf, of acht, of zes, of vier, of twee in 
getal. Een boelêkang Jrd heeft er altoos drie. 

X\^ (bo'blefig), kakkerlak, een schurftig 
mensch. Boeg. idem. Jav. boele, wit van vel, blank, 
ook : een uitslag op de huid, — Têdoiïg-bo'bleiïg , 
teitte buffel. — Djaraiïg-bdfeleng, wit paard (,= djd^ 
rang-Balanda). — Djangang-bdbleng , witte haan. 
(Dat. Moes.) 

X *^ 'N (bo^blo), bep. boelówa , bamboe. Mal. 
boeloh, idem. — Bdblo p&rring, bdblo pattoeng, 
bo'blo totöwang, of: katinting, bdblo banówa, bo'felo 
karisd, bo'blo dêya-dêya, bo'felo gftding, en: bdfelo 
tallang, of póppo , soorten van bamboe. 

NB. Het ligchaam eener vrouw soms vergele- 
ken met een bamboe; bijvoorb, : sc^nrang napa- 
malliya bo'blo, de sdknraüg, waarvoor hij als 't ware 
bamboe, d. i. het ligchaam zijner vrouw, koopt. 
(Sar.) 

K&yoe-bcfelo, soort van boom. 

Bdblo k6p<;, een hangend klein dik stuk bam- 



bamboe doet. NB. wanneer men nu deze bamboe 
maar op het vuur legt; wordt de rijst van zelve 
gaar. 

Ab^dili-bd^lo. Vergel. badüi. 

Pabc(felo-si-batangi, ten opzigte van het een of 
ander als ^en bamboe, d. i. het ééns zijn, overeen- 
stemmen in meening. (S. Tjin.) 

Bo'blo-bo'ëlo , a) dat wat in vorm overeenkomst 
heeft met een bamboe; van daar: rdnte böèlo-bdelo, 
eene soort van gouden ketting; v. d. kamdbroe 
bo'felo-bdfelo , een neus zoo regt en glad, als ware hij 
van bamboe. (Sinr.) 

b) eene Tradescantia? 

X X -^ (1** bêla), bep. beUya, vriend. (NB. 
niet geb. voor: vriendin, alsdan geb. denang.) 

(2° bêM), [vergel. het Mal., Jav. en Sund. belah, 
gespleten, splijten, barsten,"] omhouwen ; bijv.im^bêla 
rómang-rómang, hout omhouwen, omhakken. (M^di 
en D. Moes.) Boeg. wêlé. 

Bêld, afgehouwen hout. — Bêtó nitdbnoe, af ge- 
houwen takken die gebrand worden. — Bêld-idji, 
het is nog ruw, nog pas afgehouwen. 

(3° bêlla), bep. bellaya, ver. Boeg. mdbêkt; bijv.: 
ambaniya nalalowi, bell&ya ta-narapi, hetgeen nabij 
is, gaat hij voorbij, hetgeen verwijderd is, bereikt hij 
niet. — Kêre agang bellaya? (men zie: ambdni) 
wat is de verste weg, de omweg? — Koe^ini-bêlla- 
dji, ik zie uit de verte. — Abêllfü badji-blldjikfilnna 
na-ik^, hij is verreweg beter (schooner) dan gy. 
(Tam.) — Mabêlla-miya ^a-nibo'bwanga ri- 
kadjllwa-djawang, het zij verre, dat hij tot slavernij 



211 



vernederd (, lett. in slavernij tceggegooid,) zou wor- 
den. (Rap. T. ^.) 

Bellang, verder ; h\yf .-. bellang-pi, nog verder. 

Sikabellaï, ver van elkander vertcijderJ zijn; 
bijv.: kammaï langika na-boettaya, tappana, si- 
kabêllaïnna tappana soed^araka, zoo ver de Heniel 
van de Aarde w, zoo ver is het er ook af, dat haar 
gelaat gelijke op dat van den koopman, (Bid.) — Ta- 
sikabellayaï Barómbong na-Panakkdbkang, niet ver 
zjfn Barómbong en Panakkóêkang van elkander ver- 
wijderd , d. i. ik roos er digt bij, toen ik dit of dat 
ried. 

Pakabêlla, verwyderen. 

\ X *^ (belang). — Bêlangi nipaya , de nipa 
bladen in den modder toeeken, alvorens ze tot dek- 
king van het dak te bezigen; v. d. ook: bêlangi 
boelowa, de bamboe stinkt als iets dat in den modder 
gelegen heeft. 

\X^^ (beliiig). — Bêlii^-bêling, gedurig 
regtê en links kijken, — Kabêling-belingang, gedu- 
rig aan het regts en links kijken zijn; v. d. ons met 
allerlei zaken inlaten, die ons niet aangaan; v. d. 
taëna koekabêling-belïiïgang, d. i. ik kijk niet ge- 
durig regts en links, ik kijk maar regtuit; d. i. ik 
stoor mij niet aan de praatjes der menschen, ik ga 
maar stil mijn* gang ; ik doe maar stil mijn pligt en 
daarmede uit. 

^Si\*^ (bêleng), ztoeven^ voorbij-, oï: weg- 
zweven; V. d.: wegzweven met iets, d. i.: iets op eens 
wegpakken; bijv.: tabêlengi ri-roepaugkoe, hare 
beeldtenis zweeft mij voor de oogen. — Tabêleng-dji, 
het zweeft slechts voorbij of weg; bijv.: gebezigd van 
een paard dat als het ware oner den grond zweeft, 
van een stoomschip dat met ontzettende vaart uit 
het gezigt verdwynt. — Si-bo'btta bêleiig, lett.: het 



gansche land zwe^ als het ware voorbij, d. i. is 
naauwelijks meer zigtbaar; v. d. gebez. van den tijd 
tusschen licht en donker. — Êr6ki nibêleng, hij 
loopt gevaar van op eens weg gepakt te worden, te 
weten: door den duivel; v. d. gebez. van iemand 
die erg ziek is, zoodat hij gedurig buiten ken- 
nis is. 

Pakabêleng, lett. doen wegzweven; v. d.: doen 
wegzweven iemand^ s gedachte, d. i. iemand in de war 
brengen, door gedurig wat weg te nemen, of hem 
op andere wijze lastig te vallen. 

Kabelêngang, in de war raken. 

Nabêleng-bêiengi sêtang, hij wordt op eens weg- 
gepakt door den duivel. Vergel. boven. 

Pabêleng-bêleng, gedurig iets doen wegzweven; 
V. d. gedurig iets stilletjes wegpakken, v. d. ons: 
wat lange vingers hebben. 

^X^'N (1° bêlo), en: bêlo-bêlo, sieraad, 
verfraaijing, versieren; Boeg. idem.; bijv.: bêlo- 
bêlo-djené, versierselen van de bómbong's der klap- 
perboomen en andere gemaakt, en in het water 
gezet, bij gelegenheid van groote feesten, als trou- 
wen, enz. — Nibêlo-bêlo djamtod, versierd met 
smaragden. 

Bêlo-bêlo-kana, lett.: sieraad van de woorden; 
V. d. woorden die dienen tot sierlijkheid, om zekere 
ronding aan de zinnen te geven , enz. 

Pabêlo, een versieren; v. d.: si-pabelo-baram- 
b^nna, lett.: een versieren van zijn* borst; en v. d. 
by M^di: eene menigte van helden, die vdorhem 
uitgaat, om den vijand af te weren, en alzoo als 
't ware zijn sierlijk borstharnas uitmaakt. 

Belówi, bêlo-belówi, opsmukken, opsieren ;\nyi.\ 
kana nibelówi, opgesmukte, sierlijke woorden. — 
Pakabadjiki-mamo oekirinoe, têya-kó bêlo-belowi. 



Q|2 



hchrijf maar netjes^ en laat alle ornamenten achter- 
tcege, 

Pabêlo-bêlo k&na, met èélo-óélo-kana , (vergel. , 
boven), doen zijn, bijv. z^ne rede, j 

(2° belo), naam eener soort van thans in on- 
bruik geraakt kleedingstuk. 

(3° belo). — Taoe-Bêlo, Belloresche zeeroovers; 
V. d. zeeroovers in het algemeen. 

(4** bêlo), teeken tot herkenning van den weg; 
soort van wegtc^zer. Boeg. toelo. 

\ X ^ ^ (1° bêlong), de tSbo (, vergel. tóbo 
N**. 2,) van den ^^-boom, die wegens de over- 
eenkomst ook wel genoemd wordt: Idso mdmêlonp. 
Vergel. melong en Idêo. Deze bélong ook wel ge- 
bezigd als geneesmiddel tegen de sdtoang-rómbo, 
of sdioang sinykdppó. Vergel. êdwang. 

(2° béloiig), ibêlong, tabêlong, qfhangen, los- 
hangen, 

X ^ -^ {V bótó), ^bola, ontvlammen , gebez. 
van groote vlam; bijv.: van brand, 

(2** bola), bep. bolaya, kluwen, 

(S** bola), = lUé, Men zie tlld N°. 3. 

Pabóla,bep. paboiaya,= />«?//«, vergel. &iN^ 3. 

X 'N *^ (bólang). — Bólang-bolang, spinne- 
kop. Boeg. hólam-polang ^ idem. — Roemoeng- 
bolang-bolang, spinnetceb. 

X'N^ (boli), bewaren, stelten, plaatsen, er- 
gens neerzetten, laten staan, laten zitten, laten blij- 
ven, laten zoo als het is, laten; bijv.: moli pamaina, 
zijn hati stellen, v. d.: hartelijkheid betoonen, har- 
telijk zijn. Vergel. Idmoeng-, en: pardmpe pamaina 
op: Idmoeng, en rdmpe W. 3. 

Bóli ri-pamaina, in zijn gemoed bewaren, v, d.: 
:i) iemand of iets niet vergeten , maar in het geheu- 
ijen bewaren. (Sinr.) 



b) iets niet kenbaar maken maar verzwijgen, 

e) iemand' s woorden aannemen,daar aan geloof slaan . 

Boliki njaw&na, zijn leven ergens stellen, d. i. 
zijn leven laten, (Djay.) 

Boli-sèmi, laat het vooreerst maar bly ven, NB. 
b^v. geb. tegen iemand die ons geleend geld terug 
wil geven. — Mambauiya bóli-sami, laai de meis- 
jes die naby zjjn, d. i. de meisjes van hier, vooreerd 
maar zUten, (Kei.) - Boliki kontoe kalkoe» lett.: 
laat m\j aldus, of: in die positie, zjjn, dat ik 
westwaarts ga, d. i. laat mij westwaarts gaan. Ver- 
gel, kóntoe, (Tar., Sinr.) — Bolikd kamma g^rrïng, 
lett.: laat my aldus worden, d. i.: in die positie ko- 
men , dat ik ziek ben , d. i. laat mij ziek worden. Verg. 
kamma N°. 2. (Djay.) — B61i-ma riyólo ksLmma ép&- 
Itt-kana, laat my eerst afscheid nemen, (Djay.) — Bóli- 
miriyolo kHmmasoemêngka nM^xé,laathaar eerst 
Mdseré aandoen. (Djay.) — Boliki k&mma koelapp&s- 
sang, laat my hem loslaten, vergunning geven om te 
gaan. (Djay, M^di, en Ilattob.) — Amóli, aan het 
hof van Gowa ook gebezigd voor: slapen, en elders 
per euphemisme voor : total, naar de beste kamer 
gaan; bijv.: ponna mamoli-mo kar&ënga, amba- 
ngoeng-tömmi mamata, en zoo de koning slaapt, 
staan zij ook op om te waken, 

Bóli-boli, zorgvuldig bewaren; v. d. d6wé ni- 
böli-bóh, spaarduiten. — Boli-bolina, iemand^ s goe- 
deren, of: bezittingen. 

Bolikang, bewaren voor; bijv.: iya-minne nibo- 
likangi toe-mibitjaraya, dit wordt bewaard, te we- 
ten: in dit geschrift, d. i.: opgeteekend, voor de reg- 
ters. (Inl. Wetb.) 

Pamóli, het bewaren; bijv.: sèla-pamoli, slecht 
van bewaren, slecht, of: op slechte (, verkeerde,) 
plaats, bewarende; v. d. nasala-pamóliki s&lla^ ri- 



213 



anne sdtraka, hij zal verleggen dezen brief, lett.: 
verkeerd zyn van leggen, ten opzigie van dezen brief. 
(Brief.) 

Pamolikang, hei bewaren, betDoarplaata ; v. d.: 
pamolikang djené-bosi, regenbak. 

Pamoli-molikang, ide zorgvuldig voor, of: tegen, 
iemand bewaren; bijv.: noepamoli-molikang toe- 
niyerlnnoe, gy bewaart zorgvuldig, d. i. kropt uw^ 
wrok op, jegens uwe onderhoorigen, (Bap. K. G.) 
Ta-napamdli-molikang-ma kana, lett.: i^ bewaart 
of: spaart, geene woorden voor mij. Zin: hy braakt 
zijiC gal ter dege tegen my uit, 

X 'N *^^ (1° bóloe), bep. boldfewa, naam eener 
soort van visck. (Bap.) — Boloe-bllndang, soort 
van bóloe, 

(2^ boloe), soort van Inlandsch gebak. 

X^\^ (rbole), het Mal. bólek, kunnen, v. 
ei.: sa-bole-bolêna, zoo veel mogelijk, (Brief, Djay.) 
— TSk>e bole-bole, iemand die veel vermag, hetz'y 
door verstand, of door kracht, of door moed, of door 
wat 't ook zij. (Dat. Moes.) — Bóle-böle pabal- 
lêna , zyne geneesmiddelen zijn probaat. 

Kabole-bolêyang nipaoe-paoe, vermaard, lett.: 
sterk besproken wordende, 

(2" bole), bep. bolêya. Boeg. = 't Mak. 
inldloe, soort van schelp, gebez. om kleêren te 
glanzen. 

X ^ -^ ^ (1"* bólo). — Bolo-ate. Men zie 
óolatiOg. 

(2** bold). — Kdsa bóló-bólo, zeer fijn neteldoek. 
Boeg. idem. 

(3° bolo), bep. bolówa. — Inging bólo, op Bima 
hetzelfde als in de Noorder distrikten van het Gou- 



(4° bóllo). — Tabollo, = taballe, uitgestoH, 
vergoten, zijn, (Sinr. K. G.) 

(5° bóllo), plukken, afplukken, geb. van bloe- 
mden; bijv.: bóUo-sÊLi iLnjdjo boeng&ya, pluk die 
bloem eens, — Lebd bóllo-mi, of eigenl.: leb^ ni- 
bóUo-mi boeng^ya, de bloem is al geplukt, over- 
dragtel^k gebez. van eene vrouw, die geen maagd 
meer is. 

Bóllo, bep. boUówa, gebez. bij het optellen 
van bloenhen; byv.: bc/fenga ro'ëwam-bóllo, twee 
bloemen, lett. twee af pluksels, (^jay.) Boeg. idem. 
Vergel. Mak. Spraakk. $ 114. — Bdfenga si-bóllo- 
bóllo, één eenige bloem; v. d.: bo'fenga si-bóllo-boll6- 
koe, mjjn éénigste bloempje, voor i myneenigste kind. 
— Bc^nga si-bóllo-boUówa, de eenigste bloem, de 
bloem die e'énig is in hare soort; bijv.: gebez. van 
een by zonder viooi meisje. 

X -s <^ ^ (1° bólong), Boeg., = 't Mak. U- 
leng N°. 1, zwart. — Djarang bóloiïg, = ^drang 
Uleng, zwart paard. 

(2° bólong). — Sibólong-bóloiïg, ^jflm«i,bijv, 
in één huis (Bid.) 

(3° bólong), = rókó N°. 1, inwikkelen (Daëng 
Tjamm.), omgeven, omringen, v.d. goed voor iemand 
of iets zorgen, goed oppassen iemand, enz. 

X*^^^ (balakang), nabij, niet verwijderd 
van (,Boeg. idem) ; bijv. : m&nna l^mboesóe-mUmo, 
balakang-dji tol^goeroe sallang, ofschoon hij ook 
regtschapen zij, het is nabij (, niet ver meer verwij- 
derd), dat hij vallen (, d. i. zijne grootheid rerlie- 
zen,) zal, d. i. zyn val is nabij. — Balakang tapa- 
n^oeng-töngi , hij zal ook weldra vernederd worden. 
(Bap. K. G.) — Anne boettaya ri-Gówa bêla-ba- 



vemement van Celebes en onderhoorighcden de ' l^kang-mi la-p^nr^, dit land van Oówa is den on- 
//arö^fboe-wind. Vergcl. boven baroeboe N". 2. dergang naby. — Dj&rang-bal&kang, een veulen, dat 



314 



er niet ver meer van daan is, om een goed paard te 
tcarden, d. i. een veulen dat tcat goeds beloof L — 
Djllrang balakaiïg-idji, het is nog maar een veulen, 
dat wat goeds belooft, — Ook overgedragen op een 



b&ya, soort van kroon, gemaakt van tó/ö-blad, eu 
van lapjes goed van allerlei kleur. Zulk een* 
kroon hangt men dan boven een achterover lig- 
gend klein kind, opdat het gedurig daar naar 



meisje : bala-balakang anne auSna tao'iïwa, gij z^t \ grijpe en zich zoo doende vermake. 



een meisje, dat wat goeds belooft (dat aanleg heeft, 
om mooi te worden). — La-bató.kang karaënnoe, 
uw' aanstaande meesteresse. (S. Tjin.) 

Baldkang ook gebezigd van werkzaamheden, 
die niet ver meer verwijderd zijn van iemaud's 
wezenlijke taak: voorbereidende werkzaamheden; 
bijv.: iya-minne balakSlngkoe, dit is mijn voorberei- 
dend werk. 

BSda-balak&iïgkoe, myne voorbereidende werk- 
zaamheden van verschillenden aard; terwijl balakdi^- 
koe slechts op ^én voorbereidend werk schijnt te 
doelen. 

X*^^^ (balaki), bep. balakiya, naar het 
schijnt, zooveel als: zich voor alles laten gebruiken ; 
V. d. p^yoeng balaki, een gewone Chinesche regen- 
of zonnescherm, die dagelijks en door iedereen ge- 
bruikt wordt. — Bamne bal&ki , eene vrouw die zich 
voor alles laat gebruiken, ook voor zoodanig werk 
dat eigenlijk aan mannen past, als: hout hakken, 
in de boomen klimmen, enz. 

X ^ •• (balika), Sal. = saldt^ga, schouder. 

i *^ 'N •• (bilókka) , bep. bilokkê.ya, vergel. 
bóyó, 

X\*^^^ (boelêngkang), met een hout of 
bamboe, bij wijze van hefboom, omkeeren^ bqvoorb. : 
iets zwaars, = soelibd. Boeg. idem. 

X ^ •• •• O (b&lingkakasa) , bep. baling- 
kakasaka, levendig, vlug. 

Baling-baliijgklikas^ , bijzonder vlug. 

^^^••X (bo'feloekd^mba, bep. bdbloekoem- 



X ^ •• ^\ ^ (bali-kataraiïg). Men zie ka- 
tdraitg, 

X ^ y^ ^ (balik^rang), herstellen, bekomen 
van, bijv. van ziekte, van kommer of verdriet , enz., 
als: balikiLrang-mi balc^wa, de weduwe is bekomen 
van hare droefenis, zet zich over haar verlies heen. 
(Kei.) — Êmpo ta-b^likar&nna, lett. hij zat, nog 
niet bekomen zijnde van zijn hartzeer, d. i. z^n 
kommer nog niet kunnende verzetten; met andere 
woorden : nog geheel ter neer geslagen van droefenis. 
(D. Moes., Sinr.) Boeg. idem. 

X \ *^ •• ^ (balek^rang), = balikdrang. 

X \ *^ •• ^ (boelêngkard), het onderste bo- 
ven-, in de war-, of door malkander gooijen. NB. op 
Gowa niet bekend! 

X^^y^'N^^^ (balangkówd), bep, balaiïg- 
kówaka , groote soort van roofvogel : kiekendief met 
zwarten kop. Boeg. idem. 

X *^ ^ (balanggoe), bep. balanggdbwa, boei- 
jen, en wel gewoonlijk beenboeijen en van ijzer. 
Boeg. balanggoe, idem. Jav. balenggoe, handboei. 
Mal, lafiggoe, boei, — BalS-iiggoe kayoe, houten 
beenblok. — Bal&nggoe lima, houten handboei, heb- 
bende eenigzins den vorm van een krakeling, met 
een pen in het midden. 

PabalaSggo'bwang , gevangenis. 

X *^ ^ 'N ^^^ (balanggówa), bep. balanggo- 
waka, = balai^kdwd. (Sinr.) 

Si^X (balanga), bep. balangaya, 't Mal. 
beld/iga, een aarden, pan of pot zonder oor en. 



2i5 



Boegineesch idem. — Oering-balaiïga. Men zie 

X^^i.'N (balango), bep. balangówa, anker. 
— Balango paiTgHntara, tcerp-, of: klein anker. — 
Abalango, ankeren. 

X *^ i. (bilangang). Men zie öilarTf/. 

X *^ i. ^N (boelaiïgo), bep. boelaiïgowa, = 
*t Boeg. anan^o, het Mal. icaloê'arTTjiy aiinkvli^ff, 
soort van vlieg die de paddie vernielt. 

X *^ •vi ^ ^^^ (balampówd) , bep. balam- 
powaka, = balangkówd , = balan^gótcd. 

X^^Si (balaba), =r hahd N^ 1; v. d. ook 
dus genoemd eene soort van rek boven de höekkaè 
van het schip, om touwen om, of aan vast, te binden. 
Boeg. balaba, idem. 

X *^ X (balllbang). — Kongkong-balabang, 
soort van hond, welks haar boven de oogen overend 
staat, bij wijze van een' kuif. (Rap.) 

X *^ X (balambaiig) , warm houden, of : ma- 
ken, warmen (, Boeg. baldmpanjj, idem); bijv.: ba- 
l&mbang pêpé, vuur bewaren door er fijne asch en 
dwanj) op te leggen. — BalSlmbang lim^nna ri-pêpé, 
zijne handen warmen bij het vnur, — Balambang 
lêkoka, het sierihblad warm maken, ten einde het 

tegen het jeuken van puistjes aan te wenden. 

« 

X^X (!"* balibi). — Balibikang, ergens 
vtesch van zijn, den neus voor optrekken, = pari- 
ngtkai^. Men zie ringt, 

NB. balibtkajig in Gowa niet gebruikelijk. 

(2° balibi), bep. balibiya. — Dj&rang balibi , 
een paard dat ligtbruin van kleur is , en wel van 
een ligter bruin, dan de bila N**. 1; alzoo: een vos; 
V. d. dewijl de aard dezer soort van paarden dik- 
wijls eenigzins valsch is: tlLoe-balibi, iemand wien 
men niet veel vertrouwen kan, die veel belooft, 



zonder iets na te komen. — Balibi- s^sang, donker- 
kleurige vos, zweetharige vos. — Djangaiïg balibi, 
een haan die de kleur heeft van een* djdrang balibi. 

X *^ X (balol^mbaiïg). — Bósi balcfembang , 
stof regen. 

NB. Dit woord is in Gowa niet bekend! 

X*^X (baldbboe), bep. baloebcfewa, soort 
van pot voor water , iets kleiner dan de goemlang 
(Madi, en Djay.) Boeg. idem. 

X\*^\X (balêmbeng). — Balêmbeng-ka- 
yoe, een uitwas onder aan den stam van sommige 
groote boomen, daarmede te zamen, en dat wel tot 
onder den grond toe, voortgroeijende. Men vindt 
zulk een balêmhetTg dikwijls aan den tjampaga- 
boom, als wanneer men daaruit natuurlijk zeer 
breede bladen kan houwen. Boeg. idem. Ook met 
den naam van baUmbeng bestempeld het bovenste 
van de schee van een kris, gewoonlijk van de té' 
nasd, of: het hart, van den stam des QamplLga- 
boom's gemaakt. 

X *^ ^N X 'N (baldmboiïg), soort van visch. 

X^X^ (baliaboeroe), bep. baliaboeroeka , 
een hoop, een stapel. Boeg. idem. Vergel. het Mal. 
baldboer, spijs, voorraad. Jav. belahoer, een overvloed 
van spijzen. Bijv.: ball&boeroeki kanre-DJawaya , 
het gebak is opgestapeld. — Ball&boero'eki toe-ma- 
têya, de lijken Uggen op elkander gestapeld. — Pa- 
ballaboeroe, aan stapels doen zijn; opstapelen. 
(S. fjin.) 

X^^XO (r balabasa), bep. balabasaka, 
soort van zijden stof met gouddraad. Boeg. idem. 

(2" balabass^), bep. balllbassaka, liniaal. Ver- 
gel, het Jav. bUbeSy maatstok. 

X ^ X O (balibisi), bep. balibisika, kienwen, 
van een* visch. 



SIC 



X*^^0 (baldfeboesde), bep. baldbboesoeka, 
mannetjes hert, hetwelk nog geen' hoornen, maar 
slechts twee knobbeltjes op den kop heeft. Vergel. 
^ofVja N^ 1. 

X \ *^ \ X \ O balêbesé , eventjes met de hand 
schtidden; v. d. sprenkelen , byv.: water; v. d.: 
eventjes met de hand schudden ^ of: eene ligte betce- 
ging daarmede maken, ten teeken van aftojjzing of 
afkeuring, 

Balebêsi, iemand besprenkelen, met toater bijv. 

Balebêsang, iemand met eene ligte beweging der 
hand een teeken van aftüijzitig of afkeuring geven; 
bijv.: mangeyd ri-tdbwang, nabalebésanga, t^ ging 
naar mijnheer, maar hy gaf mij met eene ligte be- 
weging der hand te kennen dat ik hem ongelegen 
kwam. — Kibalebêsangi ri-lima-kaïrinta, én^- 
Kk&-8ëng ri-lima-kananta, gy moogtmy met eene ligte 
beweging der linkerhand qfieijzen; ik vat toch uwe reg- 
ierhandbeet; d. i. wat gif ook doen moogt, gij raakt mij 
toch niet kwijt. — Têya-k6, nabalebêsang-djakö, kam 
hem niet te lijf, want hij behoeft slechts eene kleine 
beweging met de hand tegen u te maken, te weten: 
om u af te weren. NB. ziet op een zeer sterk mensch. 

Pabalêbesé, iemand die besprenkelt. (Rap.) 

X 'N *^ \^ ^\ (bolamiLta), bep. bolamataya, 
soort van visch met zeer groote oogen. 

X *^ \> •N ^ (bS-lamoetlLgi) , eene struik- 
achtige synantheree. 

X^^y\ (ball^toe), bep. ballatoeka, ^nw^o^tf. 
Boeg. idem. 

X^^As (ballSLtoeng), = ^iMzl. ramioetan, 
soort van vrucht, de Nephelium lappaceum L. 
Boeg. idem. 

X ^ •N (balitang), opeenhoping van bloed, 
ten gevolge van stooten of slaan , op de eene of 



andere plaats van het ligchaam, zoodat het bloed 
als 't ware op het punt is van er uit te barsten. 
Zoo bijv. de roode striemen van iemand die eene 
geeseling ondervonden heeft; zoo ook de roode plek 
van iemand, die een' stoot met de lans ontvangen 
heeft, zonder dat het vel nog door is, ofschoon het 
weinig scheelt, of het bloed komt er uit. Boeg. 
idem. 

X*^A\ (baldbta), bep. balo'btaka, naam van 
eene jagt-lekkernij , bestaande in hertebloed met 
aan stukjes gesneden darmen, hetgeen men tot 
een pap gekookt heeft. 

A 

X ^ A\ (boelinta), omkeeren, bijv.: een boek 
of wat het ook zij , mits men het zonder bamboe 
of hout doe. Vergel. boelêngkang. 

X 'N *^ XN (ho\^\m^),niaaghoUe ;Qo\i genoemd 
bdóting en bólo-ate. (Sinr.) Men zie bolótii^ en 
bolo N^ 1. Boeg. oldting. 

X 'N *^ 'N rs (bolöting), = bolaling.) 

X *^ A\ ■% "^ 'N (balang-tddd. Men zie tódó. 

X ^ A\^ (balitanrd), iemand te onregt be- 
schuldigen, en deswegens de straf dragen, die anders 
den beschuldigde zou zijn opgelegd. (Rap.) Boeg. 
wdlitdnrd, idem. Welligt zamengest. uit: bdli W. 5 
en tdnrd N^ 1. 

X *^ vv (Bal&nda), bep. Balandaya, Holland, 
soms ook wel by uitnemendheid de Hdlandsche 
soldaten. — Djarang Balanda, = djdrang bdeleng, 
wit paard. 

A^ini-BalUnda, of: patjini-Balanda. Vergel. 
tjvii. 

X^X^V (bal^é), bep. bal^deka, banden, 
hetzij vier of zes, of zooveel als men wil, gewoon- 
l^k van lontarblad, die men kruiselings over elk- 
ander legt, en waarin men eenig voorwerp, een 



217 



jioije bijv., of ook eeti zwaar boek, kan plaatsen, NB. In Gowa niet gebriiikclyk ! 

dat dan, nadat de enden van oven zamengebon- X^ ^ (balira), bep. baliniya, 't Mal. baldra, 

den z^'n, zeer gemakkelyk te dragen is. Boeg. idem. schietspoel. Boeg. watida, idem. 

Bay&wo nib&ladêki, eijeren, die op bovenge- X^^ (balïrang), 't Mal. do/tra^, zwavel. 

melde wijze met lontarblad omwonden zyn. (^P- K. G.) Vergel. tj6ló. 

X^^^VN (balandong). Balandöngaiig, op-| X*^^ (balloerde), bep. balloeroeka, helder, 

, • I 

rollen; bijv.: sombal^ nibalandongang, opgerolde \ zidver zyn; gebezigd van: glas, water, oogen, 

zeilen. B. sómpd ribalandöngaiïg, idem. — Abalan- ' enz.; van menschen, zoowel wat hun voorkomen, 

döngaxigiif)éw2Lng,mijnheervaartmetqpgeroldezeilen, als hun inborst betreft. Van bloemen gebezigd, 

X \ *^ vy (balêndang), soort van rukwind geeft het by uitnemendheid de om haar zuiver wit 
uit het Zuid-Oosten. Boeg. walénrang, i zoo geliefde melattie-bloem te kennen. (Sinr.) 

X *^ vv SV (balad^a). Badjoe-baladiLda, een i X \ ^ \ Cs, (tóllere'), bep. balereka, 't Mal. 
Aaadje van zijde, satijn, of andere kostbare stof; 



terwyl de sarong en broek van minder stof zyn. 
X^^'SVV'S^V^ (balo-dondü). Men zie 

tófo N^ 2. 

X *^ ^v (bal&nd), bep. balanaka, soort van 
visch. Bal^na moemoe, soort van baldnd. 

Pósi-baldnd (zooveel als pótji-baldnd, vergelyk 
pètji N®. 2), volgens den Inlander een zeker punt 
in de baarmoeder, dat bij den coïtus, ofschoon 
moeijelijk, toch zou kunnen geraakt worden, het- 1 tot den stam van een' boom. Boeg. bo^ele, idem. 
geen alsdan een bijzondere voluptas zou te weeg Mal. boelir, aar, halm m^t de aar, Jav. woeli. 



en Arab. Aj]^, huwbaar, volwassen. 

X *^ "N ^ "N (balloró). — Ballora ng, of: ka- 
ballórang, bevreesd zijn. Boeg., doch ook in het 
Makassaarsch soms gebruikt. 

X \ ^'S' \ ^ (bollere), bep. bol^lereka, de halm 
met de aar. NB. wel te onderscheiden van de 
pókó-, en bdtang-dse, als groeijende aan de bdtang- 
dse, en hebbende aan het uiteinde eenepaddie-aar. 
De b(feleré*s staan tot de bdtang-dse als de takken 



brengen. (Maoet.) 

X *^/0 (balsliydja), bep. bala^djaya, onkos- 
ten, zakgeld, vertering, geld. (G.G.) Mal. belandja, 
Jav. blonjdja, Sund. balannja. Boeg. baldnjtja, idem. 
— BallLnjdja pataripangang, voorschot voor de tri- 
paiïff'Visscherij. 



halm, aar. 

X *^ *^ (bal&la), bep. balalaya, gulzig (,Boeg. 
idem); bijvoorb.: balala-ma la-nganre, ik heb bij- 
zonder sterken eetlust (na ziekte by v.). 

KabSllalang, gulzigheid. 

X ^ *^ 'N (balalo), spoedig. 



A.bala-balaiydja, op de markt gaan om het een \ Balalówaiig, met spoed doen gaan; v. d. doen 
en ander te koopen. (Dat. Moes., M^di.) I vallen, doen derven, doen verdwijnen; bijv.: kam- 

Abab^Syaï biseyanna, É?e'»(>af^tf(»i*o*^É?otf», -moWa-mSlmi bênrong-bênroiïg tarra raong, na 
of: maken, voor zijn schip. (Kap. T. Dj.) \ iri-m angïng, ta-nabalalówang ; zij waren gelijk 

X*^<lv^ (ballanjiroe), heip. hüWaniirócvf &, aan een bénrong-benror^-boompje vol bladeren, dat 

een vagabond, een slecht mensch. door den wind wordt heen en weer geslingerd, zonder 

28 



SI 8 



dat die het doet omvallen. NB. geeft te kennen, 
dat men met gezwinden tred , en echter zonder te 
struikelen, voortgaat. (D. Moes.) 

X<^ *^ (baldblang), Sal., = *t Boeg. belde- 
lang y of: tceldelang, = 't Mak. boekdeleng. Ver- 
gel. *t Mal. èeldhlaiig, idem. 

X^*^ (baldfeloeng), abaldfeloei^, dch in 
groote menigte ergens heen begeven; gob. bijv. van 
menschen^ herten^ paarden. 

X *^ 'N *^ (balolang), = büólang, 

X *^ 'N ^ (balóli), oprollen, omkrullen. Boeg. 
idem. 

Tdbalóliki, hei kndtom; bijv. gebezigd van 
het scherpe van een mes, of van de randen VB,n een' 
schaar, die omkrtdlen, ten gevolge van de hard- 
heid van het voorwerp, dat men snyden of knip- 
pen wil, = tdkalderdehi. 

X *^ *^ (bil&la), bep. bil&laka, eene waardig- 

heid in de moskee, het Arab. iO^V^> ^^^ genoemd 
naar den eersten aankondiger van het gebed^ met 
name Jikj. Vergel. Weii's Mohammed, bl. 50, 
Noot. 57. 

X *^ ^5^ (bilalang), soort van boom op 't ge- 
bergte. Boeg. idem. — Bilalaiïg-b^i, en: bilalang 
bayawo, soorten van bilalang. 

X *^ #^ (bilSlloe) , bep. bilaldbwa, soort van 
schelp, gebez. om te glanzen. 

X#^#^ (biloeloe), bep. biloeloeka, ^ww^^Z. 
Boeg. idem. Jav. baloedroe, Sund. bUoedroe, Mal. 
beloedoer, en beloedoe, Portug. veludo, 

X#^^*^ (bilólang), soort van vaartuig, 
visscherspraauw met vlerken, lang, diep en smal; 
heeft slechts een mast in één hout bestaande, en 
(lus geen banghen^-sdlard, 

Pabilolang, iemand die zich van een biiélang 



bedient, van daar overdrogtelijk = tdoe pabóya-hóya. 
Vergel. bóya. 

i *^ 'S *^ 'N (büóllong), dbilóllong, ergens 
aan blijven hangen, byv. een pluisje, of een draad, 
aan een kleed. 

Pabil611ong, iets medesiepen; bijv. gebez. van 
het kleed dat een pluisje, of draad, meesleept, 

Tapabilüllong , en van daar: tdbiloUong, mede- 
gesleept zijn door , blijven hangen aan; by voorb. een 
pluisje, oi garen, aan een kleed, 

X *^ \ *^ (boelfille) , bep. boelalêya, 't Mal. 
boeléUej, snuit van een d^hant. 

X ^ ^ (boelili), Bonth. = boenjtjint, 

S:\^^\^^ (boelêlei^), ronddraaien, v. d. 
lawêyang boelêleng. Men zie lawéyang op : Idwe, 
— NgStpa noeminro boelêleng? Waarom draai je 
zoo (, loop je zoo in en uit), zonder iets uit te 
voeren ? 

Boelelcngang, = lawêyang boelêleng, 

Paboelêleng Qini , de oogen doen ronddraaien ; 
V. d. : rondkijken. (Kei.) 

X#^#^y«^ (boelal^kkang), witte vlek, of 
parel in het zwart van het oog. Boeg. oéldld, of: 
boeldld, idem. Vergel. het Mal. baléUakh, wUte jdek 
op het oog; en 't Jav. balolok, verbijsterd, verbUnd. 

X^^^^^'N (balawo), bep. balawówa, mtds, 
rat. Boeg. idem. — Bal^wo-^i^i, stinkmuis, ge- 
noemd naar haar geluid: tji, t}i, tji, — Bal^wo- 
kaldfekoe, lett. kokosboom-rat; v. d.: eekhoren. — 
BalsLwo kêreng-kêreng , = baldwo-tjttjt, — Bal^ 
wo-bdbtta, aardmuis, d. i. mol. — BAmmoe-rslm* 
moesde balawo, eene zeer Ugte koorts, binnenkoorts. 

B^la«bal&wo, lett. iets dat er als een muisje uit- 
ziet, het peezig gedeelte aan de binnenzijde van den 
bovenarm, vlak bjj den elleboog, hetwelk ab 't ware 



319 



deu vorm van een langwerpig stukje vleesch, of 
van een muUje heeft. 

X^^s^^ (bdfeloewara), bep. bdfeloewar&ya. 
Djangang bdfeloew^, soort van hoenders, wier 
kleur zeer ligt rood is, doch niet zoo ligt als van den 
éfjnnyang baltbi , of voskleurigen haan; tusschen de 
kleur van den djangang balibi en die van den 
djangang Ic^poeng in. 

X*^0 (r balasd), vergelden, teruggeven. 
Van daar hetzij: erkentelijk, of: dankhawr zyn voor; 
hets^': wreken. 

Van daar ook : antwoorden^ beantwoorden. Boeg. 
wdld. Mal. bdlas, Jav. watea, idem. •— BalSlssangi, 
teruggeven aan, aU antwoord bezigen op; bijv. : soe- 
rana lyanoe nabalSasangaï soer^na lylLnoe, ant- 
woord van N, N. op den brief van N. N. 

Pab^asd, bezigen tot vergelding van; bezigen als 
eoaUra-cadeau voor ; bijv.: pab&lasa patimporónna, 
eem contra-cadeau geven voor hetgeen men bij het 
cverlfjden van éen zijner betrekkingen (volgens In- 
landsche gewoonte) ten geechenke bekomen heeft. 
Zoo ook spreekt men van: pabalas^ pangantarina, 
e& van: pab&lasa êrang-eranna, contra-^adeaux ge- 
ffen voor hetgeen door de woorden pat^antard, en 
^a^-^-a;^ uitgedrukt wordt. YeTgel, dntard N*'. 1, 
en érang, 

Pabalassang, vergelding, belooning, wraak, enz. 

Sibala-bulasé, elkander vergelden, enz.; v. d.: 
«ib^la-balasa bamb^nna, dinginna, wamde en koude 
wisselen elkander gedurig af, 

(2* bMasa), bep. bSllasaka, de paaUjeB van een 
büa, of bafnboezen vischfuik^ Boeg. idem; v. d. het 
spreekwoord : ta-koellêya menteng bilSiya, ponna 
taëna balasina, lett. de vischfuik kan niet staan 
tonder de balasé^e, d. i. eene daad, hetz'^ goed of 



kwaad, kan niet onvergolden blijven, NB. Men lette 
hierbij op de dubbele bcteekenis van bdhud, te we- 
ten: die van paaltjes van een* bzla, en die van ver- 
gelden. Men zie boven op: bdlasd N°. 1. 

(3° bldlas^), bep. b&llasaka, deernis, deernis- 
waardig. Mal. balas, deernis, medelijden, aangedaan 
zijn, Jav, welas, medelijden, deernis, gunst, Sund. 
aandoenlijk. B^v. : narusa ballasaka, zij gevoelde 
deernis (Djay,) — Gering b&llasa, lett.: deernis- 
waardige, d. i. düergevaarlijkste, ziekte. (G. G.) — 
Ballaaé-mi, h^ is gevaarlijk (ziek). — Nab^lasaki, 
ka-kalênna-mslmi, hij is deemiswaardig, d. i..- heeft 
het zwaar te verantwoorden, daar h\j maar alleen is. 
X *^ O (ballèsi), eene bewerking die het 16- 
lisi voorafgaat, daarin bestaande, dat men de ka- 
pas tot kokarden maakt, d. i. de kapas rondom de 
pit naar buiten omkeert, uit malkander plubt; 
waardoor het lolisi des te gemakkelijker gaat. Boeg. 
wdlldsi, idem. 

X ^^ \ O (ballSksse), bep. ballasseya, soort 
van zak. 

X*^0 (bilcAïsoe), bep. biloescfewa, soort vau 
schelp, gebezigd om ringen en armbanden uit t^* 
maken, of te boren. Boeg. beldesoe, idem. 

X*^0 (bo^ïloesoe). — Tabo'feloeso'e-mi, ge- 
bez. van iets wat eenmaal gesproken , of gedaan is , 
en nu niet meer iu te trekken, of te veranderen, is ; 
zoo veel als: Jiet is eene afgedane saak, ïtet is uitge- 
maakt. Boeg. tdbdèloe, idem; bijv.: tabdblocsoe-mi 
kan&ngkoe, het is er nu eenmaal uit, ik heb het nu 
eenmaal gezegd, en kan het niet meer intrekken. — 
TabcAiloesóe-mi; inukke taoc-kódi, Jut is nu een- 
maal zoo, ik ben een slecht mensch. Zin: "Ik kan 
<''t niet helpen, dat de menschen allerlei slechts 

"van mij vertellen. Ik heb nu eenmaal den naam 

28» 



S30 



"van een slecht mcnsch." — Op de woorden: 
"Bósi, to'fewang", "het zal regenen mynheer!*' 
wordt bijv. geantwoord .- "Tabdfeloesoe-mi lampa- 
koe", (dat is wel mogelijk, doch ik keer nu niet 
meer terug.) Ik ben thans eenmaal op weg. 

\ X *^ O (bêlasa). — Niyalle belast, in eens 
weggerukt worden, te weten: door een boozen geest; 
d. i.: plotseling (, aan eene beroerte bijv.) sterven, 

X 'S *^ 'N O "N (bolosó), geschoeid, af ge- 
schaafd, V. d.: zonder vel, zonder verf; bijv.: toV 
goeroe-mi, naboloso, hij viel en schaafde zich. — 
Bolos6-mi pakeboeka, de verf van de deur is afge- 
schaafd. — Boloso-mi limllnna nattlba djéné , z^ne 
hand is zonder vel ten gevolge van het (kokend) 
waier, 

Tiboloso, ergens uitvallen , bijv. een kris uit de 
scheede. 

X ^^ O X (bilasamba). Men zie b6td, 

X #^ O ^ (bilas^), bep. bïlasarïya, een ligt 
vrouwspersoon; op zee uit bijgeloof geb. van vrouwen 
in het algemeen. 

X *^ O ^ boelSaadi) , bep. boelasaraka. — 
Bo'bta-boelHsara, soort van blindheid, waardoor het 
oog uitwendig onbeschadigd, en toch onbruikbaar 
is. Boeg. idem. 

X *^ \ ^^C (boel&ëiïg), goud. Boeg. oeldw&ng, 
idem. — Si-boel aëfig, = het Mal. sdtoe mos, eene 
hoeveelheid goud, ter zwaarte van vier ndni's, of 
pitten van de rdppo-Uyifekang. — BoellLëng tind, 
fijn goud. — Boelaë iïg \o\o, jong, of: slacht, goud. 
Boelaëng-mata, z'dver. Vergel. mdta N®. 2. — Boe- 
laëng-ase-lolo, goud dat er uitziet als jonge paddie ; 
y. d. : stofgoud. — Boelêtëng-boebo'e, stofgoud. Ver- 
gel, boeboe N°. 2. — Boelaëng-k&ssi, «/o/J/otwi?. Ver- 



goudy dat nog niet tot een klomp is zamengesmolten. 
-^ Boelaë ng m^ri^ nipakdinre, goud, dat zoo zui- 
ver is , dat het bij de bewerking nog zeer goed met 
wat koper of ander metaal vermengd kan worden. — 
Boelaèng kanre-pole, = boeldëng mdriitg nipa- 
kdnre (Rap.) — Boelaëiig-djêtping. Vergel. djd- 
ping. — Boelaëng-djorong, soort van goud; wei- 
ligt te lezen : boeldé^-Djdró, Djohorsch goud. (Bap. 
K. G.) — Boelaëng-Samdfela, soort van goud. — 
Boelaëng-Motong, 9oort van goud. — Boelaëng 
pinjdjeng, soort van goud. Men vindt het in platte 
stukjes, V. d. de naam yüu pinjdjeng, als 't ware: 
goud in den vorm van platte sch<deltjes. — Boelaëng- 
Sagaï, en: boel^ëiïg-B^rro , insgelijks soorten van 
goud. — Boelaëng-palêle. Men zie ^ N°. 1. 

Djené-boelSlë]^, verguldsel. ^"Djené-hodAëngi^ 
vergulden. — BUnnaSg-boel&ëng. Men zie: ban- 
nang. — Boeldëng ook gebezigd als benaming voor 
één der vier soorten van kaarten bij het Ontt-spel» 
hebbende éc'n of meer gele kringetjes op het 
pren^'e, en gelijk staande met ons harten, of: rf«- 
ten in 't Quadrille- en Ow^^r-spel. 

Boeldëi^ ook gebezigd door menschen van 
goede geboorte, zoo als dnd-kardëng*s ta ^ex^\. , 
om elkander aan te spreken; = 't Boeg. kdmo. 

Ana-boelaëng, dus genoemd: kinderen van 
slaven. 

NiboellLëiig, met goud beslagen worden. (Bap. 
K. G.) 

Boelaëng siboelaëngi, goud dat is met goud, dat 
zamenkomt met goud; v. d. overdragtelijk : menschen 
van gelijke, van even goede afkomst. Verg. birdëng. 

X^^ (F bawa), bep. bawaya, mond, van 
menschen, beesten, enz.; woord. (Sinr.) Bijv.: ba- 
gel. kdssi N". 1. — Boelaëng ta-nipadónteng, siof- w^na binangaya, </f monding der rivier. — BawlLna 



S3I 



mariyanga, de monding van het kanon (, het voorste Mwangi kana, of: niya ba wang naparé kana, hij 
gedeelte). — B^wa-b^dih , laadgat, — Bawa-tópe, i zcd zich voor niets verontschuldigen, — lilrro-ba- 



de monding van een kleedje ^ d. i« de opening van een 
kUedje^ die bij het dragen bovenaan kond ( ; staat te- 
genover: bangkeng-tópé), NB. De Inlanders letten 
er zorgvuldig op, dat de bdioa-tópe niet van onde- 
ren komt. Zulk eene vergissing ware kaesipdlli. 
(Tar.) — SSlppo^-bfilwa. Men zie edppong. — Toe- 
anêmpa b&wa-karilëng. Vergel. têmpa, 

Bdwa bij het opmeten van praauwen genomen 
voor de breedte, (Bap. K. G.) 

(2* b&wa), 't Mal. bdwaJi, beneden, — Bi-bawa- 
anging, = 't Mal. di-^dtoah angin^ benedentoinda. 
(Öjay.) 

X^^^ (1® bSlwang), nietswaardig ^ slecht y ge- 
rviff, vruchteloos, vergeef sch. .Boeg. idem. Bijv. 
nigaoe-bawangi riyaganga, hem is kwaad gedaan, 
d. i. : hy is aangevaüen, op den weg (Kap.) — NiglU/e 
-biLwangi ri-taoe-bangowa, h^j is aangerand door 
slecht volk, — Nigaoe-bawangang-mi anina lya- 
noe, de dochter van NN, is onteerd, lett. haar is 
kwaad gedaan, — Tey^ïyd so'fero-b^wang, ik ben 
geen zendeling, die zoo maar van de straat is opge- 
raapt, -*- T^-blLwanga, de geringe menschen, 
(Hap.) — Map^re-b^wang, als nietswaardig beschou- 
wen, — Maparé-b^wangi so'bro, een' zendeling, d. i. 
de betrekking van zendeling als van geen belang be- 
schouwen, V. d.: iemand die er volstrekt niet voor 
deugt zendeling maken, (Hap.) — Maparé-b&wangi 
soerowa, den zendeling als nietswaardig beschouwen, 
met minachting behandelen, — Naalle- (, of: na- 
paré-) b^waiïg-ki s^bi, hij zal u voor niets tot ge- 
tuige nemen. — T^llang-bawang-ki s^ang, gy 
zult voor niets verdrinken. — Garring-bawang-ki 
sallang, gij zult voor niets ziek worden, — NapUré- 



wafïgi, hy wordt voor niets (, zonder voldoende re- 
den,) boos, — Alfilmpa-bawang, voor niets, d. i. ver- 
geefs, loopen. — Battoe-b&wang-dja, ik kom zonder 
bepaald doel, ik kom zoo maar eens kijken. — 
Kambang-bawang , eene nietswaardige, d. i. eene 
eenvoudige , eene geringe opzwelling , eene opzwelling 
die niet veel te beteekenen heeft, 

Bawang-bawangang , gering achten ienutnd of 
iets; bijv.: na-p6nna niya êro ambllwang-bawa- 
ngangi; inakke ^ntoe nabaw Ingang^ , en zoo er 
iemand is, die wil gering achten (mijn zegel); die 
acht ook myn persoon gering. 

Sib&wang-bawangat^, elkander gering achten, 

(2° b&wang), soort van kleine ligtgele vo- 
geltjes. 

X^^ (bawi), bep. bawiya, vnw. bawingkoe, 
varken. Boeg. idem. Sd., Mal., Jav. babi, — Ana» 
bawi, of b&wi Qldi-^^di, big, speenvarken, — 
Djanna-bawi, spek, — Papólong-b&wi, varkens- 
slagter, — AdjaUó-b^wi taoWa, geb. van iemand 
die in den oorlog alleen tegenover eene groote me- 
nigte stand houdt, en even als een woedend varken 
zich verdedigt. 

AbSlwi-blLwi, varkentje spelen. NB. één der jon- 
gens verbeeldt een varken dat hare jongen ver- 
dedigt. 

Bdici ook gebezigd als benaming voor één van 
de dertig soorten van kaarten bij het/?a^(^t-spel. 

Ook bij het padmgang (damspel) spreekt men 
van bawi, wanneer iemand door de tegenpartij 
wordt ingesloten en vastgezet. 

Bintdeng-bdwi, naam eener ster, Betelgeuze? 
Volgens den Inlander komen de varkens eerst te 



QQ^ 



voorschyu, wanneer de öifUóè'nJ/'bdwi nederge- 
daald is; van daar de naam. 

B&rrobawiyang. Men zie bdrro N°. 5. 

Bawi-bawiyangi, iemand als 't ware iot een var- 
ken maken y d. i. hem even tveinig tellen als een var- 
ken ; V. d. zeer nalatig zijn in liet volbrengen zijner 
orders, b^v. pas te drie ure komen, wanneer hij 
ons reeds te 12 ure besteld heeft. NB. men zou 
echter de phrase ook aldus kunnen verklaren : als 
een varken, even lui als een varken, voor iemand zijn, 
van daar zeer traag zyn in het nakomen zijner 
bevelen. 

X^^^'N (l**b&wo), bep. bawówa, vnw. ba- 
wongkoe, Bonth., = ambdfca, ondiepte, — B&wo- 
bayang, een' doorschijnende ondiepte, d. i. eene on- 
diepte met steenen, (Sinr. K. 6.) 

(2^* bawo), bep. bawowa, vnw. bawongkoe, 
Bonth., = tómpó; v. d.: de berg van Bonthain 
genoemd Bauso-kardët^ , en niet Bdtoa-kardëng , 
zooals sommigen verkeerdelijk beweren; alzoo: de 
berg die als 't ware gelijk een vorst is, en boven de 
andere bergen uitsteekt, (Sinr. K. G.) 

Vei^l. het Boeg. wdwo = het Mak. irdte. 

X \ ^^^ (biwe), óbiwe-biwe, de lippen tegen 
elkander gesloten vooruitsteken, zoo veel te kennen 
gevende als: praai maar toe, ik heb het niet ge- 
daan, je liegt het. Boeg. mdóitoe-wtwe , idem. 

X^^^ (1** bcfewa). — Tabdbwa, overloopen; 
bijv.: pintalloe-mi \&h(kvi djeneka, het water is 
driemaal overgeloopen, 

BoevvkkVi, ergens overloopen; b\jv. : naboew^kki- 
mi dj^nd t^binga, of: aglnga, het water stroomt 
over de oevers, of: over den weg^ heen, — Longoro- 
minne ganganga, ka-pintalloe-mi naboew&kki rere, 
de groente is al zacht, daar het water reeds driemaal 



over de randen van den ketel gestroomd is, d. i. reeds 
driemaal over-gekookt heeft, (Eap. K. G.) 

(2** bdfew^), spoedig; bijv.: bobwaki djamanna, 
de werkzaamheden gaan spoedig, — Bo'bwaki tan- 
ndbnna, het weven gaat spoedig, 

(3° bdbwa), a) rijzen, opgaan , b) doen rijzen, 
doen opgaan, opnem^en; opUgten; bijv.: d^Ue, daëng 
mambo'bwa, de Zon, de opgaande mijnheer, — 
Bdbw^ ri-bawa, opnemen in den mond; v. d. ui den 
mond nemen, bijv.: iemand's naam, (Sinr.) — Böbwd 
simbóleng, een haarvlecht overend zetten, qprigten, 
V. d. opmaken, (S. Tjin.) 

Tabdfewi, opgaan, rijzen; byv.: t^bo1jw6-mi Al- 
lowa, de Zon is opgegaan, is op. (Sinr., Tar.) 

Boewllkki, doen opgaan, v. d. opligien; bijv.: 
boewakki matanna, zjjne oogen opligten, opheffen. 
(Sinr., Tar.) 

Pamboew^kki, een tijd tot opgaan, of: ryzen, 
bezigen; bijv.: napamboewakkidalle,(^^y£^,tMiaro;9 
de Zon opgaat, (Kei.) 

Boewakkang, a) het opligten, het opheffen, bijv.: 
boewülkkang matêlnna, het opligten (, opheffen,) 
zijner oogen; als: pale boew^kang-mata, bevallig 
(, liefelijk,) in het opligten der oogen ; bijv, gebez. 
van een meisje. — Battal^ki boewlLkkang-mat^nna, 
zwaar, langzaam, is het opligten (, opheffen,) z^er 
oogen. NB. volgens den Inlander vodrteeken van 
spoedigen dood. 

b) boewakkang, ojp^^^, opheffen naar, by v. : boe- 
w&kkang matanna, zyn oogen opligten naar iemand, 
d. i. hem aankijken; als: taëna mêmai^ naboe- 
w&kkang mat&nna ri-nakke, h^ heeft mij volstrekt 
niet aangekeken. — Boewakkang-saï matannoe ri- 
nakke, ligt uwe oogen eens naar mij op, d. i. : kijk 
mij eens aan. 



833 



Siboew^kkang, zamen opstaan; v. d. sibocw&k- 
kangd Allöwa, lett. t^ ben iegelijk met de Zon opge- 
Maan, d. i.: tegelijk met het opgaan der zon ver- 
trokken» 

(4° bdbwa). — Bcfewa-bdfewd, nut. Boeg. idem. 
Taëna bc^wa-boewana, vruchteloos. 

Vergel. het Mal. boewah, vrucht. 

(5* bdbwa), 't Mal. boewah , vrucht. — Bdbwa- 
Ijoew&na atïkoe, het Mal. boewah aiiekoe. (Bid.) — 
And-boewana parasauganga, de bewoners van het 
hnd. 

(B' bdfewa), *t Mal. bóetoat, = 't Makass. pdré 
N". 1. (Boyong.) 

X^^^ (bobwang), weggooyen, wegwerpen, wer- 
pen. Boeg., Mal., en Jav. idem. — Djala-bdb- 
wang, werpnet. — Bc(fewang-mi, werp het uit, te 
weten : het net, — Bdfewang-bètaiïg, lett. als een 
duk hout weggooijen, v. d. : iemand geheel prys ge- 
r«i, overgeven, d. i. hem slaaf maken, — T&oe-ni- 
bdbwang-batang, iemand die slaaf gemaakt wordt. 
(Rap.) — Nabdbwang-biitang-mi kalênna, hy heeft 
sich zelven als een stuk hout weggegooid, d. i. hy heeft 
zich geheel overgegeven. — Ta-nab(^wang-ma ri- 
xn^ta, hy werpt mij geen blik meer toe, kykt mij niet 
meer aan. — Amo'bwang d&doe , dobbelsteenen gooi- 
Jen. — Amcfewaiïg lêle-boljndoe, lett. krijgskunst 
nitgooijen, v. d.: aanwenden. Zoo bijvoorb. ^nrowi 
hM}\ pamoewannoe lêle-bcAïndoe, lett. laai toch 
goed zyn uw aanwenden der krijgskunst, d. i. wend 
ioch uwe krygskunst ter dege aan, (Madi.) — Bdfe- 
wang balango, anker uitwerpen. (Djay.) — Koe- 
bobwang sarêngkoe ri-AUa-taala, ik werp myn lot 
op God, d. i. ik vertrouw op God. (Tar.) — Tam- 
bcAïwai^i ri, hij vertrouwt niet op. (Rap. K. G.) — 
Nibdbwaiïgi baliya , de vijand wordt als H ware 



weggegooid, (ii. \. op de vlugt gedreven. (Rap. K. G.) 
— Sibcibwang-bdbwaiïgi baliya, de vijanden drijven 
elkander om beurten op de vlugt. 

Bdbwang-bo'fewang, iels dat men weggooit; v.d.: 
dnaraï bdfewang-boljwang. Men zie tdra N". 1. ~ 
Doch bdkwang-boewang wordt bij uitnemendheid 
gebezigd van een' offerhande, die men soms, op reis 
zijnde, naar men meent, tot wering van ongeluk, 
in zee gooit. Zulk een btfewang-bifewaiïg bestaat in 
eyeren, met sierih, pinang, bénte, en bérasd ragt- 
rdgi. Bij gebreke hiervan bedient men zich in 
nood ook wel voorloopig van een kalómping^ ver- 
gel, boven ; en deze wordt dan genoemd : sdmhe- 
böewafig-bdewaitg , of: hetgeen een bdhoan^-b<fewang 
vervangt. 

Bdbwang-b(A;wang pasllpoe, soort van kinder- 
spel, waarbij de cene helft der jongens voor ruiters, 
de andere voor paarden spelen. De ruiters gooijen 
elkander een hoofddoek toe , totdat die valt. Als- 
dan worden de rollen verwisseld , en zoo gaat het 
verder voort. 

Pabolïwaiig, het wild voor een groote jagt op- 
drijven naar de plaats, waar het gezelschap ver- 
gaderd is. 

Boewafïgi, werpen op iemand. 

Famocwangi, iemand maken tot het voorwerp, 
om op te werpen, d. i. : op iemand werpen; bijv. : 
inaï-pa-póle koepamoewangi panranndbwaiïg ? Op 
wien zat ik anders mijne hope werpen, d. i. vestigen? 
(Djay.) — Kar&ëng-nipamdfewangiya b&taiïg-k&le, 
de koning, aan wien men zich geheel overgeeft. — 
Siboewangi pasorang, elkander met de lans, lett. : 
het hout van de lans, gooijen. (Mddi.) 

Boewangang, a) een uifgooijen; bijv.: taöna na- 
g&nna si-boewangang , bij het kaartspelen gebc- 



S34 



zigd, lett. : er is niet genoeg voor een uiigooijen, 
(1. i. ; myn spel is niet mooi genoeg, om te vragen ; 
V. d. overdragtel^'k gebezigd van een slecht, on- 
bruikbaar mensch, — Vergel. mange. — Koeboe- 
wangang , ik moet eene kaart uitgooijen, d. i. : de 
beurt is aan mij om uit te spelen. 

b) boewangang, iets dat men in overdragtelij- 



bijv. de kdUé gebruikt bij het voorlezen der ka- 
tóeba. (Grodsd.) Boeg. idem. — Atc>bngkoeso'e bo- 
wonna , zich geheel in de sarong wikkelen , zoodot 
men die zelfs over het hoofd heen4rekt. NB. Dit 
doet de Makassaar gewoonl^k wanneer hij zich te 
slapen legt. Dikwijls komt het ook voor van den 
teleur gestelden minnaar en den treurenden wedu- 



ken zin ter behandeling uitgooit, of: te voorschyn , wenaar, die als 't ware hun leed in een diepen on- 
brengt, V. d. zaak, stuk, punt, artikel, bijv.: M- gestoorden slaap trachten te vergeten, (Djay., Sinr., 
loem-boewangaiïg , drie artikels, — Patam-boewa- j Tar.) — Bowong (, of: bóöng , of: böiïg,) djMa- 
ngangi, het is in, bestaat uii, vier stukken {,artikels, djala. Vergel. djdla. 



oi punten). (Bap. K. G.) 

J^^^^ (bcfewi). — Bdfewi-bcfewi, bep. bó^wi- 
l)oewiya , naam eener soort van visch, 

X^^ (l^bdbwoeiïg), = óeboer^, kruin. Boeg. 
idem. 

(2° bcAjwoeng). Boewo'^ngang,=i(w«5(Jj^a«^. 
Men zie op: böemèoeng N**. 1. 

\ X \ ^^^ (bêwe), bep. bewêya, zeever (spuw). 
Boeg. idem. — Abêwe-bêwe, kwijlen, 

T^bêwe, spuwen, overdragt. geb. van den blik' 
sem, als 't ware vuurstralen uitspuwen, d. i. blikse- 
men, weêrlichten, (Sinr.) 

T^be-tdbêwe , gedurig , of sterk, spuwen, insge- 
lijks van den bliksem geb. (Sinr.) 

X'N ^^^ (bowang), onbeschoft; bijv.: bowang- 
bawa, onbeschoft, d. i. los, van mond, d. i. : ^ maar 
alles idtflappende tegen wien het ook zij, — Pabó- 
wang-bowangi, lett. iemand bezigen om onbeschoft 
tegen te zijn, d. i. iemand onbeschoft behandelen, 

X'N\^^^ (bówe), bep. bowêya, overgrootva- 
der. (G. G.) Boeg. idem. 

Böwe-bowe, voorzaten, voorouders, 

X'N^^^^ (bowong), sltdjer, het hoofd om- 
shdjeren, v. d. ook =-= ft^L^jo, bidkleed, zooals 



Abowong, (of: ^bööng, of: aböng), ook gebcz. 
van kinderen , die by de geboorte een vlies over 
het bovenhoofd hebben, met een helm geboren 
worden, — Am&ni-aböngi, zulk een kind baren. 

Bowoiïg-langi , naam van een gebergte van 
Gowa, wegens deszelfs hoogte aldus genoemd, als 
't ware door den Hemel omsluijerd. 

X^^^A^ (boew^ng), heester welks bladen 
als geneesmiddel gebezigd worden, Clerodendron 
paniculatum, L. Vergel. parêmpasd. Boeg. idem. 

X "N ^^^ A^ (bowagang), = boewdgang. 

X^^^^ (boewdfengang). Men zie boewoe^ 
N^ 2. 

X^s^/0 (boew^dja), bep. boewadjaya, kro- 
kodü, kaaimun. Boeg. idem. Mal. boewaja, — Lila- 
boewd^ja. Vergel. Itla, — Sissi-boew&dja. Vergel. 
«i*« N". 2. 

Bo'bwa-boewadja, hout dat van voren onderaan 
het schip begint , en van boven binnen de twee 
zijden van de soerêmpd uitkomt, dienende insge- 
lijks tot steun van de boegspriet (S-^djong). 

Abo'fewa-boewadja, kaaimannetje spelen, NB. 
één der jongens verbeeldt een* krokodil die hare 
eijeren verdedigt. 



2i5 



X ^^^ «> (boew&ya), bep. boeway&ya, = 6oe- 
wddjay krokodil y kaaiman, 

j^^N^^ (bcAjwaró). Vergel. het Javaansche 
boewara, algemeen bekend, openbaar. 

Kaboewarrang, openbaar, bekend , publiek ; h^- 
yoorbeeld: kaboewarrang-mo, het iê reeds pubUek. 
— T&oe-kaboewarranggaoe-badjina, of: gade ko- 
dina, iemand iciens goede, of: slechte, daden overal 
bekend zijn, 

X ^^ O (bdfewisi). — Pabo'bwisi, bep. pabofe- 
wisika, belasting. (Bap.) Boeg. idem. 

XO (1** basa), bep. bas&ya, nat, vochtig, 
Sand. basèh. Mal. bdsah, idem. Jav. basah, verrot, 
vergaan. Bijv.: djo'^koe basa, lett. natte, v. d. ver- 
9cke, visch (, in tegenstelling van : djoekde kaUtoró, 
drooge, d. i. gedroogde, visch), — M&te-Wlsa, lett. 
nat sterven; geb. van eene kraamvrouw, die sterft, 
nadat de vrucht reeds uit den moederschoot is, — 
B^ï karaënga, de vorst is nat, om niet te zeggen : 
verwond, — Basa-kalótordki kar^nga, lett.: de 
vorsi is droog gewond; d. i. door pieken en kogels 
geraakt, doch zonder dat die doorgedrongen zijn. 
NB. de Inlanders meenen dat dit bij sommige men- 
schen mogelijk is, eene soort van ^zervast, 

Basaï, natmaken, begieten, bijv. : basaï lamoeng- 
limoenga, de planten begieten, 

Bllsa-basaï lim^nna, zyne hand gedurig nat ma- 
ken, betten. NB. geb. wanneer iemand bijvoorbeeld 
eene wond heeft. 

Pab&sa-basa, gieter. 

B&basa, sprenkelen (NB. ook wel gebezigd voor 
besprenkelen); bijvoorbeeld: nibèbas»-mo dj ene- 
mllward, er werd rozenwater gesprenkeld, (Djay.) 



letterlijk : zijn ligchaam neemt gedurig af, even als 
eene hoeveelheid water, waarmede men aan het 
sprenkelen is. 

Bab^si, spre7ikelen tegen iemand, d. i.: iemand 
besprenkelen met; bijv.: lebdki, maiige-mi Poeti- 
riya ambab^si djené-mawar^Djayalangkara, daarna 
ging de Prinses rozenwater sprenkelen op Djdya- 
langkdra, d. i. : Djdgalangkdra besprenkelen met 
rozenwater, 

BabSlssang, sprenkelen op, v. d. besprenkelen; 
bijv.: nakoebabsbsang kamslse ta-ninga'ingkoe, lett. 
dat ik sprenkele op, of: tegen, d. i.: als H ware af- 
spoele, mijne versmade ellende. (Sinr. K. G.) 

(2** basa), bep. bas&ya, spraak, taal. Boeg., 
Jav., Sund., Mal. idem. Skr. bhdsd. 

Ab^-Balanda, de Eollandsche taal gebruiken, . 
Hollandsch spreken. 

Pab^-Bal^nda , iets dis H ware Hollandsch 
doen spreken, d. i. : iets in het Hollandsch vertalen; 
bijv. : p^bê.sa-Bal^nda sdbra-Mangkslsard, een Ma» 
kassaarsch geschrift in het Hollandsch vertalen. 

Pabdda«Balandaagi, vooriemandin *t Hollandsch 
vertalen. 

Sibasaï, elkander* s taal spreken, v. d. elkander 
verstaan; bijv.: ta-sibasaï, zy spreken malkander* s 
taal niet, v. d. zij verstaan elkander niet. — Ta-si- 
yassê^a-mi sibasai, zij kunnen malkander niet 
meer verstaan. NB. geb. van twistende menschen. 

Simb^a, ^én en dezelfde taal gebruikende ; bijv.: 
t^e ta-simb^, menschen die ieder eene andere taal 
spreken, 

XO (bUssang), aldus op Saleijer genoemd de 
gekookte djagong. 



TabSlbas^ kalêma, üy valt af, het gaat achteruit i X O (b&nsa), 't Jav. bongsa, en 't Md. hangsa. 



met zijne gezondheid, met zijn voerkomen, Welligt geslacht, afkomst, volk, natie. 



2J) 



226 



XO (r basi), bep. basiya, opgeld, agio, bijv. 
van bet papieren geld, als: de recepis, of van de zil- 
reren munt. Boeg., Mal. en Jav. idem. 

(2** bassi), bep. bassiya, ijzer. Boeg. bassi, en 
Mal. besie, idem. — Bassi daseré, slaaf ijzer , lett. 
ijzer in den vorm van de bamboezen eener vloer, 
d. i. in lange platte staven. — Dinging b&ssi , ge- 
tceldig koud , hetgeen voor den Inlander een vodr- 
teeken van oorlog is; vandaar de uitdrukking met 
bdësi, ijzer; dus zooveel als een koude, die weldra 
het trekken van het ijzer, of zwaard, uit de scheede, 
ten gevolge zal hebben. Vergel. : dingiiïg bdloe op 
bdloe N^ 1. 

(3° bfilssi), bep. bassika, streep, teeken, onder- 
scheidingslijn, lijn, of streep aan de buitenzede 
van het schip, meetsnoer. Boeg. battji , idem. — 11^ 
lang-bassi, binnen een* lijn ; v. d. : lalang-bassina 
Göberenamêng, lett. : hetgeen binnen de lijn, d. i. : 
eene onderhooriglieid, van het Gouvernement is, — 
Bass i-man oentoe^. Vergel. toentoeng N°. 2. — 
Bassi malamboesoe, een regtgespannen meetsnoer; 
v. d. gebez. als beeld van een goed en regtschapen 

regent; bijv. : Toe-m41omp6wa bsLssi-malamboe- 

socna bd^tta Selêbesé , de Gouverneur is het regte 

meetsnoer van Celebes, d. i. een goed en regtschapen 

bestuurder van Celebes, 

Pabassi, eene lijn trekken, door het gespannen 

meetsnoer, of bdssi, dat met Chinésche inkt zwart 

gemaakt is, gedurig op te ligten en dan weder los 

te laten. 

M^m^i, een^ streep maken ; v. d. : ook gebez. 

van het zwemmen en springen der vissehen in het 

water. 

Pamassikang, of: pamassiki , met betrekking tot 

iemand, of tot eene plaats, d. i. bijv. onder iemand* s 



regering, of: ergens, strepen i/ioken; bijv.: ta-naj>a- 
massikang djo'bkoc , onder zijne regering, ziet m^i 
geeue strepen van vissehen , d. i. ziet men geene vis- 
schen in het water spartelen; d. i. onder zijne rege- 
ring , of: ten gevolge van zijn slecht bestuur , is er 
gebrek aan visch. — Appa ilaoena Tambakola na- 
pamassiki boloe , aan de westzijde van Tambakola, 
(, in het Boelecombasche,) ma^en «^r^^, d.i. spar- 
telen in het water, d. i. worden in menigte gevonden, 
bóloe-visschen, d. i. aan den westhoek van Tambakola 
vindt men veel b6loe-visch. 

(4° b^i). — Tabassi , ergens nitslippen, uitspat- 
ten, uitspringen. Boeg. tdbattjt, idem; bijv.: tabas- 
si-mi djeneka, het water spat uit zijn* mond, — 
Tdb^i-mi an^na djal^ya, de mazen van het net 
springen er als *t ware uit; wij zouden ze^en: val- 
len. — Tabassi-mi djéné dawaka, de inkt spat uit 
zijn pen. (NB. meer gebruikelijk het werkwoord: 
térditji. Yerg. rditji.) 

Pabslssi, doen spatten, bijv. het water uit zijn' 
mond; d. i. het water spritsen. — Pabèssi-djadja- 
lana, zijn arm, waarmee men naar beneden tegen 
iets aandrukt, als 't ware laten uitspringen; d. i.: 
des zelfs binnenste geheel naar voren laten uitpuüen. 
NB. vele inlanders brengen het hierin , door de le- 
nigheid hunner ledematen en ook door oefening 
zeer verre. (M^di). 

Bö.ssi-bassikang-balawo, rotteval. (NB. dus ge- 
noemd, wegens het uitslippen en uitspringen van 
het houtje, dat de klep der val tegenhoudt. 

i^O (bSaing). — Basiiig-bitsiiïg, eene tjikóen- 
roe met openingen even als eene fluit. Men zie 
tjikoenroe. Boeg. idem. 

X O (bassoeng), opgezwollen van buik, vooral 
ten gevolge van onbetamelijke woorden of daden, 



927 



tegen wieu het ook zij, doch vooral jegens vorsten 
(,Boeg. öoesêoem-pöessoeüp, idem, Ja.y. boeèoeuy, ge- 
swoUen, een gezwollen buik, waterzucht , Mal. èoeaoetTg, 
gezwollen, gezwollen van buik, Sund . water zuc/if); bij v . : i 
bassoengi ri-boerannênna , zij heeft een opgezwollen 
buik van haa/ tnan, d. i.: ^i; is zwanger. — lyangkoe 
bassoeiTg, moge ik geen* opgezwollen* buik krijgen ! te 
weten: door de namen der oude vorsten met te 
weinig naauwkeurigheid op te geven. (G. G.) 

Kabasso'bngi, ergens bdssoeng van worden ;hi}v.: 
koekabasso'bngi anjdjo kanaya, ik word bdssoeng , 
kryg een opgezwollen buik, van dat woord. — Kana- 
nikabass(A;iïgi, woord waardoor men bdssoeitg wordt, 

Kabasso'bilgang', in deti toestand van bdssoeiig 
zjin; byv.: iylfïgkoe kabassdbi^ang, moge ik geen 
bdssoeng worden! te weten: door onnaauwkeurig- 
heid in de opgave der oude vorsten. 

X\0 (1° bassé), bep. basseka, klein meisje. 
Boeg. baiijé, idem. 

(2° basse), bep. bassêya, (Rap.) Boeg. wdsse^ 
idem. NB. kawdrrang is een bos paddie, zoo als 
die van het land komt. Te huis gekomen bindt 
men twee kawarra^ng* s te zamen, en zulk een dub- 
bele bos heet: bd^se. Vergel. kawdrrang op kdicard. 
Het woord bdsse wordt meestal weggelaten bij de 
opgave van het getal bossen paddie, bijv.: siy^pa tjok- 
kowannaase, hoeveel duizendeti bossen paddie zijner? 

Nib^sse, tot bdsse* s gemaakt worden. 

Nibasse-pare, geworgd worden, op de wijze als 
zulks gewoonlijk onder de inlanders geschiedt, te 
weten: met denzelfden knoop of strik, als gebezigd 
wordt tot het binden van de bdsse* s paddie. De strik 
wordt digtgetrokken door twee mannen, die, ter 
weerszijde van het slagtoffer, dat op den grond 
ligt, gezeten, ieder een end in do hand nemen. 



X O •\ (basó), bep. basoka, = bdQó, klein 
jongetje , jonge heer. (Boeg. idem, doch alleen van 
prinsjes gebezigd.) 

XO (l°bisa), bep. bisaya, vermogen^ kunnen, 
kundig (,Jav. bisa, bekwaayn, vermogen, kunnen, 
kundig, ervaren; Sund., Mal. biesa, verstandig, be- 
ktcaam, kundig, ervaren^; bijv.: bisa paballêna, 
zijne geneesmiddelen verinogen wat, d. i.: z\jn van 
goede uitwerking. — Sanro bisa, een sdnro, wiens 
middelen eene goede uitwerking hebben. 

{2^ bisa). — Bisa-bisa, zeer fijn kloven, byv. 
bamboe of hout. Boeg. wisd^ idem. 

(3° bissa), bissaï, schoonmaken met een weinig 
water; bijv.: kom, tafel, stoelen, en dergel. Boeg. 
idem. Ook gebez. van de gewone reiniging, zoo- 
wel van mannen als van vrouwen, na het doen 
hunner behoefte. Het tcasschen daarentegen van 
kleéren, zoo als dit gewoonlijk met veel water ge- 
schiedt, niet met bissa, maar mei sdssa uitgedrukt, 
byv.: bissaï-mami, têya-kó sassaï, maak het maar 
met een weinig water schoon, en doe het niet in de wasch. 

Fabissa-lima, lett.: een handenwasschen. Aldus 
genoemd de tripang, die de poeiïggawa en de ma- 
trozen, alvorens huiswaarts te keercn, nog voor 
zichzelve vangen, nadat de visscherij eigenlijk 
reeds afgeloopen is, als H ware, om hunne handen 
nog af te wasschen. 

Pabissaiïg, waschkom, lampetkan. 

Mêdjang pabissa-roepaiig, ons: waschtafellje. 

i O (1° bisafïg), = bisadeilg. (Tar., Madi). 

(2° bisaiïg), schaal eener vrucht; bijv.: taipa 
abisang, eene manggavrucht die reeds een sc/iaal om 
de pa heeft. 

io (bisi). — Abisi-bisi, fluisteren. Mal. 
biesikh, en Jav. hisik, idi^m. 



Pabisi-bisiki , lett.: over iemand , of: ieUfluia- 
teren; v. d. Icateren^ belasteren. (Sinr.) 

X O (bissoe), bep. bissdfewa, eene soort van 
toovenaar, of ook wel toovenaresse , die zich een ze- 
keren naam van heiligheid heeft weten te verwer- 
ven, voorgevende door een hooger geest bezield te 
worden. Deze bissoe's hebben overal toegang, tot 
zelfs in de slaapvertrekken der jeugdige vorstinnen, 
daar zij meestal den scli^n aannemen van onbe- 
ktcaam tot den coUus te zijn. Boeg. idem. 

Areng-bissoe, naam bij de geboorte door een' 
bUsoe gegeven. (G. G.) 

Bdënga bissoe, = boknga t^apdtoe^ eene roode 
bloem die fijn gewreven, zeer geêchikt ie om de êchoe- 
nen meé zwart te verwen. (Bjay.) NB. deze bloe- 
men worden veel gebezigd door de bmoe*9; van 
daar haar naam. 

Bissoe-bissdbwi, iemand met biseoe^middélen be- 
iooveren, d. i.: iemand met mooije praatjes bedotten; 

bijv.: bê.ttoewd la-nabissoe-bissdbwi, h^ komt mij 

? 
met allerlei praatjes bedotten. ^Tèya-ki t&pp6, tcfe- 

wang; la-nabissoe-bissc^wi-djaki, vertrouw hem 
niett mijnheer; hij zal u met allerlei praatjes be- 
dotten. 

X\0 (bise), bep. bisêya, korte roeiriem, of 
liever: schepper. (Kei.) 

Amise, scheppen, roeyen, zoo als alleen op de 
vorstelijke praauwen geschieden raag. Boeg. wise. 
Anders het woord gdyong gebez. Verg. boven. 

Pabise, vorstelijke roeijer. (Kap.) 

Bisêyang, algemeene benaming voor elk vaar- 
tuig, hetzij groot of klein. — So'briUbisêyang , 
praauwpas, vergel. sohrdl^^. 1. 

Paribisêyaffg, inschepen. 

Abisêyaiïg, varen. 



PabiseySngaiïg, het varen; bijv.: êrang-pabi- 
sey Ingang. Vcrgel. irang (, = éraiig paaimombd- 
lang). — Ada biysisa pabiseySnganga , de scheeps- 
gewoonten, (Rap. T. Dj.) 

Sambiseyang, iemand die mede op een vaartuig 
is. (Rap.) 

Bise-bisêyang, a) een klein vaartuig; b) eem na- 
gemaakt vaartuig; c) een pleiziervaartuig, 

XO (1° bdfesa), bep. boesêlya, schuim, van 
den mond bijv., of van de ryst, enz. — Bdbsa-papa. 
AVanneer men een in tweeen gespleten stuk bam- 
boe, (pdpa N°. 1), aan de eene zijde in het vuur 
steekt, komt er aan de andere zijde kokend schuim 
uit, en dit noemt men b(^sa-pdpa; v. d. het spreek- 
woord: miLnna noelangêï bdfesa-paj» ta-tjinikakó 
b&dji, al zwomi g^ ook in kokend heet schuim^ d. i. 
al deedt gy ook het onmogelijke; toch zult gy niet 
gelukkig zijn. 

Langiri-bdbsa. Vergel. lüngin. 

Abdbsa baw&na, hy schuimbekt, 

(2" bdbsa). — Bdbsa-bo'bsa, soort van visch. 

(3° bdfes^), bep. bd^saka, het weeke, het zachte, 
het vermolmde van hout; bijv.: pêldki boes^na, doe 
het zachte (, het weeke,) van het hout weg. — Kkyoe 
hdéBi, zacht, of: week, hout. Vergel. tamboksd. 

X O (bdfesang), warm, benaauwd van warmte, 

Bdésang-bdfesang pamaï, als 't ware warm van 
gemoed; v. d. boos, verstoord. (M^di, D. Moes., Tar.) 

X O (bdfesoe), bep. boesdbwa, kruik, gendie. — 
Bo'fesoe-kadaro, pot voor drinkwater, gemaakt van 
de kadéro, oï klapperschaal. — Bo'fesoepandfemboeng. 
Men zie pamfemboeng. 

\XO (besang), ons: bezaan (op een schip). 

\ X \ O (bêse). — Tdbêse-bcse, woest, onbe- 
zonnen, zorgeloos, onbedachtzaam zijn, niet naden- 



239 



ken b^ hetgeen men spreekt of doet; bijv.: têya-ko ; N**. 1. — Boai baloembang. Men zie balöembang. 



tabêse-bêse ri-paiïggaoek^nnoe, handel niet onbe- 
dachizeumif denk er eerst over na. — Têya-kó tabêse- 
bêse adjappa, loop niet zoo onbezonnen toe, zie toch 
waar gij loopt. — Tébêse-bêse-mi ^nginoeng balló, 
h^ drinkt maar woest ^ maar onbezonnen toe van de 
ëoguweer^ d. i.: hij drinkt er zich dronken aan. (M^di). 

\ X \ O (bêseng). — Bêseng-bêseiïg, soort van 
risch, 

\ X O "N (bêso) trekken; bijv.: bêso sombalaka, 
de zeilen optrekken, hijachen, hetgeen opinlandsche 
vaartuigen het ontrollen voorafgaat. (Dat. Moes.) — 
Bêsoki lolónna, de lolo (, vergel. lólo N°. 4,) naar 
binnen trekken (, wanneer men by voorb. wil loeven). 
— Bêso kaniLnna, zijn woord intrekken, — Mèoó, 
ómêsó, djikirika, de f^^t uittrekken, uitrekken ^ 
mei dependen toon uitspreken, (Godsd.); v. d.: bêsd- 
bêso-djikiriki, een gedicht, of wat het zij, even als 
gewoonlijk de djikin, op slependen toon zingen, 

Pabêsó, a) het trekken, h)datgeen waarmede ge- 
trokken wordt, ah touw en dergel. (Kap.) — Dj&rang 
pabêsó, trekpaard, 

Bês6-bes6kang, =poepdhkangf blaasbalg. Ver- 
gel, pdepóé N°. 2. 

Pabesokang, iemand bezigen om voor, of: over, 
iemand uit te trekken, uU te rekken, enz., bijv.: 
uipabes6kang-mi papirêk>e, lett.: er werd weegeklag 
over hem uitgerekt, d. i.: er werd op slependen toon 
weegeklag over hem aangeheven, (M^di.) 

X 'N O (bósang), manen van een paard. Ook 
gebez. van de kuif op het voorhoofd van een mensch, 

NB. békd is een kuif midden op het hoofd. 

X "N O (bósi), bep. bosiya, regen, — WHttoe- 
bosi, regen- of JFestmoeson. — Bósi-bosi, zachte 
regen, — Bósi riQi-ritji , stofregen. Men zie rïQl 



— Bósi ê<woe, aschregen, — Bósi óló. Men zie 
616 W, 1. — Bósi bo'btoeng-tanaya. Men zie bóé- 
toeiig N°. 2. — Bósi bdfenga-taipa, regen, vallende 
ten tijde van 't bloeijen der manggaboomen. — Bósi 
panrampa-rarame, regen die de stoppels van de af- 
gesneden paddie omver doet buigen. Men zie op: 
rdmpd N°. 1 en op: rardme. — Bósi parciëroesóe 
bdfenga-langóting, regen, tijdens het afvaUen van de 
bloemen deilangóting^s. Men zie roeroesoe en langStif^. 

X'NO'N (bósó), zich zat eten, of drinken. 
Boeg. mdbdesd, idem; bijv.: tÉLoe-bósó, iemand die 
zat is, — Bósó-mi batt^nna ibalal&ya, Ay heeft 
zich zat gegeten, de gulzigaard, 

X'NO'N (bóssong). — Bossöngang, opvlieg 
gend van aard. Boeg. idem. 

Kabossongang, opvliegende aard, drift, 

X o •• "N (bis&ko), = boesdko. (Rap. K. G.) 

X O •• (boes^koe), = boesdko. 

XO/^'N (boesako), soort van geweer, eer- 
tqds in gebruik. (Bap., G. G.) 

X O ^ 'N \ ^^ (bisampóle), eene negrie van 
Bant&ëng, wier djUngang balibi tot de djingang 
bidja's behoort. Vergel. bidja, 

XOr\ (bas^ttoe), bep. basattdbwa, basta, 
den van de voornaamste kaarten in het Om»-spel, 
V. d. gebez. als beeld van de geliefde. (Sinr.) Ver- 
gel, sapadila. 

XO\^V (bisadêng), = bisang W. 1. Dit 
woordje schijnt zekere gemeenzaamheid en ook 
soms eenige scherts aan te duiden, welligt best te 
vertalen met ons: vriendje!, toch!, wel zoo !, wel! kom/, 
en dergel.; byv.: ng&pa-kó bisadêng? wel vriendje! 
wat mankeert je? — Apa noekoenjdjd^ngi bisa- 
dêng?, wat verlangt ge, vriendje f — Êro-töng-ko 



930 



iïganre bisadêugi', wüé ge ook wel wat eten, 
vriendje^ — Nas&rcya dowé Itdbwang. — He! bi- 
sadëng? Mijnheer heeft my duiten gegeven, — W^el/ 
vriendje/ wel/koni/ heeft hy werkelijk zoo'n gvUe bui 
gehad? — Koepadfewafigi tdfewang bisadeilg, ik 
zal het eens aan mijnheer zeggen^ vriendje! Hier- 
mede bedreigt bijv. de eene bediende den ander 
uit gekheid, wanneer de laatste eenig kwaad be- 
dreven heeft. 

NB. in plaats van bUadëng kan men ook ge- 
bruiken : de, Vei^el. de N°. 2. 

XO^ (r basara), 't Mal. besar.groot.^^mr,) 

(2° basara), bep. bdssaraka, soort van boom. 

(3° basara). — Tdb^Lssard, te voor9chijn komen, 
stralen uitschieten, bijv.: geb. van de Zon, 

X O 'N ^ ^ (b&ssoro), verzadigd zijn. Boeg. 
méwassó, idem; bijv.: abassord-mi asêya, lett.: de 
paddie is verzadigd; gebez. van de paddie , wanneer 
de aren reeds sterk gezwollen zijn; vroeger heet het 
bd'eld-mi. Vergel. boeld. Van beide gebe^ugd: tiyd- 
naiïgi asêya. 

Pabassórang, het vleezige of liever de pezen aan 
de binnenzijde van den boven-ann. Bij een paard 
noemt men pahassórar^ de holte op z^' van het 
beest, schuins boven de achterpooten, die bij het 
eten opzwelt. 

XO'N^'N (bissoró), l^ep. bissoroka, soort 
van machine, dienende tot zuivering van de kapas. 
Het is een boogje^ welks Jiout, oi bamboe men ba- 
tatTjj^ en welks koord men bdntang noemt; deze 
bdntaSïg wordt gedurig aangehaald, en dan weder 
losgelaten, door middel van een klein haakje, pa- 
kóbikang geheeten. Dit geschiedt in een mand, 
waarin men de te zuiveren kapas gedaan heeft, 



on die bekend is onder den naam van mldrang. zijn ligchaam 



Vergel. 't Mal. boesor, boog^, halve cirkel, schiet- 
boog, Jav. boesoer, soort van boog. 

Nibissord, gezuiverd worden met de btssoró; ge- 
bez. van kapas» 

\ X \ O X ^ (bêseré), twist, tweespalt. 

Abêseré, twisten; bijv.: toe-mabêsereka padja 
ri-tanga-roepanna, iemafid, bij wien het zwart m 
strijd is met het wit, v. d. iemand vnens gelaal mooi 
zwart is. Vergel. vooral : mdlló, 

Besêri, twisten met. 

Bêse-besêrang,£>p zekeren tijd, of cp zekere plaats, 
gedurig twist en oneenigheid hebben, (Bap. T. Dj.) 

X'NO^ (1° bosara), beteekent, naar het 
schijnt, oorspronkelijk: uitgestrooid, uitgespreid; 
van daar : toli-tóli-bósara, een tólutóli van de kris 
(, vergel. beneden op tól%) , uit dubbelde koorden be- 
staande, zware, wij zouden zeggen: colossale, tdli- 
tóli. (Madi.) — Ponto-bosara, een armband, uit 
verscheidene gouden ringen bestaande. 

Bosarraiig, uitstrooijen , uitspreide?i , ten toon 
spreiden ; algeineeji bekend maken ; bijv. : noebosar- 
rfilnna Idbaya ri-dallekangkoe, wanneer gij voor mjj 
uitspreidt, mij openlijk laat blijken , uw* walging, of: 
cf keer, van mij, (Sinr., Kei.) — Nibosarrang-mi 
kanaya, augkana: la-bo'bnting-mi to'bwang, het is 
algemeen bekend, dat mijnJieer gaai trouwen. — Ni- 
bosarrang-mi kanaya , angkana : la-so'bloe-mi toe- 
malompowa , het is algemeen bekend, dat de Gou- 
verneur naar buiten, of: uit, zal gaan, 

(2° bosara), bep. bosaraka, soort van metalen 
presenteerblad. Boeg. idem. 

XO*^ (bo'bssoeloe), bep. bo'fessoelocka, ge- 
bezigd van zekere ziekelijke bulten op het lig- 
chaam. — Abo'fessoeloc kalênna, hij heeft bidlen op 



331 



X ^^ (baï), ergens op rijden^ iels berijden; en ook onder elkander niet verwante maar toch bc- 
bijv. : koebai kayo'bwa, ik zit te rijden op het hout, , vriende vrouwen. 

— Koebaï djarangkoe , ik rijd op ^ of: berijd, mijn (3° baoe), bep. badbwa, ra van een vaartuig, 
paard, — Dj^rang ^pa nabfiï ? welk paard berijdt (NB. dit is op de inlandsche vaartuigen het hmd , 
'hij? — Abaï-rSlkka, lett. met de beenen schrijlings i oï bamboe, boven aan het zeil; terwijl de peldkan^ 
Ie paard zitten ; v. d. overdragtelijk bij de verdee- onder aan het 2ieil zich bevindt. Boeg. idem 
ling van kinderen gebezigd : voor de eene htlft aan 



den vader , voor de andere aan de moeder toebehoo- 
ren. Vergel. rdkka N°. 3. 

Baiyang, a) djêlrang baiyaiïg, rijpaard. 

b)baïyang, amaiyang, ergens op laten rijden ; 
bijvoorb. gebezigd van den man, die zijne vrouw 
achter zich op zijn paard laat zitten, gelijk onder de 
Inlanders zeer gebruikelijkis. — Bainne-nibaiyang, 
eene vronio die achter een^ man op het paard zU, — 
Sibaiyang , gebezigd van twee vrouwen die achter 
elkander op een paard zitten, 

S:^^ (l°b^'e), bep. baoeka, reuk^ rieken^ 
geur, welriekend; van daar ook gebezigd om de ge- 
liefde aan te duiden, Boeg. idem; bijv. : têoe am- 
parekaï cfemoeroe paminasanna ri-k^oe , biLoe , de 
man die zijn gansche leven slechts verlangt naar u, 
o! wélriekende geur! d. i. naar u, o! geliefde! (Tar.) 
— P&ndang-baóe, lett.: welriekende pdndang. Ver- 
gelijk vooral pdndang, — Gangang baoe-balslnda. 
Vei^l. gangang, — Baoeki anjdjo tao'bwa, die man 
riekt lekker, 

(2® bsloe), bep. bao'fewa, vnw. ba<fengkoe, zoen, 
kussen. Boeg. idem; bijv. ly&noe ambS^)ewi sLnjdjo 
bainnêya, N, N. kust die vrouw, — Pabattoe-saï 
bao'bngkoe ri-anröiïgkoe, breng eens over mijne kus- 
sen, d. i. myne groeten, aan mijne moeder, NB. het 
overbrengen van groeten alleen op deze wijze uit te 
drukken onder echtgenooten , onder geliefden, on- 
der ouders en kinderen, onder broeders en zusters, 



(4^ baoe), Sal., = bêroe. 

X ^^ (baoeng), Bonth., = bangoeng. Vergel. 
boven. 

X \ ^^ (l** baé). — Baé-baé, bep. baé-baëka, 
staal, (D. Moes.) Boeg. idem. 

(2^ baë), Sal., = dse, paddie, 

(3** baé), bep. baëka, = bingk(feroe, (D. Moes). 

X \ ^^ (baëng). — Baëng-baëng, en zamen- 
getrokken: bambaëng, grens, 

A.baëng-baëng, of: ih^joib^S^, grenzen , aan- 
grenzen. 

Pabaëng-baëng , of: pabambaëng, of: pabam- 
baëngang, lett. het aangrenzen, v. d.r grens, (Bap.); 
bijv.: ri-pabambaënna badjika kodiya, lett. op de 
grenzen van het goede en het kwade, v. d. overdragt. 
gebez. van eene ziekte, wanneer men nog niet 
weet, welke wending de ongesteldheid nemen zal, 
ten goede, of ten kwade. — Pabambaënna kanj- 
lyi^, lett. : hM aan elkander grenzen der wenkbraau- 
wen, V. d. de ruimte tusschen de beide wenkbrauu- 
wen; alzoo = pa^rnbmgang kdnjnjing. Vergelijk 
sxmbang. 

X ^^ ^ (bao), bep. baowa, kraaltjes. 

X ^ (bdbi), boei, (drijfton.) 

X ^ ^^ ^ (bóöng). Vergel. bówong, 

X ^^ y^ (bao'bkang). Aldus genoemd de 
vrucht van den i«ro^-boom. NB. Hiervan snijdt 
men soms een oorringetje, en bezigt dat bij kleine 
kinderen om gaatjes in de ooren te maken. Wc- 



S32 



gens de bijtende kracht van het sap is enkele aan- 1 Abainne, met eene vrouw zijn^ v. d. : eetie wouw 

raking met het oortje voldoende, om langzamer- nemen, d. i. trouwen. 

hand eene opening te doen ontstaan. | Baïnnêyang, tot vrouw maken, d. i. trouwen. 

X^^^N*^ (baïtdfela), bep. baïtoelS-ya, het! Pabaïnnêyangi, iets, bijv. het^^W, bezigen om 
Arab. «JÜT vLuo , lett. het huis van God, v. d. het ; ^ brouwen. (Bap. T. Dj.) 
heiligdom, X ^ ^^ (baïg'oe), Boeg., = het Mak. tjadi, 

-S: \ ^^ /N ^ v> ^ (baëtalamali), 't Arab. ! klein. (Bap.) 



yUJt ouo, schatkist, 

X ^ ^\ (baïnang) , soort van vrucht , èlim- 
hing, de Averrhoa Bilimbi, L, Boeg. idm. — BaJ- 
nang-rómafïg, ioilde bUmbing. — Bainang-soel&p^, 
soort van blimbing, de Jverrhoa Carambola, L. — 
Bainang-Siya^, het Mal. nam-nam, de Cynometra 
cauli/lora, L, 

Nibaï-bainang, met gleuven, even als eene bat- 
nang-vrucht; bijv. : tjcpere nibaï-baïnaug, een tjê- 
peré (men zie beneden op ïjêpere), met gleuven even 
als een blimbing. 

X^^\^s (bamne), bep. baïnnêya, vnw. 
baïnnêngkoe , vrouw. — Ana bainne, dochter. — 
M&te-bainne, als eene vrome, d. i. op het kraambed, 
sterven. 



X^^yy (baï-r&kka). Men zie: bdi, 

X ^^ O (1° baoesóe), bep. b&oesoeka, wind. 
Boeg. idem. NB. Op zee uit bijgeloof, ten einde 
de booze geesten te misleiden, gebez. voor het 
meer gebruikelijke ^i^; byvoorb.: ab^^^aiïgi 
baoesoeka, de wind staat strak, blaast sterk, — 
T^ ta-manassa baoesoena, iemand, die niet opregt 
is, lett. wiens wind niet zeker is. 

(2*^ baoesoe), = lipoe; b\jv.: nablk>e8oek^ ra- 
s&nna, = nahpoewd rasdnna. Men zie lipoe, 

XO^ (bahang), Sal. = dóedoe. 

X h^ \ /^ (bahine), Sal. = bamne. 

X f^ ^ /^ (Bahona), naam eener negrie, digt 
bij Bontobdügoeng op Saleijer, wier djangang-^am- 
pdga tot de djüngang-bxdja's behoort. Men zie bidja. 



333 



\y (ma). Zesde letter van het Makassaarsch 
Alphabeth. 

(1° ma) , geeft, naar bet mij voorkomt , te ken- 
nen, dat er op ttelUgen^ op zekeren toon gesproken 
wordt; van daar dikwijls gebezigd, waar w^ ons 
van den verleden tijd zouden bedienen ; van daar 
ook voorkomende in den tegenwoordigen tijd; en 
dikw^'ls met behulp van reeds ^ al en dei^lijke 
woordjes te vertalen ; van daar ook soms in de ge- 
biedende w^s te gebruiken; van daar insgelijks in 
den toekomenden tijd aangewend, wanneer men 
stellig overtuigd is, dat iets zijn, of gebeuren zal. 
By vragen gebezigd, zou het kunnen aanduiden, 
dat men een deilUg en zeker antwoord verlangt, of 
ook, dat men aanneemt, dat het een of ander stel- 
lig M is. Nu en dan schijnt men zich ook hoofd- 
zakelijk van dit woordje te bedienen, ten einde den 
volzin een weinig langer, ik zou haast zeggen een 
weinig ronder, te maken, dew^l die anders als 
't ware eenigzins kort af, om niet te zeggen , stug 
en gebiedend in de ooren zou klinken. Boegin. na, 
idem. ^ 

Dit ma verbonden met het voornaamwoord van 
den eersten persoon enkelvoudig (éf), wordt: md; 
met 't voomw. van den eersten persoon meerv. 
{kang^ of: ki): makdng en maki ; met het vnw. van 
den tweeden pers. {ko, of: k%)\ makó, en maki; met 
het vnw. van den derden persoon (i, of: a): wii, en 
mo, Zoo zegt men: la-lïimpa-ma;la-l(lmpn-makang, 



of: la-l&mpa-maki; la-l&mpa-mako, of: la-lampa- 
maki ; en: la-l&mpa-mi , of: la-lllmpa-mo. 

Voorbeelden van ma in: md; makdnff, of: 
makt ; en t Ml*^, of maki .• 

Asc^ro-makó ^m^li bdblo? — Leba-md , HM 
yij bamboe laienkoopen? — Steüig heb ik dat. Wei- 
ligt lett. : g^ hebt gteUig bamboe laten koopen ? enz. 

— S&llo-makontftyanga? — S^o-ma, toacht gij my 
reeds lang? — Reed^ lang doe ik dat, d. i. eenvou- 
dig: ja reeds lang. Welügt lett.: gij wacht mij stel- 
lig reeds lang? enz. — S&re-m^, geef mij. — Êrd- 
ng^ng-mak&ng, tpy wiUen allen (stellig), — Ta- 
koewassengaï, angk&na niyd-makó bSLttoe, ik wist 
niet dat gij er al waart. — Ngfilnre-makó , eet gij. 
(NB. de gewone uitdrukking waarmede men 
iemand uitnoodigt om van een of ander geregt wat 
te nuttigen ; men zou ook kunnen z^gen : ngdnre- 
kó; doch dit is te kortaf, te gebiedend ; de ver- 
lengde uitdrukking is beleefder en vriendelijker.) 

— Têya-makd boelêkiyd, draag mij maar niet. 
(NB. minder gebiedend dan: têya-kó boelikiyd.) 
(Djay.) — S&bar^makó riyólo, heb gij maar voor- 
eerst wat geduld. (NB. vriendelijker dan sdbard-kó 
riyólo.) (Bjay.) — KoewlLpa-makó? wat zal ik toch 
met u doen? Wat zal ik met u beginnen? (NB. niet 
zoo kort-af als: koewdpa-kó. Vei^gel. ^ N*. 1. — 
La-llLmpa-m&, ik zal gaan, het is steüig myn voor- 
nemen om te gaan. 

Voorbeelden van ma in: tni en mo: 

30 



231 



Natiyftnang-mo anjdjo poetiriya, en die vorstin 1 lijk: dat wij Gode dank zeggen, daar bijzonder groot 
icerd zwanger, (Djay.) — Amana-mi si-tèoe hoeA is de ontferming des AUerhoogsten over ons allen; 



ranne, niyareng-mi ri-karaëflga Moekaddafïg, zij 
baarde een zoontje, en dat werd door den vorst Moe- 
kdddang genoemd. (Djayal.) — Niso'fero-mi ri-ka- 
raënga, hij is dwr den vorst gezonden. (Djay.) — 
AkdfeUe-kdëlle-mi, hij ia al (reeds) hersteld. — Sal- 
lo-mi taëna nabattoe , het is al lang geleden dat h^ 
niet gekomen is, — N&mpa-mi rdbwang-idlo, het is 
pas zoo gedurende twee dagen, — ^Ipa oemoe- 
roena? — T^Uoen-tóoeng-mi, koe oud ishy? ^ Hij 
is reeds driejaren, — B^ngi-mi, het is al nacht. — 
Tetë4nnang-mi, het is reeds, of, zonder b^*- 
voeging van: reeds, kei ia zes we. — Pirang- 
b^ngi-mi ^nne bd^langa? of: siy&pa-mi bangina 
bc^langa? de hoeveel^ van de maand ia hei al? — 
TftUoem-blln^i-mi, ket is reeds de derde. — Niya- 
mi , het ia er stellig , het is er al, — Apa-mi noe- 
k&na ? wat is het geweest dat gy gezegd kebt ? — 
Soenakanna-mi , lett.: zijn bean^den (, d. i. de tijd 
waarop hij behoort beaneden te worden^ ia er al, is 
daar. (NB. dit geeft den leeftyd van twaalf, der- 
tien, jaar te kennen.) — Leba-mi, het is reeds (, of 
steüig,) klaar. — Poro ókdfeUe-kobUe-lalo-mi , moge 
hij kerateld zijn! — Kêre-mi pamantangannoe^ 
geef mij bepaald op, waar uwe verblijfpUuAa ia. — 
Anne taoennaya lyanoe, llbaka natasere an^koe 

A A 

210 roepiya, iya-mo, wai deze alaven van NN. be- 
treft, welke mijn zoon op 210 ropyen getaxeerd heeft, 
dat ia eene gedane zaak. TIn : <<dat is nu eenmaal 
"zoo ; ik zal er dus maar genoegen mede nemen." 
— Iya*mi na^kikilna-ngiseng so'bkoeroe ala-ham- 
doelilla, ka-ta-m^ka-makaï lompona pangam&se- 
yanna Alla-taala ri-katte-ng^eng, lett. dü ia be- 
paald zoo, dit is stellig, qf zonder bedenken, name- 



V. d. : deswegens zeggen wij Gode omen dank, dew^l 

"^ A 

ZOO bijzonder groot is, enz. (Djay.) — Zoo ook: iya- 
mintoe, of: iya-montoe , lett. dat en niets anders is 
het stellig, en van daar wegens het verband insge- 
lijks dikwyls met deawegena te vertolken. — Ponna 
ri-B6ne ana-karaëiig,toe-Bóne-mi; ponna ri-G6wa 
llni-kar^ng, toe-6dwa-mi, zoo vorstenzonen zich 
in Béne ophouden, zyn zjj zander bedenken Bonte- 
ren, d. i. worden z^ dia Borneren beschouwd; en zoo 
voratenzonen zich in Gówa bevinden, z^n zij zonder 
bedenken Gowarezen^ d. i. worden zij ala Qomare- 
zen beackottwd, (Inl. Wetb.) — P&ré-mi, maakt 
het, — Paré-mintoe, maakt dat. — La-HLmpa-mi, 
hy zal ateüig gaan, kjj ataat op ket punt van te gaan. 

Sama [, en van daar: sam4; s^makUng, of: 
8&maki; samakó, of: s&maki; en: s&mi, of: sSimo]. 
Vergel. aa N^ 1. 

Taëna ma, of : ta ma, gebe' 

zigd bij ontkenning van een aieUigen zin; als ik 
bijv. beweer dat het een of ander er ateUig geweeat 
ia, en thans nid gevonden wordt ; v d. gewoonl^k 
in het HoUandsch overgezet met : niet meer. 

Bijvoorbeeld: ta-mai^Sinre-ma, ta-mélnginoeng- 
ma, ik eet nid meer, ik drink met meer. (Djay.) — 
Na-kipiyassengiyang^ ponna ta-s^we-maki, g^ 
moet het mij maar zeggen , zoo gij geen* tijd meer 
hebt. — Na^ini-mi karaënga, taëna-mi ri-bibpoe- 
glkya, zy zagen, dat de vorat niet meer waa in de 
bard^ga, (Djay.) — Ta-koewassenga-mi, ik weet het 
mei meer. 

Na-taëna-mo anoe kamma, soes^na pamaïna 
rdbwa sikalabini, lett. de beide eehtgenooten waren 
bekommerd, en wel zoo bekommerd, dat er nieta meer 



235 



te vinden zoude zijn hetgeen daaraan gelijk was, d. i. 
sij waren zeer èekamtnerd, (Djay.) 

Tmang ma, nooit, of: nimmer , meer; 

bijvoorb. tinang niy&kka-mo nasikatïnröwang 
karliëng-baïniiêya , hij sliep nooU meer met de 
varsUn, Pjay.) 

Mama [en van daar: mama; md,makllng, of 
m&maki; m&mako, of: m^maki; en: m^mi, of: 
mftmo], maar; slechts. B^voorbeeld: la-llLmpa-m&- 
mi, ik zal maar gaan, — Têya-mllmaki panga- 
panga ri-pamaï, u>ees toch maar niet boos op mij. 
(Brief.) — iya-m^mi, iya-m&mi, lett. : dat slechts, 
dat êleeitê. Wij zonden zeggen : dai slechts en niets 
anders. — Boh-m&mi an)dj6reng,Zé>^)^ daar maar 
neer. — Si-lawar&-mllmi, naleb^ een Had maar, en 
iet is af; bijvoorb. : afgeschreven. — B&dji-bd-dji- 
mlLmo tapp&na, mooi slechts was haar gelaat, d. i.: 
er was geen enkele trek in haar gelaat, die niet mooi 
was ; d. i. : haar gelaat was by uUstek mooi. (Bjay .) 
— Dj^mmenga kammdbwa-mtoi, lett. het Herven is 
zóó maar, d. i. : heeft niets te beteekenen. (Kei.) — 
Pasapdbngkoe k&mma-m&mi; iya-djiya b&djoe- 
badjci^ngkoe tal^ koepadarana; myn hoofddoek, 
dat is zoo maar, dat is: die kan m^ minder seheelen; 
maar mjj» baadje, daarvan spijt het m^ meer. — 
Bflinnêngkoe kamma-mami, an^koe-mónjSjo, 
mijne vrouw is zóó maar, d. i.: mijne vrouw, daar 
geef ik niet om, maar mijn kind f (daar is mij meer 
aan gelegen.) — lya-m&mo-sëng allówa, dezen dag 
nog slechts. (Kei.) — Otte-3jintoe têya, inAkke- 
mSimo-sëng; of: iya-mamo-sëng inslkke, gtj wilt 
mei , met mij is dat ook slechts het geval, d. i. gij 
wilt niet, hoeveel te meer ik. 

(2° ma). Vergel. ma N^ 1. 

(3" ma), onafscheidelijk voorvoegsel, dat in he^ 



Boegineescli zeer dikwijls, doch in het Makassaarsch 
slechts nu en dan voorkomt; = d N°. 4. Vergel. 
beneden. Het wordt alzoo gebezigd : a) om werk- 
woorden van naamwoorden af te leiden, bijv.: md- 
tóewa, met geluk, v. d. gelukkig, zijn; mdanrong , 
m4m4ngge, mei eene m^oeder, met eeiC vader zijn, 
d. i. eene moeder , e&iC vader bezitten (Inl. Wetb.) 
(, vergel. Bet Mal. A^U , met geluk, d. i. gelukkig^ 
zijn, van MSj\, geluk); malalnn , prachtig zijn^ van 
labiri,prackUg, als: lipa-malabiri , eene prachtige 
sarong, lett. eene saroOg die pracJUigis,{J^}9.y.y,md' 
lómpo, groot zijn, van: lómpo, groot, als: toe-m£om- 
p6wa, de groote heer, d. ï.-.de Gouverneur, lett. : de 
man die groot is; matjadi, klein, jong zijn, van ^adi, 
klein, als: p6k<J-k&yoe ri-maQadina, een boom terwijl 
hij klein (jong) is (Djay.); mdkaröewa, of: mdkapin- 
rókwa^, een tweede z^n, een tweede zijnde^ van 
karcfewa, oï kapinnfiswang. Verg. Makass. Spraakk. 
§ 119en§ 175, !•». 

b) Welloidendheidshalve v66r bedrijvige en on- 
bedrijvige werkwoorden; bijvoorb.: mdnjdmba, = 
é^jómba, van sómba. Vergel. Mak. Spraakkunst, 
§176,2^ 

c) Bovendien vindt men nog een overbiyfsel 
van dit onafscheidbaar voorvoegsel in verscheidem} 
werkwoorden, wier oorspronkelijke vorm tegen- 
woordig met een m schijnt te beginnen. Zoo vindt 
men onder anderen : mdnta^ , dat stellig een' za- 
mentrekking is uit : mddntaiig, van : onlang. Ver- 
gel, vooral Mak. Spraakk. § 176, 3^ 

\X (1® mang), vnw. 1 pers. meerv. mann. en 
vrouw.. Boeg. m&ng, idem; bijv.: parasangam- 
mang, (wirc «^«^'«w (Djay .) — Anc)ëmmang , de, 
of: het onze. 

(2'' mang, mam, man, of: manj, al naar gelang 

30 • 



336 



van de letter, waanuede het woord begint, waar- 
voor het geplaatst wordt) , ofschoon , al ware het 
ook; b\jv. mangkoe l^pa, qfschoon ik ga, — MlLn- 
na, =^ mof^, vuim^ man, of: manj. Bijvoorbeeld: 
m^nna ik&mbe, atannaGoboronameng, napanrslki- 
töng, al ware hei ook ons, d. i. ze^fs ons, cüediena- 
ren van hei Gomoemement zijn, zal hjj in hei ver- 
derf dorien. — M&nna ri-n&kke, k&mma-tonjdji 
uar&pika nawa-nawangkoe, lett. al toare hei ook 
aan my, d. i. ze^fs, ook, aan my is hêUe^de in de 
gedachte gekomen. (Djay.) 7— Koewitoeng mllnna 
si-dalle, ik denk zelfs eiken dag aan, enz. (KeL) 

M&nna ta-paramanna, =: manna ia^drang-dpa^ 
= manna na-oemèdrang komma, qf schoon hei slechts 
van geringe waarde is» NB. deze phrase is moei^je- 
l^k te verklaren; welligt te denken aan het Sanskr. 
parama, beste, uUsiekendste , voornaamste, eerste; 
alsdan zou de letterlijke beteekenis z^'n : qfschoon 
het ook niet het eerste in zyne soort z^; b\jv. : m4n- 
na ta-param^nna, koengaï-dji parasang^ngkoe, of- 
schoon het niet van de beste is, zoo heb ik m^n land 
toch lirf, — Manna ta-param^nna , ka-pam^tefnna 
pamSlï-todjêngkoe ri-k^e, qfschoon hei, te weten: 
hetgeen ik u geef, niet van de beste , d. i. slechts van 
geringe waarde, M;neem het toch aan als een bewys 
van m^jne opregte genegenheid voor u, 

Amanna = m4nna (D. Moes.) Vergel. d N". 5, 
alsmede Mak. Spr. § 214, coll. § 99. 

%• (mi). Men zie «w N". 1. 

<• (ming], = mëng. 

\ \y (meng), = maing, = W>d, (GG.) 

\X ^ (mo). Men zie «w» N°* 1. 

%• "v (mong), soort van mooi fijn linnen. 

\y ^^ (1° maka), gebezigd waar wy ons be- 
dienen van te met de onbepaalde wijs van een 



werkwoord, bijv. : maka nigao'bkang, om gedaan te 
worden , om te doen. En even als ons : dit is te doen 
eene dubbele beteekenis heeft , te weten : zoowel 
die van dit kan gedaan worden, als die van: dit 
moet gedaan worden, dit is raadzaam om te doen; 
zoo geeft maka nu eens de mogelykheid, of gelegen- 
heid, tot iets, dan eens het raadzame, om iets te 
doen, of te laten, te kennen. Vergel. het Boeg. 
mdka. Zoo zegt men bijvoorbeeld in 't Boeg. an^^ 
yiroenge makHë ri-dëlé, de vorsten^kinderen, die kun- 
nen, of: die moeten, gedragen worden in boelékang's. 
B^ voorbeeld: ponna msLka tene-tene-ngiLseng 
pamaïna, iiüUen er gelegenheid voor hen allen ware^ 
om zich te amuseren, d. i. : zoo z^ zich konden amu- 
seren. — Maka siyapllya nab&ttoe? wanneer zou 
hei voor hem z^jn om ie komen?, dat is : wanneer zou 
hij kunnen komen?, of: wanneer zou het zaak zjjn, 
dat h^ kwame? [NB. Siyapaya nabiLttoe sidlang? 
zonder maka er b\j, zou beteekenen: wanneer zal 
hij komen ^ — MiLka inSJdce la-sdbro? zou het voof* 
my zyn, om ie bevelen?, dat is : zou ik het kunnen 
bevelen? of: zou het zaak zijn dat ik het beval? — 
Pasftngalinua nag&ya-^i maka akdbUe antdbloeng* 
ki, er is niemand^ behalve alleen de naga, om ons te 
kunnen helpen, (Djay.) — Taëna maraëng koew^ 
seng mSkka &kd^e ampabattoe-ki n&ï ri-tompdna 
monj^onga, ik weet niemand anders om ons te 
kwtnen brengen, enz. (Djay.) — Mangkoebdbmi- 
djintoe m^Lka nikoet^nang, de Mangkoebohmi slechts 
is er, om gevraagd te worden, d. i.: hem stechts 
kunnen wij vragen. (Djay.) — Sik&mma k&ra-ka- 
raëng m&ka ^ngêranga papik&toe, al de vorken 
die er waren om over te brengen het gezondene, d. i. 
de geschenken, d.i.i die de geschenken moesten over- 
brengen, wier laak het was de gesc/tenken over ie 



237 



brengen. (Djay.) — lya Qini maka napadjariya, zie 
slechts op hetgeen zij te doen hebben. (Rap.) — 
MsLka iya lambatjaï? is hy er de man voor, om dat 
te zMen lezen? d. i. zou hij dat kunnen lezen? en 
van daar ook eenvoudig: zou hij dat lezen? — Na- 
anne ri-k&mma-kammaya taëna koeUey&nna, m^ka 
la-tene-pamaïna, tegenwoordig is er geene mogel^k- 
keid toe^ om zich te zuUen amuseren^ d. i. dai zij 
ziek zonden amuseren, (Djay.) — Itdbwang-maminj- 
djo, miLka pasitompoki oeldbnna salangganna, lett. 
manheer slechts is er^ om te, d. i. die kan , zetten 
zijn hoofd op zijne schouders^ d. i.: hem die zoo 
goed als dood is als 't ware weder levend kan maken, 
d. i. hem uit groote verlegenheid kan redden, — Itdb- 
wang-m^mo koerannoWang (, of: koepanr^noe- 
wangi,) ampaoewi ri-toe-malompowa, m&ka naka- 
badjikanga boettaya ri-Sanraböne ; mijnheer slechts 
vertrouw ik, dat zóó tot den Gouverneur zal spreken, 
dat het welzijn van Sanrabóne daardoor bewerkt 
worde. — Ta-maka nidoiigkokiyaï ^ntoe bisêyaiïga, 
ket is geene zaak, aan boord van dat vaartuig te 
gaan. (Bap. T. DJ.) — Ta-nasèla-móntoe, itófewang, 
kana, mSlka nakabadjikanga boettilya, nasllnnang 
tdoe-^adiya, napsU)e ri-toe-malompowa , d<U kan 
md missen, of hij zal den Gouverneur een woord zeg- 
gen, waardoor het welzijn des lands bewerkt wordt, 
en waardoor het kleine vóUc zich rustig houdt. — 
Nikanaya-dji kïlyoe-Qamp^a , koewasseng, maka 
dj^é-djèjrré , dat wat tjampdga-hout heet, weet ik 
slechts, dat nog al sterk (stevig) is. (Brief.) — • Sam- 
bêna; lya bêidjika, maka akoellêya nip&ré soro- 
d^oe, plaatsvervangers voor hen, wel te verstaan: 
die gexhikt zijn om soldaat te worden. (Brief.) 

(2*" maka), voor de hoofdgetallen geplaatst, 
dient tot vorming van rangscbikkende telwoorden. 



Vergel. ka N^ 5, lett.c, en m^N". 3, lett. a. Men 
zie ook Mak. Spraakk. § 119. 

(3® maka). Ta-m^ka-m&ka, zeer, bijzonder. Boeg. 
ta-mdka^mMa, idem ; bijv. : ta-m&ka-makaï kalom- 
pow^nna , bijzonder, buitengemeen is zijne grootheid, 

\^ •• (makkang). Vergel. dkkang. 

NVy^ (m&^ka), a) vddraan-geplaatst in een' 
volzin, = mt^ka, maar, echter; 

b) in het midden van den volzin geplaatst, is 
het niet met mtngka te verwisselen , ofschoon men 
het in het HoUandsch ook soms zeer goed met 
maar kan vertolken. Het scl^jnt, even als dit 
woonde , de kracht der uitdrukking te versterken 
en gelijk te staan met: werkelijk, bijzonder, enz. ; 
by V. : hij houdt zich maar goed, = hij houdt zich 
regt (, werkelijk,) goed, als : taëna-m^ngka-dji koe- 
t^nge, ik heb toch maar niet gebraakt, ik heb ge- 
lukkig volstrekt niet gebraakt (, ik was wel misse- 
lijk, maar ik heb toch werkelijk niet gebraakt). — 
Taëna ^noe-k&mma randbnna ly^noe, wslttoe si- 
tjinina mtngka saribattanna, onuiisprekel^k groot 
was de vreugde van NN., toen hij zijne broeders wer- 
kelijk ontmoette. — Taëna-m^ngka-sêng koepslr^ 
p^é , ik heb op het oogenblik wéér volstrekt niets te 
doen, (Brief.) — Trffegoepoeki ri-djftrang taena 
msLngka-dji nangapa, h^ valt van z^n paard, moge 
hij maar geen ongeluk gekregen hebben/, als hij maar 
geen ongeluk gekregen heeft! — Taëna-m&ngka-dji 
ant&ma anjdjo g&rringa ri-pabo'bttaënua Gowa, 
é^ ziekte is immers werkelijk met in het Gówasche 
doorgedrongen? — Niya-mlingka-dji katallass&nna 
t&oe-Qadiya, de geringe man Jieeft immers in de 
daad om van te leven? — Sal&m&-mangka-mi, lett. 
hij is maar weer heel wel, d. i.: hij is werkelijk her- 
steld, — Op de vraag, of iemand de koorts heeft. 



S38 



volgt soms het antwoord: Taëna-mangka-sëng, 
tcerkelijk niet. — A.kdblle-kdblle-m2lngka-m^ , ik 
ben in de daad beter ^ lett. : ik ben maar beter. — 
Naniyd-mSLngka-mo koegappangi pabiLlle, ik heb 
tnaar, d. i.: ik heb werkelijk, een geneeemiddtl voor 
hem gekregen, (Djay.) 

\X>.< (miLngkiüg), êlechiêy niet oudere dan , 
uitsluitend; bijv.: milngking boel&ëng-pi nipabal- 
liyangi, niet dan voor goud is het te koop. — M&ng- 
king dj&rang-pi, nab^, slechts, watmeer er een 
paard is, rjjdl hg. — Sollana natêya-m&i^ki^ tê- 
dong b&ttoe-b^le-pa ri-Samb&wa nipagHive, opdat er 
niet uiisluitend (, enkel,) Sambdmasche buffels gebe- 
zigd worden. (Sinr., Tar.) — M&ngkiLg na-iya, hij 
aüeen is het ^ te weten: die iets zoo goed weet, of 
zoo goed kan doen ; v. d. gebezigd van iemand , 
die zich te regt of te onregt daarop beroemt; van 
daar ook naam van een uitstekend vaartuig. (S. T^jin.) 

NVy^% (mangkd), bep. m&ngkoka. Mal. 
mangkokh, kom, kommetje, kopje. (D. Moes.) Boeg. 
idem. — MiLngkd-sigarél. Men zie sïgard. 

M&ngkd-miLngkd, een plantje welks bladen 
eenigzins den vorm "^vlvl platte kommetjes \iQhh&i, 
gebezigd als geneesmiddel, en ook gekorven met 
piLndang-bladen, Fanax cochleata, L. 

%••• (mingka), maar, echter; vergelijk 
md^ka. 

Mif^ka soms gebezigd tot bevestiging van 
iemand's gezegde, ons: wel stellig; misschien let- 
terlijk ons: het is maar zoo. Soms ook gebezigd tot 
antwoord, wanneer iemand iets onmogelijks, of 
bijna onmogelijks, beweert; bijvoorbeeld, als 
iemand van zeer ondei^eschikten rang eens zeide : 
"luakke p^U-pallkoe, êro-kd i^jtti toe-maldmpo, 
"lAr zal verzoeken om Gouverneur te worden'* ; zou 



een ander daarop kunnen antwoorden : "Mingka , 

maar of: jammer dat er een maar b^ is; 

of: dat kunt gij begrijpen!? 

NV yy (miki), dmiki, trekken, scheutsgew^ze 
zeer doen; geb. van een steenpuist, en andere zwe- 
ren, van de tanden, van het hoofd by erge 
hoofdpyn. 

\X yyN (mdëko), dmd^ko, morgen. — Mdbko 
mêmbara, morgen, of overmorgen. — Na-iya bat- 
t<^tfr-mo mange ri-bal1^na Aroe-Mand&lle ; élmoe- 
kóna asima-maki abi^&ra-tommaki, den volgenden 
dag, nadat w^ gekomen waren aan het huis van 
Jroe-Manddüe , hMen w^ vertiend en ook zaken 
qfgedaan. (Brief.) 

Pamoekdwang, a) het morgen zijn; v. d. de dag 
van morgen; 

b) het morgen doen worden voor iets , d. i. iets 
morgen doen plaats hebben; iets uitstellen tot morgen; 
b^*v. : téyaï nipamoekdwang, hetwü, d. i. moet, 
niet tot morgen uitgesteld worden, (D. Moes.) 

X \X ••% (mêkkd) , mêkkd-mêkkó , zich als 
een slang bewegen. Boeg. idem. 

\/ ^ >• (mókki). — M6kkï.mókki, kwispeU 
staarten; gebezigd van jmm/*^, hond, en deigel. , 
doch ook van gemeene vrouwspersonen, wanneer zij 
al gaande allerlei bewegingen maken, om de aan- 
dacht tot zich te trekken. 

\^ 'N X yy (mokker^), geestelijke. Boeg. idem. 
Hieronder te verstaan: de btddtd, de kdtté, enz. 

Anroiïggc^roe mökkenga,. liet hoofd der mSk. 
keiig's, alzoo genoemd de hoogste geestelijke in 
SanraJbdne. 

\^ % •• ^ (mökd), mökü-mókd, knorren; v. d. 
uurwerk, ïiorlogie. Boeg. mdnókó-nókó, knorren. B. 
mókó-mókó, uurwerk, horlogie. 



239 



^•••s^ (makamoe), Nominativus van het| s^yyo^ (Mangkusara) , bep. Mangkasa- 
Arab. JSJiy plaats. — Mak&moelo-mahamcAjdoe, \ raka, Afakassar, Makassaar, Boeg. Mangkdad. — 



't Arab. <>«é^»M i»l^> ^^ ;?2aa^ va» <f^ Oe- 
prexene. (Tar.) 

\X •• ^ •s (makóta) , bep. makotay a, Aroo». 
Boeg. en Mal. idem. Jav. , Sund. en Sanskr. makoeia. 

\x ••^ (mi kin). Men zie ikin. 

sxy^^O (m&kkald), lagchen. Vergelijk «otf- 
viékkaU, 

\X •• ^^ (m&ngkala), bep. mangkalaka, = 

bdn^kald W^. 3 , 't Mal. manffkalf halfryp, Boegin. 

bangkoLdy idem; bijv.: taipa mingkala, «m« m^^a 

die nog niet geheel rijp^ maar toch vatbaar is, om 

-f 
door óroe^ing r^p te «orden , = tatpa-tinó-kassd. 

Vergel. kdssd N^ 2. 

^^f^ (mdbkkoeloe) , amdbkkoeloe, uU- 
sekieten, opeweUen, by v. . 4mdékkoelo%-mi birallêya, 
de djagong schiet reeds uU y wel te verstaan : nog 
onder den grond; alleenlijk is de aarde daarboven 
reeds opgezwollen en op bet punt van de plant 
door te laten. Zoodra dit geschied is, spreekt men 
van étónipó-bifetta. — Ook gebez. van de horsten 
van een jong meisje, die reeds beginnen vit te pteüen, 
ongeveer op dertieigarigen leeftijd in Oost-Indie. 
Men zie: hökkkoelóé, 

\X 'N •• 'N *^ 'N (móngkolo) , uiipuilen ; by- 
voorb. : £müngkolo-mi soesdbnna, hare borsten pui- 
len uU. NB. gebezigd yan eene volwassen, huwbare 
vrouw. — Amongkoloki parangk^na, het gedeelte 
van het ligchaam van boven tusschen de beide 
beenen puilt uit. (NB. door de sterke spanning van 
de broek.) Verg. rdngkd N*. 1. — Amöngkolóki 
poerassina, zyn tandvleesch pitiU uit ; bijvoorbeeld 
ten gevolge van een' tand die niet op zijne plaats 
zit en boven de andere uitgroeit. 



K^na-Mangk&sara-mmjdjo, lett. dat is een Makas- 
saarsch woord; onder anderen gebez. wanneer men 
iemand op bedekte wijze te kennen geeft, dat het 
z^n tijd is, om heen te gaan, een einde aan zijn 
bezoek te maken, bijvoorb. door te vragen hoe 
laat het is, of door gedurig te gapen, enz. Zoo zegt 
men ook: Nas&re-maki k&naMangk&sardtdbwang, 
mijnheer gqf ons onder bedekte termen te kennen, dat 
wy teel mogten opstappen, 

\^ 'N yy ^ (mokiï). Men zie póka N**. 2. 

NV A^ (manggé), verdichten, namaken. Boeg. 
md^kd, idem; bijvoorbeeld: toe-lino nimftngga, 
lett. een verdicht, nagemaakt, mensch, geen wezenlek 
mensch; v. d.: een beeld; = rdpai^-rdpang-tdoe, 
(Bid.) — BaJnne nim&ngg4-manggana, het is zijne 
vrouio niet, zjj gaat er slechts voor door, lett. het is 
z^ne verdichte vrouw, — K&na-nim&nggd, verdichte, 
verzonnen woorden. 

Pamanggllkkang, iemand maken tot het voor- 
werp, wien men toedicht, d. i. iemand toedichten; 
bijvoorb. : nipamangg&kkang& k4na, = nipaparê- 
kangd kdna, my worden woorden toegedicht. 

\y A^ (manggaiig). Vergel. dnggang, 

\^\^ (mSLngge), bep. manggêya, vader. — 
O ! manggêna! ol vader van hetzelve, te weten: een 
kind. Zoo soms uit spotternij een getrouwd man 
toegesproken die nog geen kind heeft, anders wordt 
de naam van het kind er bij gevoegd. — Mlingge- 
&W0, stiel/vader. Vergel. dwo. — M^ge-poerina, 
oom. Vergel. poenna, 

Amingge, of: mimingge, met een' vader zijn, 
een' vader hebben; bijv.: todjeng-todjênna sarina 
mabitjar&ya, ta-mdanrong-paki ta-m&mllngge-paki, 



340 



het ware van de manier van behandeling van reffts- 
zaken is , zoo tot/ noch moeder noch vader hebben^ 
d, l, die als 't ware niet kennen bij het mispreken 
van regt, dan alleen acht geven op het regt, (Inl. 
Wetb.) 

Manggêyang, tot vader maken y d. i. : als vader 
aannemen; bijv.: ik&tte koemanggêyang, ik neem 
u als vader aan. 

>V ^ A^ (mogd), &mdgd, = toemi^dra, ach- 
ierover liggen, 

s^ki^ (mi^giri), triüen (even^es) van 
vreugde, of genot^ of afkeer , enz. 

>V '\ ^ ^ (mogaró), = mógd. 

nVa^O (m&nggisi), bep. m&nggisika, Mal. 
en Jav. manggiSj naam eener zeer lekkere boom- 
vrucht, de Manggidan , Garcinia Mangostana, L. 
Ook de naam van een sieraad, behoorende tot de 
rówe-r6wélé, 

\^ X (m&nga), erg trekken, overal, oï geheel 
en al, scheutsgetoijze zeer doen ; bijv.: het hoofd bij 
erge hoofdpijn, de tanden bg erge tandpijn, de ooren 
by inwendige verzwering. 

\X ^ (V mSlngang), moede, by voorb.: mangang 
amcmpo, ^vdjllppa, enz., moede van te zitten , van 
te gaan. 

Angkamangangangi , moei maken, vermoeyen. 

(2® m&ngang), verlenging van mat^ N". 2 , = 
manna; bijvoorb. : mang&ngkoe, =mdngkoe,= 
manna koe. 

\^\X (minge), vnw. mangêngkoe, gaan. — 
Mange-battoe, gaan en komen , d. i. heen en tceêr 
gaan, — Ta-mangêyaki, wij gaan niet. (Bap. K. G. 

A 

— Mange-maki, ga gij, d. i.: speel, of: vraag gij 
maar. NB. zoo zal men bijvoorb. in het Omi-spel 
tot zijn buurman zeggen, wanneer men zelf geen 



spel heeft, om te vragen. — Anjdjo-nii maiïge, ta- 
nikuna aujdjo mange, lett. die ging, en men kon 
niet zeggen: daar gaat hjj; d. i. met zooveel spoed 
ging hij , dat men hem naauwelijks met de oogen 
kon volgen. (M&li.) — Erang mange, derwaarts 
brengen. (Bap. K. G.) — Anjdjo-mange ri-b^Ua- 
pamanaïkangkoe, mange naboya opasaka, ui de ^ 
huizen , waar ik bezoeken zou gaan a/leggen , daar 
zocht de oppasser. — Koelambdbsi-tommo mange; 
bÖLttoewa mange, ik ging regt daarnaar toe; ik 
kwam daar. (Brief.) — MSnge ri-mange-mange- 
y&nna, lett. : gaan naar zijn eigen gaan^ d. i. : gaan 
werwaarts men zelf verkiest. (Inl. Wetb.) — Ma- 
nassa-mintoe mangcna ri-kiLoe Soediyang, dai is 
zeker, dat tot u gaat, d. 1. aan u afgestaan wordt, 
hetland van Soediyang. (Brief.) — Kin&mpamingo 
nikiyó, lett. w^ gaan pas genoodigd worden, d. i. 
w^ zijn pas genoodigd, (Rap. K. G.) — Mange- 
bsLttanga, lett. het gaan, d. i. weggaan , of: verdwy- 
nen, van den buik, wel te verstaan: het dikke van 
den buik; van daar gebezigd van: miskraam; als: 
mllnna mange-battanga, ta-niy4K)ëmpa, (na z ij n e 
geboorte) had zij (te weten: zjjne moeder,) zêfs 
geen miskraam meer. (G. G.). Zoo ook: kódi-ka 
mange-battafïgi, uit vreeze dat de dikke buik weder 
weg mogt gaan , d. i. : uit vreeze , dat zy een mis- 
kraam mogt hebben. 

M&ngèï,gaan naar, of: tot, ergens naar toe gaan; 
bijv.: parasangaiig la-namangeiya, het land wer- 
waarts hy zoude gaan. (Rap. T. Dj.) — Toe-na- 
mangêï, lett. de menschen, d. i. : vrouwen, tot welke 
hy ging, d. i. per euphemisme voor: zyne bywyven, 
zyne hoeren. (Bap., G. G.) — Niyd la-koemangêï, 
= niya la-koekoeiydjdbngi, i ^ tw/ ergens heengaan, 
ik wil naar zekere plaats, of: naar de beste kamer gaan. 



241 



Pamange, doen gaan, brengen. — Pamangc 
anjdjóreng, derwaarts doen gaan ^ d. i. : dencaaris 
brengen, — Pamange ri-basa-Mangkasara, doen 
gaauy d. i.: overzetten^ vertalen^ in het Makas- 
saarsch, — ApamUnge gebcz. van het afdrijven der 
wTHcht door eene bezwangerde vrouw. 

Pamangêï, iemand ^ of iets, zoo ook byvoorb. 
eene plattts, maken tot het vooricerp, waar men naar 
toe gaat; v .d. ergens naar toe gaan, v. d. ook : ergens 
op aanvallen, (Djay.) 

Pamangêyang, bezigen tot het gaan ^ bezigen otn 
op te gaan; bijv. : Mlo bSldji nipamangêyang ma- 
baloe-bldoe, een dag geschikt om op te gaan verkoo- 
pen. (Kap. T. DJ.) 

Mangêyang, een gaan, bijv.: taena nagann^ 
si-mangêyang , = taena nagdnnd si-boewïïrJgang. 
Vergel. bdkwang, 

W^ ^ (mëngang) , op en neder gaan; nu wat 
beier, dan wat slimmer zyn, byv. iemand's ziekte, 

\y^X (móngang). — Móngang-móngang, 
= het Mal. berêng-bereng , eene soort van bekken. 
(^ay.) 

v> ^ X O (mang^boesoe). Verg. kdboesoe, 

\^^\r^ (minganne). Verg. mdïng. 

\y\.^ (mdngïraiïg). Verg. ïrang. 

s^^^i (mangaribi), bep. mtHngaribiya, 

't Arab. v^jJLo, het Westen; van daar: a) het 
bidaur tegen Zonneondergang, alzoo 's avonds over 
zes ure, — Pasïmbang&nna is^ya m^iïgaribiya, de 
i^d tusschen tsa en mangaribi, dat is: tusschen zes 
en half zeven ure 's avonds; 

b) Mauritanië; byv.: b&ssi Mslnganbi; ijzer af- 
komstig van Mauritanië. (D. Moes.) 

\^ X^^ (mang&li), bep. mangaliya, soort van 



te eten, legt men den gedroogden staart van dezen 
vischy alsmede een sitTgkólo en een stnk kdyoe U- 
leng, of ebbenhout, in een kom met water, ten einde 
dit water vervolgens over de rijst te sprenkelen. 
Daar de eigenlijke beteekenis van het woord ma- 
iigdli die van schromen is, acht men de bijvoeging 
van zijnen staart een goed middel om het kind op 
later leeftijd beschroomd en bescheiden in zijn spre- 
ken ie doen zijn; v. d.: b&wa-ta-nikidong-mangali, 
een mond die onbescheiden in het spreken is; lett. : 
waarbij men verzuimd heeft, om van den staart 
der matlgdli gebruik te maken. 

\^X^^^^ (m^ngoel&pp^). Verg. oeldppd, 

\^ i. ^v^ (maiïgiwang), haai. Boeg. idem. — 
Maiïgiwang-to'ké, soort van haai. — Maiigi wang- 
lontara, en : mafïgiwang-tioo'femboe, eetbare soor- 
ten van haai. 

Mangiwang ook naam eener sterrengroep. 

%• ^ O (Maiïg^a), een plaatsje van Gówa ,^ 
bekend door zijne markt- en ofFerplaats. Deszelfs 
djün^ang-bóbleng-bóeleng behoort tot de djêngang- 
bxdj(Cs, Vergel. bidja. — Toe-MangSlsa, iemand van 
Mangdsa; van daar: katoe-Mangasang, het: een 
man van Mangdsa zijn, d. i. H afkomstig zijn van 
Mangdsa. (Rap.) 

\X ^i^ (mappang), muf. Boeg. mdkappang, idem. 

\\X Ai "N (mêmpo). Vergel. émpo. 

\X"N/0 (mopang). Vergel. ópaiig N°. 1. 

s^ 'N Ai 'N (móppd). Verg. 6pp6. 

e f 

n;^ •s^ ^ '-s^ >s, (mopóti), 't Arab. v^nA^, een 
Mtifti. (G. G.) 

v>Ai^ (1** m&para) overal, of, in grooten 

getale, verstrooid liggen; byv.: dmUpara-mo kitika, 

de eenden liggen in grooten getale verstrooid, op het 

visch. Boeg. idem. Wanneer het kind zal beginnen water bijv. — Am&par^ki taïp&ya, de mangga's lig- 

31 



343 

I 



gen in groote menigte verstrooid, op den grond bijv. 

— Pam&par^na toe-koewallêya njaw&na, de doeden 

liggen in grooten getale op den grond wlgeairekt, 

(MSdi.) — Eapponna^maparari-boettaya, de vruch- , doorweekt, van regen. 

ten liggen overal op den grond verspreid. (Tam.) | (3** mkmi). Vergel. ma N°. 1. 



Pamamaang, ^= papdngeuijaiyang , sierihdoos. 
(2° m^m^), vd; bijv.: mamd barökgay de ba- 
róhga is opgepropt vol. — NamIméL bósi, w^, d. i. 



Vergel. het Maleische kapdran, verstrooid , ver- 
spreid, liggen. 

(2** maparé). Men zie pdpard N". 3. 



\^\^ (m&mmang). — K&na-nim&mmafig, 
woord, dat men als 't ware inslokt; woord dat men 
niet uitspreken, veel min schrijven, mag. Dit woord, 



\\^#si*\Cs"N (mêmporo), ons: Mevrouw.-, d&t slechts aan weinigen bekend zou zijn, wordt 
Aldus door den Inlander genoemd de vrouw van bij wijze van amuleet gebezigd, onder moeijelijke 



den Gouverneur; terwyl alle andere getrouwde 
dames slechts nj^a heeten. 

\X X (mS.mbang), Mal., eene soort van lucht- 
geesten. 

SXX (m^boeng), geb. van het doffe geluid 
van het vallen van zware vruchten, als kokosnoten 
en dergel. ; ook van het geluid van een kanonschot, 

\^ X (mSlmboeng), bijna dood; bijvoorb. gebez. 
,van menschen. Zoo ook van hoornen, die ten deele 
hol, maar toch nog niet dood zijn. 

s^X (mo'bmba). Vergel. (femha. 

%• X^ (mimbar^), bep. mimbaraka, 't Arab. 

^ o 

^AA^, preekstoel; wordt ook verbasterd in btmbard 
en gtmbard. 

X \X X ^ (mêmbard), overmorgen. 

Pamemb&rang, het overmorgen doen worden voor 
het een of ander, d. i. het tot overmorgen uitstellen; 
bijv.: têyaï nipamemb&rang, lett.: het wil, d. i. 
het moet, niet tot overmorgen uitgesteld worden. 
(D. Moes.) 

v>\X (l°m^ma), bep. m^maya, Sal., = het 
Makass. pangadjöt. (Vergel. het Mal. mdmah, en 
het Jav. mam^ah, knauwen). Bijv.: nipamembëngang- 
mi mima, er werd sierih voor hem opgéyragt. (M^i, 
Dat. Moes.) — Mima-makó, kaauw gij sierih. 



omstandigheden. Volgens zeggen van zeker* In- 
lander, zou dit geheimzinnig woord niets anders 

zijn dan het door God zei ven uitgesproken ^o , 
letterlyk wees, v. d. zoo veel als: het aanwezen 
worde u geschonken door mijn* wil! (Boeg. dda 
ri-amma, of: dda td-mdlassoe.) 

\^ <• (!*• m^mi). Vergel. ma N^ 1. 

(2^ nulmmi), aldus in het gebergte genoemd 
de kat. 

\y\y (mamce), = mémdhroeng, = mdmar- 
roeng. Vergel. mökroeng en drroeng. 

\X \X 'N (m&mo). Vergel. ma N°. 1. 

SXSX (moemoeng), stug; bijv.: t^-moe- 
moeng, stug mensch. 

\\^\y (mêmang), vroeger, 't Mal. mêjmai^, 
en 't Boeg. mêmang, idem. 

Van daar: a) te voren, vooruit, reeds; bijvoorb.: 
letól-mêmang-djaki koepikatdbwi scifera, reeds vroe- 
ger zond ik u een brief. (Brief). — - Mrang llbaki 
dbkiri mêma^ sdbraka ri-karoewenga, weüigt hebt 
gij dien brief vroeger, namelyk gisteren namiddag 
geschreven, d. i. weUigt hebt gij dien brief reeds gis- 
teren namiddag geschreven. — Sib^ngi-mêmang, 
reeds gisteren. — Lannnna êro-mêmang-tönjdja 

A 

4timboro, daar ik vroeger immers ook Zuidwaarts 



313 



toUde gaott. — Apaoe-mêmang, vroeger y of ie voren, 
seggen^ d. i.: voorzeggen. — Atjini-memang, vroe^ 
geTy of voortfU, zien, d. i. voorzien. 

Van daar: b) v<m vroeger tol nu toe, al lang, 
alloo»; met voorvoeging van tama, niet: altoos 
niety d. i.: nooit , v. d.: volstrekt niet, steUig niet; 
bijvoorbeeld: anoe panra-mêmang, iets dat al lang 
(, lett.: van vroeger tot nu toe,) bedorven is, — Anoe 
la^m&te-mêmang, iemand die al lang op sterven ligt, 
— Memangkoewi, ik ben van vroeger tot nu toe, ik 
beu altoos , van ouder tot ouder, dit of dat geweest. 
NB. byv. te bezigen door iemand, wiens vader, en 
grootvader, en overgrootvader, reeds in dezelfde 
betrekking als hij geplaatst zijn geweest. — Me- 
mftnnaï, ky is het van ouder tot ouder. — K^mma- 
mêmangi, het is altoos zoo (, lett. van oudsher). 
(Djay.) — K^mma-mêmang, taëna ant^ppoewi 
arênna toe-malompowa, lett.: het is van oudsher, 
of: altoos, zoo, niemand noemt den Gouverneur bij 
zym' naam, d. i. nooU noemt men den Gouverneur bij 
zijn* naam. — Famskï si-tanga-mêmang, ênroeng 
ta-madjaï-mêmang, — toe-s&Uo têya-mêmang, een 
hart, dat altoos maar half, een verlangen dal nooit 
ceel was, — iemand die nooit gewild heeft (Kei.) — 
Taëna-mêmaiïg naboewSikkang mat^nna ri-nakke, 
h^ heeft nooit de oogen naar mij (^geslagen, d. i.: 
hy heeft mij volstrekt niet aangekeken. — Kammaya 
llnjdjo ri-têdonga rdbwang-kayoe mêmang-dji bllt- 
toe mange ri-kar^ng-Aloe, taëna nagc^nna tal- 
loeng-k&yoe, verder wat die buffels betr^t, et z^n 
stellig slechts twee stuks (, wij zouden zeggen: nooit 
jmeer dan twee stuks) tot kardëng-Jloe gekomen, en 
geen drie stuks. (Brief.) 

Van daar: o) vroeger, dan iets anders, wat het 
ook zij, zal gebeuren, d« i. dadelijk, terstond; met 



voorvoeging van iaena, niet: zelfs niet vroeger dan 
wat het ook zy, d. i.: nimmer, v. d.: volstrekt, of: 
stellig, niet; bijv.: k&mma-kamma-mêmang-anne, 
nu terstond, (Djay.) — Patadjaï-mêmang-mimi, 
maak het maar terstond gereed. (Brief.) — Anoe- 
mênangi, doe /iet dadelijk. —- Nampa mêmang-ko 
koe^ini, na-koek^na-mêmang-tömmo, zoodra ik u 
voor het eerst zag, zeide ik terstond. (Kei.) — Têya- 
mêmang-ko, lett.: doe het toch niet, vóór wat het 
ook z\j, d. i. : doe het toch nimmer, doe het toch voU 
strekt niet. 

Simemangang, ergens vroeger, enz., meé ver- 
bonden zijn; van daar: pamaï simêmangHngkoe, 
de goede gezindheid, die vroeger met my geweest 
iSi dat is: myne genegenheid van weleer. (Sinr.) 
— B(>btta simêmanganta, het land waarvoor wij 
van vroeger tot nu toe, d. i. altoos, bestemd geweest 
zijn, d. i. : ons eeuwig Vaderland, de Hemel, 

xs^w^ (raême), kruipen, bijv.: même ka- 
loewaraya, de mier kruipt. 

Dit méme kan ook gebruikt worden van een 
horlogie, dat te 4angzaam loopt. 

NV'NSX (möming), 't Arab. tj^y^y g^loo- 
vende, geloovig. 

SX 'N v> 'N (mómo), = pdüo N**. 2. 

x^'NSX'N (mómmong), onvruchtbaar zifn; 
byv.: mómmongi têdonga, de buffels zijn onvrucht- 
baar. (Rap. K. G.) — Bainne-mommong, eene on- 
vruchtbare vrouw. 

s^%S^^ (momini), bep. mominiya, = 
mómi^. 

\^\^\^\ (mamate). Men zie bate N". 1. 

s^%\^'N^"N (m^moró), zacht en lekker 
om te eten; bijv.: momoróki bóyoka, de bóyó •» (ge- 
kookt zijnde) zeer zacht en lekker om te eten. — Zoo 

31* 



344 



wordt wómoró ook vau Uhne cu audere aard vrach- 
ten gebezigd. 

\X\^^^ (mimili), bcp. mimilika, traag ^ 
loom, talmen, langzaam gaan. 

\^\xO (m^masd), Blinken; bijvoorbeeld: 
groente bij het koken. Van daar: zich in malkander 
voegen, in malkander zakken, bgv.: goedtren ol pa- 
pieren in een mand, door drukking of instamping. 
— Van daar ook: toeinig plaats innemen; bijv.: 
danggangang m^masd, koopwaar die weinig plaats 
inneemt en toch veel waard is, als: goud, vogelnestjes 
en dergelijke. NB. staat tegenover: béUde-bdloe 
rompdya. Vergel. rómpa. Zoo ook bijv.: mlma- 
saki pakeyangkoe , m^ne kleéren nemen weinig plaats 
in, sluiten goed aan het Ijjf, zitten glad. — Van 
daar ook: ut getal afnemen , verminderen, verdwe- 
nen, enz.; bi|jv.: mamas^mi lllmpa toe-GowlLya, de 
Gowarezen zijn allen weggegaan; letterl.: weggeslon- 
ken. Zoo ook bijv.: mimasa-mi tlLlloen-t^ng lam- 
pana, er zijn sedert zijn vertrek reeds drie jaar weg- 
geslonken, d. i.: verloopen, 

Mumassi, of: pakam^masa, doen slinken; bijv.: 
pakam^masa-sai liplnoe, na-noemalo tao'bwa, let- 
terl.: doe eens uw* sarong slinken, d. i.: neem uw' 
sarong wat hy elkander; doe haar wat meer om het 
lijf sluiten, opdat de menschen voorby kunnen loopen, 

v> v> b (1** mdmassi). Vergel. bdsst N^ 3. 

(2** mamassi). Vergel. mdmasd, 

%• \X b (mimisi), = moemoesoe. Bo^. mimi, 
idem. 

\^ v> O (moemoesoe), zuigen, slobberen; bijv. 
van eenden geb.: moemoesoeki kïtika, de eenden 
«lobbereft, — Moemoesoe pa^airaiïg. Men zie op: 
/jökpoeróé N°. 1. 

Kamoemocsoc, geb. van eette pijp (hei zij mouw 



of iets anders), die niet strak, maar met plooijen uil- 
loopt en eemgzins de gedaante heeft van iets waaraan 
gezogen kan worden; bijv.: kamoemoesoeki, lim&nna 
badjc^ngkoe, de mouwen van mijn baadje loopen met 
plooijen uit. Van daar.- kamoemoesde, gebez. van 
eene bloem die nog half gesloten is. Van daar ook 
gebez. van de voorhuid, 

\^ y\ (1° mata), bep. mat&ya, vnw. matangkoe, 
oog. Boeg., Sund., Mal. en Jav. idem. — Tómpo- 
m^ta. Men zie: tdmpó, — Patjinjtaingang-m&ta. 
Men zie tjtnj^if^. — Kebdna mat&ya. Men zie 
kébó. — Lélênna mat&ya. Men zie lelei^, — 
Edjana mat&ya. Men zie ê^a. — T&oe-t&oe-m&ta. 
Men zie tdoe N"*. i. — Birinna mat&ya. Men zie 
biring, — Liseré-mata. Men zie liseré. — Bdbloe- 
m&ta. Men zie b(^eloe N"*. 1. — MónJ^oSé-™^^*» 
zooveel als: bóbloe-mdta, ooghaarijes. Vergelijk 
mónj^ong N°. 4. — AmónjQong-m&ta, als 't ware 
met z\jne ooghaarijes werken; v. d.: iemand met no- 
dige oogen aanzien [, dewijl nydige en kwaadaar- 
dige menschen hunne oogen, en by ge volg, hetgeen 
vooral in het oog valt, ook hunne ooghaartjes, 
sterk bewegen;] v. d.: iemand bij een' ander in ver- 
denking brengen, hetzy door toovermiddelen, hetzij 
door laster (, vergel.: saraddsi) ;hi}Y,: namónj^joiig- 
mata-md ri-baïnnêngkoe, h^ heeft mij bij mijne 
vrouw in verdenking gebragt, het hart mijner vrouw, 
hetzij door toovermiddelen, hetzij door laster, van mij 
vervreemd. NB. welligt heeft men ook de oog- 
haartjes van nyêUge en kwaadaardige menschen als «i- 
raddsi geb. — M&ta-padja. Men zie pdifja N°.4.— 
M^ta-pa^ini, lett. : een oog, dat altyd op den uitk^k is 
voor iemand; v. d.: een vertrouweling; als: koepa- 
rë-ko mata-paQini, siyagèng tóli-palangeré, lett.: 
ik ma^k u tot een oog, dat steeds op den uitkijk, tot 



345 



een oor, dal steeds Initiërende is, A. i.: ik maak u 
tol mijn vertrouweling. Zoo ook: milta-pa^inina 
karaënga, de vertrouweling des koning' s, — MsLta- 
^lo, lett.: oog van den dag, d.i : de Zon; van daar 
matdnna allówa dikwerf overdragtelijk gebezigd 
van vorsten en 'hooggeplaatste regenten. Zoo ook 
bijv. van den Gouverneur van Celebes. — Toe-ri- 
matdnna by verkorting gebez. voor: toe-ri-ma- 
Idnna aUówa, lett.: menschen die bij de Zon zich 
bevinden, en toegepast op diegenen, welke zich in 
de onmiddellijke nabijheid der vorsten bevinden. 
— MIlta-djiLla, mazen van een net, — M&ta-dj&roeng. 
Verg. djdroeng, — Mata-panaï, lett.: oog van het op- 
gaan^ te weten : naar het vorstelijk paleis. V. d. geb. 
van de voornaamste dagen, waarop men opgaat naar 
hei vorstelyk paleis, te weten: de bdngi-lêbang (, ver- 
gel, beneden op lêbai^ N*^. 2), gelijk ook de dagen 
onmiddellijk vóór het begin, en onmiddellijk na hel 
einde van de beide groote vasten van roemdllang en 
boèlang-adji. — Matdnna gHoeka, lett.: het oog van 
liet feest; V. d.: de ware dag van het feest, d. i.: de 
dag waarop de hoof dplegtigheid plaats heeft, [NB. 
Men boude hierbij op het oog, dat by voorbeeld 
trouw- en besn^denis-f eesten der Inlanders verschei- 
dene dagen duren.] Zoo zal iemand bijvoorb. vra- 
gen: "siyapaya-mi na-matS.nna gaoena?" **wa««^tfr 
is de ware dag van zijn feest?** En kan men ant- 
woorden: **Njêppé-dc>fedoe-mi anne la-mat&nna 
gaoena," '''het is thans reeds zeer op handen, dat de 
ware dag van zijn feest er zal jy»." — MS^ta-pasard, 
lett.: oog van de markten, van daar: de voorname 
markt, die vroeger, vooral in de maanden Jul^' en 
Augustus, te Makassar gehouden werd; dewijl de 
icangkang, die alle jaren omstreeks Februarij al- 
lerlei kostbare koopwaren uit China aanbragt, 



tegen dien tijd wederom met tripang, karet, en 
dergelijke, door de inlandsche praauwen in me- 
nigte te Makassar aangevoerd, vol geladen werd. 
Het was dien ten gevolge voornamelijk de tijd, 
waarop oude handelszaken afgedaan, en nieuwe 
begonnen werden. [NB. Tegenwoordig is dit ge- 
heel veranderd, en ziet men zelden, of nooit meer 
een' wdngkar^ te Makassar.] Op de vraag : "siya- 
paya-mi noew^lle dówé?" of: siyapêiya-mi noebaya- 
ra-ka?" ^'wanneer neemt gy geld op?" of: ^'wanneer 
betaalt gij mij?** volgt gewoonlijk het antwoord, 
"m^ta-p^sara, in JuLijT — Matdnna ladinga, lett. 
het oog, V. d. het scherpe, de snee van het mes, — 
Matanna pokêya, het oog, v. d.: hel ijzer, of: de 
punt, der lans, — Mata-oWang, lett. oog, v. d.: 
het voomaa^mte, van het geld, vergel. dewang N°. 1» 
V. d. zilver, klinkende munt; bijv.: djaï m^ta-oe- 
wanna, hjj heeft veel klinkende munt, (Inl. Wetb.) 

Assoeng si-mata, een rijstblok met één oog, d. i. 
één gat; v. d.: een klein rijstblok, — Mata-l^lang, 
lett.: oog van den weg; v. d.: gids, loods, — Mata- 
kawo. Vergel. kawo N°. 2. 

Ook met de benaming van mdta bestempeld : 
de drietallen kaarten van dezelfde soort in het 
kówa-gónggong-^^l, 

Mata-mata, lett. : iets dat als 't ware een oog is> 
iets dal ons als *t ware de persoon voor oogen stelt , 
een geschenk tot aandetiken; bijv. : na-kiparéki mata- 
mata, beschouw dit als een aandenken. Zoo ook: iya- 
mónne boli p&ré-mata-m&ta ri-nakke, bewaar dit 
tol een aandenken aan my. 

Amita, mimllta, des nachts waken. (Hap.) 

AmlLta-mata, als H ware waken ; v. d. feestvie- 
ren ; dewijl de feesten der Inlanders ook des nachts 
voortduren. Van daar: amata-mata dj end, wakeu 



S46 



en feestvieren bij de öadkidp en dja^dkkan^, be- 
stemd voor 't bruidspaar, op den derden dag na 
het ndi kalénna b(feniitTga. Zoo ook: amata-mata ka- 
libong , waken en feestüieren bij de kuilen voor de 
palen , den nacht voordat men die des morgens in 
den grond zal zetten. Zoo ook: dmata-mata-ka- 
roentigi , tcaken en feestvieren by géUgenkeid van 
het roodverwen der nagels met karoentigi^ hetzij in 
de dagen van het trouwen, hetzij drie dagen v<5dr 
de palappdssang. — Ei-m£mllta-matakoe , toegens 
myn feestvieren. 

(2° mata), bep. mataya, raaute, onrijp, ongaar, 
ongekookt. (Boeg. idem. Mal. mantah, Jav. tnentah,) 
Bijvoorb. : saldbwara s^be-mata, als 't ware eene 
broek van ongare zijde, d. i. : een' broek van de 
slechtste soort van zijde; staat tegenover: saldbwara 
s2be-tin6. Vergel. ttnó. — Boel^ng-m&ta, als 
't ware: ongaar goud, d. i..* goud van de slechtste 
soort; V. d. zUver, 

\y ^\ (mantang). Vergel. dntang. 

\^ >\ (matti). Vergel. du{l>l\ 3. 

%• rs (!*• matoe). — Matoe-m&toe, bep. ma- 
toe-mato'fewa, vnw. mSltoe-mato'fengkoe, nut; bij- 
voorbeeld: taêna natjini m&toe-matoe, lett.: hy 
ziet geene nuttigheid, v. d.: hy ziet niets van eenig 
nut; V. d. hij ziet niets. (Koran.) — Ta-mingHs- 
seng m&toe-matoe , onbeschaafd. 

Amatoe-md.toe , nuttig. 

Pamatoe-mato'bwang, het nuttig zijn, nut. 

(2° mlltoe). — M&toe-matdfewang, veronachtza- 
men, weinig werk van maken , Boeg. idem; bijv.: 
talaio noemêltoe-mato'bwangd , gij veronachtzaamt 
mij al te zeer. — Talaio noemiLtoe-matdëwangi 
pa%gadbkanga , gij maakt al te weinig werk van 
de zaak. 



\^/N (mattoeng), amlLttoeng, dmattoeng- 
mattoeng, gebezigd van het geluid van katumnen 
en andere schietwapenen, van het geluid van het 
paddie-stampen, van het geluid van de gorig, wan- 
neer die valsch en kortaf klinkt (Djay.) , van het 
geluid van 't trappen, enz. Boeg. mdbattoeng, idem. 

\^r\ (m&ntoe), bep. manto'bwa, vnw. man- 
to^ugkoe, = mtntoe, schoonzoon. 

\y\^\ (mate), bep. mateya, vnw. matêng- 
koe, sterven, dood. Boeg. idem. Bijv.: m&te-lima, 
of: bd^ngkeijgy verlamd aan hand, of: vod. — M&te- 
b&mbang, dood van hitte. — Mllte-tirêre, dood van 
dorst. — Mêlte-Qipoerde, dood van honger. — Bdfe- 
yang mSlte, vuüe kaarten, bijv. bij het patóewi-apel, 
lett. : die zoo goed als dood zijn ; daar zij uitge- 
speeld zijn, en nu maar op de tafel blijven liggen, 
totdat het spel uit is. — Mate-pokó, lett.: dood 
aan den stam; v. d. gebezigd van iemand, die stn- 
potens is. — Mate-&ka» lett. dood aan den wortel; 
V. d. insgelijks impotens. — Toe-mate, een doode; 
V. d. : antoematêyangi, voor iemanc^s begrafenis zor- 
gen (Rap.), en v. d. wederom: patoematêyangi» 
iets, bijv. geld, bezigen, of: besteden, voor iemand's 
begrafenis, — Taoe-m&te-siya-siya, een zelfmoorde-^ 
naar. (Mal. mdti tiejdda saldmat) — Mate-mi, lett. 
hij is dood; v. d. zoo goed als dood; v. d. heeft ge- 
brek; bijv.: namate-minne pangatainna Toe-ma- 
lompowa ri-P61ongbangkeng, de onderdanen van 
den Gouverneur in FóUmgbdngkeiig hebben gebrek. — 
Aan de toptafel wordt dit mdte-mi gebezigd , wan- 
neer iemand gooit : twee éénen , twee tweeën, twee 
vieren, twee en één, — M&ntang-mi mate ri-tompo- 
daseré, hij blijft^ of: lerft nog, doch is zoo goed als 
een lijk, dat nog maar boven aarde , letterl. boven op 
de vloer van het huis, staal, om zoo aanstonds be- 



247 



graven te worden; van daar: hij is reeds zeer ottd 
en zwak. — Mate bainneï, zij sterft als vrouw, 
d. i.: op hei kraambed, — MHe-hoGTVLunei, hij sterft 
als man, d. i. : op het slagveld. — M^te-tÜdbrangi, 
zy sier/t beladen, d. i.: zioanger. — M&te-d^ra, op 
huwbaren leeftijd sterven. Gebezigd van jongens 
zoowel als meisjes. Deze uitdrukking doelt hierop 
dat het vooral te bejammeren is (, vergel. ddra 
N". 1), wanneer iemand op het best van zijn leven 
komt te sterven. Deze uitdrukking wordt ook van 
hertebeesten gebezigd die hun natuurlijken dood 
sterven. Men zie ddra N® 1. 

M^te-kal^bi-ldbirangi, h\j sterft op het best van 
zijn leven, = ndte-ddrau — Tjinna-m&te. Men zie 
^mna N°. 3. — M2lte-ko, mate koetdfela, letterlijk: 
moogt gij sterven eniku overleven/ NB. scheldwoord 
eener vrouw jegens haren man. — M&te-ko, mate 
koekarappde , moogt gij sterven eniku aan stukken 
b^tenl NB. insgelijks scheldwoord eener vrouw je- 
gens haren man. — M^te-ko , mate koepariyoló- 
wang, moogt gij sterven, en moge ik u maar vooruit 
laten gaan ! NB. Ook al scheldwoord eener vrouw 
tegen haren man. — M&te-ko, nas&mbang poWa, 
moogt gij sterven , als *t ware de pest tot halster 
krygende, d. i. moge de pest u wegsiepen/ NB. 
insgelijks scheldwoord eener vrouw tegen haren 
man. — Mdte-ko nalöllong dj ing! moogt gij sterven, 
door een djiiig (, men zie dj ing N". 1 ,) beetgepakt 
wordende! Insgelijks scheldwoord eener vrouw je- 
gens haren man. — Mate-ko, mllte nit^bangkaiig! 
moogt gij een* onvencachten dood sterven ! NB. Ins- 
gelijks gebezigd om uit te schelden. — Allo-miLte, 
lett. sterfdag, d. i. : dag, waarop iemand sterft of 
zal sterven ; = dUo-tfenjdjoerdé ; = dlMnfelé. — 
T^lloem-b^ngi ta-matênna bdblanga , drie nachten 



vóór het sterven, d. i. : vóór het einde der maand. — 
Na-2Lnjdjo biQar&ya, niyi-mi sampdfelo taoeng ma- 
tênna, wat die zaak betreft, dezelve is reeds tien jaar 
dood, d. i. tien jaar geleden. — PasidjSii mS-te , zoo 
zamennaaijen, dat het niet meer los kan. 

Ta-mate, lett. niet sterven, soort van heester, al- 
dus genoemd wegens het ligt wortelschieten van 
deszelfs hout. Ook aldus genoemd één der rówe- 
róweWs. 

MSlte-mate, a) doen alsof men sterft, overeenkomst 
hebben met iemond die sterft; bijv.: mslte-mate dja- 
ngang, lett. zijn als een kip die sterft; v. d. de val- 
lende ziekte hebben; 

b) gedurig sterven, in grooten getale sterven. 

Am&te-matêyaiïg, ergens sterven , in grooten ge- 
tale, de een voor, de andere na. (Bap. K. G.) 

Kamatêyang, a) het sterven; byvoorb. : êrang- 
kamatêyang. Vergel. érang. — - Kam&teysLnna bdfe- 
langa, het sterven, d. i. het einde, van het licht, d. i. 
tegen nieuwe Maan. 

b) sterven aan; bijvoorbeeld: nakamatêyang 
anjdjo 16koka, hy zal aan die wond sterven, die 
wond is doodelijk. (Inl. Wetb.) — Ldko-koekama- 
têyang, wond waaraan ik zal sterven. — M^ka koe- 
kamatêyangi garringkoe , zou mijne ziekte doodelijk 
voor mij zijn? lett. zou ik aan mijn ziekte sterven? 
— M&ka koekamatêyangi ri-garrliïgkoe, idem. 

c) een sterfgeval in zijne familie , of: onder zijne 
huisgenooten, hebben-, bijv. kamateyanga, ik heb een 
sterfgeval in mijne familie, of: onder de huisge- 
nooten. 

Kamatêï, ergens sterven, bijv.: ta-nakam&teiyaï 
têdong, daarin (, d. i. t» die kraal,) zullen geetC 
buffels sterven. — Anjdjóreng ri-nakamateiya, op 
de plaats waar hij gestorven was. (M^di.) — Po'bnna 



348 



toc-nipanroepaya nakamatcï kananna , koepitabaï 
hdbkoeng, zoo bij hem, ten wiens huize men het ver- 
miste goed herkend heeft, het woord als H ware op de 
lippen sterft, d. i. zoo hij zich niet weet te verant- 
woorden (, zoo hij niets tot zijne verontschuldiging 
weet te zeggen); zal ik hem straffen. 



Mótoitg ligt, is mij onbekend; misschien heefib men 
wel te denken aan het in ?. d. Aa's gec^raph. 
Woordenb. vermelde Mothon, dat aldaar genoemd 
wordt een vorstendom op de Noordoostel^ke land- 
tong van C^lébcs. 

\^ \ ^\ ^ (mantcga), bep. mantegaya , 



Pamate, doen sterven, dood melken, dood verkla- 't Port. m^nteiga, boter. Boeg., Sund., Mal., en 
ren, voor dood houden, bijvoorbeeld: ponna napa- | Jav. idem. 

m^te-mo patanna barang, zoo de eigenaar van het \X ^\ ^ ^ (matagd^n), bep. matagdbrika, 
goed den hu^ko^dk voor dood houdt, d. i. hem af- ^isX.,== panrtta, timmermansbaas, \it\z\}YOorhdzen, 
schrijf L (Rap. T. Dj.) — Talalo noepamlite-sin-kél, oi schepen. 



gij maakt dat ik my dood schaam, v. d. ^' doet my 
vreeselij ke schande aan. 

Pamatêyang, sterven ten opzigte van ietnand, d. 
i. : iemand door den dood ontvallen; bijv. pamatê- 
yang4ndki têdonga, de buffels sterven Iiem, of: by 
hem, als jongen. 

\^^s (mmtoe), bep. mintdbwa, vnw. min- 
tdbngkoe, schoonzoon of schoondochter. Mal. me- 
tiantoe, Jav. mantoe, Sund. minnantoe. Boeg. mê- 
n&toe, idem. 

Minto'bwang, tot schoonzoon, of: schoondochter, 
maken^ als schoonzoon, of: schoondochter, beschou- 
wen, tot schoonzoon, of: schoondochter, hebben; 
bijv. : koemintdfewangi , ik heb hem tot schoonzoon. 
— lyanoe nimintdbwangi ri-nakke, N. N. is schoon^ 
zoon van mij. 

\X r\ (mdlïtoeng), welligt af te leiden van 
bdetoeng N°. 2, vergel. boven: branden, schroeyen, 
aanbranden, verschroeien (Tam.); bijvoorb. : k&nre- 
mo'btoeiïg , aangebrande rijst. 

\\^\^\ (mête'). Vergel. êté. 

\\y\^\ (mênteng). Verg. ënteng. 

NX "\ •s 'N (Motong) , naam eeuer plaats ; v. 
(1.: boeUinTg Mótong. Men zie boeldeng. — Waar dit 



%• •s ^ XO C^ (mdt&ppa-dj&roeiig). Vergel. 
tdppa W. 2. 

\^ r\r\^^ (matatt&kang), dus genoemd het 
ryksvaandel van BinlLmo, één van de drie Toera- 
têyasche rijken. (Kei.) 

%• r\ «^ (moetiyi), bep. moetiyaka, = wof- 
tiydra. 

\^y\^^^ (moetiySlra), bep. mdbtiyar&ya, 
= moettgd,parel,'Boeg. idem, Mal. moetiejay of: moe- 
tiejdra,Jsiy. mote,moetjara, oïmoetiara,^\iTid.moetja- 
ra, Sanskr. moetga.—Kdéli-moeiiykn, paarlemoer. 

\^ ^\h\ (mS.ntari), bep. mantariya, het Mal. 
mantrie, minister van een vorst. Vergel. ook het 
Jav. mantri, plaatsvervanger van den vorst, thans 
titel van een ondergeschikt ambtenaar. Skr. mantri, 
raadsman, of minister van den vorst. 

%• X\ ^ (mmtara), Sal. morgen. 

\^^\r\\^^ (móteré). Vergel. éteré N°. 2. 

%• 'N rs *^ (motdlld), bep. motallaka, 't Arab. 

^J)Jlh«), generaal, algemeen ;h\]y .-. wükkili motS-lla, 
een generaal gemagtigde. 

\^X\^^^^ (matowang), = het Mal. men- 
toewakh, schoonvader of schoonmoeder. Boeg. ma- 
toewatlg, idem. 



349 



Toe-pam&to-matow&nna, hunne tcederzijdsche 
schoonouders. 

\^ vv (mada), bep. madaka, toebereide opium y 
opium vermengd met ètroe-èlad. Boeg. idem. Mal., 
Sund., en Jav. mddat. 

Am^a, opinm-achuioer. 

Madakang, bezigen om opium voor te schuiven, 
bijv.:^(f/</. (Eap. T. Dj.) 

Pamada, opium-schuiver. 

\^ ^V (madang). Men zie ddaiiy, 

\^ vv (mandang). Vergel. dndang. 

%• vy (mêlndi). Ase mandi. Vergel. dse, 

>>• ^V 'N (mado). Vergel. ddo, 

>>• vv ^ (mando), bep. mandowa, naam eener 
soort van sabel of houwer , zooals de Dayaksche 
koppesnellers gebruiken. 

^\^ ^y (meda). Vergel. édd N°. 3. 

%• ^ NV (monda). Amönda-mónda, achterover 
liggen te spelen, bijv. geb. van kinderen; lui achter- 
<mer liggen, bijv. ook van groote menschen gebe- 
zigd. Boeg. idem. Vergel. het Sanskr. manda, 
traag, loom. 

N^'N^VN (mondó), neigen, eene ligte bui- 
(png mei de knieën maken, zooals door de dansers 
en danseressen geschiedt. Van daar: adj&ppa 
mondó-mondó, Zo(^e»a^ff^e»^e, telkens eene kleine 
btdging met de knieën makende. Boeg. idem. Vei^el. 
het Jav. mandat, buigen, inbnigen, door de zwaarte 
van een' last. 

N>^V\^^ (mandike), bep. mandikêya, 
't Mal. mandiehie, watermeloen. Boeg. idem. 

>• NV ^ ^ (mandappong) , figuren van dun 
«geslagen goud , die ergens los op gelegd kunnen 
worden. — Kdnj^ng mandappong. Men zie kdnj- 
rjing N^ 1. 



sy ^ VN /:5\ (mandonoe). Bdbyafïg mandonoe, 
verguld papier , = salasdrri. 

\X vv ^ (mando'bra), écn van de dertig soor- 
ten van kaarten bij het patohci-, en kóica-góng- 
goug-speh 

%• % ^V *^ (modald), bep. modalaka, 't Mal. 
módal, inleg ^ ingelegd geld , fonds, kapitaal, (Kei. , 
Bap. T. D^.) 

\X W ^ •• (mandalika), bep. mandalik&ya, 
een' vergiftige oneetbare vrucht; v. d. : zinnebeeld 
van een meisje, dat veel aanzienlijker of rgker is 
dan hiij, die naar hare hand dingt, zoodat de 
pogingen van den minnaar naar alle waarschijn- 
lijkheid zullen mislukken. (Sinr. K. G., Kei.) 
Boeg. idem. 

\xvy^ (mand&ï), naam eener negrie iu 
het Tellosche, bekend wegens hare saguweer; v.d. 
bdUó-Manddi. 

%• /^ (manna). Men ziemaw^N**. 2. — Aman- 

na, = manna, 

t 

\y ^\ (m&nang), = parapam^ï, overeenstem- 
men, het ééns zijn; bijv.: l&nri manSlnna-mo t&oe 
tj^iya, dewijl het kleine volk H eens was. 

Manaiïgi, of: manang-manangi , gezamentlijk 
iets doen; byvoorb. : mllnang-manaiïgi anjdjo dja- 
manga, dat werk gezamentlijk verrigten. Vergel. het 
Boeg. mdnang, alle. 

\y^ (1° mêlni). MS,ni-mani, bep. m&ni- < 
manika, koraal. Jav. manni, edelgesteente, het edelste 
van iets, Sanskr. mmi, manih, edelgesteente, juweel, 
peerl. 

' (2° m&nni), bep. manniya, 't Arab. j^, sperma 
genitale. — Teyaï m&nni-taoe, b&rang manni-kong- 
kong , geen menschelijk zaad, wettigt maar honden- 

zaad. Aldus soms een man uitgescholden. NB. 

32 



260 



Volgens de rLuü^l v;jyo zou het sperma geni- 
tale uit vier bestanddeelen zijn zamengesteld: 
V manikangy waaruit het hart zou voortkomen; 
2® manni, als oorsprong SAnaderen, hersenen, lever, 
tong, darmen; Z"* wddoe , als oorsprong van Aiarf, 
heenderen, tanden, navel; 4" wadi, als oorsprong 
van bloed, vleesch, aangezigt, oogen, nieren, (Maoet.) 

(3** m&ni) , = hddji, bijv. maninna naniya tdb- 
wang , het ia goed dat manheer er is, — Maninna 
ta-ïn&kke, = ba^lna torindkke, Vergelyk bddji 
N*. 1. (Sinr.) 

^•/^^ (mdbnoe), = dppd N°. 3, puM, top, 
uiteinde. 

\\y /^^ (mênang). Vergel. énang, 

\\y\^^ {V mêne), zamengetrokken uit: 
mdë dnne, herwaarts, v. d. hier naar toe komen; 
bijv.: tjmde il&de mêne, een Qinde die van Java 
Iierwaarts gekomen is, (Sinr., Tar.) 

(2** mêne), titel van een boek, welligt het 

o 

Arab. ^>Ji-«, collectief meervoud , waarvan het en- 
kelv. x^Ujo, geschenk, welk woord in vele titels 
van werken voorkomt. Vergel. het Jav. mennak, 
idem. (Rap.) 

%• 'N /^ 'N (mono). Vergel. énó, 

\y /Zs^^ (1* milnikang), het Mal. mdnikam, 
robijn, het Jav. mannikem, edelgesteente, Sanskr. 
mdnikja, mdnikjang, robijn, (Midi.) — M&nikang 
kdbnji, topaas. 

(2** manikane:). Men zie mdnni N**. 2. 

NX^si. (manangi), bep. manangiya, soort 
van visch. 

\^ /^ /i>s (maninna). Men zie mêni N°. 8. 

Nèf /ï\ ^ Xi (moen^pe), bep. moenapêya, Arab. 

(JiU^, huichelaar. (Eap. K. G.) 

\^ /^yO^ (maninjdjo), bep. manii^djówa, 



soort van boom, welks bladen als groente en als 
geneesmiddel gebezigd worden, Gnetum Qneman 
L, Boeg. idem. 

\y ^\ <^ (maniyang). Boeg., = 't Mak. iim^ 
boró, 't zuiden, fRap. T. Dj.) 

\y/^*^ (1° Manila), bep. Manilaya, het 
eiland Manila. — Eante-Manila , eene soort van 
gouden ketting, aldus genoemd, omdat die oor- 
spronkel^'k van Manila herwaarts gebragt is. (D. 
Moes.) 

(2"" Manila), bep. Manilaya, het Fort. JlfantMa, 
één van de hoogste kaarten uit het Omi-spel; ons 
Manille, in het Omber' en QMuiW^spel; v. d. 
gebez. als beeld van de geliefde. (Sinr.) Vergelijk 
Sapadüa. 

vv /^ O (1*^ manassa), bep. manass&ya, vnw- 
manass&ngkoe , soort van toop met drie mastten en 
salSmpong. 

(2*" mandssa). Veiigel. néssa. 

\y /^^ O (manisang), 't Mal. maniesan, zoetig- 
heid, in de kelong's zooveel als: djéné-bdm, honig, 
(Kei.) 

\/ /^ O (m&nisi), = pésó N^ 4. 

SX^sO (1° min^), vnw. minasAngkoe, 
wenschen, verlangen. Boeg. mdmandsa, idem. 

Minasaï, a) ergens naar verlangen; bijv. koemi- 
nas&L-do'bdoewi koetanma, ik verlang er zeer naar 
te ontvangen, (Brief.) — Panass^nakoeminasaï, lett. 
naar het zeker-maken daarvan verlang ik, d, u ik 
verlang naar zekerheid, (Brief.) 

b) voor iemand, of iets, verlangen; byv. : tdoe- 
koemin^saiya ri-b^djika, de man wien ik het goede 
toewensch, (Tar.) 

Paminasaï, iemand tot het voorwerp maken, waar- 
voor men iets verlangt; v. d. iemand iets toewen- 



251 



échen; byv.: loe-koepaiiiinasaiya ri-badjika, de \ \\^X^ (inetjé), bep. mê^eka, soort van 
nuMy tcien ik het goede toeweruck. (Tar.) ! pinafïgboom met kleine vruchten. 



Paminasa, bep. paminasHya, vnw. paminasaiïg- 
koe, het wenschen, wensck, verlangefiy hoop, 

(2° minassa), herhaaldelijk , dikwyU; bijv. mi- 
D&88a-ma b4ttoe, herhaaldelijk hen ik er getceest. — 

Djangang-inin(Usa , een kaan die herhaaldelijk 
overwonnen heeft. — Taoe-minassa , een man die 
/ierhaalddijk in den strijd de overtcinning behaald 
heejty een held. — Baïnne-minfilssa, eene vrouw die 
dikw^ls van man verandert. 

N^ /?s ^ O 'N ^ (mdnossörang) , = mdnjoê- 
aêrang. Men zie soasórang. 

vv^ (m&tjang), *t Jav. matjan, tijger; v. d. 
sm^^%ng'mii}8ing, soort van spel dat eenige over- 
eenkomst heeft met ons jeu ^oêsaut. Het wordt 
insgelijks door twee personen gespeeld, waarvan de 
een twee, de ander vier en twintig steentjes of 
schijven heeft. De twee steentjes of schijven moe- 
ten tijgera y de vier en twintig andere menschen 
voorstellen. De tijgers trachten de mensehen ie 
doeden (j émóhnowi mdQauga)^ d. i. de schijven ie 
slaan. De menschen moeten hun best doen om de 
i^gers vast ie zetten (, angkoeragaï). 

Lila m^tjang. Vergel. lUa. 

Mêyong b41o-ma^ang, een kai die zwart, wit en 
geel van kleur is. 

\^^ (m&ttjing), ématQing, en: ^m^t^iiïg- 
matQing, klinken, geb. van ijeer, dat tegen ijzer 
aankomt, van een klok, die slaat, van duOen die 
tegen malkander geschud worden, van eene goede 
stem. Boeg. matQing. Vergel. gamdttJiUg. 

N^^*^ (mc(bnjtj eng), smoel, snoet; bijv.: 
mdfenjtjeng-b&wi, varkenssnoet. — Slgang-mdhnj- 
tjeng, muilband. 



\\y *^ 'N (mêiytjo), a) besmeerd f beklad, zijn; 
bijv. gebez. van een* brief, waarin eenige woorden, 
doorgehaald, of waarop een paar inktvlakken ge- 
vallen zijn; zoo ook van een' deur, die men met 
smerige hand aangeraakt heeft, enz. 

b) besmeren, bekladden; van daar: mênjijowi 
fi-naka, met een mengsel van kruiden zeker teeken op 
het voorhoofd van een jong slapend kind maken, tot 
wering van booze geesten. Dit teeken bestaat nu 
eens in een' Arabische v^ , welligt als het begin 
der woorden: aJüt imaO, enz., in den naam van 
God, enz., dan eens in een' Arabische <• , welligt 
den naam van cV>^, Mohammed, te kennen ge- 
vende, dan eens in andere figuren. 

Menjtjówi, ergens op smeren of: kladden. 

%• 'N *ö 'N (V monjöo^)» ^^9' — Pamónj- 
tjong, bergbewoner. — Pamonj^^nna Mangkasa- 
raka, de Makassaarsche bergbewoners. NB. hieron- 
der te verstaan de menschen bij de koffijtuincn van 
Gowa, te Pênjtjong, boven Bantaëng. 

Monjtjong-mónj^ong, bergje, dat is: heu- 
vel. 

(2° mó^jtjong), kleur, voorkomen; byv.: mónj- 
Qong-bdblo, bamboe-kleur, d. ï.: groen. Boeg. idem, 
V. d.: nimónjtjong-b(felo , groen geverwd worden. — 
Tówa-mónjtjong, donker kleurig. — Djangaiïg monj- 
^ong-silêyd, een haan die groen met zwart gemengd, 
d. i. blaauwachiig van kleur is. Men zie léyóW^. 2. 
— Daraï bdfekkdé, badji m<on]i]o\indk, jammer dat 
hij een bogchel herft,want hij h^efï een goed (gunstig) 
voorkomen. — Tüiggi-mönjtjongi , hy heeft een eer- 
biedwaardig voorkomen. 

MonjQöngi, kleurig maken, v. d.: monjtjöngi 

32 • 



35^ 



anjtljo paradaya, tnaak die verf kleurig ^ d. i. maak, ' \^ % /O "N ^ ^^ (ModjopsLï), naam van het 
dat dezelve een* goede glansrijke kleur ïieeft, bekende rijk van ModjqpdU op Java. 

(3° monjQong), aagwceerliaar , gebez. tot het \xyOr\ (ma^djatting). (Sinr.) — Lêkó 
maken van touw, bezems, enz. ! marydjatting, eetie alechie soort van sierih; v. d.: 

(4° mónj3oiig)f ^ haar dat over liet menac/ie- , èeeld van iemand van dechte inborst, 
lijk ligchaam verspreid is , met uitzondering van \X XO /^ (madjannaiig). Kayoe-madjannang, 
het hoofdhaar. (Djay.); byv.: mentefig mo^tióSg- | vergel.: djdnnang; heet op Bantaëng: rdrd. Men 
koe, mijn haar staat op, oï: overeind, bijv. van I zie rdrd N°. 5. 

koude, of van vrees. — Mónjtjong-mata. Men zie vv yO ^ O (Madjósi), 't Arab. ^y^jo. Ma- 
mdta N°. 1 . , giers. (Tam.) 

%• "^ >• << (mlL^jakiyoeng), aldus te Makas- ! %• /O O *^ 's (mÉLdjassdUo), bep. mlLdjas- 
sar genoemd de tempel van Joosje, een Chineschen < soelowa, een flikkering als van vuur, die de In- 
afgod, landerzich soms, bijv. in geval van ziekte, ver- 



%• yo (madjang), Sal. staan. 

\X>0 (m^dji). — M^i-ko, /o«;v7Boeg. 
idem; byv.: madji-ko êró-niktoa, fod jVsje wilt 
van je laten spreken, — M^dji-ko kdëra^-siri, 
kdferang-pangali, foei! jij, onbeschofte! onbe- 
schaamde! 

\^\yO (manjdjeng), ergens op rusten^ ergens 
op leunen, bijv.: op den rug van de leuning van 
een* stoel. 

Pamanjdjê^ang, steunsel, v. d.: oorxraaX: (Bap.) 

\y •© % (manjdjo). Men zie dnjdjo. 

\^ yO"^ (minjdjo). Men zie dnjdjo. 

W^yO (meelang), tafel. Sund., Mal., Jav. 
medja, Portug. mesa, of: meza, idem. 

Parimêdjang, op de tafel leggen. 

Pamedjaiïgang, soort van dobbelspel, toptafel; 
= padadóetcaiig. 

sy "\ XO 'V (mo^^o). Men zie dnjdjo. 

\yyO^ ^ (1° MaJjapaï), bep. Madjapaiya, 
= Modjopdï. Vei^el. beneden. (Sinr. K. G.) 

Dit Madjapdi insgelijks naam eener kris, wei- 
ligt afkomstig vau Madjapdï, 



beeldt te zien, en welke, uit het ligchaam voortko- 
mende, alsdan een voorbode van den dood zou zyn. 
Boeg. idem. Vergel. s(^lo N°. 1. Verg. ook het Jav. 
maja^ Ucht^ glans, en het Mal. mdja, schim, schaduw, 

\y ^^ (manja). — Manja-manjaï = dring- 
aringi, iets zacht, voorzigtig doen of behande- 
leti; niet hardhandig zjjn. Boeg. idem; bijvoorb.: 
manja-manja noetongko pakeboeka, doe de deur 
voorzigtig digt. — Manja-manjaï baïnnênnoe, = 
manja-manjaï anjdjdmai baïnnênnoe, behandel uwe 
vrouw voorzigtig. NB. gewone raad onder de In- 
landers aan een' bruigom gegeven. 

\y ^ (manjoe). Vergel. Unjdé. 

\y ^^ (minji), bep. minjaka, olij. Boeg. idem. 
Mal. mienjakh. — Minji-i&nsi, jodenlijm. 

Minjaki, iemand met oly besmeren. 

Paminja, het met olij besmeren, bijv.: minjó pa- 
minj^na kar^nga, olij ^^<^ ^^ ^orst om zich m£i' 
te besmereti, 

Pamiujakang, olypotje. 

\y\^^\^ (m^njnjeré), een' visc/isinaak, 
of viscJduchi, ook een' bloedlucïd hebbende; bijv.: 



363 



manjiijercki aganga, lett.: de weg heeft een bloed- 
lucht; geeft te kennen, dat er op dien weg veel 
menschen vermoord worden. — 016-616 m^njnjeré, 
lett. naar bloed riekende beesten, v. d.: verscheurende 
beesten. 

Manjnje-mdnjnjeré geb. van een huisy waar dik- 
wijb lijken zijn; bijv.: a^djoballaka kodi, manj^e- 
manjnjcréki, dat huis ü slecht , er zijn gedurig lij- 
ken. Wij zouden zeggen: het riekt naar lyken. 
Zoo ook gebez. van aarde, waar bijv. een lijk be- 
graven is, of die volgens de waarzeggerij slecht is 
om een huis in te zetten. 

\^ ^ *^ X (manjoeliba). Vei^el. soelibd, 

\y #^ \ *^ <^ '%, f^ (manjaleyori). Vergel. 
saléyoró. 

\^^^ (r maya), bep. m^yaka, 't Arab. 

^:>juo, een doode, een lijk, wel te onderscheiden 
van bdkke. Men zie boven op bdkke. (M^i, 
Kei.) 

(2® maya). ■— Bdbnga maya-m^ya, bep. m^ya- 
mayaya, soort van heester, welks bladen als genees- 
middel en als groente gebezigd worden. 

%• «^ (V* m^yang), de bloem van depinang, 
Jav. idem , Mal. de bloesem van den kokosboom, betel- 
of andere boomen van die soort. Sund. bloesem. >- 
Masappe-mayang, even als een mdyaiig van den 
boom afrukken, afscheuren. (Sinr. K. G.) Vergel. 
sappe N°. 2. 

(2° m^yang), mayang-mayang, aan schijfjes 
snijden. Boeg. idem. 

%• <^ 'N (mayo), mayo-mflyo, gedurig heen 
en weer gaan, heefi en weer loopen, zoo als bijv. jon- 
gelingen doen, om de opmerkzaamheid derschoonc 



/?oe»r(^(^(, vergel. boven oj)poenroró),d.i.m€t trip- 
pelenden gang heen en weer loopen. 

Famayówi, iemand of iets maken tot het voor- 
werp, waarby men gedurig heen- en weder loopt; bijv.: 
napamayówi toe-Djoempandang balalaya, de gul- 
zige menschen van Makassar gaan (,d. i. hier: zei- 
len,) daar gedurig heen en weer. (Kei.) 

\^ «^ 'N (miyo). Vergel. tyo. 

\ \^ «^ (mêya), bep. meyaya, pis. 

TimèysL , pissen. Boeg. téme, idem. — Tdmêya 
batoe, het graveel hebben. — Tamêya-riri, koude 
pis. — Tamêya n^na, kromme druiper. Vergel. 
ndna N^ 1. 

Pameyaug, blaas. 

^^•«'^ (mêyong), kat. Boeg. idem. — 
Mêyong b^lo-matjang. Men zie mdtjaftg. 

Mêyong-mêyong, een insektje, er eenigermate 
uitziende als een kat. 

Amêyong-mêyong, lett. katje spelen, te verge- 
leken met ons : blindemannetje spelen. 

\X ^ «^ 'N (móyo). — Amóyo-móyo,y^/ b\j 
de kim zyn. Boeg. idem; bijv.: dmoyo-moyo-mi 
Alldwa, de Zon is reeds digt bij de kim, d. i. het is 
digt by zes ure 's avonds. — Van daar overdragtc- 
lyk: dmoyo-móyo-mi d.naka, het kind is reeds op 
het punt van uit den moederschoot te voorschijn te 
komen. 

\^ ^ (1° mara), door de Zon, of door koking, 
opdroogen. V. d. gebezigd van: kraal, of gracht, 
of wat anders door de Zon is opgedroogd; als: 
bc^btta ^mslra, aangeslibt, letterl. opgedroogd, land. 
Vergel. paüdta. — V. d. ook gebez. van: vleesch, 
dat in water gekookt is tot dat het droog werd, 
sekse tot zich te trekken. Ook gebez. van slechte Boeg. idem. — Palloe-mara. Verg. pdüoe N°. 2. 
vrouwspersonen. — Mayo-mayo pocnr6r6, als een — Dingiiïg mamara, droogt koude. 



354 



(2** mara), welligt in sommige woorden als 
voorvoegsel te beschouwen; men vergel. onder 
anderen: maraséloHff, van têlang^ duiken^ zoo veel 
als: duiker^ soort van v<^el, die zeer sterk in Jut 
diaken is. Men vergel. ook tnaradjéUd^ mara- 
bdkd^ enz. 

(3** marrd), bep. m&rraka, paauw, Sund. en Jav. 
merak^ Mal. tnerakk^ idem. 

%• ^ (1* m^rang). Verg. aran^ N*. 1. 

(2** marrang). Vergel. drranp N°. 2. 

\X ^ (manra). — KaroAnra, bep. kamanr&ya, 
shtk van een paddieveld^ dat iemand, volgens de 
verdeeling van den arbeid, voor zjjne rekening 
krijgt om te bewerken. (Tar.) Van daar: kaman- 
r&na, overdragtelijk: iemand^ 9 taak, 

\^ \ (V mari). Vergel. dn N^ 2. 

(2** m^rri), r^êtpUmten, 

PamUrri, rijstplanter ^ landbouwer, 

Pamarriyang, r^atvdd. 

%• ^ (1® m^ring), = dkdbüe, kunneny wogen; 
bijv.: m^ring-dja antslma, t^ mag immers wel èin- 
nen komen, — M^ring-nipamopporang , verschoon^ 
lijk. — M^ring-töngki nikiyó, nu, g^ kunt ook ge^ 
roepen worden, d. i.: gjj laat u ook wel roepen. — 
M^ring-töngki nipib&ngo-b&ngo, g^ kunt ook ge- 
fopt worden, d. i.: gij laat u ook foppen. 

(2^ m^ring), wiUen, toelaten (, vergel. het Jav. 
pareng, er genoegen meê nemen, bewilligen) ;h^v.: 
têya-k6 nilri% nipanaiki, wü u niet laten aanval- 
len. (Bap.) — Têya-kd m^ring sal^sa, wil mij niet 
sofuler hoop laten. (Tar., MÜdi, Dat. Moes., Sinr.) 

%• ^ (mSLroe), bep. marcfewa, a) eene vrouw, 
die niet de eenige ecl^tgenoote van iemand is, maar 
dit lot met anderen deelt; 

b) een man wiens vrouw het met een ander 



houdt, die dus als 't ware het bezit zijner vrouw 
met een' ander deelen moet. (Rap.) Boeg. idem. 

Vergel. *t Mal. mddoe, veelw^jver^, en het Jav. 
maroe, benaming, welke onderscheidene vrouwen 
van één man elkander geven. 

Am^roe, a) meer dan ééne vrouw tegelijk hebben ; 

b) het met neer dan één man houden. 

Mardbwang, mede-echtgenoote zijn met; vrouw 
van één en denzélfden man zijn tegelijk met; bijv.: 
iya-keng koe-t&-namarc(fewa^, nabirisi-dja ri-n&k- 
ke;onjdjöngang-minne siLllang, ka-namard^wangd, 
zelfs toen z^ nog niet mijne mede-vrotiw was (, d. i. 
toen de vorst mij nog niet nevens haar tot echtge- 
noote genomen had,) haatte zij mij reeds. Hoe 
veel te meer zal zy dit dan doen, nu zij mijn* mede- 
echigenoote wordt (, d. i. nu de vorst ook my , ne- 
vens haar tot vrouw neemt). (Bid.) 

Pam^roe, meer dan ééne vrouw tegel^k tot echt- 
genoote hebben; b^v.: napamSlroewi rdbwa sisaribÉlt- 
tang, hy had twee zusters tegelijkertijd tot vrouw. 

\y ^ (m&rroeng). Vergel. drroeitg N**. 2. 

\^ ^ 'N (mteo). Vergel. drró N^ 1. 

\X^ (minra). Men zie: tnra. 

%• ^ (mm). Vergel. iri. 

<• ^ 'N (minro). Vergel. inro. 

\y^ (V mdferi), timdbri, glimlagchen. — 
yL(kn-moenvLoe,vw glimlagchen. (Tar.) 

(2° mo'bri). — Mdbri-mdbri, bep. mdferi-moerïya, 
soort van struik, welks bladen gebezigd worden 
YOOT paloeldkwi, wegens de beteekenis van tdmóbri, 
te weten: die van gUmlagchen. Vei^el. mdèriW. 1. 

vv^ (mdferoeng), mamdbroeng, = mdmar- 
roer^ = mdmoé. Vergel. drroeng N". 2 en mémoe, 

\\^^ (mêra), 't Mal. mejrah, rood; v. d. 
mamêra, = dpangatfjöï, sierih kaauwen. (S. Tjin). 



255 



"^ \^ C^ (mêroe), ainêroe, zich tutrekken. 

\\^\^ (mêré), = mdkkang^ zwijgen^ ergens 
genoegen meé nemen, 

\\^\^ (mêreng). — MSlme-m^mêreng, of: 
amêreng-mêreng, geb. yan het ratelen des donders, 
(Tar., Sinr.) Zoo ook geb. van het geraas van tal- 
rijke krijgsscharen, (Madi). 

\ %• ^ 'N (1° mêro), imêro, Toer. slepen langs 
den grond; gebez. van een kleed bijv.; ook van de 
voeten. Men vergel. hêro N®. 2. 

(2* mêro). — - Pamêro, bep. pamerówa; moest 
eigenlek zijn: pamera, en = pangaiffaï, sierih met 
toehehooren voor een pruimpje, (Bap. K. G.) Yergel. 
l)oven op mêra. 

NsX 'N ^ (mónrang). Men zie: ónrang. 

%• 'N ^ 'N (1° monJ), 4mórd, snorken^ brvüen. 
Ook geb. van het geschreeuw van een hertebeest, 
dat loopsch is. Boeg. md^óró, idem. —- Ajnöró- 
mÓTo, als 't ware brullen , v. d.: brommen , knor- 
ren ^ ontevreden zijn; geb. van menschen, 

(2° moro), bep. morówa, soort van duivel ver- 
dr^ ver, van bamboe gemaakt. 

^V ^ ^ ^ (mórong), mdmórong, zitten, (Sinr.) 
Pasimórong, doen zamemitten^ v. d. te Bonth. m- 
pawnórong gebezigd van het eerste zameneitten van 
bruid en bruidegom; alzoo = na/ kalênna bdhUu^a, 
Veigel. «fl/N°. 1. 

N^^^^X'N (M&rangkabo), bep. M^ 
rangkabówa, het Mal. Menangkdbau, de naam van 
een Maleisch koningr^k, in het binnenste van Su- 
matra. 

\^^^f<^ (marakdfeyoe), bep. marakoe- 
ydbwa, soort van boom, 

\^\^\^ (Marêgé), bep. Marêgeka. Al- 
dus genoemd een volkstam van Nieuw-Holland, 



die zich bijzonder met tripang-visscherij bezig 
houdt; V. d. Pamarêgé, tripaitgvisschers in 't alge- 
meen. Vergel. tanpang, 

N^^i^O (1** moenrangasa), bep. moenra- 
ngasaka, = katoenr&pala, doch in geringer graad. 

(2^ moenrangas^) , gebezigd van het overeind 
staan van het haar dat over het gansche ligchaam 
verspreid is, met uitzondering aUeen van het 
hoofdhaar. Men z^t bijv.: moenrangasa boe- 
Idfenna, = menteng boeldhnna, of: monjQdnna. Ver- 
gel, ënieng, 

^V^^^^'N (marap&wo), bep. marapa- 
wowa, naam eener soort van boom, 

\^^X^^ (marabllk^), bep. marab&kaka. — 
Kiti-marab&k^, groote soort van eend. Men zie ma- 
radjdld, 

%• ^ •s 'S ^ •• (maratongkeng),naam eener 
slingerplant met welriekende bloem. 

N^'N^'N^sX (morotiba), bep. morota- 

baka, 't Arab. &oyo, rang^ aanzien, (Bap.) 

^V ^ X ^V •• (maradêka), bep. maradekSlya, . 
vrij. Boeg. idem. Mal. mardahejka^ Jav. mardika, 
— Djangang-maradêka, hoenders, die men te 'Qa- 
lêndoe-lêndoe, of te Palambêyang, of op andere 
heilige plaatsen, bij wijze van offerhande, vrij-, of 
los-gelaten heeft. 

Maradekang, of: p&kamaradêka, of : pamara- 
dêka, vry maken, 

vv ^ \ ^C/ X ^V (maradêdé), bep. maradêdeka, 
soort van geneeskundige plant, het Mal. ifdkar- 
bejbekh. Veïgel. beneden ^dkard N^ 1. 

\^^y^ (mar&nd), bep. mar&naka, wariengien- 
boomj olifiens Indica, 

vv%s"^ (mariQa), bep. mariQ&ya, peper. 
Boeg., Jav., Sanskr. idem. — L&da-mari^a. Ver- 



35G 



gelijk Idda. — Maritja-kidong, = pamoekoesde , 
ëtaartpeper, • 

\y^yO (maradjang), koraal, koralen. Pers., 
Arab., Mal. ^l^wo, Jav. en Sund. marjan, 

\^^yO ^^ (maradj&la) , bep. maradjêllaka. 
Kiti-maradjala , kleine soort Tan ecTuf, Men zie 
maraèdkd. 

%• ^ ^^ 'N (marinjo), bep. marinjówa, al- 
dus vroeger de Europesche schout van Makassar ge- 
noemd. Verg. het Port. meirinko, een geregtsdienaar. 

\y ^ <^ (mariyang), kanon, geschut. Mal. en 
Sund. mariejam, Jav. marijem, idem. — Ana-ma- 
rïyang, kanonskogel, —- Mariyaiïg-gflssa, kanon van 
gdssa. Verg. gdssa. Aldus genoemd onze kanonnen. 

\y ^ <^ (moeriyang), oniwaken, opschrikken 
uit den slaap. (Tar., Kei.) 

\^^^\^^ (maralike) , bep. maralikêya, 
naam eener soort van timmerhout, 

\^ ^ ^s^ r\ (maraw^nting), jong uitspruitsel 
van de bladen der palmen en andere boomen. Ver- 
• gel. bómboiig, 

%• ^ ^^^ O (manriwasa), bep. manriwasaka, 
naam eener soort van visch. 

\^ ^ O (1° m^rasa), bep. m^rasaka, diarrMe. 
— M^ras^^^ra, èloed-diarrhée , of : dysserUerie. 
Vergel. ijêrd. — M^ras^ dferoeso'e, lett. slijm- of 
snot'diarrhée. Vergel. óhroesde N**. 1. 

Amarasa^ of: dm^ra-m^rasd, diarrhée hebben, 

(2° marrassd), am^rrassd, in ontzettend groote 
menigte aantoezig zijn; bijv.: dmllrrassaki poero'bna, 
//y is vol met zweren, ^ Am&rrassaki rappónna, de 
boom is beladen met vruchten, ^ Amarrassaki kitika 
ri-balanga, de kraal is vol met eenden, — Amarras- 
saki djdbkoeka ri-pangêmpanga , de vijver is vol 
met visschen. 



vx ^ O ^ (marasapi), bep. marasapiya, soort 
van paling. Deze soort nooit gegeten door den In- 
lander; de kaléiïgkere daarentegen wel. Volgeus 
sommigen heet deze paling in het Makass. niet: 
marasapi, maar: masdpi, evenals in het Boegin. 

\^ ^ \ O *^ (marasêlang), soort van tcater- 
vogel met langen spitsen regten snavel en glim- 
mend zwart. — Ook is er eene soort met witten 
hals en witte plekken op de vleugels, te Makassar 
genoemd duiker; van sélaiig, duiken. Men vergel. 
mdra N®. 2. 

\\y ^ O O (mênrasasa), bep. mênrasasiLya, 
= oras^; v. d. naam eener kris met vergiftigd 
lemmet. (GG.) 

v^ ^ X^^ (marSlëng), ander ^ anders; bijv.: 
taëna mar^ng koeranndbwang , er is mets anders 
waarop ik vertrouw, enz. — Nipakkiiïg ri-maraëng, 
ergens anders in gegoten worden, — Na-ta-mdkoel- 
lêya naëraiig maraëng sawiya , de matrozen kunnen 
het [, d. i. hier: hunne zaken of: kwestieus,] niet el- 
ders, d. i.: voor een' anderen regter, brengen, (Rap. 
T. Dj.) ■— Maraëng na, ander, anders dan; bijv.: 
tinang dbi^airil siyagang boerê.nne-maraëng , na- 
kar^iiga, t^ heb nog nooit met een' ander' man ge- 
sproken dan met den koning, (Bid.) — Apa mara- 
ënna ik2k)e siyagang I-MoekMdang ? JFat is er van 
u en van I-Moekdddang , dat anders is? d. i.: wat 
is het onderscheid tusschen u en I-Moekaddaiig? 
NB. hier volgens het verband : wat kan het sche- 
len of gij, dan wel, of I-Moekdddang haar trouwt ? 
(üjay.) — Taëna antoe maracnna ilS-öe ri-Mari- 
Qaya, nanrinni (, = na-anrinni), lett. of zy te Ma- 
ri^dya dan wel hier zijn , geen van beide is anders ; 
di. ï, het maakt geen verschil uit, of zij te MarUjdya, 
dan wel hier zijn, (Brief.) — Êraiïg-mi anraï 



257 



nn^koe, taëna maraënna ri-ball^ta, breng mijn kind 
naar uw hfds , het maakt geen verschil uit of het bij 
u, dan wel bij mij is. — Taëna masing-maraënna, 
of nog beter : ta-m^ing-maraengai, zij zijn volstrekt 
niet van elkander onderscheiden, verschillen volstrekt 
niet van elkander. 

Maraengang, hetzelfde als: mardèng, maar meer 
met het oog op datgeen waarmede iets vergeleken 
wordt ; bijv. : maraëngang na-iya anjdjo , anders 

A 

dan dat. — Maraëngannxlya lidéw&ng, anderen dan 
mijnheer. — Bi-maraëngilnua pole, onder meer an- 
dere, te weten: dan de, of: het genoemde, d. i. : «ii 

A 

meer deraelijke. — La-koesllre-ko maracnganga , ik 
zal u iets anders geven, te weten: dan het vermelde. 
NB. alleen te bezigen, wanneer er meer dan twee 
dingen zijn, waaruit men te kiezen heeft; anders 
gebez. sérêya. Vergel. sere N**. 1. 

A 

Parim^aenganga, zijn vertrouwen stellen in an- 
dere dingen, te weten: dan de vermelde. (R&ip.K.G.) 

A 

Kam&raêngang, het anders, d. i. onderscheiden, 
zijn, het verschillen ;hi}y.: kêre kam&raengtlnnasLnne 
kèUanga siyagang &nj5o? wat is het onderscheid 
fusschen deze pen en die? 

MiLra-maraeng, geheel anders, te weien: dan 
gewoonl^k, d. i.: vreemd, zonderling ^ èovennaiuur- 
Igk, wonder; bijv.: m&ra-marflëng papis^ringkoe, 
ik heb eene vreemde, onaangename gewaarwording, 

\\y^ ^^ 'N (merêo)^— Mer&olo dj&nnati, 't 

Arab. IUaJI p\yA, de vettigheid van het Para- 
dijs. (Tar.) 

\y ^ <^ *^ (marah^la), 't Arab. J^yo, een 
dagreize, (Sar.) 

\^ *^ (1** mk]i), slapen, verdoofd, verstijfd 
zijn; bijv.: de ledematen, door vermoeijenis of 
koude. 



(2° m^la), vreezen; byv.:mèltó-mi ri-Auoc, Av 
is bevreesd voor N. N. 

Kamall&kkang, bevreesd zijn voor, ontzag heb- 
ben voor; bijv.: kamallakkangi ly&noe, ontzag heb- 
ben voor N. N. — Nikamallakkang, gevreesd wor- 
den. (Eap. K. G.) — Na-nakoet^nang-töng-mtoo 
ito'bwang toe-Sanrabonêya nakamall^kkaiïga, opdai 
mijnheer ook de Sanrabonier^s vrage, waarom, of: 
waarvoor, zij bevreesd z^n. — Koekamallakkanginj- 
djo, ik ben daarvoor bevreesd. (Brief). 

FimallUkki, vrees doen ontstaan b^ iemand, d. 
i. hem bevreesd maken. 

Pakamalla, doen vreezen; b^voorb.:napakam&l- 
la-ka la-nabcTeno, lett.: hy deed mij vreezen, d. i.: 
bedreigde mij, dat hij m^ dooden zou. 

Piti-malla-m&lla, wi gedurige vrees z\jn, (Brief.) 

Piti-m^Ua-mall&kki , gedurig voor iets bevreesd 
zijn. 

Kamalla-mê.lla , vreeselyk, verschrikkelijk, 

Mall&kkang, of: pamall^kang, bevreesd, een 
lafaard. 

%• *^ (m&lang), 't Mal. mdlam, nacht. — Ri- 
mlllang tcibdjoe-likoroka, Mal. in den 37*^ nacht van 

de maand roemdüang, = het Arab. >(Xiil maJ* 
wordt in de minnebrieven, wegens de beteekenis 
van de Arabische benaming van dien nacht, te 
weten die van: nacht des Baadsbesluiis, gebezigd, 
om het t^'dstip aan te duidjen, waarop 's minnaars 
lot beslist is, met andere woorden waarop hij z\jn 
wensch verkregen heeft. (Tar.) Vergel. ook: ia- 
kddderé en lébai^ N**. 2. 

%• ^ (1* mali). — M^-m&li, bcp. mslli-ma- 
liya, de Leea rubra BI., soort van struik, welks 
bladen wegens de beteekenis van het in klank veel 
overeenkomst daarmede hebbende maUng-millng , 

33 



S5g 



te weten die ?an gedurig om iemand denken^ dik- 
wijls dilspaiómpoló gebez. worden voor meisjes, op 



alléén met elkander a/doen; bijv. geb. van twee vijan- 
den, die, zonder vreemde hulp , te zamen knj<^ 



dat de jonge heeren toch later veel om haar mogen | voeren. 



denken. Boeg. idem. 

(2** mèli). — Kalêleiïg mMi-m&li, bep. mali-ma- 
liya, soort van kaléleng, die in de Oost-moeson 
flaauw en in de West-moeson büi^ van smaak is; 



Sipamdlle-maUêyang ook gebezigd van: men- 
scken of schepen , die zich naast elkander en van 
andere menschen of schepen een weinig afgezon- 
derd , dus in zooverre , eenigermate alleen , of lie- 



V. d.: beeld van iemand, die zeer veranderlijk is, j ver: zamen aUeen bevinden. 

of ook: in unena waar karakter men zich ligt ver- i (3° m&lle), dm&lle, zigibaar worden^ zich ver- 



gist. (Kei.) 

(3° m^i). Boeg. drijven ^ byv. op het water; 
V. d.: pagórrd-méUi^ en paóöerd-mdh. Men zie op 
gérrd N^ 2 en bdkrd N°. 2. 

\^ ^^ (1* m&ling), 't Mal. malim, leidsman, 
't Arab. fjjuo, leermeester. 

(2° mlLling). — Amö.ling-m&llng , gedurig om 
iemand, of: iets, denken; byv.: dm&ling-m&liiig^ ri- 
klLtte, ik denk altijd aan u. — S^rrowi mMing-m&- 
iTng ri-lino, hij denkt nog sterk om de wereld; geb. 
van iemand, die op sterven ligt, en wien het daar- 
bij moeijelijk valt van de wereld te scheiden. 

Pam&lIiïg-malTngi, om iemand bekotnmerd zijn, 

Sipamalïng-malingi, om elkander bekommerd 
zijn; bijv.: ta-sipamllling-malingiya-mi, z^' bekom- 
meren zich niet meer om elkander , ontzien elkander 



toonen. Vergel. talie N°. 2. 

\X *^ ^ (malo). M&lo-möJo, bep. m&lo-ma- 
lowa, soort van klein insekt. 

<• ^ (mïlla). Verg. lUdW.S. 

\^ ^ (müiiïg). Verg. ïlii^, 

\y *^ (mo'^la). Verg. 't Mal. en Jav. moeia , 
oorsprong, begin, Sanskr. m<fela, wortel, oorsprong, 
begin, 

Pak&ramdfela, bep. pak&ramoe%a, begin, aan- 
vang. 

Apak^ramo'fela, beginnen. (Djay.) Boeg. mdpa- 
mokla, idem. 

Papakaramoelaang, bezigen, bijv. een tijd, om 
op te beginnen; als: yiobadjmipapakaramoel^ng, 
dag die goed, of: geschikt, of: gelukkig, is om gebe- 
zigd te worden tot het maken van een begin, d. i.: 



niet meer. NB, onder anderen van twee vechtende j dag, die goed is om daarop een begin te maken. (Bap. 
partijen gebezigd. i T. Dj.) 

V \ *^ (1° m&le), bep. malêya, wimpeltjes \\y *^; (mêloe), bep. meldfewa, een* onaange- 

.. ^ i 

van gekleurd papier , zooals men bij óe kadó-póle's \ namen bijsmaak hebbende. NB. meestal gebezigd 

van het madhdoe-feest aan de adjdkrang's, of: j»a- i van groente. Boeg. idem. 

I 
tódó-baydwo's vindt vastgehecht. \\X X *^ (mêlé), onophoudelijk (, hartelijk,) 

(2** m^Ue), dm^Ue-m&lle, ==i kdle-kalinna, =\lagchen. (Bid.) Boeg. idem. 
dtoenggdler^ , alleen zijn; bijv.: ^Ille-m&lle-mi | Ksunèlé-mèlé, een lagchen veroorzakende, v, d.: 
lamp&na, hij is alleen gegaan. i belagcheUjk, bespottelijk; bijv. : gade kamêlé-mêle, 

SipamiLlle-malléyang , = sipatoenggalèf^, het belagchelijke zaak. 



259 



\ NV \ *^ (mêleng). Vergel. êUng, 

'^ \X '^'N (mêlong), amêlong, of; ^mêlong-- 
mêlong, hangen, afhangen; bijv. : de Idso, oi penis. 
Van daar: Idso-mdmêloiig ; en aldus dikwijls we- 
gens de overeenkomst genoemd : de bélottg, of Mo 
van een tdld-boom (, vergel. bélong N°. 1), gelijk 
ook een' soort van ióbo aan de singkdppó, — Beide 
Idêo-mdmélot^'s gebezigd als medicijn tegen «awo^ïy- 
rdmbo, of: singkdppó. Daarom c^ ziekte ook wel 
eens genoemd : Idso-mdmélong, 

\^ ^ \ ^ (1° mole). Verg. 6U N°. 1. 

(2*^ móUe). Vergel. óüe N°. 2. 

%• ^ ^ ^ {mQVLo), = bêngkoró; v. d. i-moUó 
padja, iemand die niet enkel zwart van kleur is, maar 
bij wien het zwart als het ware met wit vermengd is, 
alzoo : iemand die zeer mooi zwart is, = toe-mdbê- 
sereka padja, iemand bij wien het zwart als het loare 
in strijd is met het wiL (Sinr.) 

\^ ^ ^^ (malikoe) , 't Arab. viJÜLo , koning. 
(Tar.) 

%• *^ "\ •ƒ (Malókoe),bep.Malokdfewa,c?<?Afo- 
luliken, Moluksch, — Asêre-Malókoe. Vergel. sêre 
N*. 2. 

\^^\^ (malige), bep. maligêya, paleis. 
Mal. mdligej, paleis, of, dat gedeelte van het paleis, 
waar de slaapvertrekken zijn. Jav. malige, een troon, 
een gouden stoel, een koepel, (Djay.) 

\^ ^^"^y^ (malaQo'fewi) , bep. mala^oe- 
wija, soort van boom, Loranthus sp,, die gewoon- 
lijk wordt voortgeplant door de vogeltjes, genaamd 
tjóéwi'tjo'ewi , van waar ook de naam mala^ókm. 
Deze vogeltjes eten de vrucht van de malatjoewi , 
de grootte hebbende van een peperkgnrel, en leg- 
gen vervolgens hun excrementa op de takken of 
bladen der boomen neder , met dit noodlottig ge- 



volg, dat hieruit weldra de takken van de maUi' 
Qokwi voortspruiten , en zich om die boomen heen- 
slingeren, totdat deze ten laatste sterven. Van 
daar wordt de malatjöewi [ , hetgeen eigenlijk de 
Boeginesche naam is voor het Makassaarsche ka- 
yoe-poeli, en het Mal. tahie-bóeroeilg ,"] door de In- 
landers ook bestempeld met den naam van karaënna 
kayoWa, de vorst der boomen, de boom voor wien 
alle andere boomen als voor hun heer en vorst moe- 
Hen bukken; v. d. de phrase*. fuUangkéï-mi mala- 
tjdèioi parasmganga. Men zie Idngke, Men vergel. 
voorts kdyoe-póeli, oip pdeli N°. 1 en ^óhtoi-tjltfewi , 
op tjoewi. 

%• 'S *^ "N /O /O (moUo-cijlUiji), dus door 
den Inlander genoemd de slagader in de nabijheid 
van den navel. Welligt verbastering van mifela- 
djddji. Boeg., = pakdramoela ddjdri, lett. beginnen 
te worden. 

\X ^ <^ (maliyang), terugkeeren. Vergelijk 
bdU N°. 4. 

%• *^ 'N ^ 'N (mdblorc5). Verg. olsloró. 

vv ^ ^ (milili), bep. m^lilika , eene soort 
van varenkruid, eene ophiogloss.?^et%t\. Itlt N°. 1. 

\^\^ *^ (malêla), bep. malelllya, sttial. 
Boeg., Mal. en Jav. idem. — Selé-malêla, = r&Sja- 
tdbmpang. Men zie op radja N". 3. 

\x «s^ \ «^ (moel^le), dmoelMe , zich als een 
paard over den grond wentelen, zich heen en weer 
gooijen. (Madi.) 

%• *^ O (m^asa), zijpelen, door zijpen. Uden 
door zijpelen. Mal. melas, idem. Bijvoorbeeld: 
djené-amallasd, water dat ergens doorgezijpeld , of 
ook; water dat ergens uit den grond is opgezüpeld, 
zoo als men dikwijls op het gebergte aantreft. — 
\mattiki padjannaiTga am&llasaki, lett. de lamp 

33* 



druppeU, en zypeli doar, d. i. Ukt. — M^lasaki 
gdëmbanga, hei water zijpelt door de gókmbang keen, 

vv ^ O (mUlisi), veranderen^ verkleuren, B. 
balt f idem; bgv. : Upintd^cijoewi am^isi roepanna 
tósiyallo, d. i. seven maal per da ff veranderde haar 
voorkomen, (Djay.) — Amalisi-mi boelobnna dja- 
ranga, hei paard ia van kleur veranderd. — Nama- 
nMsi-ngaseng B(^gisika, al de Boeginezen veran- 
dereny te weten: yaa party, d. i. vallen af, (GG.) 

%• *^ X ^s^ •• (malaëtó), bep. malaëkaka , 

't Arab. &j2^Cé, 't meerv. van vJ2^, engel. 
(Tar.) 

\y ^^^ (mSlwa), bep. mawaya, naam eener 
soort yan boom, gebez. voor paeórang-póke. Men 
vergel. aórang. 

%• ^s^ (r m&wafig). Vergcl. oMong N**. 1. 

(2° Mawang) , naam van een kraal in Gowa, 
bekend door groote hoeveelheid van tónf^ong- 
bloemen. (D. Moes.) 

\jt ^^^ (mdbwa). Mo'bwa-mdbwa, bep. mdfewa- 
moewaya, vnw. mdbwa-moewangkoe, = mohoa- 
mohcaad, gelaatstrekken , gelaat, (Sinr.); bijv.: 



trekking. — V. d. ook welligt: bainne-moewi, eene 
geUe, wellustige vrouw. — Boer&nne-mdfewi,tf«i^^, 
wellustig man. 

\y ^^^ ^ •• (raoewapllkkang) , 't Arabisch 

kAi\yA , overeenkomen , het eens zijn. 

\y é^^ ^ (m^ward) , 't Mal. en Jav. mdwar , 
rozenboom, roos. (Djay.) — I)jené-m&wari, rozewa- 
ter, — Bcfenga djené-mawari, = bife^a-é^érd. 
Vergel. tfjérd, 

\y^^^O (mo'fewasa). — Mobwa-mcfewasi, 
bep. mdbwa-mdbwasaka, phgsionomie, gelaatstrek- 
ken. Boeg. idem. Vergel. boven op molwa, 

sy#^^ (mawaï), bep. mSlwaiya, naam 
eener soort van boomen, gebez. voor palen en der- 
gel., ook YOOT pasórang^póke. Vergel. sórang. 

\A O (1* masa), bep. mas&ya. — Masa-c(bnti, 
bast van de» pisang-hoom, bijvoorb.: kamma-mi 
masa-dbnti kalênna itcfewang, het ligchaam van 
manheer is reeds als de bast va» den pisang-boom, 
d. i. kilkoud. — Eokóki masa, iets in den bast van 
een' pisang-boom wikkelen. 

{T mh&y — Mèsa-mslsi, bep. masa-masaka. 



mdbwa-moewanna ènjdjo to^wanga siiigk&mmaï ' soort van kleine vischjes. 

tdëwang ly&noe; die heer ziet er even eens uit als (3° masa), welligt het Mal. mdsa, trouwens, 

(, lijkent op,) N. N. \ echter, hoewel, verondersteld, toegestaan dat het zoo 

Koemo'bwa-mdfewai, zyn gelaat staat my voor, \ is, doch tegenwoordig in het gebruik = 't Ma- 
ik ken hem wel, maar ik kan hem niet t'huis kass. mdka'i^^. 1; bijv.: masa la-k&mma, ff oef 
brengen. , zou het zoo kunnen zijn? — M^ la-napakamma 

Simo'fewa-mo'fewa, of: sammoWa-mcfewa , ca» toe-milompowa? Zou de Gouverneur dus kunnen 
één gelaat, of: voorkomen, veel op malkander ge- 1 handelen? Bit kan immers niet. — Masa êroki na- 
l^kend. pasarêyang Éinj^o poetiriy a? Zou 't mogelijk zyn, dat 

NV ^^ (mdfewi), dmo'bwi-mdfewi, trekken, ge- hij die vorsünwilde geven? Immers stellig niet. (Di&y.) 
durig in beweging zijn; byvoorb. : bawdna, ienuuuTs j (4° massa), amassa, slinken, een gezwel byv. ; 
mond. — Zoo ook: dmdbwi-mdbwi padjana d^k- zakken, het water bijv.; verminderen, ingenomen- 
nganga , het achterste van de kip is in gedurige heid of vertrouwen bijv. 



261 



M^a-massa kalênna, (tfoaüen , in gezondheid, \ tigen, zegenen; bijv.: toe-nikamasêyang , begunstigd^ 
in voorkomen. gezegend menach. 



\y O (massaug), dmsUsaiïg, hemmen, 

Amiüssang-massang;, èy herhaling hemmen, 

\XO (massi). Vergel. bdssiW, 3. 

%• O (mlUing), = 't Mal. mdaing-mdsing, een 
f^«^'^; b^v. : mSlsing, of: m^ing-m^ing , ma- 
rèëng ad^na toe-kêboka, lett. in aUea andera, d. i. 
geheel andera, zijn de geicoonien der blanken, 

NV \ O (m^). Vergel. het Jav. aaih en het 
Mal. kdaeh, gunat, ürfde, beminnen, 

M&se, en: mase-m£lse, welligt oorspronkelyk : 
guHêt, Uejde, beminnen; en van daarbij uitnemend- 
heid: gunat en /i^/!;^ jegens ongelukkigen , d. i. me- 
delyden, deemia; en v. d. wederom: die toestand 
waarin men het medeleden van anderen het meest 
behoeft, alzoo : deemiaioaardige ioeatand, (Tar.) — 
THoe-mêisc-mase, deerniawaardig menach, Boegin. 
idem. 

Pamasêyang, het deemiawaardig zyn; yan daar: 
deemiawaardigheid, deemiaioaardige toeatand, 

Pamase-masêyangi ri-Iy^noe, lett. : deemia met, 
of: van wege, ieta doen onlataan by iemand; v. d. 
medelijden met , of: voor, ieta inroepen bij iemand ; 
bijv. : taëna m^ka koebókong. Apa-dji na-koepa- 
miUe-masêyang ri- toe wang, ik heb nieta, om voor- 
raad voor de reia van te koopen. Derhalve roep ik 
mynheer'a medelijden daarvoor in, — Na-anjdjo 
koepamtUe-masêyanga, 25 roepiya, daigeen, waar- 
voor ik vw medelijden inroep, ia eene aom van 25 
gulden. 

Kamase-msbe, deemiatoekkend, deemiawaardig , 
ellendig, gering, 

Kamasêyang, of: d^amasêyang, deemia, mede- 
leden hebben met, zich ergena over ontfermen, beguna- 



Pangamasêyang, of: pangam&se-masêyang, a) 
ontferming, deemia, medelijden, gunat ;hi}v.:peLnga- 
mdseyanna Alla taala, de ontferming, de gunat van 
God. 

b) deemiawaardigheid, deemiawaardige toeatand, 
ramp, ongeluk; byv.: natdbdjoe-töngé pangama- 
sêyang, ook mij heeft een ongeluk getroffen; als: 
het overladen van vriend of betrekking. 

SaLro-mase. Vergel. adro N°. 1. 

\^ \ O (mi-sëng), vergel. ma W, 1 en aëng. 

\y O (mcfesing), het Mal. moeaim, het Arab. 

f^y^, tijd van de verzameling der pelgrima in 
Mekka, en van daar is het in gebruik gekomen 
voor de aaizoenen der regelmatige winden, die naar 
de streken van waar zij waaijcn, Manaim van Aden, 
Guzerai, Malahar, enz. genoemd worden. (Gids 
1846, N°. 5, bl. 359). In onze Oost-Indische be- 
zittingen spreekt men gewoonlijk van Ooat- en 
Weatmoeaon, Vergel. bard N®. 5 en timoró, 

\\y O (1" mêsa), dreigeti met den vinger. 

(2** mêsa). — lAssde-kamêsa, vóór den tyd ge- 
boren worden, — AmfiLnéL-kamêsa, vóór den lijdbaren, 

\\y O (mêsang). Aldus genaamd twee tee- 
kens op de graven der Inlanders, 't een aan het 
hoofd-, het ander aan 't voeten-einde. Wanneer het 
graven van mannen zijn, zoo zijn die teekens rond 
of hoekig, anders plat-langwerpig. Boeg. idem. 

\NVO (mêssöe). Men zie: êaaoe N°. 2. 

\\X\0 (mês()), bep. mêseka, het Arab. 

A.Mfc»,M, de Meaaiaa; v. d. Meaaiaanach; v. d. ook 
soms gebez. als gelijkluidend met : pamoembdna b(fe- 
la^a, wanneer er van onze Christelijke maanden 
sprake is; bijv.: meséna Seppetembcré robwampoc- 



263 



lóna anrikwsLydenitceeen twintig sten van September. 
(ü. G.) 

\ \X O ^ (mêssó).. Vergel. êseó N°. 2. 

%• 'S O (mèsa). — Amüsa-mósa, hijgen. Boeg. 
idem. 

\y 'S \ O (mosé). Vergel. óae, 

\X 'S O 'S (1° móso), bep. mosowa, vergiftig. 
Boeg. idem; bijv. o'blara moso, vergiftige slang. 

(2** móssd), gemeene uitdrukking; voor slapen; 
bijv.: mósso-makó-sëng? slaapje (,wy zouden zeg- 
gen: ronk je,) al toeêr? Bijv. geb. legen een' slaaf, 
die gedurig ligt te slapen, in plaats van te wer- 
ken. — Taëna marinna mossd, hij houdt nooit op 
met ronken, 

\y O •• (m&siki), 't Mal. en Jav. tnaskiy of- 
schoon, al toare 't ook, 

^•\o^^ (misekmg), 't Arab. ^^^jlXm^, 
arm, behoeftig, (Godsd.) 

^•O^ (masigi), bep. masigika, 't Arab. 
4\:sauwuo, moskee, 

^^ O /O (masapi), bep. masapiya. Men zie 
iftarasapi. Boeg. idem. 

\y 'S O ^s •• ^ (mosatakalling), naam 

(•ener piek. (Madi). WelUgt 't Arab. (jaJiXM é jo, 
\y0^s^ (moesoetard), liniëren. Boeg. 

idem; bijv.: moesoetllraki karattasa, papier Unie' 

ren, — Oteré-moesoet&ra, bep. moesoet&raka, 

Hnieertouw. 

Pamo'bsoetar^kkaiig, of: papang-moesoetara, 

linieerplank. Vergel. 't Mal. misthar, en 't Arab. 

&,lrrM<x;, liniaal. 



\y O ^ (masidoeiïg) , naam eener soort van 
visch. 

\^ O^, (mS^iri), = mikirt, 

\y O ^ (maso'feroeiïg), 't Mal. nuu-oerong, 
Marcassiet. 

\^ O Ck (moessSlra), émoessl^ra, al liggende 
met handen en beenen slaan, hetzij door ziekte of 
dronkenschap. 

\y 'S O ^ (mostra), amos&ra, geb. van mei^ 
schen en viervoetige beesten [, NB. niet van vogeVs, 
men zie rdpa N". 3] , die op sterven liggende over 
den grond stuiptrekken, 

\^ O ^ \ ^^^ (masówe) , bep. masowêya , 



soort van boom. 



- ? » 



\^ ^ ^^ \y (moesahêldda), 't Arab. <>.^.f&yo, 
iemand die voor 't geloof gevallen is. (Kei.) 

%• O ^^ 'S ^ 'S (masahórd), bep. masahó- 
roka, 't Arab. j>gM>X), algemeen bekend, beroemd, 

(Pm)' 

%• o 'S ^^ •s ^ •s (masohórd), = masahó- 
ró. (Tar. D. M.) 

\y ^^ (ra&ï). Men zie d%. 

\^ ^^ (mSlïng), = Ubd. (Sinr., D. Moes., 
Midi). 

Meng, = mmng, 

MingS.nne, = mdt^-anne, = l/bdki; bijv.: 
ming&nne, abo'fendde-mi taoewiya, dit geschied 
zijnde (,d. i. daarna), hebben die menschen geoor- 
loogd (, gevochten). (Tam.) — Soemp^Lëng-dji la- 
lampa, ka-r^rangi allöwa, ming&nne bösi-mi, 



ta-djariya-m^ l&mpa, lett.: 200 even zou ik gaan, 
V^ ^ O ^ •N ^ (mosotard), = moesoetdrd. ^aar het mooi wéér was; daarop kwam er regen en 
\^ O ys ^ ^ (moesoetahïli), bep. moesoe- tj^ans ga ik niet meer. 
tahiliya, 't Arab. JiaC U u»»^ , geoorloofd achtende, ' sy ^^ (maoe). — Maoc-mS.oe, amaoe-maoe, 
s^O^V (masida). Vergel. sida, in den slaap praten. Boeg. mnwdoe-mdoe , idem. — 



363 



Kana-m^e-maoe, lett.: praatjes van ieniand die 
slaapt; v. d. verwarde iaaly woorden zonder slot of 
zin, 

%• ^^ (mêloeng), =^ njdong, = dnjdoe-njdoe, 
maattweny kroüen. 

\^ \ ^^ (mcLë), welligt oorspronkel. = mdtlge^ 
gcutn; v. d. ergens naar toe gaan^ ergens keen, her- 
fcaarts, derwaarts, herwaarts komen, derwaarts gaan; 
bqv.: m^-m&ë-ri-kaïri, het gaat links af, links 
heen. — Maë-maë-ri-k^nangi, het gaat regts af, 
regts heen, — Maë-m^-timboróki, het gaat Zuid- 



üèkke, op welken dag zult gij herwaarts tot mij 
komen, lett. : welken dag zult gij bezigen om tot mij 
t€ komen ? 

\^ ^N^ \y \y (maamcAimang) , 't Arabische 

^yjo[js, door den Imam voorgegaan in het gebed; b\j 
het bidden den voorganger volgen in het gebed, hem 
nadoen en naspreken. (Godsd.) — Sallang-maamoe- 
mangkoe, zoo veel als: mijne onderdanige groeten, 
de groeten van iemand die volgt, d. i. dus: onder- 
danig is. 

\X ^ y\ (mdïta). Vergel. Ua. 



waarts, — M&ë-m^ë-w&raki, het gaat Noordwaarts. \ \y ^^ \v (mao'bdo'e), bep. xnao'bdoeka, ver- 



— Elga-pi m^ ro'bwam-bclblang nako'feUe, enz., er 
zuUen ongeveer twee maanden meê heenloopen eer het 
kan, d. i. over een paar maanden kan het. — 
At^yang-tayang r^a-TnS« ro'bwara-bo'felang, talloe 
ireka, er loopen ongeveer twee, of drie, maanden 
wet wachten heen, d. i, ongeveer twee of drie maan- 
den wachten. — Tjinj^ing-^inj^i^^ mvL^d, lett. den 
kant van ringen uit, d. i.: ringen en zoo wat. — 
Maë-ko kom herwaarts. — Lfi-mpa-mako-maë anj- 
djóreng, ga gij derwaarts. — Anne-maë aganga, 
kier loopt de weg heen. — Anjdjo-m&ë aganga, daar 
ioopt de weg keen. — Jnne moe ook nog gebez. 
in de beteekenis van vroeger; welligt letterlijk zoo 
veel als : cuin deze zijde van den tegenwoordigen tijd, 
d. i. vroeger, in vroeger tijd ; byv.: anne-mdë ri- 
blLdji-boett&na Gowa, vroeger, toen Gdwa nog bloeide 
{,nog niet overwonnen was). — Anne-m^, golla- 
tonjdjd, vroeger was ik als suiker (voor u). (Kei.) — 
Karaênta anne-maë, onze vorst van vroeger, onze 
voormalige vorst. — Apa-m&ë niyassengangi. Men 
zie dêseiig N^ 2. 

Pamaëyang, bezigen om kerwaarts te komen; 
biJT.: kêre-^re-mi èllo dj&ri la-kipamaëyaiïg ri- 



bastering van het Arab. OyJyjo, geboortedag van 
Mokammed. — Kllnre-mad^doe, rijst welke men op 
den geboortedag van Mokammed ten geschenke geeft. 

\y ^^ ^ 'S (mairo), bep. maïrowa, naam 
eener soort van visckjes. — Mairo-leleng, en : 
mafro b^nnang, soorten van matro. 

\X '^ ^^ ^ (maëra) , bep. maèraka, 't Arab. 

yjuo , Hemelvaart, te weten : van Mokammed; 
V. d.: een boek over de Hemelvaart van Mokammed. 
(D. Moes.) 

\X ^^ '^ ^ ^ (mÉlarêpa), bep. m^rep&ya , 
't Arab. Si-Jtx , kennis, bekendkeid, gemeenzaam- 
keid; V. d.; bSoe-m&arêpa, gemeenzame kussen, kus- 
sen zooals zeer gemeenzaam met elkander bekende 
vrienden elkander geven. (Tar., D. Moes.) — KB. 
Misschien ook heeft men te denken aan het Arab. 
0\Lfr, geduldig, standvastig, bestendig, met voor- 
voeging van md N°. 1. 

\> ^N^ ^ /O "N ^^ "N •• ^ ^ (Maarc/fepo- 
lo-Karahi), 't Arab. ^^^aJï v^^juo, naam van 
een ImiSm, ook genoemd : Imam ^c*^- Volgens de 
legende was hij een Europeaan van afkomst, en 
werd hij als zoodanig herkend door den koning 



264 



van Mekka , die onverwachts een kalêngkeré in 
zijn bokaal liet gooijen, waardoor hij schrikte, en in 
zijne ontsteltenis de Hollandschc afkomst verried, 
uitroepende: Donderslag ! — Daarna verdween hij, 
en werd nooit meer gezien, tot spijt van een ieder. 
De Inlander verbeeldt zich, dat de Imam nog 
steeds een goede geleider der brieven is , en zet 
daarom dikwijls z^n' naaln onder op het addres, 
of ook wel in den brief zelven. (Tar.) 

\y ^yN ^ (m^ïli), *t Jav. maUy een geschre- 
ven talisman, dien voorname Inlanders boven de 



\y \ O^ \ ^ (maher^, bep. m&hereka, 
Jf\j9, verstandig y schrander, knap in het een of 
ander, bijv. in het schieten. 

\y o^ ^ X (maharibi), bep. m^haribiya, =r 

mangartöi, 't Arab. v^^Jbo, ondergang der Zon, 
V. d. gebed bij Zonneondergang. 

\\A\<^^S: (meher&bi) , 't Arab. V^r^« 
een nis in de muur van de moskee , waarvan een 
hoofdvereischte is, dat zij zoo geplaatst is , dat, 
wanneer de geloovigen zich met hun gelaat daar- 
heen gerigt hebben, zij juist in de rigting van de 



tali-bannang aan den band van de/?flI^(^;w^l^o(,ver- gX?3 ^ij^. Vergel. Mr. S. Kcyzer's Handb. voor 
gel. pdtco N^ 2), hangen. ^ | ^^^ Mohamm. regt, bl. 47, «Noot 2. 

-^ ^^^<y v> (maaloemïmang). Vei^gelijk j v^ ^ ^ ^ (mahaUo^, bep. mahailoka, 't Ar. 
't Arab. |vpii, bekend, zeker, en ^Uj. geloof; ^pJè, geschapen, t. d. schoeien, menschen. 

v^ ^^ ^ ^ (mahasari). 't Arab. /-^^^i «w-- 
zameling , vergaderplaats; v. d.: p^rang-mah&sara, 
het veld der Opstanding , het veld waar de menschen 
o, ongehoorzaamheid, verzet. ^^ ^^ ^^ vergaderd mrden voor het Oorded^ 

\*f^^^ (moehèrrang), 't Arab. |*%^,naam (Tam.) 
der eerste maand van het Mohammedaansche jaar. 



V. d.: b4oe milaloemimang , kussen waarop men ze- 
ker vertrouwen kan, die wel geineend zijn, 

sy^^O«^ (malasiya), bep. m^iyfilya, 

't Arab 



•\ (ta). Zevende letter van het Makassaarsch 
Alphabeth. 

•\ (1** ta), niet. Boeg. t&, idem. NB. verschilt 
alleen hierin van taéna (, men zie beneden), dat 
het nooit op zich zelf staat, maar altijd met een 



woord verbonden moet worden; bijv.: ta-koewas- 
sêngaï, t* weet het niet. — Tar&ppo , geen vruchten 
hebben, oï dragen; zamengesteld uit: te + érdppo, 
met vruchten zijn, vruchten dragen, van rdppo 
N**. 2. — Ta-mMppo, = tardppo, zamengest. uit 



^65 



ia -4- mérdppo = drdppo, — Ta-makoellêyaï , het 
kan niet, zameugest. uit: ta 4. mdkoeUe = akdelle 
4. a + 1. Men zie a N°. 6 en » N**. 1 . Verg. ook Mak. 
Spr. § 136,lett. <^. — Pabaile ta-pirisi-b&ttang, een 
geneesmiddel waardoor men geen buikpijn meer heeft, 
d. L: een middel tegen buikpijn. — Taiya, zamengest. 
uit: ia -4- tya, en tdyaï, zamengesteld mita 4- %ya 
+ i N°. 1 , lett. : hij, zij, of het, is het niet, v. d. 
in het Hollandsch dikwijls eenvoudig met ons niet 
en neen te vertalen ; bjjv. ta-méLmoley^ sam^ya 
ka-taïyal, ik zal mijne belofte niet houden , daar hij 
het niet is, te weten : de man mijner keuze, (Kei.) 
— Pónna taiya-mo itdbwang antclbloenga, enz., 
indien mijnheer het niet meer ia die mij helpt, d. i. : 
xoo mijnheer m^ niet meer helpt. (Brief.) — Lênri 
taïj&na paradjavgdjiyang, wegens het niet zijn van 
eene overeenkomst, d. i. : dewyler geene overeenkomt 
bestaai. (Hap. T. ^j.) 

Têya, = taïya. Vergelijk meng, voor m^^. 
NB. dergelijke verzachting van at vindt men im- 
mers ook in andere talen; men denke slechts aan 
<]en Hebreeuwschen status constmctus der naam- 
woorden als "^-l, in stede van ''^. (Taco Boorda 
Grammatica Hebr. volum I, § 296). Zoo insgelijks 
aan de uitspraak van ai in het Eransche mais, enz. 

Teyaï, =■ taiyaï, men zie têya; bijv.: teyaï 
b&sa-Balanda-minne, dit is geen Hoüandsch; lett.: 
niet is het HóUandsch, dit. 

Teyai soms bevestigend gebezigd, even als het 
Mal. btfekan; b^v. teyaï djaï djönga, lett. : zouden 
er niet veel hertebeesten zijn ? d. \. er zijn heel veel 
hertebeesten. 

Tiya , = téya^ = tatya. — Tiyaï, = teyöï, = 
ta^üi: bijv.: na-p6una tiya ^^djo bdbnga kc^ma- 
kdbma kêboka , ta-m^koellêyaï g^ing kar&ënga, 



zoo niet is, zoo er niet is , die witte kdhma-kdhna- 
bloem, kan de vorst niet herstellen. (Bjay.) — Ala- 
koek&na: s^na, ua-tiyaï, &la-koek&na: tiyiï sona, 
na-sdna, t^ zou zeggen: het is een droom, en het is 
er toch geen; ik zou zeggen-, het is geen droom, en 
het is er toch wel een. (Djay.) 

(2**t^), onafscheidbaar voorvoegsel, gebezigd 
tot het vormen van objective toestandswoorden , 
Boeg. idem, Mal. ter; bijv. tasdfengke, geopend 
zijn, van s(fengke, openen. Yergel. mijne Makass. 
Spraakk. § 177. 

(8** ta), onafscheidbaar voornaamwoord van den 
tweeden persoon mannel. en vrouwel. , enkelv. en 
meerv., gebezigd tegen meerderen, en tegen men- 
schen, die wel gelijk met ons in rang, of jaren 
staan, doch met wie wij niet op gemeenzamen 
voet verkeeren ; 't Boeg. ta en 't Jav. ta , idem ; 
b\jv.: ball^ta, uw huis, djarlluta, uw paard. Vergel. 
kiW. 2, en kdtte N*. 2, ko, noe, en kdoe N". 1. 
Vergel. ook Makass. Spraaakk. { 144. 

(4*^ ta), onafscheidbaar voornaamwoord van den 
eersten persoon mannelyk en vrouwelijk meerv. , 
zoowel tegen meerderen als tegen minderen en 
gelijken gebez.. Boeg. eróta, onze wil. Vergel. ki 
N^ 8, kdmbe, kdtte, N^ 3, kang N*. 1, en mang 
N^ 1. Veigel. ook Makass. Spraakk. { 152. 

(B'^td), onafscheidbaar voorvoegsel, gebezigd 
tot vorming van telwoorden, die een verdeeling 
aanduiden, alzoo dienen om te kennen te geven, 
dat bij élk van de bedoelde personen of zaken, of 
denkbeelden zooveel stuks behooren als door het 
telwoord worden aangeduid , Boeg. idem; bijv.: 
t^pintdbdjoewi émillisi roep&nna tasiy&llo, idpln- 
tdëdjoe-toiïgi 4minra ras&nua, zeven keeren per dag 
veranderden het voorkomen {,d,i. hier: de kleur,) en 

34 



96G 



de geuTy te weten: vau zekere bloem. (I)jay.) — KL- 
t&wa-rc^waï na ki-&Ile tdsi-tawsLnta , tojj verdeekn 
/lei in ttoeeën^ en nemen elk ons deel. (Bap.) — *MiL- 
sing taroewinna pokêna, elk met twee pieken (Brief.) 

— Ti-rc^wa-rdbwa , twee aan (wee, elk twee, bij 
tweeën, — T^i-k^e, bij beetjes, Yttgd.kddeW, 3. 

— Tési-kllli-kSlli , bij enkele keeren, v. d. zeldzaam, 
langzaam. Vergel. *a2i N°. 1, lett. d, — Tasi-d&Ue, 
b^ enkele dagen. — Têya-kó kaloep^ïyi ilal^nna 
td8i-taoenga, def^ ééns in het jaar, elk jaar ééns , 
aan mij. (^ay.) — Tdslre-t^lre, of: tasi-bere- 
ttó-bere, parasingang, elk land afzonderlek. (Djay.) 

— Alle-m&mi sinré-sinré tardbwam-b&tang karê- 
meng, neemt de stukken, en scheurt van ieder* s êiuk 
twee vingerbreed qf. (M^i.) 

Veigel. Makass. Spraakk. $ 122. 

^s (tang), eene manier van geld opzetten bij 
liet i/^kó-sipeh Vergel. vooral ié^kó. 

•\ (toe). Vergel. tdoe N^ 1. 

\ ^N {V te). Lékó-te, thee. 

(2« te). Bonth. = *«, = kére N^ 2. (S. fjin) 

•N ^N (tö), bep. t6ka, 't Mal. prdhoe tóp, soort 
van handelsvaartuig, op Banjdjarmdssing vooral 
in gebruik, hebbende sómbald b(feloe'4j^<i^i drie 



(, ki N^ 3, of kai^ N^ 1,) wordt: éngkt of: éng^ 
kang, en: tëngaki, of: tmgakdng, vergel. a N^ 6; 
verbonden met het voomw. 2 pers., mann. en 
vrouw., enkel- en meervoud {,ko, of: ki N". 2), 
wordt: töngko, of tdi^ki, emtöngakó of iöngaki, ver- 
gel, a N**. 6; verbonden met het vnw. 3 pers. 
mann. en vrouw. enkeh-,en meerv. (, f N*. 1,) wordt: 
tonyi. Vergel. Mak. Spraakk. {211. 

Töiig, verbonden met dja, wordt: tönjdja, ver- 
gel. Makass. Spraakk. § 26; verbonden met ma 
N°. 1, wordt: tomma, vergel. Mak. Spr. § 16; 
verbonden met pa N". 1, wordt: tömpa, vergel. 
Mak. Spraakk. § 16; verbonden met êêiig, wordt: 
tössêiig, vergel. Mak. Spraakk. § 22. 

Bijvoorbeeld: ri-sérêya parasangaf^^, ptong, 
ri-parilnna tö^, in een land, eene vlakte, namelyk.- 
eene vlakte^ insgelijks van het vermelde land, d. i. 
in één van de vlakten van het land. (Tam.) — Ka- 
namplLnna niyd tiloe naiigaï an^koe, iklk)e-tömpa, 
dewyl men pas zeggen kan, dat er menschen zjjm, 
welke mijn kind bendni, als gij er ook zijt, d. i.: 
mijn kind bemind niemand zoo zeer als u. (Bid.) — 
iya-toiïg4utoe, dai is het ook juist. (Rap. K. G.) 
— Ako'blle-kdfelle-tönjdji, hy is immers ook wel?. 



op zichzelve staande masten, en alzoo geen bdt^keng- 1 v. d.: m hij ook wel? — Akdblle-kdblle-tommi, h^ 



sdlard; voorts: een dmbing^kétji, of: brikspiegel, een 
Europeesch roer, en een ékloe-biyóla, die de plaats 
van de paméaroeng-riyólo vervangt. 

•N "N (!"* tong), ons Holl. ton. 

(2° tong), geeft te kennen dat er ergens nog 
iets bij komt: meer, nog, daarbëf bovendien, ook, 
insgelijks. Boeg. to, idem. Toi^, verbonden met 
het vnw. van den eersten persoon mann. en vrou- 
wel. enkelv. (, d N**. 1), wordt: toi^d; verbonden 
met het vnw. 1 pers., mann. en vrouw., meerv. 



is ook wéér beier. — NÏya djaï rapannoe; ik^e 
töDgclji koengaï, er zyn velen aan u gelyk, en daar- 
bij (, d. i.: desniettegenstaande,) zijt gij *t slechts die 
ik bemin. (Kei.) — Ka-niy6 êrd koepiU)e ri-tdëwang, 
na-ta-koekellaiya na^lèngere tlLoe mar&ëi^, pa- 
sangalinna l-toliwang tönjdji na-inakke, daar ik 
mijnheer wensch te spreken, en verlang, dai niemand 
anders het hoore behalve manheer en ik (, lett.: be- 
hak>e mijnheer slechts ook benevens m^). — lya- 
tossëng asambêyangi, die vervangen ook weder hun- 



S67 



ne plaats. (Rap.) — Ai^djo-tösaëng noel&mpa? 
waarom gaat gij ook alwéér? 

Töngang, = tong. NB. het achtervoegsel 
ang schijnt alleen van tijd tot tijd welluidendheids- 
halve gebezigd te worden, om als 't ware een' ze- 
kere ronding aan den volzin te geven; b^v.: pónna 
sisai^-mé kllna-todjêngkoe, teylï-tö^anga-md 
tftoe, iQO ik scheid van, d. i.: ontrouw word aan^ 
mjjfC eedt moge ik ook geen mensek meer zijn, d. i.: 
met de dieren gelijk gesteld worden! (NB. de a voor 
M^, gelijk ook beneden voor mi en t, insgelijks 
welloidendheidshalve tusschengevoegd , vergel. a 
N**. 6). » Ta-m&ka-m&ka-töngangami soes4na pa- 
maina, teer groot was ook haar hartzeer. (Djay.) — 
Ta-b4ky[-töiiglngaï bllrang-barilnna, zyne goede- 
ren nemen ook niet toe. (Eap. K. G.) — Teyaï- 
töngangé bêmbe, teylï töngangd kiti, ik ben ook 
geen geit, en ook geen eend, d. i.: ik ben evenmin een 
eend als een geit. Zin : **Ik ben wel niet zoo bang 
als een geit voor regen, maar ik houd toch ook 
niet zooveel van de nattigheid als een eend. Ik 
houd er niet van, om mij nat te laten regenen." 

Tódong = tong. 

•s •• (l^tlLka), bep. t&kaka, rif. Boeg. idem. 

(2" t&kka), dtè-kka, geb. van hen, die komen 
helpen spinnen, en bij die gelegenheid op kofl^ met 
gebak en dergel. meer onthaald worden. Even als 
het dpadéko, is ook dit dtdkka eene aanleiding tot 
kennismaking voor de jongelui. Het vindt onder 
anderen plaats in Bantaëiig, Boeloeko'bmpa, Toe- 
rateya en Saleijer. 

(3" takka), Sal. = bdttoe, komen. (Sinr. K. G.) 
Vergel. het Jav. teka, komen, 

•\^y (takkang), stok, stqf. 't Boeg. t^kkang, 
het Jav. teken ^ en het Mal. tongkat, idem. 



At&kkang, mH eerC stok z^n, een stok hebben, 
of: dragen. — At&kkang-poke , een^ lans, even als 
een stok in de hand houden, (D. Moes.) 

•\ •• (1** taSgka), bep. tangk&ya. S^é t&ngka, 
eene kris, wier lemmet zonder kandbkoe djangang- 
djaitgai^ is. Hoogst zeldzaam. 

(2° tÉkngka), of: sitangk&kang, met elkander ge- 
l^k staan; v. d. tezamen van één en denzelfden stand 
zyn; v. d. ook: te zamen kinderen van defuelfden 
vader en dezelfde moeder zijn. 

^\^f iX tUngko^e), =tdngkin, alleen met 
dit onderscheid, dat Idngkóé geb. wordt, wanneer 
iets geheel dSc^-gebroken is. Boeg. idem. 

(2"" t&ngkoe), bep. tangkc^wa, verbrijzeld, aan 
stuk, vergaan, = dmoró, met dit onderscheid dat 
tdngkoe een' minder' graad te kennen geeft. 

r\\^^ (r tUngke), bep. tangkêya, vnw. 
tangkêngkoe, ^oor van een haan. NB. de natuur- 
lijke-, niet de kunstspoor. 

(2" t&ngke), bep. tangkêya, vnw. taügkêngkoe, 
tak. Boeg. tdkke, idem, bijv.: m&nna tangkênna, 
poe^o^ena, m^tlne-ngllseng. Vergel. j^e^^'^o^r N". 1. 
— A^Sjo b&llaka nangaï na&lle tangke, lett.: dal 
huis howU er van om de takken weg te rukken; geb. 
van een huis, waar gedurig bedienden of kinderen 
sterven. VergeL pókó N°. 1. 

AtlLngke, met takken zijn; v. d.: ta-mdtlLngke, 
zonder takken z^. 

Pata^kêyang, vertakking; v. d.: gewrichten, 
ledematen, (Tar.) 

•^••^ (têlkko), bep. takkówa, het Boeg. 
tikko, sterk; byv.: tèkko ^appa, ver kunnen ho- 
pen, zonder moei te worden, — TiLkko (kxi, sterk, 
veerkrachtig van spieren. Vergel. het Mal. tegoh, 

sterk, vast, 

34* 



968 



•N •• 'N (tafigko), Sal. (frocy. lig; van daar: ik êlaap zeer onrustig, (Dat. 

y\ ^^ (tika), bep. tikaka, op zijn hoede^ waak" Moes.) 
zaam. (Rap. T. Dj.) \^\\^^ (1** têké), dragen^ gebez. van een 

/^•</ (tïngkang), de onderste rand (van hout) lastdier, dat aan beide kanten een' last draagt, 



aan de ptUóngkó der b(^kkdis van een schip. 

•\ •• (tikoe), atikoe, bij hoog water de mon- 
ding eener rivier met bila's afzetten, ten einde, 
bg het vallen van het water, de visschen, die uit 
zee binnengekomen z^n, daarin te drijven. NB. 
zulk eene visscherij mag alleen op last van den 
vorst plaats hebben. Boeg. idem. 

r\ •• (tdfeké), bep. tdbkaka, trap. — TdfekA 
nisêngkari. Vergel. sêngkard. — Anrong-tciëka, 
de opstaande kouten van een' trap, of ladder, — Ani- 
tdbk^, de sporten, of treden, van een trap, of: lad- 
der, = pdlantdika, vergeL pdlang N**. 1. 

Atdbkértoekéki, het gaat trapsgew^ze, lett.: als 
tnet trappen, 

Td^ka-tdëk^, a) naam van een vierkant raam 
dat op een voetstuk staat, en waarin onderschei- 
dene bamboe^es met de verschillende kleuren van 
z^'de in de dwarste gestoken zijn, zoodat zg als 
't ware eene soort van ladder daarsteUen. Van deze 
töekd-töhkd brengt men de draden op de pai^a- 
néjfang'fnémpo, 

b) naam eener soort van spel, dat door twee 
jongens gespeeld wordt. De een windt een touw 
in den vorm van een' ladder om z\jne handen, en 
de ander moet het alsdan daaraf ügten, zonder het 
touw uit malkander te halen. 

^. •• (tdfekoeng), == Idngga, 

Katoekobngang, = kala»ggda9^; v. d. mdti- 

4 - 

mitinrowé matinro koekatoekdbngang, ik slaap, 

en hit is, aUof ik niet ge^jkvloers, tnaar op een 

rooster of stellaadje, alzoo: zeer ongemakkél^k. 



Boeg. idem; bijv.: o'fenta atêké barang-bilrang, ka- 
meelen, dragende aan iedere zijde goederen, heiaden 
met goederen, (^ay). — Têké sambSLli-balmna, 
menseken die even naauw met hem verbonden zijn, 
als de eene vracht va» het lastdier mei de andere. 

Atêké-têké, of: sitêké-têké-mi bintóëiiga, de 
Herren z^jn als H ware even ver van elkander ah de 
beide vrachten van een laztdier, die ieder aan ééne 
z^jde van het beest hangen, d. i. de sterren zijn 
zeer digt b^ malkander, of, zoo men aan meer viacht- 
dieren tegelijk denkt, is de zin: c^ sterren zijn twee 
aan twee en elke twee op gelijken (tfstand van elka»' 
der. (Rap. T. :^j.) 

Patêkë, a) een beest een vracht doen dragen m» 
beide zijden, d. i. het beest beladen met; bijv.: nipa- 
têkéki b^rang-bitrang, zij (te weten: de kameelen) 
werden beladen met goud. (Djay., Rap.) 

b) DJfiLrang-patêké, vrachtpaard. 

Tekêkang, een toestel voor de vraohtpaarden 
om de goederen aan te hangen. 

(2' teke), Bonth., = ddSnteng, stoUen. 

\^sy^^ (r têko), bep. tekówa, bofft, in 
eene rivier bijv. 

Atêko, met een' bogt zijn, bijv.: dtêko-tlmboroki 
aganga, de weg loopt met een bogt Zuidwaarts. — 
Atêko-têko maiige-mliTgeï aginga, de weg loopt 
met bogten. 

(2'*têkko), zwenken;h\}y, : atêkko-timbordki, A^ 
zwenki Zuidwaarts, (NB. alleen van personen te bezi- 
gen, gelijk éiiko alleen van dentr^^ en derg. voorkomt. 



269 



\<s^^^ (têngko), bep. tengkówa, 't Jav 
iike, 't Mal. tejkej, balletje toebereide opium, 

kXÈSgko, opium schuiven in baUetjeSy of pilletjes, 

PateDgkd\?ang , p{lp voor het dténgko^ Boeg. 
alengkmgy idem. 

^s'N •• (1° Toka), bep. Tokaka, naam van 
een plaatsje in Gowa , bekend wegens z^n' sierih. 

(2'*toka). Tóka-toka, bep. toka-tok^ya, naam 
eener soort van visch {kleine rog), 

^s ^ •• (t6ngka) , bep. tongk&ya , een stuk 
bamboe, waar de Inlander water in bewaart om 
tot blussching yan brand aan te wenden. Ook geb. 
tot versending van tabak te Bant&ëng en te Boe- 
loekd^mpa. — Tongka-dowé, lett. duUen-bamboe, 
V. d. zoo veel als : ipaarpot. Boeg, tóka, idem. 

^s'N^^ (tóngkang), soort van Chineesch 
vnarimg. 

^s'N X •• (r tdké), bep. tdkeka, soort van 
groote hagedis, gekko^ Bo^. idem, Mal. tókej^ Jav. 
lëkek, 

(2*^ tdké). Tdkë-toké, soort van viêch. 

^\^\^^ (tokeng, halsketen. — Naldbka to- 
keng nakadblang ri-ay^na, lett. z^ nam de hais» 
keten van iemand* s hals , en slingerde (, wond ,) die 
om hare lendenen. NB. Een aanstaande schoonzoon 
wordt bier vergeleken bij een halsketen. Zin alzoo, 
dat de jongman van nu af aan door de aanstaande 
schoonmoeder, als haar eigen kind beschouwd 
werd. (S. Tjin.) — Toke^-bo'ëlo-boWo, een gou- 
den collier, bestaande uit verscheidene afdeelingen, 
even als het bamboe. Yergel. böélo-bdélo op bdhlo. 
— Tókeng-tin^ra , halssieraad van een kind, han^ 
gende op de hoogte van het keélkuUlje, — Tokeng- 
siblLtoe, een tékeng uit één stuk goud of derg. — 
Tokeng-tlLli-tali. Men zie tdli N". 1. — Tókeng- 



niyina, een tókeng die voorzien is van kinderen, d. i. 
van vele versierselen, vele bijzaken, 

Nitokeng, als tókeng om den hals gedragen wor- 
den. (Bid.) 

Anókeng pasapoe , een pasdpoe dragen by wijze 
van tókei^, d. i.: een pasdpoe van voren om den nek 
slaan, en de beide slippen naar achteren laten hangen, 

Pitokêngi , iemand iets als een halsketen omhan- 
gen. (M^i.) 

Tökeng-t6keng, lett.: iets dat eenige overeen- 
komst heeft met een tóket^ of halssieraad, v. d.: 
een streep, of plooi, vlak onder de lémha-lembdran^, 
die eerst dan zigtbaar zou worden, wanneer jongens 
of meisjes den huwbaren- le^yd bereikt hebben, (Kei.) 

^s 'N •• 'S (r tökko), stijven. 

Patokko, bep. patokkowa, stijfsel ; =^ patdei. 
Vergel. tdsi N^ 1. 

(2* tökko), bep. tokkówa, = Idgoe , zangwjjze^ 
melody, 

•\^^^^ (1** tokong), zet-bamboes op een 
praauw; bamboezen, gebezigd om het vaartuig 
voort te duwen; wij zouden zeggen: om te boo- 
men. (Kcl.) Boeg. idem. 

Atokong, boomen, de tókong gebruiken. 

Nokong, idem. 

Patokong, iemand die boomt. — Djangang-dja- 
ngang patokong, een zwarte albatros, soort van 
vogel , welke door de zeelui gewoonlijk een dominé 
genoemd wordt. B\j laag water haalt hij met z^n' 
langen bek den visch op, hetgeen wel eenige over- 
eenkomst heeft met iemand die staat te boomen ; 
van daar de naam van patokong. 

(2° tdkkong), vergoeding in geld, of waarde, 
zoowel yooT personen als zaken. (Rap. T. Dj.) Boeg. 
idem. 



270 



•N '%,••'% (ibiv^kó), dekken, aluUen, di^tfno'', op een mat een vierkant, en trekt buiten aan 



ken, een* ^t^ byv. (Djay.) — Toe-nit6ngkd, ^e- 
vondene. — T6ngk6 rd^gi , lett. de schade dekken; 
V. d. : schadeloos stellen. — B&lla leb^tóngkó, ^ 
l/6d nüóngkó, een huis, dat overdekt, d. i. : met dek- 
riet belegd is. (jy^i. Moes.) — Tóngkd mêdjang, 
tafel dekken. — Tóngkó dfering , een van hntarblad 
gevlochten deksel voor de óMng, (NB. zou eigenlijk 
moeten zijn : patóngkó tferi^,) 

Patongku, hedekker, deksel; y. d. ook atap^ dak, 
dekriet. 

Katongkokang, bedekking. 

Akatongkokang, met bedekking, 

Takatongkökang, zonder bedekking; bijvoorb. 
pdnna takatdngkokanga oelc/bnna mange ri-p^- 
raka tac^wa, eoo de mam zonder bedekking G d. i. : 
zonder hoofddoek,) naar de markt gaat, (NB. het- 
geen zeer onvo^zaam geacht wordt.) (Hap. T. Dj.) 
— Pdnna takatoiïgkokanga baramb^nna mange 
ri-piLsaraka tadfewa , zoo de vrouwen zonder borstbe- 
dekking, d. i. zonder baadje (, of bovenkleed), alzoo 
met naakten boezem, naar de markt gaan. (NB. 
ook bij Inlanders zeer onvoegzaam geacht, en al- 
leen door vrouwen van geringen stand geschie- 
dende.) (Kap. T. Dj.) — Na-taëna-pa nakatongko- 
kang inrêLnna, en zijne schulden (daarmee) nog niet 
gedekt, d. i. afgedaan, zjjn, (Bap. T. Dj.) 

Tóngkd-tdngkó, naam eener soort van dobbel- 
spel. Dit spel wordt gespeeld met één grooten 
vierkanten dobbelsteen, die op ieder van zijne 
zijden , twee vakjes heeft , waarvan het eene rood, 
het andere toit is. Deze steen bevindt zich in een 
klein koperen busje , waarin het juist behoort te 
passen. De paérang -tóngkó , of: houder van de tóng- 
kó, doorgaans een Chinees, maakt met houtskool 



dit vierkant, uit elk van de punten een* regte Iqn, 
alzoo aan ieder van de z^den van het vierkant een 
vak formerende. Vervolgens plaatst hij het kope- 
ren busje op dit vierkant, na onder een doek, op- 
dat niemand het zien kan, den liseré-tóngkó, of 
dobbelsteen, naar goedvinden daarin gekeerd te heb- 
ben, en zegt: tdmuing-makó , d. i. zet op [gi^ die 
spelen wilt!). 

Al wie nu twee stapeltjes duiten of andere 
munt , naast elkander , er één stapeltje er boven 
op, zet, in één der vier door de strepen (^óri) ge- 
maakte vakken, en het treft, dat aan die zjj juist 
het rood onderaan is, wint zijn' inzet driedubbeld; 
is dit mis, zoo verliest hijj eenvoudig z^'n opzet. 
Deze opzet heet tóngkó. 

Al wie drie stapeltjes, met één er op, zet, en 
de goede plaats treft , wint dubbeld. Is het rood 
juist aan de tegenovergestelde zijde onderaan, 
zoo speelt hij pari {Idri dowena). Is het rood aan 
de zijde van één der beide andere vakken onderaan, 
zoo betaalt hij zijn opzet aan den tóngkó-houder, — 
Deze opzet heet niet tóngkó, maar: tang. 

Al wie zy ne duiten in één der vier vakjes zet , 
doch zoo , dat hij daarmede een regte lijn formeert, 
welke aan één der vier strepen (NB. hier en be- 
neden niet te verwarren met de zijden van het 
vierkant!) begint, wint insgelijks dubbeld, wan- 
neer het roof juist in dat vak onderaan is. Be- 
vindt het rood zich in het aangrenzend vak, en wel 
dat , aan welks ééne streep de rij duiten begint , 
onderaan, zoo speelt hij pari (Idri dowena). Is het 
rood aan één der beide andere zijden van het vier- 
kant onderaan, zoo is hg zijn geld kwijt. Deze ma- 
nier van opzetten heet legaitg. 



271 



Al wie zijne duiten in één der vakken zoo zet , i regterzijde aangrenzend vak. Ook dit geschiedt 
dat zy insgel^'ks eene regte lijn formeren, doch negens kassipdllL 

die midden tusschen de beide strepen van zulk Opoe-dpóe gebez. van den tóngkó-hotder , wan- 
een vak doorloopt , zoo wint hij zijn opzet enkel- neer hij het rood gedurig op dezelfde plaats onder- 



voudig, hetzij het rood aan die zijde onderaan is, 
of aan de tegenovergestelde; in de beide andere 
gevalllen verliest hij. Deze manier van opzetten 
heet U^hnbd, 

Al wie een stapeltje duiten zet op een streep, 
wint enkelvoudig, hetgeen hij opgezet heeft, 
wanneer het rood slechts in een der aangren- 
zende vakken onderaan komt; anders verliest hij 
dezelfde som. Deze manier van opzetten heet: 
iéporó. 

Al wie te gel^k lêyang en *^on^zet, heeft 
natuurlijk dubbele kans. Deze manier heet lêyai^-ka 
b^ verkorting. 

Wanneer men een stuk geld voor de helft 
téngkó en voor de andere helft tang wil zetten; 
zegt men eenvoudig: o-tang. 

O-lêyang is voor de eene helft tóngkó, en voor 
de andere lêyang, 

Tang-tjówang is voor de eene helft tang^ voor 
de andere tdhmbd. 

Zet men tang , en plaatst er een stuk geld bo- 
ven, zoo heet dit stuk idoe, en geeft te kennen dat 
men bedoelt niet het vak waarin het tang staat , 
maar het tegenovergestelde. — Koetdoetoi dow/koe, 
of: tdngkoey geeft te kennen, dat ik het tatJg op 
deze wijze opzet. Zulks anders te doen, ware kas- 
npdUi. — Zoo heeft men ook: tdoe tonghókoey en 
ioetdoeici tongkókoe. - 

Lêyang4doe is, wanneer er één duit onder aan 
de streep van de rij duiten gezet wordt, en geeft 
te kennen , dat men lêyang bedoelt in het aan de 



aan brengt. 

Tóenggeng-toenggengi gebez. van den tóngkó-hou- 
der^ wanneer hij gedurig van het eene vak tot het 
tegenover liggende overgaat, met het onderaan- 
brengen van het rood, 

Lêssé'léssé geb. van den tóngkó-houder , wan- 
neer hij gedurig van het eene vak tot het aangren- 
zende, en dan weder terug gaat, met het onder- 
aanbrengen van het rood. Varieert hij gedurig, 
dan zegt men: taena nandsMy hij ia veranderlijk. 

Hetgeen door de spelers gewonnen wordt, ont- 
vatigen zij niet geheel , maar met een' korting van 
rtfewang o'hwaug dppd dSwé si-réyaldna, d. i. /ên 
duit op de tien. Dit gekorte geld heet ^o^eke of 
hardtoe, en wordt terstond in een bamboe gedaan, 
terwijl het slechts ten deele bestemd is voor de 
bedienden. 

Naérang-sdssangi , geb. van den tóngkó-koiider, 
wanneer hy zelf niet weet, waar het rood onder- 
aan is. 

Tdt-idni heet de met was (, vergel. tdi N". 2), 
of dergel. besmeerde plek boven op het deksel van 
het koperen busje, tot herkenningsteeken voor den 
tónykó^houder, 

Tongkó pc^tar^, soort van ^n^^<^spel, dat ge- 
speeld wordt met een koperen busje, zonder tdU 
bdni bovenop. Het busje wordt zoo lang rondge- 
draaid (, vergel. pdetard), totdat het in het daartoe 
met houtskool geteekend vierkant teregt komt. 

•N •• "N •• 'N (tïngkóko),dtïngk6ko,ib'flav«'» 
(haan). Mal. ktfekokhy idem; bijv.: dtingkóko-b&s- 



972 



soró-mi djangaoga, de lanen kraaien, verzadigd 
zynde, te weten: van het eten. NB. dit geschiedt 
's avonds tusschen 9 en 10 ure. — Atïf^kóko- 
t&nga^blLngi, de kanen kraayen te middernacht, 
NB. dit geschiedt ongeveer te 11 a 12 ure 's nachts. 
— Atingkóko-daniyari, de hanen kraaijen bij 't 
aanbreken den dageraetdê, NB. ongeveer te 4 ure 
's morgens. — Atingkoko-pSlppaséL, de hanen kraaijen 
ongeveertevijfure 's morgens, — Atïngk6ka-riLp4-mi, 
de kanen kraaijen onopkoudelijk door. Doelt op 
dcnzelfden tijd als het voorafgaande. 

\y\^^ X (tekafïgang), soort van pijn aan 
de toppen der vingers, tusschen nagel en vleesch, 

/N •• X X '^ ^ (takaberd), bep. takabereka, 
Arab. ^^aa^, verl^erlijking van God door uit te 
roepen: jjS\ xJJf, God iè groot! 

•s •• X 'N ^ "N (takftbboró),bep.takllbboroka, 

't Arab. ijS^> zelfwerheffing, venoaandkeid , ver- 
metelheid, 

•N^^X^V^^ (takadderé), 't Arabische 

^öJü, voorbeschikking, noodlot; v. d. ook gebez. 
van iedere bijzondere omstandigheid, die ons door 
Gods beschikking overkomt; van daar zelfs gebez. 
van de verliefdheid op een meisje, en inzonder- 
heid van de beslissing van 's minnaar's lot door het 
ontvangen van het jawoord; bijv.: sanggênna bat- 
toewingkoe tak^derd, sedert de beslissing van myn 
lot gekomen is, d. i.: sedert ik het jawoord ontvan- 
gen heb. (Tar.) 

Toe-natakaddêranga njaw&koe, jy , voor wie ik 
door het noodlot bestemd ben, d. i.: zij, op wie ik 
door het noodlot beschikt ben om verliefd te worden. 
(Minnebrief). 

•N^.^ ^s (tcfekftnna), dtdek&nna, elkander te- 



gelijk eene wonde toebrengen. Boeg. mdtoekinna ^ 
idem; b^v.: étoekannaï djangaiTga, de hanen bren- 
gen elkander tegelijk eene wonde toe. Ook soms ge- 
bezigd van menschen, wanneer zij malkander byv. 
met de linkerhand bij den broekband vastgrepen 
(, siidgald-poeróésangi), en dan met de regterhand 
de kris tegel\jk in het l^f stooten. 

•N>^^ (r taiïgkirang), = tangka&rang, 
kapstok, en v. d. gebez. als beeld van het mensche- 
lijk kart, waaraan als het ware de genegenheid 
voor iemand vastgehaakt wordt. (Sinr. K. G.) 

(2*^ tangkiraiïg, Bonth., = het Makass. patong^ 
kéyaf^. Vergel. tdngke W. 2. 

^\4t^hs (t&ngkiri), twee balken, of enden 
van een scheur, aan elkander hechten, door middel 
van stukken bamboe of hout, die men aan beide 
vastspijkert. Ook gebez. van het spalken van een 
gebroken bamboe of hout (,bijv.: een peldkaug, of 
gdêllng,) tusschen twee andere bamboezen of hou- 
ten; v. d. overdragtelijk: t&ngkiriki lasóna, iemand's 
penis als 't ware spalken, dewijl hij reeds te oud is 
voor den coïtus. Boeg. idem. Vergel. tdngkoe N". 1. 

y\\^^^ (takêra), Sal. = palagésai^ (S. 

— '. ' 

Tjin.) Vergel. Idgesé. 

^\\^^\^ (tangkeré), doen rusten, byv.. 
tangkeré lyanoe ri-palagesêLnna, iemand doen rus- 
ten, of steunen, op zijn arm. (Maoet.) 

/^ •• ^ (tikara), één van de dertig soorten 
van kaarten bij het/?a^o'^fri-spel.| 

<N/^^ (tikllrroeng), de aren, stengels, of 
stelen van ket klapper- of tnroeblad; = i^apiyoe. 
Boeg. tikarroeng, idem. — Matikarroeng-rdbpiu, 
hij heeft als 't ware tikarroeng' s op z'\jn gelaat, d. i. 
de aren van zijn gezigt zjjn opgezwollen van kwaad- 
heid. 



273 



y^\^^\^ (tii^keré), bep. tïngkereka , 
spinrok, spinnewUL — Ana-tingkeré, of: mdta-tïng- 
keré, apil waar het garen omgewonden wordt. — 
Lêkó-tingkeré, de beide raden van het spinnewiel. — 
Bênteng-bênteng-tifigkeré. Vergel. hénieng N**. 3 
op hênteng-bênten^ lett. a. 

A A 

•N^^'N^'N (tingkord), bep. tiiigkoroka, 
tikvorsck. — BIlnnang-boellLëng-tingkorü. Men zie 
èdnnanff, 

•N •• ^ (tdfekani), 't Mal. Sund. en Jav. tóe- 
korf wisselen f ruilen; bijv.rto'bkaranaapiydbngkoe, 
kei verschuldigde geld voor, lett. in ruil voor, mijn 
opium. (M^di, Sinr.) 

X •s \ •• \ ^ (têkeré), bep. têkereka, soort 
van plani, die in de poelen groeit, en aan wier 
wortels men kleine eetbare meelachtige knob- 
beltjes vindt. 

•N^</^ (t&kald), bep. takalaka, katrol bo- 
ven aan den mast voor de boek<fekang*s, f^ikel. Boeg. 
takdld, idem. 

•\ •• ^ (1° t&ngkoeloe), bep. t&ngkoeloeka, 
naam eener soort van boom, die zelden bloemen 
krygt. (Tar.) Boeg. tdkkde. — Kappara-tafigkoc- 
lo'e, een kdppard (, soort van schenkblad, men zie 
boven,) met uiigewerkten rand, even als het blad 
van den tangkoeloé-hoom. — Talang-taiïgkoeloe, 
een tdlang (,men zie beneden op tdlang N"*. 1,) met 
ttitgewerkien rand, even als het blad van den tdi^- 
koeloé'hoom. 

•N •• *^ (to'bngkala), bep. tdëiïgkalaka, een 
streng garen, bestaande uit 20 djdliiïg's, vcrgel. 
dj^li^ N°. 1, Boeg. tóhhald. Mal. tdekal, Jav. 
toekei, idem. 

•\y^^ (tdbngkoeloe), stutten. Boeg. tife- 
koe, idem. 



Nitolingkoeloe, gestut worden , Boeg. rUdkkdé, 
gebez. van den koning van Gówa, of eertijds van 
dien van Têllo, of van den Bi^dra-bdfetta, later 
ook van den koning van Bone, wanneer hij, bij 
plegtige gelegenheden, op een idpperé bódoiig ge- 
zeten, achter zich twee oude vrouwen heeft zitten, 
die hem als 't ware stuUen. NB. dit gebruik, vol- 
gens den Inlander, hierdoor ontstaan, doordien in 
vroegere tijden, toen de koning eens een' wind 
liet, de toe-mdïiaiang dit niet wetende, verstoord 
vroeg, wie zulks gedaan Iiad. Eene achter den 
vorst zittende oude vrouw zeide maar spoedig, dat 
zij de schuldige was, en redde dus de eer des ko- 
nings, V. d. dit gebniik. 

• Apa tdbngkoeloe, Boeg. patokkóe, met het hoofd 
op een of beide handen, op één of beide armen rusten. 

Pandfeugkoeloena bisêyanga, de sf fitten, op zij 
tegen het vaartuig aangezet, in de langgany. 

\r\^^^^^ (tekólang), omdraaijen, om- 
wringen, omslingeren, bijv.: iemand*s haren. (Bid.) 
Boeg. idem. 

A O^ 

•S^^^^ (takawïng), 't Mal. &^r^y O'ltna- 
nok, Arab. Infinitivus van éXs in den II vorm. 

•N •• O (tdiïgkasd), bep. tèngkasaka, ztdver, 
rein, schoon; bijv.! taiïgkasa-pamaï, zuiver van ge- 
moed, eerlijk. — T^iigkasè, taena saia-saiana.r?/*- 
ver, zonder gebrek, onschuldig. — Na-anne g^oeka, 
kockana anne, taSgkasiki ri-nakke, wat deze zaak 
betreft, ik meen dit, dat mijn geweten zuiver is, d. i.: 
dat ik daarin goed gehandeld heb. — Tafigkasdki 
taënana, te weten: dj drang lelet^, liet is zuiver, 
d.i.: zuivere waarheid, dat ik er geen heb, te weten: 
een zwart paard. (Brief.) 

Tangkasi, reinigen, schoonmaken, bijv.: een 
paard, eene kamer, enz. ; als rein beschouwen , hei- 

35 



274 



ligen; bijv.: p6ro nitangkllsi-l&lo-dji arênnoc, na- hoeveel zet gij? — Tat&ngga-ngaaeng-mi ri-dang- 

nilanjnjingi, Uw naam worde geheÜigd! gaugang, al mijn geld is in handèUartikelen geitO" 

>\ •• O (tingkas^), bep. tingkasaka, dam- ken, — Tdtanggd-mi dSLnggangaiigkoe, mijn koop 

minder rijstvelden, oar^fwttwZ^^yM der zoutpannen. is gesloten {gearresteerd , oï vastgesteld). Ook wel 

A 

Atingkasaki? gaat het ooer rijstdammen? overdragt. gebezigd voor: fi{jijn huwelijksaanzoek is 

^s •• O (kfengkoesoe), sich geheel inwikkelen^ aangenomen, — Leba-t^t&nggd têdong la-tdbdjoe- 
bijv. in een sarong y zoo als de Inlander doet wan- bangikoe, d. i. de buffels zijn reeds gesteld ^ d. i. 
neer bij wil slapen. Boeg. toikoe, idem. gereed, voor de offerhande op den zevenden dag na 

Antdfengkoesde bowónna, zich zoo omsluyeren, mijn overlydett. (M^di.) — Pat&ngg^, laten std- 
dat nagenoeg het gansche Ugchaam bedekt is, (PidLy. f len, bezigen om te stellen, enz., b^v.: pat&ngg&- 
Bid.) Vergel. bówong, tong s&ï oewiLngkoe, besteed ook eens wat voor m^ 

^s'N/^'NO'N (tokkosó), eene groote hoe- om van die handelsartikelen te koopen, -r- Mapa- 
veelheid water, of iets anders, dat vloeibaar is, fe- t&ngga k^rraka Sjiné ri-kallonna, onder hetgoige- 
^6Zy*ttttyooï^*«ï;bijv.:tdt6kkosdkibo8iyari-baiigiya, len het water een poos in de keel kouden, bet als 
de regen is van nacht als met emmers van den He> 't ware bezigen om het slgm te doen binnenii^jven. 
mél gekomen. (Maoet.) 

Tdtókkosó ook gebez. van iemand die byv. Patangg^kkang, bezigen om voor te stellen, siel- 
veel bloed tegelijk overgeeft, len voor, enz.; bijv.: na-kiLrr<5-karrSna napatanggfilk- 

Tatokkosi, ergens in groote hoeveelheid tegelijk kaiig, Ay zet er zjjn' strot, d. i. zyn leven, voor 
Ugen uitgegooid zyn; bijv.: tdtokkosi djeneka, het qp het spel. (Rap.) 

Kater komt ergens in groote hoeveelheid tegelijk tegen TanggïÜtkang, twee overend staande bamboe- 
<*<"»• zen van het weefgetouw, die door de pamaloe te- 

^^^^^^^ (tangkairang), = *t Mal. «««- zamen vereenigd worden. Vergel. tanrdkailg op 
pieran, alles waaraan men iets ophangt, of waar- tdnrd N°. 1, en tanjdjengang op tHnjéfjeng, 
aan iets hangt; b^v.: een kapstok. (Eap.) j ^\^^ {V t^ó),bep. t^oka, dronk, slok, 

•\ Ai (!"* tangga), dragen, verdragen. Mal. 1 teug, scheutje. Boeg. tigó en Mal. togokh, idem. 
tanggang, idem; bijv.: llnnasa ta-koetanggaya, het ; (2** t&go). — Tagowi, ergens afnmen, of afligten; 
hartzeer dat ik niet kan dragen, (Sinr.) j byv.: ponna llba-mo niy&ne, nitagówi-mi, zoo de 

(2** tangga), welligt letterl.: stellen, zetten, van draden op de pmganéyang uitgebannen zyn, worden 



daar: inzetten, bij een spel, als het Omi. Vandaar 
ook: geld besteden tot aankoop van handelsartikelen, 
dit er als 't ware voor zetten. Van daar ook gebez. 



^ er afgenomen, te weten: om ze op het weefge- 
touw over te brengen. 

•\ Ai ^ (t&nggong), 't Mal. tanggong, dragen. 



van het zetten, of niet verwerpen, d. i. aannemen^ verdragen, dulden, (Sinr.) v. d.: ergens aansprake- 

mn een huwelijksaanzoek en dergel. meer. Bijv.: ! lijk, verantwoordelijk voor zijn, 

üliïgga-ko il&lang, zet in. — Siyftpa taiïgg^noe, Apala-tanggöngang, = dpdld kdna. Vergel. 



275 



pald N°. 4 ; als *t ware : ietuand verzoeken dat Ity 
ona heengaan gedooge, 

•si^i (ti^gi), bep. tinggiya, hoog; bijvoorb. 
djiLrang tiiïggi , een hoog, een groot paard. — Töoe 
tingg], een hoog, een lang mensch, (NB. tdoe laboe 
voor lang menseh niet gebruikelyk.) — Tinggi Al- 
lówa, dê Zon etaai hoog aan den Hemel, — lya- 
minne sMlang, tinggi-iinggina-pi bo'blang , het zal 
geèeuren tenoyl de maan nog hoog aan den Hemel 
flaaty d. i. nog in den loop dezer maand, — Tinggi 
giyó. Men zie giyó. — Tin^i l&iigga. Men zie 
Idngga. — Tiiiggi-monj^ong , naam éener plant, 
FUm quaedam, die boven op bet gebergte gevonden 
wordt; van daar niet enkel als geneesmiddel, maar 
ook als pitjoeroe gebezigd tot bereiking van een 
hoogen rang, opdat men als 't ware even zeer in 
aanzien moge stagen als de tinggi-mónj^ong boven 
hare medeplanten verheven is. — Tinggi ^Innana, 
hemg (sterk) van hartetogt. 

Tinggiyaiig, hooger. 

Patinggi, soms = tinggiyang^ hooger^ v. d. zeer 
hoog. (Sinr. K. G.) Vergel. Mak. Spraakk. § 81. 

Pakatinggi, hoog maken , hoog achten. 

Samatinggi, of: santinggi, of:sintinggi, evenhoog. 

Pasintinggi, even hoog maken, v. d. : koe pasin- 
tmggi boeliëng samatingginoe , ik zal een draad 
van goud nemen even lang als gy hoog zijt. (M^di.) 

•\ A^ (to'bngga), zich uitsluitend met iets bezig 
kouden^ onverdeeld voor iets zorgen, of waken. Boeg. 
tt^ngka, idem; bijv.: &nne padjannanga iyatömmi 
noetdfengga, zorg jij maar uitsluitend voor deze 
lamp. — Anne t(^wanga iya tömmi nocto'bngga , 
pasjy dezen Heer uitsluitend op. — Ik2toe taena 
marllëng, iya töng-m&mo noetdfengga, tïnrówa, gy 
doet niets anders dan slapen, — Apa noctdbngga- 



tdfeiïgga ri-nakke? tcat is je uitsluitend werk bij mjj? 
Vergel. het Mal. tonggoe, en het Jav. toeiïggoe, hoe- 
den, oppassen, bewaken, de wacht houden. 

•\^ (tofenggoe), onophoudelijk, aUyd zijn; 
bijv.: t<^iïggoe-mi gaoena I-to'fewang, ddjené-ka- 
roewënga , onophoudelijk , altijd is het H werk van 
mynheer, om zich *s namiddag^s te baden, d. i. myn^ 
heer baadt zich altoos des namiddag's. — Tc/fenggoe 
gac^ena anj^o, of: gade toenggdbna iL^^jo, dat 
doet hy altoos (, onophoudelijk). 

Toenggdfewang, iets onqphoudelyk doen zyn, iets 
onophouddyk doen, onophoudelyk voortzetten, vol- 
houden, bijv. &nne tdbwanga natoenggdb wang-mi 
la-pil&djaraka ampiy^eng-assengi kanSinnaMang- 
k^Lsaraka, deze heer zet onophoudelijk voort , d. i. : 
gaat onophoudelijk voort met, het leeren, om grondig 
te leeren kennen (, zich eigen te maken,) het Ma- 
kassaarsch. 

Satolinggoe-toenggcfena, altoos , voortdurend. 

•N \ Ai (tdfenggeng), omkeeren, 't onderste bo- 
ven keeren, bijv. : boomen, oïjlesschen , of drenkeUn- 
gen. (Sinr.) Boeg. idem. B^voorbedd: róüi ta-t^ 
tdënggeng , lett een tros , cUe niet het onderste bo- 
ven gekeerd is ; v. d. overdragtelijk voor: menschen, 
die door een* ongestoorde vriendschap te zamen ver- 
bonden zijn. (M^di.) — Manna noetdfenggeng 
oeldbnnoe, noepwrawangang, na-noepaïratêyang 
baiigkênnoe; ta-^inikako biLdji (, of : taiiggappdko 
bddji, of: ta-moentdklako bddji) , al keert gij uw 
hoofd ook naar beneden, en uwe voeten in de hoogte, 
gij ziet toch geen goed, d. i. gij krijgt toch niets ge- 
daan, krijgt uu^ zin toch niet. — Andfenggeng, over 
stag gaan. — Andfenggeng pêlo, over stag gaan, na 
het oprollen van het zeil, — Andfenggeng-Bftyo , 
over stag gaan zonder de zeilen op te rollen, op de 

35* 



976 



tcijze van de Bdyo's qf Toe^ri-djéné^s, — Anoeng- 
geiïgi djilranga , hei paard zet den kop tuaachen de 
voorpooten , en gooit zijn achterste in de hoogte ; 
van daar: djaraiig-panobnggeng, een paard dat zijn 
kop ius&chen de voorpookn zei. — Tdbnggeng- 
to'fenggengi , gcb. van den ión^kó-houder , wanneer 
hij gedurig het rood van den steen nu eens vlak 
voor zich zelven dan eens vlak voor zyn maat, die 
tegenover hem gezeten is, onderaan brengt. Vergel. 
tóngkó. — Kana nitdfenggeng, lett. een omgekeerd 
woord y d. i.: een woord hetwelk in tegenofoergeatel- 
den zin ü op te wf/^; hetzelfde als: èdko-kana, 
vergel. bdko N^ 1. — Tomggeng(m het Owi-spel), 
= onze uitdrukking Solo in het Q«arfn«tf-spel, dus 
genoemd, dew^l men dan doorgaans een mooi spel 
hebbende, de kaarten openlegt. — Tdfenggeiig 
ro'fewa, tfcee jnaiador'a: SapadÜa en Manüa, enz. 
NB. met een even getal matadors te vragen, of Solo 
te spelen, is bdmbang^ of kdasipdUi. 

\^\^ (têgang). — Têgang-tegang, los zijn 
en zich daardoor heen en weder bewegen ^ gebez. van 
een tak bijv., maar ook zeer dikwijls van tanden, 

•\ 'W ^ (tóge) , bep. togêya. — Katjang 
(tibówang-tjadi) , die uUgeloopen is. De tóge als 
groente gegeten en tot dat einde door Chinezen te 
koop aangeboden. Ook aldus genoemd eene soort 
van oorringen wegens overeenkomst in vorm met 
een tdge. 

x\ #^ \^ 'N *^ "N (tinggi-mo^tjong). Men zie 
itmjgi. 

•\^X\ (toeganti), schijnt in de oude ge- 
schriften te kennen te geven: de ganacïte bevolking 
van Gówa^ even als waarschijnlijk Binndnaad op al 



•\ \ ^ \ •S «^ (toenggentêya), eene Sgnan- 
t/ieree. Vergel. t(fenggeng ^ téya. 

•\^^^ (tdëgoeroe),wKf»,bijv.: tcfegoeroeki 
ri-djarllnna, hij valt van zfjn paard. — To'fegoeroe, 
taëna rappoengd.nna, vallen zoodat er geen oprapen 
aan ia ; bijv. overdragtelijk geb. van iemand die in 
de schulden zit, zoodat er geen redding meer mo- 
gelyk is. — Tdfegoeroeki ballinna, d^ prya er van 
vaUy d. i. daalt, gaat naar beneden. — Tclbgoerde- 
mi arênna, lett. zyn naam ia gevallen^ v. d. : h^ ia 
zijn' goeden naam kwijt geraakt. — La-tdbgoeroeki 
im&nna, zijn geloof ataat op vallen, d. i. locpt gevaar 
om te bezwijken. (Rap. K. G.) — To'bgoero'eki , of: 
tdfegoe-tdfegoeroeki kalênna, h^ valt q/*(in voorko- 
men, oï gezondheid). — Tdègoerde ook geb. van het 
afvallen der hoornen van een hert. 

Patdbgoeroe, doen vallen ; bijv.: patoegoerde 
m^njMa, doen vallen ala achtddig, d. i. achukUg 
verklaren. 

KatoegcAïri, ergefia op-, of invallen. (Inlandsch 
Wetb.) 

Pitoegcferi , ergene op-, of in doen vallen; by v. na- 
pitoego'bri-ki pangamaseyang, hjj doet op om vallen 
gunat, d. i. : bewyat ona gunat. (Djay). 

Toego'ferang a) het vallen ; 

b) toego'brang, noegdferang, minoegdbraiig, 
doen vallen. 

Katoego'brang, het vallen. 

r\ét^^ (toenggara), 't Mal. ionggdra. Zuid- 
oost. — Salatang-manoenggara = 't Mal. aeldian 
menonggdra, Ziddzuidooat. 

•\^ *^ (tagala), houden, vaathouden, grij- 
pen, aangrijpen, aannemen; bijv.: na-nitagala-mo 



de Raadaheeren, en Baldra, of: Rdtoe, op den vorst j karaëng I-D&toe-Mc(bseng ri-rddj a-radja Galêsoiïg, 
van Gówa doelen. (Kap. K. G.) en kardëtJg I-Ddtoc Mócseitg icerd aangegrepen door 



277 



den 'regent van Galésong. (Dat. M.) — Antagalaki ook, indien het pand verloren mogt gaan, geen ré- 



baïnnêya, Je vrouw aangrijpen, of vasthouden , d. i. 
haar trachten te onieeren. — Man3lgala ri-Iyanoe, 
lett.: zich vasthouden aan N. iV., v.d.: ondertoorpen 



clame meer op de voorgeschoten gelden. (Inlandsch 
Wetb. , te vergelijken met Kap. T. Dj., waar in 
slede van èdlli-tagald voorkomt: tdgald sanra^ 



zifn aan N.N. (G. G.) — Anagalaki parentana pa- pöètta, hetgeen echter blijkbaar hetzelfde moet be- 
raslnganga, het bestuur des lands vasthouden^ d. i. : teekenen, men zie sdnra W. 3.) 



hei bestuur in handen hebben, — T^gali poewasiLya, 
de vasten houden. — An&gala agamslna, zyne Gods- 
dienst houden , d. i. : godsdienstig zijn, ^ An^li 
im&nna , z^n geloof vasthouden , d. i. : vasthouden 
aan zyn geloof, — Natagal4-mi djamanga, hij heeft 
hei werk aangegrepen, d. i. aanvaard. — Apa koe- 
têLgala? JFat houd ik vast? d. i.: wat krijg ik tot 
pand? tot waarborg? — Taoe-ant&galakaï, de man 
die iets vasthoudt, iets tot pand neemt, v. d. ook : de 
lombardhouder. (Kap.) 

Balli-tagala , hierin van tdgald, in pand nemen, 
onderscheiden, dat het pand, hetzij zaak oï per- 
soon, tegen de volle waarde getaxeerd wordt , on- 
der voorwaarde dat de pandhouder het pand des 
verkiezende niet behoeft terug te geven, maar 
▼oor de voorgeschoten waarde kan behouden. Hij 
neemt het alzoo niet eenvoudig in pand, maar 
koopt het als 't ware (bdlli N°. 8). Dan alleen 
kan de schuldenaar suo jure (, natuurlijk t^en 
betaling van de verschuldigde gelden ,) op lossing 
van het pand aandringen, indien het pand bestaat 
in een' slavin, en deze intusschen één of meer 
kinderen gebaard heeft, waarvan alsdan , indien er 
slechts één kind is, de helft der getaxeerde waarde, 
en zoo er twee of meer kinderen z\jn, de eerstge- 
borene, als djéné'bdnri , intrest van goud (, geld) , 
aan den pandhouder toekomt. Aangezien dus bij 
het bdlU'tdgald de pandhouder eenigermatc als 
eigenaar van het pand beschouwd wordt , heeft hij 



Pitagalél, of: patagala, doen houden, doen vast- 
houden, enz. 

PanagMli, of: patagalli, iemand, of: iets, maken 
tot het voorwerp, waaraan men vasthoudt; bijvoorb. 
nabi kipatagalliya, de profeet aan wien wij ons vast- 
houden. (Tar.) — Apa koepanagS-lü? waaraan houd 
ik vast?, d. i.: wat krijg ik tot pand, of waar- 
borg? 

VdJid%dMi,iemandmuken tot het voorwerp om iets 
van of bij te houden; v. d. : van iemand iets houden, 
van iemand iets in pand nemen; bijv. : taoe napana- 
galliya, de persoon van wien hy het in pand geno- 
men heeft, (Brief.) 

Tag^lang, a) het vasthouden; v. d.: datgeen 
waaraan men iets vasthoudt; een handoatsel; 

b) het houden, het in pand nemen, van daar: hei 
pand hetzij persoon of zaak, (Inl. Wetb.) 

c) ergens voor houden, voorin pand nemen; bijv. : 
barang-bsLrang natagaUangaï, tapêld-mi, het geld '^ 
waarvoor hij^ een persoon , of zaak in pand genomen 
heeft, is weg, d. i.: is hij kwijt. (Inl. Wetb.) 

Ampitagalli, doen vasthouden, doen houden aan; 
bijv.: ampitagyii lëngóe karaënga, den vorst een 
schild doen vasthouden, d. i.: hem tot den oorlog aan- 
hitsen. (Bap. K. G.) 

Pitagalliyangi, iemand iets vast te houden, of 
te houden, geven; v. d.: a) geven, toevertrouwen; 
bijv.: Qa-napitagalliyangi t4oe-raïka ngalle kayoe, 
het zegel (het verzegeld bewijs), dat hij gegeven heeft 



278 



aan- de menschen die Oostwaarts y d, L te Oówa^ ge- 
komen zijn, om hout te halen, (Brief.) 

b) iemand iets voorschrijven , waaraan hij zich 
te houden heeft. (Bap.) 

HpitagHllang, het laien vasthouden doen plaats 
vinden voor iemand , ▼. d. iemand iets laten vasthou^ 
den; van daar: a) iemand iets voorschrijven; byv.: 
na-napapitagallang karaënta-M^towaya, en karaen^ 
ia-Métowdya heeft voorgeschreven. (Bap.) 

b) iemand een persoon, of zaak, in pand doen 
houden, of geven; bijjy.: amp&pitag&lllangi aULnna, 
iemand s^n* slaaf in pand geven. (Inl. Wetb.) — 
Pdnna b&rang-b&rang nipiLpitag&llang, zoo goede- 
ren in pand gegeven worden. (Inl. Wetb.) 

PanHgald, 't houden; bijv.: apa pan^gallkoe? 
wat is m^n houden? d. i.: wat is hetgeen waaraan ik 
mij kan vasthouden? d. i.: uhU krijg ik tot pand, oi 
waarborg? 

Panagslllang, het houden, het in pand houden; 
bijv.: sdbdL-panag&llafïg, pandeling-, of: lomèard- 
briefje, — Baltó-panagallang, een pand-, of: lom- 
bardhuis, 

Sit&gali lima, elkander by de hand nemen; v. d. 
ook : gezamenUyk naar den Regter gaan; gebez. van 
twistende partijen. (Inl. Wetb., Kap. T. Dj.); = 
siyerangaiig mai^e ri-Bi^ardya. (Hap. T. Dj., Inl. 
Wetb.) Vergel. érang, — SitSigali-poerdtjsangi , 
lett.: zij grijpen elkander bij den broekband; gebe- 
zigd van twee menschen die zeer verbitterd zijnde , 
elkander met de linkerhand by den broekband 
grijpen, en met de regter- tegelijk de kris in het lijf 
stooten. 

Pasitagalla^, a) een zamen aan iets vasthouden, 
V. d.: eene overeenkomst^ een verbond; bijv.: kamma- 
miijjdjo pasitagallanna Bone Kompaniya, zoo is 



de overeenkotnst van Bdne en de Compagnie, (Bap. 

T. ^^.) 

b) iemand doen vasthouden aan, v. d.: iemand 
iets voorschrijven, om zich aan te honden; bijv.: 
na-kipasitag^llafïg toe-Sanrabonêya toe-Djipanga 
&nne rapanga, wij schrijven den menschen van San^ 
rabóne en Djtpang te zamen dezen Rdpang voor. (Bap^) 

•\ ^ *^ (t&nggal&), geheel afgemat. 

y\^^9^ (tigala), = tdgald, (Kei.) 

y\^^^ (tinggala), 't Mal. ünggal, bleven, 
achterblijven; b\jv.: t^ tinggala kananna, iemand 
wien's woord achter-, d. i.: uitblijft, die zjjn woord 
niet houdt. (Tar.) 

y\ A^ ^^ (tdëgald), zaajjen, en wel zoo dat 
men gaatjes maakt en daarin het zaad gooit; b^v.: 
koetdfegali-mi birallêkoe, of: tibow&fïgkoe, ik zaai 
myne djagong, of ka^af^. 

Toegiklli, bezaaijen; bijv.: koetoeg&lli-mi ko- 
kóngkoe, ik bezaai mijn' tuin. 

Dj&mboe paratdbgal^ = het Mal. Sjdmboe bie^i, 
dus genoemd wegens de menigte van pi^'es, die 
als *t ware, even als de zaadkorrels in den grond, 
zoo ook regelmatig in de vrucht zijn neêi^legd. 

•\ ^ ^^^ (tdbnggala), bep. tcftjnggalaka, en- 
kel, eenig, eenig in zijne soort, v. d.: ze\f hoogge- 
plaatst en met andere voornamen in gezelscJtap z^n- 
de. Boeg. tdbngka, idem, Mal. toenggal, eenige, 
enkele, Jav. toenggal, éénheid, vereeniging, aanéén. 
Bijv.: l&me tdfenggala, aardappelen, éénig in hunne 
soort, d. i.: groote aardappelen. — S&wi-tdfenggaló, 
lett.: een sdwi, die alléén aan boord is, te weten: 
zonder koopwaren b\j zich te hebben; v. d. een 
sdwi die voor loon meevaart, dewijl de zoodanige 
nooit handel mag drijven. Een sdwi-töenggald ook 
genoemd: sdwi kdle-kdle, — To'fenggala d&Ue, el- 



279 



ken dafft dag aan dag. (Sinr.) — Tcfenggala têko 
binanga, eUce kronkeling van eene rivier, (Sinr.) 
Vergel. mdsen-bóri^ elke plaaU^ aUe plaaiêen, over- 
al y op s/re N*'. 1. — Tcfenggalél agang, lett. eiken 
iceg, y. d. den ganscken weg over. 

Atoe^galeng, alleen z^n; bijv.: atoe^galenga 
sitobo, het man tegen man vechten, (Rap.) — Abê- 
seréki tdbwang natc^^ngga-toenggHIeng, mijnheer 
ia handgemeen geworden man tegen man, — Atóbng- 
ga-toenggaleng-mi toe-milompowa a^djöreng, de 
Gouverneur is daar eenig, d. i.: m zoodanig gezel- 
schap, als niet aan ieder toekomt , d. i.: in gezelschap 
van andere hooggeplaatste personen, 

Pakfefiggalêngang, het alleen doen; bijv.: na- 
kibdt^ndde ri-b^i, patdbnggalenga^, en laat ons 
vechten, het alleen, d. i. bier: met ons beide, doen- 
de; d. i.: laat ons te zamen vechten, (D. Moes.) — 
Blyafig patdfei^galêngang, schaduwen die het al- 
leen doen, die eenig in hare soort z^n, v. d.: scha- 
duwen die hooggeplaatst zjjn; v. d.: schaduwen van 
menschen die hooggeplaatst zijn; v. d. gebez. van 
hooggeplaaüte personen, die zicb bijvoorbeeld in 
eene overeenkomstig hun rang met draperieën ver- 
sierde barcibga bevinden , terwijl de menigte van 
nieuwsgierigen, die alsdan rondom de bardëga 
staat, niets anders dan hunne schaduwen gewaar 
wordt. (Sinr. K. G.) 

Toenggalêngi , iets alleen doen zijn , iets alleen 
doen; b^v.: tiLlloewi g^'e, ta-mdkdfelle ni toengga- 
lêngi, er zijn drie dingen, welke niet alleen kunnen 
gedaan worden, (Eap. K. G.) — Toe-m^ndbngga- 
lêngiya bate, hij die een vaandel (de heerschappy 
over een land) dUeen doet zijn, d. i. dUeen bezit, 
(Bap.) 

Katd^nggalëiïga^ , alleen ^ op zich zeloen zijn. 



of: ^^a*<jff;bijv.: kato'bnggaleiïgaiig-mi kar&ënga^ 
na-nigappa nibHtta, de vorst bleef aUeen (verlaten 
door de zijnen), en werd gedood, 

Sipatdbnggalengi, het te zamen alleen afdoen; 
bijv. gebez. van twee vijanden, die, zonder vreem- 
de hulp, te zamen vechten. 

r\4t:^\^ (toe^galeng). Vergel. Ufenggald. 

^\ ^ *^ •• <<^ (t&galakiyoeng), boompje, 
welks bladen en wortels als geneesmiddel gebez, 
worden. 

/^ iki O (tigisi), t^tigisi, op zij liggen. 

Patigisi, op z^ leggen, 

\ •X ^ O (têgasd), bep. têgasaka, sterk; bijv.: 
t^-t^as^, een sterk, stevig mensch, 

y\X (t&^a), bep. tang&ya, het midden, mid- 
delpunt, middelst, helft, een half. Boeg. idem, 
Sund., Mal., Jav. tengah, Bijvoorb.: sere si-t&nga, 
anderhalf. — libi ri-si-tang&na, meer dan op de 
helft. — T^^-lima, het midden van de hand. — 
Tslnga-karêmeng, het midden van de vingers, v. d.: 
middelste vinger, — Tang&Uo, middag, — T^nga* 
biLngi, middernacht, — Ei-tangiLna tadbwa, in het 
midden van, d. i.: onder, de mensehen. — Ana- 
tang^ya, het middelste kind. — Taëna si-tang&na, 
iets niet ten halve maar geheel, ten volle, zjjn. — 
Taëna mêmang si-ta^na J-Midi, lett.: J-Madi 
was nooit maar een ha^f mensch, d. i.: hij Het nooit 
den moed zakken, (M^i). — Lonna la-si-tanga- 
t&nga pamaita, zoo uwe genegenheid slechts eene 
halve zijn zal. (KeL) — T&oe-tang&ya, de men- 
schen die in het midden staan, d. i.: de onpart^dige 
menschen, de scheidsregters, (Bap. T. Dj.) 

AutSLnga, voor de helft, op de helft, in het mid- 
den, half zijn. Van daar: onpart^dig z^n. Van daar 
ook: nat&ngaï b&rrisika, Ay gaat midden door de 



380 
gelederen. — Atanga-pamaï ds&re, nuiar half van : ra, raadplegen ^ om raad wagen, — As^rc taugard, 
harte geven, ^ raad geven. — Mé§ini anSnga-nangara, goed toe- 

Nanga, mananga, halfy ten halve handelen; kijken, uUkijken, uitzien. (G. G.) 
V. d. door de vrees (ds 't ware maar een half mensch Pitangard, doen heoordeelen, v. d. : voorstellen, 
z^y d. i.: den moed laten zakken; b^v.: naitoengd ; Pitangarri, iemand in overweging geven. 
la-mdn&nga, zij meent, dat ik den moed zal laten \ SipitangfLrri , beraadslagen met elkander, (Dat. 



zinken, (Tar., Kei.) 

Pin&nga, moedeloos maken. 

Tanga!, dtangaï, antangaï, of: inangaï: eL)iets 
ten halve doen: bijv.: têya-ko anaiïgaï noewanga- 
raasêyang tèoe-djaï, ontferm u niet ten halve over 
de menigte, d. i.: zorg goed voor haar. (Rap. K. G.) 

b) ied^ de helft geven, v. d.: hïU^k zyn, geheel 
onpartijdig handelen, als scheidsregter eene zaak be- 
handelen; bijv.: toe-mÜomp6wa anta^aï &Tydjo 
g^ka, de Gouverneur beslist die taak als scheids- 
regter. (Rap.) 

Atangangi, ergem op de helft van zijn, v. d.: 
atangangi iïg&nre, half, of: bijna, verzadigd zijn. 

^\X (tangang). — Tangang-tangang, soort 
van boom. — Tangang-tangang nikSlnre, soort van 
tangang-tangang, het Msl.papdja, de Carica Pa- 
paya L. — Tangang-tangang djïlrra, soort van 
tangang-tüngang , het Mal., Sund. en Jav. djarak, 
naam van een struikgewas, de Ricinus communis L., 
van welks vrucht de castor-olij gemaakt wordt. 
Vergel. djdrrd N'. 2. Men heeft twee soorten van 
tangang-tangang djdrrd, te weten: kamókmmoe en 
kébó. — Tangang-tangang kMli, soort van iöngang- 
tat^aitg, welks vrucht, even als de kemiri-, of 
saptri-noot, gebezigd wordt tot het vervaardigen 
van de kanjdjóli , Curcas purgans M. d. K. 

y\X^^ (tangara), zien , ergens goed op letten, 
staren, f xeren, goed overwegen, grondig beoordeelen, 
op zijn hoede zijn. Boeg. tüngd) bijv.: dpala tanga- 



Moes.) 

Gigi panang&rra^ , tanden , die als H ware op 
den uitkijk staan, v. d. = gigi ri-dallekang , de 
twee bovenste voortanden. 

Patangard, iemand die goed overweegt, v. d.: 
piLnre patangard, een kuMtenaar, die volgens een 
doordacht plan te werk gaat. 

^WX\^ (ikngerê), bep. tSïngereka, soort 
van boom (timmerhout). Boeg. idem. 

•s^V^'N (F tangoró), bijv. gebez* van 
't geluid van een trompet: zttiver van klank, hd" 
der , goed klinkend. 

(2** tafïgord), heftig, fel zijn; geb. van koorts; 
bijv.: natafïgoro-blLmbang, nadjsllló, hij krygt een* 
feüe koorts en maakt amok. NB. dit laatste meer- 
malen gevolg eener ijlende koorts. 

/^^^ (tingara), naar boven-, of: ópkyken; 
V. d.; tegen iemand opzien, v. d.: smeeken , afbidden, 
V. d.: uitkeken naar iets, wachten op iets, enz.. 
Boeg. idem; bijv.: nitingaraï ri-toe-radningarslya, 
er wordt door iemand naar boven gekeken, te weten: 
naar iemand die boven op het huis is. (Rap.) — 
Mdngaiya ri-tadfewa, na-ta-maningara nibUlasé, de 
liefde tot de menschen zonder uitkijken naar, d. i.: eon- 
der wachten op, belooning. (Rap.) — lya na-tingaraya 
b&te, zij tegen wie een vaandel als 't ware opziet, d. i. die 
een vaandel voeren. (Rap.) — Atingaraï boewadjS.ya 
ri-katte, de kaaiman slaat de oogen op naar u, d. i.: 
verlangt iets van n te hebben, bijv.: eten. — Atinga- 



281 



raï toe-matênta ri-kkiie , uwe afgestorvenen slaan de Atapa, hoek doen, een kluizenaarsleven leiden. 



oogen op naar w,d.i.: verlangen iets van u te hebben, 

Tatingara, lett.: in dien toestand gehragt zijn dat 
de menschen naar ons opkijken; v. d.: zich duidelijk 
vertoonen, goed zigtbaar zijn; bijv.: natatiiTgara- 
ddbdoe-pa rewana, zoo zijne «^ow/tór? (, vrijmoedig- 
heid,) zich zeer sterk vertoont, of: openbaart, (Bap.) 

Paningarai, a) iehand tot het voorwerp maken ^ 
ten tciens behoeve men óp-ziet, v. d.: ten gevalle van 
iemand óp-zien, d. i.: ten gevalle van iemand de 
oogen ten Hemel slaan, d. i.: voor iemand bidden ; 
by V.: karaëng, koepaningaraïya ri-badjika, de vorst, 
wien ik het goede, di, i.: wien ik zegen toebid, lett.: de 
vorst voor wien ik de oogen ten Hemel sla, om het goede, 

b) iemand maken tot het voorwerp, waartegeyt men 
Óp-ziet, V. d.: tot iemand opzien; bijv.: napaningaraï- 
ki boewadjjlya, de kaaiman ziet op tot u, d. i.: hoopt 
op u, verwacht spijs van u, 

Sitingara, tegen elkander óp-zien; bijv.: sitinga- 
IB lengde, tegen elkander's schild óp-zien, v. d.: elk- 
ander beoorlogen, (Hap. K. G.) 

"^ A\ "^ i. \ Cs (tengere), bep. teiigereka, barst, 
in een muur bijv., of porselein. — Katjinikaiig 
téngerena, haar barst komt te zien. NB. ziet op 
eene vrouw die haar' sarong te hoog opligt, waar- 
door het pudendum muliebre zigtbaar wordt. 

Teffge-tengeré, kleine barst, barstje; bijv.: taëna 
tenge-tengerena, er zijn geen* barstjes in, 

•\^*s5*'\ (tïngallo), op het drooge liggen, 
bijv. om zich in de Zon te koesteren. NB. bijna 
uitsluitend van den kaaiman gebez. Boeg. idem. 

A\ 'S i. 'N ^N^ 'S (tófigoló),bep. toiTgoloka,^o^. 

r\^ [y t&pa), bep. tapaya, boetedoening, 
zelfskastijding. Boeg., Jav., Sund., Mal. idem; 
Sanskr. tdpa, hitte, kwelling, kastijding. 



— Toe-dtapa, kluizenaar. 

(2° tappa), bep. tappaya, aangezigt, voorkomen. 

Matappa-djaroeiig, er als een naald uitziende , 
even puntig en scherp als een naald; epitheton van 
een piek. (D. Moes.) 

(3° tappa), vertrouwen, gelooven, Boeg. tappd, 
idem; bijv.: tipa tappa, ligt van gelooven, ligtge- 
loovig, — Ta-tappakka^ko ri-nakke? gelooft gij mij 
niet? (Bid.) — Na-p6nna niyi timbo ta-mdtapp^na 
Kompaniya, en zoo er opwelt het niet-vertrouwen 
van de Compagnie, d. i.: zoo er twijfel oprijst bij de 
Compagnie, of: het Gouvernement. 

Tappakki, iemand vertrouwen, of: gelooven. 
Vergel. bohloe N°. 1. 

Patappa, iemand tot een voorwerp van vertrou' 
wen maken, v. d.: vertrouwen op iemand, iemand 
vertrouwen; bijv.: koepatappaki AUa-taala, ik ver- 
trouw op God. — Ta-naratang nipatlLppa taoe-kam- 
maya ^njdjo, zoodanige menschen zijn niet te ver- 
trouwen, 

Sipatappa, elkander vertrouwen; bijv.: Boettaya 
ri-G6wa siyagang Goberenameng akana-sipat&p- 
paki , Gówa en het Gouvernement vertrouwen elkan- 
der. — Sipat&pp&ki Gowa Bone, Gówa en Bóne ' 
vertrouwen elkander. (Inl. Wetb.) 

Patappakkang, geloovig, ligtgeloovig. 

Katappakkang, het vertrouwen, het gelooven, 
het geloof. 

(4° tappa), raken. Vergel. tdba N°. 1; bijv.: 
bani matappa, een zwerm bijen die zich ergens komt 
neerzetten, en alzoo het voorkomen van een' ron- 
den klomp heeft. (D. Moes.) 

Tappê.kki, iets, of ergens, raken; bijv.: natap- 
pïlkki, hij raakt het, hij grijpt het ware. 

30 



383 



Tdtikppd, ffeèragt zyn in den toestand van te 
raken, v. d.: raken; v. d.: tót&pp& ri, ergens aan- 
raken, tot iets komen, tot iets doordringen ; hi]v .: 
tatélppi ri-toe-m4]omp6wa, komen tot den Gou- 
vemeur, — T&tappi ri-FadAt&ri, tot den Hemel 
doordringen, (Sinr., Tar.) 

PitHpp^, doen raken; b^'v.: mdpit^ppa am^dili, 
doen raken bij het schieten, te weten: zijn geweer; 
van daar : raken met z^n geweer, (G. G.) — T&oe- 
pit&ppi im^dili, een goed schutter, 

SitUppi, welligt letterl.: malkander raken, mal- 
kander treffen, op malkander slaan; y. d. gebez. ran 
alles wat waar, en ook van alles wat maar goed en 
eenvoudig weg gezegd of gedaan wordt; b^?.: m^ 
klLna-sit&pp^, eenvoudig weg mededeelen, beknopt de 
waarheid zeggen, v. d.: een* eed doen. (Bap.); v. d.: 
paklina-sitapp&kkangBewatllya. Yergel. kêna^"*,!, 
— AgfLo'e sit^ppa, eenvoudig weg, zonder streken, 
handelen. ~ Anrong-lontar^ sitllppi, eenvoudig ge- 
schreven alphabeih. 

Dikwijls wordt ook in stede van sitdppd, een- 
voudig slechts tdppd gebezigd; bijvoorb.: Sjenë 
t&pp^ , eenvoudig (zuiver) water. — Tiyaï kipasa 
t&ppd, kipasd niyd karan&na, het is geen eenvoudige, 
geen gewone waaijer , maar een waaijer, waarmede 
men eenige bedoeling heeft. (Bid.) — Selé-t&ppd, ge- 
wone, eenvoudige, kris. — Tftoe-tSlppi, eenvoudige, 
geringe, menschen. (Kap.) — Antappakki, of: ^nap- 
pakki, of: dnappd-n&ppa, of: éln&ppi-napp&kki , 
eens anders eigendom aanraken , daarmede handelen , 
als of H het zijne is, het gebruiken zonder vergunning 
te vragen; bijv.: Inaï sdbro-kd ^n&ppa-n&pp^ an- 
tama ri-bilikoe? Ta-koekêUaiya-kd 4n&ppi-nllppéL, 
wie heeft u gelast zonder myne toestemming in mijne 



der mijne vergunning doet. — Nitapp&kki niyiLmbi, 
niy&lle-kaï, wordt zonder vergunning beklommen, of 
weggenomen. (Bap.) — Ta-noetappakkiyaï noewsille 
panganoewlLmmang, gij moet niet zonder onze toe- 
stemming onze goederen wegnemen. (Rap.) — Ka-ni- 
kana n&f ri-baltó dn&ppd-napp&kki ball^na tadëwa, 
daar hij gezegd wordt zonder vergunning in iemand's 
huis te zijn opgeklommen. (Inl. Wetb.) — L4nri 
dnappakkinna n&ï ri-ball^na, dew^l hij zonder per- 
missie van den bewoner in dien*s huis is opgeklom- 
men. (Rap. T. Dj.) — Têya-ki mkUi, to'bwang, 
in^kke-{H antapp&kki, wees niet bang, mijnheer, ik 
zal hem wel zonder zijne vergunning beet pakken. 
Wij zouden zeggen : ik zal hem wel zonder veel 
complimenten ter dege beet pakken. 

SitappiLkki, elkander zonder vergunning, zonder 
omwegen, beet pakken; gebez. van jonggetrouwden , 
bij de eerste huwelijksgemeenschap, alsmede van : 
twee vechtende partijen; gelijk ook van: twee per- 
sonen, welke zeer gemeenzaam met elkander om- 
gaan, zoo zelfs dat zij elkander's goed gebruiken 
kunnen zonder vergunning te vragen ; bijv. boe- 
rcLnne an^na tadbwa, sitapp^kki-mêmangi , het zijn 
dappere kerels, zij pakken elkander terstond zonder 
veel complimenten aan. — Ta-koelleyaï nitjini-tjmi 
llnjdjo tcifewanga siyagang tdbwang lylLnoe, t4oe* 
sitapp&kki, men kan die twee heeren niet tot voor- 
beeld nemen, want die zijn zoo gemeenzaam met elk- 
ander bekend, dat de een het goed van den ander ge- 
bruikt zonder diens vergunning te vragen. 

^\ •O (t&mpang), verbranden, den mond; gebez. 
van te veel kalk by een sierih-pruimpje, Boeg. tdp- 
pang, idem ; bijv.: nat&mpaiïgi palêyó bawakoe, lett.: 
m^n mond wordt verbrand door kalk ,dL.\.het brandt 



kamer te komen? Ik verlang daigij »oo iets niet zon- ! mij' sterk in den mond van wege de kalk. (Kei.) 



S83 



NB. Dit tdmpang ook gebez. voor bedwelmen^ 
'doen duizelen , duüéUg maken , dewijl te veel kalk 
bij een sierih-pruimpje niet slechta den mond ver- 
brandt, maar ook bedwelnd en duizelig maakt; bij. 
voorb.: nat^pangd taoe, ik duizel van de menigte 
van menseken. ^ Nat^panga kana, ik word dui- 
zelig^ of: kalf suf, van al het gepraat, 

y\ JO (1* tapi). — T&pi-t&pi, bep. tapi-tapiya, 
soort van visckje, 

(2** tHpi), wannen. Boeg., Jav., Sund. idem. 

(3°t^ppi), bep. tappiya, rand van den gevel, 
Jav. tèpi, Mal. tepie, rand, zoom. 

A\ ^ (X tapoe) , bep. tapcfewa , vnw. tapoV 
koe, en vooral niet : tapdbngkoe, gruis van ryst. 

(2* tslppoe), afbreken; v. d.: a) afbreken als on- 
bedryvig werkwoord , touw bijv. v. d., af-^ofge- 
daan, doorgekouwen-, stukzijn^ opkouden; b\j voorb.: 
t^ppoe igawlkna, z\jn levensdraad breekt af, d. i. 
k^ sterft, — Inrang t&ppoe, geleend geld dat zonder 
tHirest maar ook zonder mindering moet teruggegeven 
warden; als 't ware: een sckuld in eens af, zonder 
intrest of iets anders. (Eap. Dj.) — Ta-matUppoe, 
en: ta-lappoe, onafgebroken, gedurig door, sonder 
cpkauden (Djay.) als: djamang ta-t&ppoe, ««rA iraar 
geen end aan is. — Ta-matappd^kaï nat&ba sim- 
poeng-pamaï pat&nna balld, den eigenaar van een 
Ams tr^ onophoudelijk kommer. (Bap. T. Dj.) — 
Tjêra ta-tappóe, bloedvloeiing eener kraamvrouw; 
of ook gebezigd van : elkander onophoudelyk opvol- 
gende maandstonden. — Tasi-tappoe-t^ppo'e-mami , 
ket gaai maar aan stukken, d. i. : stuk. (Kei.) — 
Na-pönna tappoe appa oer^ua bitjaraya, en zoo na- 
geleefd worden, zoo men zich houdt aan, deze vier 
beginsels van het behandelen van regtszaken. (Inl. 
Wetb.) — T&ppoeki ^eneka, het water breekt af 



d. i. houdt op, droogt op. (Kei.) — T^ppoe-Bi^ê-ra, 
eene afdoening van den Raad, Baads^uUspraak , be- 
sluit. — NatUppoe ballinna, de prys er van is vast- 
gesteld, (Bap. T. Dj.) — T&ppo'e-mi g^ntang-gan- 
tanna , de gdntai^-gdnta^ van het beest ( , men 
zie gdniar^ N°. 3,) w doorgekouwen , is stuk, is 
door. 

b) afbreken, als bedrijvig werkwoord ; bijvoorb. 
an^ppoe ranndbnna, iemand" s hope afbreken, d. i. : 
verijdelen (Djay.) — Ant4ppoe panrannoew&nna, 
idem. (S. Tjin.) ^ Tdppoe ook gebezigd van de 
nalezing der r^'sivelden door de behoeftigen, nadat 
de oogst van een veld is afgeloopen ; als 't ware 
een einde maken aan het overgebleven gewas. 

Tappcteki a) voor, of: bij iemand, of ergens, af- 
breken, afgebroken worden; bijvoorbeeld: inèkke-mi 
natappdbki s^mbi-séró, letterl. bij mij breekt het 
touw van den wateremmer af. Zin : met ons velen 
gebruiken w\j dien wateremmer, en juist, nu ik 
hem gebruik, breekt het touw. Overdragtel^k ge- 
bezigd, beteekenen deze woorden zooveel als : '*Wij 
* 'hebben alles tQ zamen gedaan , en nu komt het 
«ten slotte alleen op m^n hoofd neer. Wjj hebben 
"bijvoorbeeld altoos te zamen ontrouw gepleegd , 
"en nu word ik er ten slotte alleen voor aange- 
"sproken." Hetzelfde insgelijks aangeduid met de 
woorden: in&kke-mi natappdfeki bantang-bissord , 
nadat wy de hissoró lang te zamen gebruikt hebben, 
breekt juist de bdntang , of het koord van het boogje, 
terwijl ik het bij mij aan huis heb. 

b) afbreken, als bedrijvig werkwoord, v. d. 
verderven; v. d. ook: afdoen, beslissen; bijvoorb.: 
tappcAïki Aher^na ri-linóna, zijn toekomstig geluk 
afbreken, d. i. : verderven, voor zijn wereldsck, (Sinr.) 
•— Koetappc^ki koetodjengangi, vertaling van het 

36* 



984 



Arab. iX^f, (Godsd.), t* verklaar het ten volle, 
met volkomen overtfdffvtg. 

Tappoekiyang, ergens voor uitmaken ; bijvoorb. -. 
nib&yató-mi ri-leba nitappoekïyangaï , er wordt be- 
taald, naar dat men daarvoor te voren uitgemaakt, of 
bepaald, heeft. (Kap. T. 1^.) 

(3** tappoe), atappoe, noemen, v. d. ; opnoemen , 
benoemen, enz. Boeg. tappoe, idem ; bijv. : atê-ppoe 
hoeroepoena, deezelfa letters opnoemen, d. i.: elk 
van de lettere uitspreken, (Godsd.) — Koetóppoe- 
mêrnang kalêngkoe la-3jdfeloe-t6pe, ik heb het al- 
toos wel genoemd, d. i. altoos wel voorspeld, of: ge- 
zegd, dat ik één kleedje met haar zou dragen, d. i. 
dat ik met kaar trouwen zou, 

TappoWang , noemen voor iemand, iemand iets 
opnoemen ; bijv. : manna koetappo'bwaiïg-ko hoeroe- 
poena, ta-noebattoewangiy^, ofschoon ik u de letters 
opnoem, gij begrijpt mij toch niet. 

Atappoe-tappo'fewang , lett. iemand gedurig iets 
opnoemen; v. d. raden, bijv. een raadsel. 

Panappo'bwaiïg, iemand iets opnoemen; bijvoorb. 
ta-nipanappoewangaï ri-karêënga bate-bate naa- 
gang, niet worden hem door den vorst genoemd 
de bdte-bdte's, welke hij kan mêe nemen. (Eap. 
K. G.) 

•\ ^ (tappoeng), Sal., = bard^"", 6, bedakh. 
Vei^el.hetMal.^o^, meel. — T^ppoeng-tèward, 
en: nitappoeng-taw&ri, vergel. tdward W. 2. 

X\^ (lampoe). Bdfeyang tampoe-baniyaga, 
soort van ligt-blaauw papier. (Sinr.) 

•\ ^ (tampoeng), = tmpoeng. 

•\\ ^ (1° tape), bep. tapêya, soort van eten, 
dat ontstaat door bij de sóngkóló (, men zie bene- 
den,) gist te doen. Het water, dat men hiervan 
kan afscheppen, heet brom , of: bdUó dse, en is ge- 



liefkoosde drank onder de Inlanders. Boeg. idem. 
Mal. tapej, mout, zuurdesem. 

(2° t&ppé), aankleven, aanhangen, nab^j zijn, ge- 
hecht zijn aan, gesteld oi gezet zijn op, bijv.: tlLppé- 
doedo'bwa awallinna baïnnêya, de naaste awdlli^s 
(, vergel. beneden op awdUi,) der vrouw. (Sar.) — 
Tappéki ri-Anoe, hij is verkleefd aan, gehecht aan, 
NN. — T&ppéki mange ri-K^mpong-bêroe, hy is er op 
gesteld, houdt er van, om naar Kdmpong-bdroe te gaan. 

^W^^ (t&mpe). Vei^el. het Jav. tampik, af- 
wijzen, van de hand wijzen, afkeuren , weigeren, ver- 
smaden, uitsluiten. 

Tampêyang , naar achteren wegduwen, of: weg- 
doen, hetzij met één of beide handen. (Sinr.) 

^\\^ (t&mpeng), lappen, kleêren byv. of 
een* ketel, (Tar.) 

T^mpeng-p&kkeré, een bedelaars-deken. 

•N^'N (l**t&po), ^tipo, geneesmiddelen ge- 
bruiken, geneeskundige behandeling ondergaan. Boeg. 
idem; bijv.: anjdjo to'bwanga sala-tlLpowi, ri-gar- 

A 

rinna, die heer is slecht behandeld in z^ne ziekte. 

Taipom , practiseren over iemand; bijv.: tapowi- 
sliï anjdjo ê,naka, practiseer eens over dat kind. 

Patapo, als geneesmiddel aanwenden; byv.: Ilnj- 
djo paballêya nipatapo ri-garrinna, dat geneesmid- 
del wordt aangewend in z^ne ziekte. 

(2° tappo), aanvallen. Mal. tampoh, of: tampoeh, 
Jav. tempoeh, idem. 

Tappowi, op iemand, of: iets, aanvallen; bijv. : 
tappowi ilnjdjo t^e-djRlloka, valt op dien amokma- 
ker aan. 

Tappówi ook gebez. van : iemand haastig te ge- 
moet komen, iemand als 't ware aanvallen. 

Sitappówi , elkander aanvallen ; bijvoorb. : si- 
tap po wi-rai baliya, de vijanden vielen elkander aan. 



985 

^x^'N (1° tampo), bep. tampowa , opgeèla- \ heeïi ook bddi-gfferoe pasanUmpo^ en: bératVj-bddi 
zeriy pogc/teHt snoeven. Boeg. tampo, idem. ipasaniimpo. 



(2° tampo). T&mpo-tampo , iets sierlijk in orde 
brengen^ fraai en gevoegelijk schikken; bijv. tampo- 
tampo bidana, de sarong voegzaam en sierlijk om 
kei lijf gorden. (M^di.) 

>\ ^ (1" tipd), Saley., = i^pd N°. 4, din- 
ding. 

(2** tipa), bep. tipaka, rasch, schielijk, vlug; 
bijv.: tipa pangamasêyang, teergevoelig. — Tipa 
lima, handig. — Pakalêyang méltipd, vlugge, slan- 
ke, gestaUe. (Sinr.) 

y\ ^ (timpoeng), = tdmpoeng, bedorven, v. d. 
verlegen, bijv.: katoen, vergaan,vermolmd, een paal 
bijv. Zoo zegt men bijv.: timpoengi app^na, de 
punt er van (, bijv. van het potlood,) is vergaan. — 
Timpoeiïg-mi taoe-djaiyaangêrang patowiina, lett.: 
het getal van hen die wat konden aanbrengen tot een 
gastvrij onthaal, is vergann, is op, d. i.: ieder heeft 
wat gebragt, (Djay.) — TÏmpoeng-mi pokdna, lett.: 
zijn stam is vergaan, gebez. van iemand die afge- 
' leefd is, voor den coïtus niet meer deugt. — Tim- 
poeng koebangoeng pole, eene vrouw, die als 't ware 
vergaan, of: versleien, is van ouderdom, doe ik her^ 
leven , maak ik bijvoorb. weder gelukkig door haar 



•\ ^ (1** tdbmpd), tegen iets aanzetten, v. d.: 
stutten, bijv. een' boom die dreigt om te vallen, 
en waar men een bamboe tegen aanzei; van daar 
ook: zich tegen iemand of iets verzetten, twisten, 
een twistgeding zamen hMen. (Bap.) Bijvoorbeeld: 
nato'bmpa erdna toe-malompowa, hy verzet zich te- 
gen den wü des Gouverneurs. — Nitcifempa-poke, 
met een lans gedut; van daar, al naar het verband: 
met een lans gestoken, doorstoken, of ook: voortge- 
duwd worden. 

Tatckm^i, een stut; ook geb. van de bamboe, 
waarmede men de djardmbd (, soort van Inlandsch 
venster, vergel. djardmbd,) openzet. 

Pano'bmpa, =patöhnpd; bijv.: taëna panoem- 
plkoe, lett.: ik heb er niets tegen aan te zetten, d. i.: 
ik kan er niets tegen doen, 

Siidémipi, lett.: tegen malkander aanzetten ; v. d. 
zich tegen malkander verzetten; bijvoorbeeld: si- 
tdfempa ri, tegenstrijdig mei. — Sito'fempa kana, re- 
detwisten. 

Pasitoempakka^, a) hei zich tegen malkander 
verzetten; v. d. bijvoorb.: strijd van gevoelens, 

b) tegen over elkander doen staan , bijv.: pasitoem- 
p^kkang kanaya, met elkander twisten, eene zaak 



te trouwen. — Timpoeng-lasa, zonder nakomelin- 

i 
gen, of: kinderen, sterveti. voor den regier hebben, (Kap.) 

I 

•\ ^ 'N (timpo), bep. timpowa, stuk bamJboe \ (2** tdbmpa), uittrekken, bijv.: een sarong, door 
om water in te halen, te Bantaëng b^emhoeng ge- die over het hoofd heen te halen. Wanneer iemand 
noemd. Vergel. bdhnboeng N°. 2. dit met zijne eigen sarong doet, en die om den 

Sélé pasantimpo, kris, waarvan de scheede ge- linkerarm slingert, is zulks een teeken, dat hy 
heel mei goud beslagen is, mei uitzondering alleen \ amok wil maken. Men zegt dan: natdfempa lipana. 
van de balembeng ; xveWïgt zamengesteld uit/?a-4-'— Antdbmpaï tokei^a ri-barambslnna, de iékeng 
san •\- timpo, dus als 't ware een scheede, die ge- over het hoofd heen van de borst afnemen. (D. Moes.) 
lijk aan een goudgele timpo gemaakt is. — Men — Tdfempa samanna djaranga, den toom van het 



986 



paard ooer z\f» kop keenkalen , d. i.: kei paard van 
zjjn hoofdstel ontdoen. 

(3^ tc(bmpa), kd sperma genitale doen uiUckieten, 
bg den coïtus. Ook geb. yan de actie der vrouw 
by die gelegenheid. 

y\ ^ (tdbmpang), padde. Boeg. tdipang, idem. 

•\ Jsi (tcfempi), bep. ioempiya, plak, reepihi^v,: 
tambèko si-tdbmpi, een plak, een reep, taèak,(}SldL) 

Tc>^mpi^tdbinpi, platte koekjes yan fijn gemaakte 
Zd^^-^re-visclges en in den vom van een drie- 
hoekje gekneed. 

•N /O (tcfeppoe), eigenl. Boeg. = 't Mak. U- 
rang N°. 1 » ergena tegen drukken, v. d. iets tegen 
honden, tmdenteunen, dennen; v. d. ook: ergem op 
ruiten; v. d. ook: tegen eene hoogte oploopen, eene 
hoogte bekUmmen; b^ v.: koetd^ppoe baringang toe- 
kélkoe, ik druk v<m onderen tegen de sporten van 
m^ne ladder, opdat die niet uitglijde, en op den 
grond valle. Overdragtdyk geb. door een' vader, 
die iemand'» dochter ten huwelijk vraagt voor z^n' 
zoon en alzoo voorkomt dat z^n geslacht uitsterye. 
— Na-nitdbppoe-mi ri-sanrówa, en zij (te weten: 
de kraamvrouw,) werd door de vroedvrouw bij de 
knieén vastgehouden, ten einde niet voorover te val- 
len. — Bi-baribasaka koetdbppoe monj^onna Pati- 
rdwang-DjawlLya, *s morgens vroeg beklom ik den 
berg Patirowang-Djawdga. 

Patdbppoe-b&toe, lett.: iemand die op een steen, 
d. i.: op iets hards,rust; v. d. overdragt: iemand op 
wien men zich van weg e zjjn' geboorte en edele inborst, 
volkomen verlaten kan, (Bap. K. G.) 

Apatdfeppoe, ergens tegen aan doen drukken, op 
doen rusten; b^v.: ipato'bppoewi tUkkang-baasiyaira- 
wa ri, c^ ijzeren sUrf doen rusten onder op. (Godsd.) 

Patoeppolïwang, datgeen wat ergens tegen aan 



drukt, bijv.: een zware steen, dien men onder tegen 
de ladder aanzei, opdat die niet uitglijde. 

•\ /O (tcfempoe), bep. toempdbwa» vnw. toem- 
pdbkoe, hygsmagt, niet enkel de soldaten, maar 
ook de bevelhebbers. — Toempdbna Gówa, de krjjgs- 
magt van Gówa. (M^di, D. Moes.) 

Voorts wordt dit tdhnpoe ook gebezigd , om de 
onderscheiden groote staten van Celebes aan te 
duiden. Vergel. bótjo N^ 1. 

\y\^ (tèmpa), bep. temp&ya, klap, kloppen, 
met de hand op iets slaan. Boeg. idem ; b\]v.: dtêmpar 
mi tadbwa, de menschen klappen met de handen. — 
Koesarêyang-ko témpa-b^bang, ik zal je een 
fermen klap geven. — Têmpa-kabobd. Vergel. bóbó 
N"". 2. — - Têmpa-kal(Aïroe, een klap met het vlak- 
ke van de hand, terw^l het geraakte voor- 
werp als 't ware in malkander rolt; men zie kaUfk- 
roe. Van daar legt de Inlander de vlieg deze woor- 
den in den mond: '<pönna témpa-kabób6, amotê- 
*«rang-^i; ponna têmpa-kaldbroe, taëna-mo koe- 
''motêrang, zoo ik een témpa-kabóbé ontvang, keer 
^ik terug; doch zoo het een tempc^kalderoe is, blijf 
*'ik voor altoos weg.** — Taëna mar^ng noegadë- 
kang, tèmpa^têmpa-m&mi tellLnnoe, lett.: gjj doet 
niet anders dan maar gedurig tegen uw pudendum 
te slaan. NB. door de Inlanders gebezigd tegen 
eene slavin die b^na den ganschen dag niets uit- 
voert. — Têmpa empowaiig, met de hand op eene 
zi^laats slaan, ten teeken, dat men iemand verzoekt 
zich daar neder te zetten. — Têmpa Koranga, (tot 
drie keeren toe) slaan, d. i.: de hand leggen, op den 
Koran, d. i. zweren. — Têmpa barambang, op de 
^st slaan, — Têmpa-bdko, lett.: op den rug tik- 
ken; van daar: achterhalen, vinden, gestolen, of 
vermist, goed. — Ponna niy^ toe-mal2Lri na-uitêm- 



387 



pa-boko, zoo iemand wegloopt en ackierhaald wordt, 
(Rap.) — Ta-makoellêyaï nibalc>ëkang slnoe ni- 
têmpa-bokówa, pdbnna ta-lébakka-pa nibiQ^ra, 
men mag niet verkoopen vermist of gestolen goed, 
dat men vindt ^ of achterhaalt, vóór dat de Regter 
uitspraak heeft gedaan, (Eap.) — Toe-dnêmpa b&wa- 
kar^ng, lett.: iemand die eerC vorst een klap op 
den mond geeft, dus zijne woorden als 't ware te- 
genboadt, v. d.: iemand die de bevelen van den 
vorst niet opvolgt. — Têmpa-Dj&wa, soort van kin- 
derspel, te vergelijken met ons handjeklap, gespeeld 
door twee kinderen. 

Samatêmpa, niet eens, maar eenige keeren ach- 
ter elkander, als *t ware te eamen^ tegelijkertijd, 
kloppen. Men zie een voorbeeld hiervan beneden. 

Fanemp^iig, voor iemand kloppen; bijv.: ni- 
panemp^ng-mi empowang samatempana, lett.: 
er werd voor hem op eene zitplaats geklopt en dit 
kloppen had eenige keeren tegelijk of onmiddell^k 
achter elkander plaats, d. i.: hem werd herhaalde- 
Vjk met de hand eene zitplaats aangewezen. (D. Moes.) 

Sitêmpa, elkander slaan. 

Sitempa-tempa, elkander gedurig slaan, gedurig 
tegen elkander aanslaan; bijv.: kdntoe-mslmi pamai- 
koe bombanga sitempa-têmpa, mjjn hart is slechts 
gelijk aan de golven die gedurig tegen elkander aan- 
klotsen. 

\ •N /si (têmpang), hinken , mank zijn^ kreupel. 
Mal. iimpang, idem. 

X^\^ (têpoe), afgedaan. (Sinr.), v. di. ge- 
heel, volkomen. Boeg. idem; bijv.: têpoe-mi dja- 
manna, zijn werk is afgedaan. — Têpoe-mi pakat- 
towanga, de oogst is afgeloopen. — Têpoe-b&ttoe , 
komen , terwijl men volkomen met het noodige uitge- 
rust is. Alzoo bijv.: van een' A-twtn^ gebezigd, geeft 



het te kennen, dat h^* met staatsie konU; van ge- 
regtsdienaars, die iemand moeten oppakken, geb., 
geeft het te kennen dat zij behoorlijk va/n wapens en 
boeijen voorzien zijn. — Têpoe-k&le-m^, ik gevoel m^ 
geheel lekker, lett.: volkomen van Ugchaam. — Na- 
têpoe-tommo pamaïna, en het deed haar ook goed; 
lett.: haar gemoed was ook Ui een* volkomen* toestand. 

AA ^ 

(Bid.) — Tepdfena baiïgiya, taëna koetinro, ik heb 
den ganschen nacht niet geslapen. — Ta-koetepdfena 
bangiya, koepamenangang, idem. Yergel. ênaiig. 
(Sinr. K. G.) — Têpoe-djinne bangiya koekaën- 
roenginnoe, ik heb dezen ganschen nacM aan u ge- 
dacht. (Sinr.) 

Patêpoe, of: pakatêpoe, of: pakatepoe-têpoe» 
afmaken, voUooijen, volkomen maken ;hi}Y.: patêpoe- 
wi kalênna, lett.: zijn ligchcuim volkomen, v. d.: on- 
kwetsbaar t ijzervast, maken ^ zoo als de Inlanders 
meenen te knnnen doen. 

\ •w ^N^ (têpé), bep. têpeka. — Ampiyoeng 
si-têpé, een bol amfioen^ d. i. 4 a 6 k&tti's amfioen. 

\ •s /O V (têpd), bep. têpoka, stuk, gebroken; 
by V. gebez. van beenbreuk; bijv. : noemitêpd , gij 
breekt uw been , of arm , cf welk Ud het ook zij. 
(Kei.) 

Têpó ook geb. van het breken of afvallen der 
hoornen van een hert. 

•\ 'N ^ (1** topa), bep. top^ya, dus genoemd 
de vijf deelen van den Koran die weder ieder zes 
ddjoes(k*s bevatten. Vergel. ddjoesdé, Welligt is 

dit tópa een' verknoeijing van 't Arab. otl£ , 

deel, stuk. 

(2° topa), ons toppen, 

(3" topa). — Bête-bête t6p4. Men verg. bite, 

(4** toppéL), bep. toppaka, dinding, of: gedroogd 

vleesch. 



388 



(5° tóppa). Onre toppa, Sol. gekookte gierst, 

^\ "N ^ (topang) , in een Bdroiig tcihkelen en 
zoo wegdragen y bijv.: een kind; doch vooral in den 
krijg gebezigd van het op deze wijze wegdragen der 
lyken, (Midi.) Boeg. tdpa, idem. 

•s'N/O (1** tómpang), nómpaiïg, anompaiïg, 
met citroenaap schoonmaken ^ eene kris bijvoorbeeld. 
Boeg. idem. 

(2° tómpang), op den buik-, of voorover-liggen, 

Patómpang, op den buik, of voorover, doen liggen; 
bgv.: ampatómpang patoemingaraï lyanoe, lett. : 
N. N. op zijn* bfdk doen liggen en hem dan weer 
achterover gooyen, d. i.: naar eigen goedvinden en 
geheel willekeurig met N, N, te werk gaan, (Rap. 
K. G.) — Patómpang lim&nna , zijne hand vooro/ver 
doen liggen, d. i.: zijne band zoo houden, dat de 
rug boven, en de palm onder komt. NB. het te- 
genovergestelde \ittii paidra. Vergel. idra N°. 2.— 
Patómpang sélena, zijne kris, wel te verstaan: het 
langste end van de èalénièei^ , voorover doen liggen, 
NB. dit is het teeken dat men de kris wil trekken. 

Patómpangi m&ngkoka, de kom voorover-, of: 
op den buik, leggen, è,, \,i de kom omkeeren, 

Tdtómpangi o'feringa, de rijstpot is voorover ge- 
legd, d. i. ligt het onderste boven, — Tdtómpafïgi 
assdbnna, zijn rystblok is voorover gelegd, d. i. ligt 
het onderste boven, (Bap. K. G.) 

Tompaiïgi, ergens op voorover leggen; v. d.: 
tompangi-s&ï &njdjo b^toe, leg daarop een* steen, 

Tompangang, een stuk hout, of iets anders 
wat het ook zij, waarop men zich, voorover-, of op 
den buik, gelegen, over het water laat voortdrijven. 
Vergel. het Mal. tompdiigan, doortogt , plaats in een 
vaartuig, of wagen, passage. Wanneer een Inlander 



wat uit te rusten, zwemt hij des noods overal naar 
toe ; bijv. : akdfelle-dja battoe ri-Kodingareng , 
ponna niya tompangaiïg, ik kan immers (te weten : 
al zwemmende) op Kodingdreiig komen, zoo ik een 
tompUfigang heb, — Naniya lekdna bo'biïga-ko'bma- 
koemaya ri-limanna si-lawara, na-iya naparé tom- 
pangang , en hij had één blad van de kóhmn-kdbma- 
bloem in zijne hand ( , te weten : terwijl hy zwom) 
en dit maakte hij tot , bezigde hij voor, tompangang, 
(Djay.) — M^nna si-batang-dja bdblo naparë tom- 
pangang, al is het ook maar een stuk bamboe, dat 
hij tot een tompüngang maakt, (Bap.) 

M^tompangang, een tompangang hebben, (Rap.) 

(3° tómpang) , oud woord , = pdré N°. 1 , ma- 
ken, doen. 

•N 'W ^ (tópe), bep. topêya, lijnwaad, lin- 
nen , stof; ook : soort van wil kleed in den vorm 
van eene sarong, dat voorname inlanders, zoowel 
mannen als vrouwen , in stede van laatstgenoemd 
kleedingstuk bezigen, wanneer zij gaan slapen. 
(Sinr. , Tar.) Er is ook een soort van tópe, die bij 
feestelijke gelegenheden gedragen wordt, insgelijks 
wit van kleur, doch dooi^aans met een mooijen 
rand, — Tope-Toeratêya , wii linnen van Toera- 
téya, d. i.: birang. (Bap. K. G.) — Ngalle tópe, 
een kleed, te weten: een bidkleed, nemen, v. d. zijn 
gebed verrigten, (Rap. K. G). 

Atópe, m^i een kleed zijn, een kleed dragen; 
bijv.: palola, la-koetopêya , een paióla (, men zie 
op patóla N°. 4), die ik zal dragen, (Sinr.) 

Patope; V. d. : QinjQing róttó patópe, men zie : 
róUÓ N^ 2. ' 

^\ 'N /si "N (tómpo), bep. tompoka, het boven- 
ste. Boeg. tóppó, idem; bijvoorb.: tómpo-boettaya, 



zulk een tmnpangang heeft, om van tijd tot tijd het bovenste, de oppervlakte, der aarde. — Tompo- 



iJ89 



mónjtjouga, het bovenste, de kruin, den hergs. — ^ kracht en moed. Bocgiu. tedong-paldsa. Yergel. 

Tompo-mata, bovenlid van 7 oog. — Tómpo-lmiïg- ! Idsa N°. 3. 

keng, het bovenste van den voet, de wreef. (Tar.) — ; Sitompo, boven op elkander zijn. 

Natómpc^-móujtjoiïg, lett.: (de zon) is aan het bo- i Pasitómpo, boven op elkander doen zijn; bijv.: 

vetiste van het gebergte, d. i. reeds zigtbaar, = td- pasitompoki oelo'banasalangganna, itf/;mwf7Atf/Aoo/fl? 

hódjoló-mi Jllówa. Verg. bod j oio N°. 1. — Akobl- op de schouders zetten, d. i. iemand redden, die in 

le-dji, noepanaï barang-b^lrang, katompo-dji, gij zulk een gevaarlijke posHie verkeert, dat het zoo goed 

kunt het goed ontschepen, daar het bovenop ligt, — is alsof zijn hoofd reeds van den romp gescheiden 

Atómpd-bdfetta, boven den grond uitkomen , bij v. : zaad. ware. 

— Atómpó-bainnc, boven op eene vrouw liggen; v. d. ^\ "N ^ 'N (tompong). — Bdfenga-tompong, 

gemeenschap met Jmar hebben, (Tam.) — Atómpdki ! bloemen gestoken op de spleten vati een bamboe, 



djaranga, gebez. van het dekken van d€ paarden, 
welvoegelijker dan: dldloewi djaranga. Verg. Idloe. 

A 

Anompo-mi garrinna, lett.: zijne ziekte gaat al 
boven op hetgeen zij geweest is, d. i. z^ne ziekte neemt 
al toe, 

Antompó, lett. ei'gens op liggen , wordt van daar 
ook gebez. voor: bedekken, ónzigtbaar makeji, en 
van daar verder overdragtelijk voor: overschaduwen, 
overtreffen, in schoonheid of iets anders; bijv.: na- 
kllna pamaïkoe, taëna-mo ^ntoe taoe antompd-ki; 
na-niya-idja pal eng, ik dacht eerst, dat er niemand 
was, die u overschaduwde (, in schoonheid overtrof) ; 
doch thans weet ik , dat er dan toch nog zoo ie^uiand 
is. (Bid.) 

Tom pok i, lett.: liggen boven op iemand , of iets; 
V. d. == lalóewi. Vergel. Idloe. 

Patompó, sl) plaatsen boven op, bijv.: napatompd- 
mi irdteyanna kanrêya, hij heeft het boven op de 
rijst gelegd. 

b) iemand, die, oiiets, dat ergens boven uitsteekt; 
van daar: têdoiïg-patompd, een buffel met een 
knvhbel, of kwab op den nek. Zulks alleen bij 
de buffels van het mannelijk geslacht aangetrof- 
fen, en van daar beschouwd als teeken van 



dat men slechts aan het eene uiteinde gespleten 
heeft. Boeg. idem. 

Tómpofïg-bddjold, kunstbloemen van bódjoló. 
Men zie bó^oló W. 2. 

T^boe-tompoiïg, vijf a zes stukjes suikerriet, 
gestoken op de punten van een aan de eene zijde 
gespleten bamboe." NB. Een tdboe'tómpoiïg te Ma- 
kassar gewoonlijk voor één duit verkocht. 

Tümpong-tompoiïg, a) een bundel lanjtjdeneng'H, 
zamengebonden, en door het volk van BMld (bij 
Tópe-Djawa) als wapen gebruikt. 

b) soort van korfje, met een van boven gesple- 
ten bamboezen steel , gebez. tot het plukken van 
zoodanige vruchten, als niet tegen vallen kunnen. 
Zulk een tompong-t/jmpoTig ook wel geplant op de 
graven, ten einde daarin ddëpa, of: harst, te 
branden. 

•\/si >• (tappllkki). Vergel. tdppd N°. 3 en 
tdppd N°. 4. 

•N^'Ny^^ (Toe-pókd), of: I-toe-pókd, 
het volk van LayakS,ya. (Verg. beueden op Laydka.) 
Dit zijn vrije menschen, en zelfs de Koning mag 
niet over hen beschikken zonder toestemming van 
Layakdya. (Bap. K. G.) 

37 



990 



•\ /O •• 'N ^ 'S (tapakkoró), *t Arab. X^y 
delnfinitivus van S^ in den V-vonn; alzoo: h^ zich 
zelven overpeinzen, (Godsd.) 

•\ /O •s ^s^ V. (tdppoeng-tawSrri). Vergel. 
têppoeng, 

^\/0<C (tampayang), soort van pot\ooT 
olij, of water. 

•\ X ^ <C ^^ (tampey&lang), = tampêyangy 
met den rug van één of heide handen bnitentcaartSy 
iets wegduwen^ tcegdoen; of ook: met den voet op zij 
schoppen, v. d.: versmaden, (Sinr., Tar.) 

ys^^ (tamparó), = 't Arab. yB?Lfe, 
openbaar, zigtbaar, uiterlijk, uitwendig ; hi^y,: 'pa- 
ng^nro ta-tamparakoe, mijne bede binnenga mond^a 
(niet naar buiten komende) , d. i. : mijne geheime 
bede, (Sinr.) — Bê.dji ta-tftmparaka, het goed dat 
niet zigtbaar, niet ttUwendig, is, dus: een innig, of 
ook: een buitengewoon zeldzaam, goed, (Sinr.) — 
Kdbkang ta-mdilLmparlkoe , mijne niet zigtbare, d. 
i. : mijne verborgen, ellende, of ook: mijne ellende 
die niet zigtbaar, niet algemeen, d. i. zeldzaam, ia. 
(Sinr.) 

T&mpar^-dS,tjïng. Vei^el. détjing. 

•\/0^ (tampllrang), zee. Boeg. tapp/irofig, 
idem. — Tamparang l^ba, meer, vergelijk laba 
N*. 8. — Tampdraf^ Idbdya is de naam van een 
groot meer op Celebes, ook genoemd meer van 
Témpe. — TampSlrang lompowa irawangang 
anginga, efe Zuidzee. — Aba, of: ronrong, tampa- 
raiig, zeebeving. 

Atamp&rang, dU eene zee zoo groot, d. i. zeer 
groot, z\jn; bijv.: atampêLrang-mi pangainna ri- 
nUkke, zeer groot w z^ne liefde voor my. 

Patamp&rang, groot, uitgebreid, doen zijn als 
de zee; v. d.: iets algemeen bekend doen si/n. (Tar.) 



•\ "^ ^ \ Cs (tapperé), bep. tappereka, stroo- 
mat. Boeg. tapper é, idem; bijv. geb. om op te 
liggen, en gewoonlijk van pdndang-bladen, — 
TUppcré radbkang, een van bindrotting gevloch- 
ten mat, 

NB. Bij het tellen van de gewone tdpperé*s, 
alsmede van de tapperé-ratfekaiig^s gebezigd bet 
woordje bakkdrrang. Men zie boven op bdkkard 
N^ 2. 

Tdpperë-kadêra , sioelmatje. Bij het optellen 
van deze soort van matjes geb. het woord Idward. 
Vergel. op Idward N". 1. 

Batta ri-t&pperé. Vergel. bdtta N^ 5. 

}r\^^ (timpard), iets met geweld beletten , 
of verbieden, of afweren; bijv.: ng^pa ik&oe lan- 
tim para-ka ri-boett&koe ? waarom wilt gij mij iets 
beletten op myn eigen land? — Natimpara-k4 , h^ 
werkt mij tegen? — Ng^pa na-nibóngkaï ri-boet- 
t&ya? .... Taoe-^nimpariLkana-karêlëng? waarom^ 
wordt hij het land uitgejaagd? .... Dewijl hij 
iemand is die pruttelt tegen de bevelen van het 
Bestuur, 

>\/0'\^^ (timporong), menigte van 
menschen die op eene plaats te zamen komen, 
hetzij op het geroep van amok, of om te condole- 
ren by overlijden , of om welke andere reden ook. 
(Rap.); V. d. atimporoiïg, in groote menigte toe- 
sneuen, en ook : daar komen waar men uit den aard 
der zaak veel menschen te wachten heeft ; v. d. bijv. 
een^ zieke bezoeken , een condoleantie-hezoek afieggem 
iemand verwelkomen , en dergel. meer , Boeg. m^- 
timporong, idem; bijv.: mange timporong t&oe- 
matêya, wegens iemand*s overlijden gaan condoleren. 
— Mange timporong tdoc-gAxringa, iemand die 
ziek is, gaan bezoeken. — Mange timporong 



991 



padangganga, d^ kooplieden (, die pas aangekomen ; r\V^^ (toempilaiïg), af stoeten, inzetten , 
zijn.) ffoan verwelkomen, bijv. : een stuk hout, dat in het water drijft. Boeg. 

Timporóng ook gebezigd van den Weaten-mnd^ toepüang^ idem. 
die op last des minnaars der geliefde een bezoek •\'N^'N*C''N (tómpolo), geb. van het 



brengt. (Sinr.) 

Faiimpórongy a) zich , aan een sterfhuis bijv. , 
als *t ware door eenig geschenk laten vertegen- 
woordigen; byv.: patimpórong b(A;nga, lêkd, enz. 
bloemen^ sierih, en andere geschenken, zenden bij ge- 
legenheid van iemand*ë overlijden, 

b) een' oploop maken, of veroorzaketi. (Bap.) 

rapatimporongang, iemand tot het voorwerp ma- 
ken waarvoor een groote oploop plaats heeft; bijv. : 
toe-nipapatimporongang, iemand wegens wien een 
groote oploop plaats heeft. (Eap.) 

•\ ^ ^^ (tap&la), immers niet; weliigt za- 
mengest. uit: ^ N^ 1, niet, -f pdla ^dlaW,\. 
Veigel. vooral téUa N**. 3. Bijvoorb.: tap&la nïya 
an^na , zij heeft immers geen kind, (Bid.) — Ta- 
plda kaoe pat^nna, het is immers uw eigendom niet, 

— Tap^a inakke aiigk&na , tk zeg het immers niet. 

— TapUla taëna dinar^koe , ik heh immers dinar' s 
(Bid.) 

Yerg^. het Boeg. taldngka^ weliigt zamengest. 
mi ti + dia ^ atlgka, zijn. 

•\ JO ^ (tampiling), oorvijg, een klap om de 
ooren geven. (Bid.) Mal. en Jav. idem. 

Patampiling, het geven van oorvijgen. 

Tampilingi, iemand een klap om de ooren geven. 

•Ny^^^ (tipoeloe), bep. tipoeloeka, j^owip, 
de/wit^van een' degen bijvoorbeeld, of van een' 
na^ild, enz. 

Tipolïli, stomp maken; bijv. : tipc^li-saï anjdjo 
padangkoc, maak eens stomp de punt van mijn 
zinaard. 



leggen van zekere medicijnen op het zachtste ge- 
deelte van een kinderhoofd. NB. Hieraan groote 
invloed op de vorming van het karakter toege- 
schreven. 

Patómpolo, de medicynen , voor bovengemeld 
doel gebq^sigd. Vergel. by v. soegi-mdndl op : stfegi. 
— B&rang nit6mpold-ko patompolo-daré , weliigt 
zijt gij beplakt met de patómpdó van apen; gebezigd 
tegen iemand , die allerlei gekke streken begaat. 

/^ ^ ^^ /O (timpal&dja), Boeg., = het Mak. 
sdm^oeng-ldyang. 

^\ ^ ^ O (tampalisoe), bep. t&mpaliso'bwa, 
eene soort van sterretje in het haar , gelijk ieder 
mensch er ten minste één boven op zijn hoofd 
heeft. Ook bij paarden wordt zulk een sterretje 
aangetroffen , doch wanneer dit juist op den buik 
is, wordt zulks beschouwd als een slecht teeken. 
De ruiter valt alsdan ligt van zgn paard ; en in 
den oorlog worden de kogels door die tampalisoe 
op den buik van het paard aangetrokken. Boeg. 
palisoe, idem. Men zie palisoe. 

•\ ^ ^ *^ ^ O ^ (timpolosd), om het 
hoofd winden, bijv. : een band. Boeg. tipóló, idem. 

^\^0 (t&ppassél), roA^, aanraken; bijv.: 
dal! e! taboWd-ko maë, na-t^ppassa bonkoe, kom 
herwaarts, opgaande zon! en raak, d. i. bestraal, 
myne plaats. 

Sitslppassd, elkander aanraken; bijv.: sit&p- 
passi-pas&poewi, e^l raken elkander met een hoofd- 
doek aan, slaan malkander eventjes uit gekheid 
daarmede. 

37* 



392 



Tatappiissa, doen aanraken, smakken, smijten. \ b) breken y als onbedrijvig werkw. v. d. bros 
Talappassa, in den toestand gehragt zijn van te zijn, bijv.: kayoe tipasd, bros hout. 



raken; v. d. raken; bijv.: tdfegoeroeki tatappassd 
naoeng ri-boettaya, hij valt, en smxüd tegen den 
grond. — Tatappassaki singarana, antama maé, 
lett. het licht raakt hier bimien komende, d. i. dringt 
hier binnefi. 

Tappassang, iets doeti raken, v. d. smijten, 
Kerpen; bijv.: nitappassang ri-batdbwa, (het ge- 
wasschen goed) wordt gesmeten op, è. x. geklopt 
op, de steenen. (M^di.) — Anta{)passangi kalênna, 
van mefischen geb. : zich op den grond nedergooijen 
(Bid.); van de golven gebez.: zich werpen op, aan- 
druischen tegen. (Djay.) — Tappassang-bómbang , 
golfslag. 

Sitappassang, elkander nederwerpen, worstelen, 
het Zwitsersche ringen. 

•\^0 (tüpisi), klenzen, doorzijgen, ziften. 
Mal. tdpis. Boeg. tdpi, idem. 

Tapisang, zeef van /a/a-blad gevlochten, in 
den vonn van een peperhuis. 

•N\ ^ \ O (tapcsé). Vergel. het Mal. td- 
pies, klappen, slaan. 

Tapêsang, welligt lett.: ergens tegen slaan, en 
V. d. afweren, afwenden, wegduwen; bijv.: na-nita- 
pêsang-dja ri-Siti-Bidasari, en hij werd afgeweerd 
{tceggeduwd) door SÜi-Bidasdri. (Bid.) — Tapêsang 
o'broesoena, zijn snot weggooijen, d. i. zijn neus 
snuiten. (Sinr., Madi.) 

Tape-tapcsaiïg sowcna, zijn gedurig achteruit- 
slaan (met de hand), en zijn slingeren {daarmede). 
(M^di.) 

^\ ^ O (tipasa), a) breken , afbreken , afpluk- 
ken-, bijv.: manna lêko'-kayo'bnna ta-koet?pasa, zelfs 
zijne boombladeren brcpk ik niet. (G. G., Rap. K. G.) 



•\ysiO (tdfempasd), overgieten, uitgieten; 
bijv.: to'bmpasa-saï anjdjo mm^dk^, giet die olij eens 
ofjer. — B^te nato'bmpasa dawa, een groote inktvlak, 
lett.: vlak van wege het overgieten , het storten, van inkt. 

Tatol^mpasi, over gegoten zijn. 

Toempassi, ergefis iti-, of opgieten, begieten, be- 
morsen; bijv.: nitoempassiya kópi, mefi heeft koffij 
op mij gegoten, of: gemorst. — Koetoempassi-mi 
kalêngkoe, ik heb mij zelven begoten, of: bemorst. 
— Natoempassiya kopi, hij heeft mij met koffij be- 
raorst, begoten. 

Toempassang, ergens op uitgieten, v. d. weg- 
gooijen; bijv.: toempassang-mi anjdjo djeneka, gooi 
dat water weg. 

•\ ^ O (toempassang). Vergel. töempasd. 

\ ^N ^ O (têppoesoe), dtêppoesoe, = la/joe- 
soe , geëindigd , op (,niet meer voorhanden,) z^'ii; 
bijv.: leba têppoesoeki, na-koebattoe, hij was er 
niet meer, hij was weggegaan; zie! daar kwam ik, 
d. i. naauwelijks was hij weggegaan, of ik kwam. — 
Têppocsoe-dji aso'blo'e lampilna, nakana, zijn weg- 
gaan was slechts geëindigd, of voorbij, had slecJds 
plaats gehad, d. i.: hij was naauwelijks weg, of h^ 
zeide. (Bid.) — La-têppoesdeki lyawakoe, mijn be- 
wustzijn zal mij begeven, d. i.: ik ben op het punt, 
om van vermoeidheid neer te zijgen. — Têppoeso'e- 
mi nj^^wana, zijne ziel is er niet meer, di.ï.'. hij is 
dood. 

4^ ^ ^^ O (timpaoesoe), bcp. iirapaoesoe- 
ka, het Mal. timpdoes, een dier van hetzelfde ge- 
slacht als het opossum, didelphus, philander. Boeg. 
idem. 

^.X (r taba), treffen, raken. Boeg. ^^//;/?r^ 



293 



kannCy idem ; bijv.: nataba-bosi, getroffen door regen, 
d . i . beregetid. — AnSlba-dj i, het ia immers getroffen, niet 
krom maar jtdsi uitgedrukt, goed gezegd. — Man^ba 
gaoe, zich gedragende zoo aU 7 behoort. (Sinr.) — 
Manaba ri-bitjara-adaka, treffende, overeenstem- 
mende tnet de Adats. (Rap.) — Kana ta-manaba ri- 
pamaïkoe, lett.: woorden die niet passen voor mijn 
gemoed, d. i.: mij beUedigende, krenkende woorden. 
— Nataba kanaya, het woord raakt, d. i.: doelt, 
zinspeelt op. — Lebaki, nataba sdfekara lompo Di- 
maya, de Bimanezen heef t een' groote ramp getroffen, 
NB. ziet op de uitbarsting van den berg Tambdra. 
(Brief.) — Taba ri-bainne, eene vrouw aanraken, 
V. d. gemeenschap met haar hebben. (Maoet.) — 
Naba ri-ilorokoe, het smaakt mij. — Taëna nataba 
bêya, tolvrij, lett.: hetgeen geen tol treft. — NatïLba 
gdfen toeroe, door den donder getroffen. — Nataba- 
êrang. Men zie éraiig. — Nataba gaoe-gaoe. Men 
zie: gdóe N°. 2. — Nitaba-sikali-mi, lett.: hij is in 
eenSy of geheel, (men zie sikdli op kali N°. 1) ge- 
raakt (getroffen), v. d. hij is in eens weg; bijv. geb. 
van iemand die een' steek met kris of piek krygt, 
en terstond dood neervalt. 

Tabaï, ergetis aanraken, v. d.: tinang koetaba- 
tabaï anjdjobaïnnêya, ik heb die vrouw nooit in het 
minst aangeraakt. NB. antwoord op de beschuldi- 
ging van een' poging tot verkrachting. 

Tataba, in den toestand gebragt zijn van te treffen , 
d. i.: treffen, raken, stooten; bijv.: bê,djiki nipa- 
taêna mêmang balaya ri-gintingang ta-tatabana-pa, 
het is goed om de ramp te voren te niet te doen , ter- 
wijl zij nog niet getroffen heeft, d. i.: er nog niet is. 
(Djay.) — Kappala tataba ri-bato'bwa, schipbreuk, 
lett. : een schip sioote?ide op de banken. (Inl. Wctb.) 
— Tatabaï tfiVwaiijr, lett. ons: mijnheer raakt hem, 



mijnheer heeft Jiem beet, d. i.: hij is dronken. Ook 
wel gebezigd van iemand die gelukkig in han- 
del of iets anders is. — Nantama-mo ri-ro manga, 
iiatataba-mo paiïgkoeloena panritaya, hij is het 
bosch binnengegaan , ' en dat is geraakt door de bijl 
des scheepstimmerman' s, d. i.: deze heeft hout in 
't bosch gekapt. (Inl. Wetb.). 

Tatabaï, aan iemand, of iets, of ergens treffen, 
ten deel vallen; bijv. : siraka-niyd sdbsa antatabaï- 
ki, wettigt treft u kommer, hebt gij kommer. (Brief.) 

Tabangi, iets treffen, iets raken, v. d.: koeta- 
bangi pakadona lyanoe, ik trof het eten van N.N., 
d. i.: ik trof het juist dat N.N. aan het eten was. — 
Koetabangi gaoe-gaoena karaënga ri-Gówa, ik trof 
het juist dat er een f eest waa vanden Koningvan Gówa. 

Pitaba, doen treffen, doen raken. 

Pi tabaï, iets iemand, oï ergens , doen treffefi, 
doeti raken, enz.; bijvoorbeeld: pitabaïpaballe,y6f- 
neesmiddelen doen treffen ieifiand, d. i.: iemand ge- 
neesmiddelen doen innemen. (Djay.) — Toe-mapit^- 
baïya lima ri-soerowa, zij die de hand geslageji heb- 
ben aan den gezant. (Inl. Wetb.) — Pitabaï badili, 
een geweer doen treffen iets, d. i. ergens op raak 
schieten. — Ampitabaï rórosd, iemand straf doen tref- 
fen, d. i. iemand straffen, iemand beboeten. (Rap., 
Inl. Wctb.) Vergcl. rórosó N°. 2. — Nipitabaï 
pare, of: paparé, met de doodstraf gestraft worden, 
de doodstraf ondergaan, dus als 't ware: met iets 
van belang gestraft worden, vergel. /?fl>^N°. 1; staat 
tegenover nipasdla (, vergel. sdla N°. 1), en het bo- 
venstaande pitabüï rórosó, die beide van mindere 
lijfstraffen en van beboet ingen gebezigd worden. -— 
B&rangiya-djinjdjonapitabaï kana toe-m alompówa, 
lett.: wettigt laat de Gouverneur zijn woord slechtji dal 
treffen; d. i.: teel ligt doelt de Gouverneur met zijn 



894 



gezegde enkel daarop. (Brief.) — Na-nipafïging ta- 
nipitabaï dilo, het wordt in den wind gehangen^ en 
zoo, dat men het door geene Zon laat treffen^ d. i. 
buÜen de Zon, — Mapitabaï pamêlï-karêëng, lett: 
ieia het hart van een vorst doen treffen, d. i.: iets 
ten gevaUe van een vorst doen^ een^ vorst pteizier 
doen. (Rap. K. G.) 

Pitabaiyaug, het iemand, of ergens, treffen van 
iets doen plaats vinden voor, of: naar gelang van 
het een of ander ^ d. i.: iets bezigen om daarnaar 
iemand, of ergens, iets te laten treffen (,^ vergelijk 
Makass. Spraakkunst § 180); b^ voorbeeld: em- 
pona toe-mdndbnroenga nipitslbafyangi róroso, 
lett.: het ziiten, d. i: de betrekking, of: stand, van 
hem die geslagen heeft, wordt gdtezigd om hem daar- 
naar te bdtoeten , d. i. men beboet hem naar gelang 
van zijn* stand of betrekking in de maatschapp^. 
(Inl. Wetb.) 

Fatslba, doen raken, doen treffen; bijv.: pat&ba- 
8^ &^djo ranteya, lett.: doe die kinketting eens ra- 
ken, te weten: aan den haak van het gebit van het 
paard, d. i.: maak die kinketting eens vast, — Pa- 
taba pamilêna, zyne keuze doen treffen, d. i.: eene 
keuze doen. (Rap. K. G.) — Patóba ilordna, het 
iemand^ s smaak als H ware goed laten treffen, d. i.: 
hem laten smullen. Zoo ook: la-mangeya pat&ba 
iloro, ik zal gaan smuUen. — Pataba ana, iemand, 
bij de verdeeUng, kinderen doen treffen, d. i. doen 
krijgen, d. i. hein b^ de verdeeling der Idnderen ook 
een deel toekennen. (Rap.) — Patliba-sik^li-mi, 
lett.: doe het in eens, oi geheel, raken; v. d. tegen 
een schutter geb.: raaik het in eens, in één schot; 
tegen iemand die aan het eten is, geb.: mxuik het 
in eens, oi geheel, op. 

Patabang, doen treffen voor iemand; byvoorb.: 



kipatabang-l&lowd sikontoe k^na, taënllya narc^- 
roeng anne ri-sdbraka , lett. doe s.v.pL voor mij die 
woorden het juiste treffen, welke niet volgen, niet 
goed geplaatst z\jn , in dezen brief, d. i. : plaats de 
woorden zooals het behoort, d. i.: corrigeer s.v. pi. de- 
zen brief -voor mij. 

Sit&ba, malkander raken, zamentreffen, V. d. 
by elkander passen, voegzaam , biUyk. (Rap.) V. d. 
ook: het zamen treffen, het zamen kunnen vinden , 
vrede sluiten, overeenstemmen, het zamen eens zjjn^ 
zamen heulen, het net malkander houden, zeer in- 
tieme gemeenschap hebben, bijv. een man en eene 
vrouw, (Rap. T. Dj.) V. d. ook : te gelyk met iets 
anders plaats vinden^ v. d. : juist. (Djay.) 

Bijvoorbeeld: sit&ba-t&ba-ewaf^ngi, z^ raken 
malkander met de wapenen. — SitÉLba-pHoe, overeen- 
stemmen, het eens zijn in hun spreken. — Sitaba- 
cyintama» ergens juist inpassen, bijv. een mes in 
de scheede. — SitUba titi songona , juid was zjjn 
zweet opgedroogd. (D. Moes., M^i.) — G&oe sit&ba, 
een gedrag dat juist is zoo als het behoort. 

Sitdba en siidba-tdba ook gebezigd van alles 
wat in geene uitersten vervalt, bijvoorb. niette 
veel en niet te weinig , niet te groot en niet te 
klein. Op de vraag , of er veel gevangen is, ant- 
woordt men b^v. : sitaba-t^ba, zoo, zoo; tamelyk. 
— Zoo zegt men ook : sitllba-taba lompona b^llaka 
ri-iya, het huis is noch te groot, noch te klein voor 
hem , juist groot genoeg voor hem, middelmatig van 
grootte. — Sitaba-t4ba ewang^nna , zijne wapenen 
z^n redelijk goed. Van daar overdragtelyk een ge- 
meene uitdrukking om te kennen te geven , dat 
iemand's penis tamelijk groot is. — Gaoe sitabaya, 
de matigheid. (Rap. K. G.) 

Pasitaba, nuükafider doen raken, doen zamen- 



^5 



treffen. Van daar: b^ elkander doen passen, enz., : c) ieéê voor iemand doen zamentreffen; van daar 
maken dai de zaken zamen passen, iets naarbehooren bijv. : iemand aanpassen klecren, als: maë-ko pasi- 
schikken, uitmaken^ enz. Vergel. boven sitdba, \ taban^a pakeyangkoe, kom gij mij mijne kleéren 

Bijvoorbeeld: tsloe pasitslba-taba, iemand die aanpassen. 



tteee jongelui zamen doet treffen, bij elkander brengt, 
d. i. : een koppelaar, of: eene koppelaarster, — Pa- 



PasitlLba-kanang, eene zamenspanning, 

(2° t2bd), gooijen. Boeg. idem; v. d.: sömbala- 



siÜLbaï pakey^nna , lett. : zijne kleéren in overeen- , nitabd-tanga. Vergel. op sómbald. 



siemnUng doen zijn met den vorm zy^s ligchaams. 



Patabd, a) tets bezigen om mee te gooijen, ergens 



V. d.: aanpassen. — Pasit^ba-t^baï pakey&nna, q;»^ meé gooijen; bijv.: een sapiri-noot of duiten, waar- 
ileéren bij malkander doen passen, bijv. : zorgen dat mede men onder het spelen op het een of ander 
de kleur van zijn baadje past bij die van zijne mikt; bijv.: koepat^bdki sapinya, ik gooi met de 
overige kleeding. — Pasit&ba-t^baï ilorona , lett. : j sapiri-noot, — Pat^bakintdfereng , gooi dat maar 
maken dat de geregten in overeenstemming z^n mei ■■ neer , bijv. : een zware vracht waarmede iemand 
iemand*ê smaak, d. i. iemand lekker laten eten. — I op zijn schouders komt aanloopen ; 
Pasit&ba-tclbaï, maak het gepast^ wees matig, NB. I b) de noot, of de duit, waarmede men bij het 
gewone waarschuwing tegen iemand die met veel ^^^-spel mikt ; bijv. : koepalïbowi pat^baka. 



graagte eet, of drinkt; ook tegen iemand die aan 
het schertsen is. In het laatste geval zouden wij 
zeggen: <'pas op, ga niet te ver, blijf binnen de 
"perken der welvoegelykheid." — Pasit&ba-tllbaï 
pangainta , m^tig uwe liefde, — Taëna napasitsLba , 
hij doei het niet matig , hij vervalt tot uitersten. — 
Kipasitabaï pepena, wij maken het vuur daarvoor 
matig, d. i. wij houden het boven een matig vuur. 
(Eap. K. G.) 

Pasitabaï , iets bezigen , om ten opzigte daarvan 
zamen ie treffen; v. d. onder anderen: omtrent hei 
een of ander met elkander overeenkomen; byv.: k^ 
na apa-^re koepasitabaï, tc^wang, wal ik ook met 
mijnheer moge overeenkomen. 

Pasitabang, a) overeenkomst, verbond, sthikking 
(Kap.); 

b) het in overeenstemming zijn der voorstelling 
mei hei voorwerp zelf, v. d. : de waarheid, de ware 
toedragt der zaak; 



Men zie boven : Itbo N**. 1. 

Fanabaka, naam van een panufeloe, behoorende 
tot de rijksomamenten van Gowa. 

^\ X (tlbang), omhouwen , by v. : een boom ; 
houwen, bijv.: balken, (Bap.) Mal.^a^, oïtaba^t 
a/houwen, afkappen, snoeijen. 

Tabangang, omhouwing, bijv.: k&mma dbnti 
tibang^nna mêmang-tömmi , letterl. : zyn* omhou- 
wing als van een* pisang-boom is er al reeds lang , 
d. i. : het is al lang i^d om hem even cdseen^pisat^' 
boom om te houwen; overdragtelijk gebezigd van 
iemand die oud en gebrekkig begint te worden, 
zoodat wij zeggen zouden , dat hei hoog tijd is dat 
hij sterft, NB. deze boom wor^t altoos omgehou- 
wen wanneer de vrucht bijna ryp is. 

•\X: (1® t&mbd), welligt: bijeenkomen; doch 
niet meer in gebruik. 

Patamba tadfewa, het volk bijeenroepen ^ te we- 
ten : tot het verrigten van eenig werk , gelijk door 



296 



de daartoe bevoegde autoriteiten geschiedt. Ik)eg. 
patdmp&, idem. 

Papatambakkang , menseken ergens voor bijeeu- 



zij: bijdoen, Jav. Inmhah^ bijvoeging, vermeerdering^ 
Mal. tamba/i, toevoegen ^ bijdoen, vermeerderen. 
Antambang, toenemen, met betrekking tot per- 



roepen; bijv.: aïijdjo taoWa nipapatambakkang, ' soon of zaak, bijv.: iya todong anne karaënga an- 
die menschen worden er voor bijeengeroepen. , tambangi parêya , onder de regering van dezen 

(2** tamba) kloppen, uitkloppen. , vord nam ook zeer toe de rijst, (G. G.) 

Patamba, d)7iet uitkloppen. — Eertijds zou men Katambang, a) aan het toenemen zijn; bijv.: 
eensuithongersnood de houtworm (boeboe N°. 2) uit katambafïgi djaranna, het getal zijner paardai 
de bamboezen huiswanden geklopt en zich daar- neemt toe, 

mede verzadigd hebben, v. d.: iya todong anno I b) vermeerdering, bijvoegsel; bijv.: koewalle- 
kar^ëiiga antabangi pare nikanaya pat^mba-rln- ! katambang-ka-kó-iya, of, ik neem er u nog by, d. 



ring, onder dezen vorst trof, d. i.: had juist plaats, 
een daad die lieet het uitkloppen van de wanden, d. 
i. was er een zeer groote hongersnood, (G. G.) Vol- 
gens anderen is deze plaats wederom anders te ver- 
klaren; yergel. onder N°. 3. 

b) ietè laten kloppen, ergens meê kloppen; bijv.: 
patambd tongk^ya, met de tóiïgka kloppen, NB. om 
te zien of er nog iets in is. Yei^el. boven tSngka. 
— Patamb^ bangkênna, met de voeten kloppen, hij' 
voorbeeld terwijl men ligt te slapen. NB. dit 
wordt voor kassipfdli gehouden! 

(3° tamba) gebez. van het bekleeden der bam- 
boezen wanden met matten. Boeg. tdmpd, idem; 
bijv.: tambaki rinringa kadjang, of: sarêyong, de 
bamboezen wanden van binnen bekleeden met kddjavy, 
of: sarêyong -matten ; v. d. ook volgens sommigen 
de onder N°. 2 aangehaalde plaats aldus te ver- 
klaren : onder dezen vorst haU juist plaats het be- 
kleeden der bamboezen wanden met matten. NB. 
Pat men dit oudtijds niet gedaan heeft, is wel 
zonder kwestie; het zou dus zeer goed kunnen 
wezen , dat dit onder dezen vorst voor het eerst 
beproefd was. 

(4° tamba), vermeerderen , hetzij: toenemen, hot- 



i.: dood ook u. (M^di.) 

Tambaï, ergens bijvoegen. 

Tamba-tambaï, ergens een klein beetje bijdoen. 

PatambÉï, het ergens bijvoegen; v. d.: gangang- 
patambaï, eene groente die als toespijs (, bij de rijst 
bijv.,) gegeten wordt, (Tar.) 

•\ X (t^bi), bep. tabika , 't Arab. y^hhüo^ge- 
neesheer. 

^\ X (t^bing) , een* hooge plaats; v. d. bijv. 
een steilte, een dijk, in één woord : alles wat in be- 
trekking tot iets anders hooger is; zoo kan het bijv. 
gebezigd worden van een schrijflessenaartje , van 
een boek^ enz. , dat zich op een' tafel bevindt. Jav. 
tembing, rand, kant, boord^ zomn, oever. Mal. tebim/^ 
opstaande kant eener rivier, bank (in de rivier). — 
T^blng-djaï, lett. vele hoogten; v. d. naam eener 
streek in Binêimo , ook Duivelsstoelen genoemd. — 
Tabiiigi, het is steil. — Katoebassang-t^biiig. Men 
zie katoebussang, op tóebasd. 

y^. X (tambliig), klein huisje achter het groote 
huis , en wel onder dcszelfs dak , doch met een 
eigen opgang. NB. alleen door geringe lieden be- 
woond, die eene op zich zelve staande woninp: 
niocijclijk zouden kunnen bekostigen. Voor vor- 



297 



sten ware het kassipalli, om zulk een ^öwi^iwjf ' dragtelijken zin; van daar: toevertrouwen aan, zich 
achter hun huis te hebben. (Sinr. K. G.) verlaten op iemand; bijv.: pönna nat&mboeng-mo 

't Boeg. idmping, idem, doch ook gebez. voor j biQaranna toe-Sanrabonêya, indien de Sanrabóniè'rê 
't Mak. djdmbüMy. , hunne zaken stapelen, te weten: op den vorst ^ d. i. : 

•\ X (1® taboe), bep. taboWa, suikerriet. Mal. zoo zij hunne zakensteUeninhandenvandenvorst.(RAip.) 
tehoe, Jav. tëboe. Boeg. taboe, idem. ; — Tioe-tftmboenga ri-sarênna, de menschen die 

Taboe gading, soort van suikerriet, Saccharum 't stapelen op hun lot, d. i.: zich op hun lot verlaten. 



spontaneum L,? — Tlboe-t^boe, kleine soort van 
suikerriet, zonder sap. — T^boe-sala, eene graminee, 
insgelijks soort van suikerriet, zonder sap, gebez. 
by het opdrijven der visschen. Men bevestigt na- 
melijk eenige stukken van dit riet aan een' lijn en 
jaagt daarmede den visch voort. Ook bij het breijen 
gebruiken de Inlandsche vrouwen een stuk taboe- 
idla^ om met ^n van de stalen pennen , die zij 
daarin steken, het werk vast te zetten. — T^boe 
si-papp^, één stuk suikerriet. — Tiboe sóso 
(> eigenl. : nisoso), afgeschraapt, schoongemaakt sui- 
kerriet. Vergel. séso N°. 2. — T^boe tompong. 
Vergel. tdmpong. 

(2® tUboe). — Taboe-tabo'fewang , poort van eetC 
kampong, oi poort in de omheining van het huis eens 
wdgestelden inlanders. Boeg. idem. 
^s X (t4boeng) , Sal. , vallen. 
^\X (t&mboe), bep. tambdbwa, soort van 
boom. Men zie pabdbli, op bo^eli N**. 2. Boeg. idem. 
/\X (tUmboeng), 't Mal. tamboen^ hoop, sta- 
pel ^ ophoopen, stapelen. Jav. tamboen, opgestapeld. 
— I^mboeng-pal^pa , gebezigd van het trouwen 
van twee brders met twee zusters, letterlijk: opeen- 
hooping van paldpa's. Verg. paldpa, op Idpa N°. 1. 
At&mboeng-t&mboeiïg ,• zich ophoopen , op hoo- 
pen, op stapels liggen, bijvoorb. gebezigd van lyken. 
(Pjay.) 

Tdmhoeng ook: stapelen op iemand ^ in over- 



d. i. : vertrouwen dat God het wel met hen zal ma- 
ken. — l^mboengi ri-tao'fewa, hij verlaat zich op de 
menschen. (Tar., Bap.) -- Tïloe-antamboengaï sa- 
rênna, de man die zijn lot stapelt, te weten : op God, 
d. i. : in handen stelt van God, d. i.: vertrouwt, dat 
God zijn lot ten beste schikken zal. (Tar.) — Taoe- 
ant^mboengaï panrannoewlnna siyagang md^- 
masêna, hij die zijn vertrouwen (hoop) en zijn' deer- 
niswaarcUgen toestand stapelt , te weten : op God, 
d. i. geheel in handen van God stelt; d. i. vertrouwt 
dat God zijne hoop niet verijdelen noch hem in zijne 
ellende begeven zal. — Tamboenga , het stapelen, te 
weten : op God, d. i. het zich geheel aan zjn God 
overgeven. (Bap. K. G.) 

PatlLmbóeiïg, bezigen om op te hoopen, ergens 
meé ophoopen; bijv.: djdbkoekaiya nipat^boeng- 
lóro-milmi, de visch werd maar opgestapeld, of: op 
hoopen gegooid, als of het slechts vuünis ware. 
(S. fj'm.) 

Tambo'b^i; ergens ophoopen, opstapelen; v. d. . 
tambd^ngi bdëngoenga, den put dempen. (Inl. Wetb.) 
Boeg. timpdè^i. 

}t\ X (V. tibang) , schaar in de snee van een 
mes, of iets anders, dat gebezigd wordt om te sny- 
den. — Bêrang tibaiïg, een hakmes met een schaar 
in de snee. (M^.) 

(2** tïbang), vak, af deeling, Boeg. idem; bijv.: 

rïnrïngkoe si-tibaiïg, eék vak van myn' muur. 

38 



S98 



(M^di.) — Zoo kan men insgelijks een padaêérail^ , het dek\an sarêifong op te laten ligten, of wel: er af 
(, vergel. rf<^r/,) een tibar!p, oï vak, noemen.— Zoo; te nemen , ten einde te kunnen schieten; derhalre 
spreekt men ook van de vakken, oittbang'a, van een i zooveel als: schadevergoeding voor het verliet aan 
btla of hamboezen visch/iiik. Vergel. bila N**. 3. ammunitie. (G. G.) 



4t\ S: {V tïmba), bep. timb&ya, wateremmer, 
emmer. Mal. en Jav. idem. — Kerd-timba, emmers 
gebezigd om bij de zoutpannen het zotU water uit 
de waterleiding in de koélpannen te scheppen, ver- 
vaardigd van de itwoêd. Vergel. kéró N'. 1. 

A 

Timba rówang, 't Mal. timhd roewang , de bo- 
dem van een vaartuig, waar zich het Water verza- 
melt. 

Timbw djiné, begietefi, h^Y,: planten, 

Timb&ang, water tegen ietè aangooijen; v. d.: 
iets wegspoelen; byv.: na-koetimb&ang kdbkang ni- 
kalA^Qiy&ngkoe, opdat ik wegspoele, d. i.: van mij 
doe, m^ne gesmade ellende. (Sinr. K. G.) 

(2° timbd), nimbd, &nimb&, mdnimb^, met 
een bamboe openzetten, bijv.: een venster, of: bedgor- 
dijnen, of wat het ook zij. Boeg. timpd, idem; bijv.: 
ta-koetimb^kkaï tontong&ngkoe, ik zet mijn venster 
niet open. (Sinr., M^di.) 

Timb^sarêyoiig, het openen van een mat van 
pdndang-bladen. En dew^'1 men zulk een mat eer- 
tijds algemeen gebruikte tot afschutting van de 
slaapplaats, gelijk ook nog tegenwoordig onder de 
geringe standen geschiedt, zoo wordt dit fimbd- 
sarêyong gebezigd van de som, welke debrutgom 
aan de familie der bruid betalen moet, eer hij 
tot de geliefde wordt toegelaten. Wij zouden zeg- 
gen : som tot opening van de gordijnen van het hnwe- 
lijksbed. — Voorts wordt dit ttmbé-sarêyo^ ook 
nog gebezigd van een' boete door de overwonnen 
volken aan den overwinnaar te betalen, dewyldeze 
genoodzaakt is geweest, om op zijne vaartuigen 



Timb&kkang, het' luik dat met een bamboe 
opengezet wordt. 

^ T 

>sX (timbang), wegen. Boeg. idem. Jav. 

timhang, wedergade, gelijk in gewigt zyn. Sd. en 

Mal. timbang^ gewigt, wegen. 

Timbang-timbang, overwegen, wikken, 
Timbangang, weegschaal, — Djardfenna, of: 

lil&na, timbanganga, de evenaar der weegschaal» 

A 

S&ma-timbang, balans, 

/^ X 'N (tibo), een weinig eten in de hand ne- 
men, en vervolgens tegelijk in den mond gooden. Boeg. 
idem. 

>\ X 'N (tibong). — Apatïbong, in de hoogte 
en zoo ergens in-, of opgooien, bijvoorbeeld een kogel 
in een vesting, 

Tdtibong, in de hoogte, en zoo ergens in-, of op- 
gegooid zijn. 

Patiböngi, of: pitibongi, k&na, lett.: woorden 
tntgooijen, om iemand te kwetsen, Bijvoorb. gebez. 
van iemand, die zich ongunstig uitlaat over den 
een' of ander, met oogmerk dat deze, in de nabij- 
heid zijnde, zulks hoore. -r- Wanneer die persoon 
nu weêrkeerig hetzelfde doet, wordt van beide ge- 
zegd: sipatiböngi kdna. 

A 

^nX's (r timbo), opschieten, uitspruiten, 
groeijen, wassen. (Dat. Moes., Tar.); Mal. tomboh, 
idem; bijv.: plrisi giginna la-timbowi, het kind 

A 

heeft pijn van het doorkomen der tanden, — Timbo- 
kalcfekoc , de kiem van den klapperboom binnen in 

A 

de oude noot; = para N°. 2. — Tïmbo-t&n- 

A 

rang-mi. Men ae: tdnratuf W. 1. — Timbo-tani, 



99» 



iemand die vaUtrekt geen familie heeft^ = tdoe- 
pdkUa , vergd. poiUa. NB. welligt is idui zamen- 
getrokken uit: ta-ntyd^ is niet, 

Timbo-sd^ïsoe, een meisje, èy wie de borsten als 
H ware uHspruiten , d. i.: ziek beginnen te vormen, 
V. d.: sl.nging timbo-scAïsoe bone-ball^Da, hy he^t 
all em aal jonge meiden in z\jn huis, — Timbo-lanj- 
iij£. Men zie: Idnjnjd. 

A A 

Timbo-tlmbo ase, uitboisel va» depaddiestoppels. 

A 

NB. lekker voedsel voor de paarden. — Tlmbo- 
timbo-padja, kleine plantjes nret witte knopjes, op 
het veld groeijende, en welligt dus genoemd, de- 
wijl de kinderen dikw^ls eenige vezels uit de bloem 
plukken en de bloem daarna tegen hun achterste 
{pdéfja N^. 4) wrijven , wanneer z^ zich terstond we- 
der herstelt, en als 't ware op nieuw uitbot. Cy- 
peru» sp. 

Timbowi, ergens op-, of ingroeien; bjjv.: natim- 
bowi rd^koe-ro'bkde palldbnna, er groeit onkruid in 
z^n keuken, NB. doelt hierop dat er niet meer ge- 
kookt wordt. (Bap. K. G.) 

(2° tïmbo). — Tïmbo-timbo, bep. tïmbo-tïm- 
bdwa, doos, of ook wel: koker, om de paloelde-ni" 
^dkmoeXg in te bewaren. Verg. WA>^N^3.B.idem. 

y\X (tdëbang), naam eener soort van kris» 
welligt primitief afkomstig van Toéban op Java. 

y\X (l"* tdbmba), manier van geld opzetten 
by het tóngkó-^i^^l. Vergel. tóngkó, 

(%"* t<Aimba), bep. t(A:mbaka. Sund., Mal., Jav. 
ioembak, lans, (Bid.); = póke-btring^ of: Sambdioa, 
Verg. èiring, 

(3** tdfemba), stapel; byv.: kayoe si-t<Aimba, é^n 
stapel hout, 

Panoembakkangi k&yoc, hout voor hem opstape- 
len. (Siti Tjma). 



•\X (tdljmbaüg), invallen, een huis byv.; om- 
vallen, een boom byv. Boeg. téèmpang, idem, Mal. 
toembang, vallen, tuimelen. 

Patdbmbang, doen invallen, of: omvallen, 

•\X (tcfeboe), bep. toebdbwa, 't Mal. tókboeh, 
Ugckaam. (Sinr.) 

•\X (tc^boeng). — Tobboeng-tdfeboeng, = 
lang ging, plaats, waar een schip op stapel ligt, of 
gerepareerd wordt; van daar, dat ook iemands 
huis soms overdragt. zijn toehoef^-tMoeng ge- 
noemd wordt. 

Patdfeboeng-tdbboeng, = paldngga, houten die 
men dwars onder het schip legt, wanneer het gere- 
pareerd wordt. Vergel. Idngga. 

r\ X (V tdfemboe), — fji^ÖiSg ïnta^-tdfem- 
boe, ring met één grooten diamant, omgeven van 
eene menigte kleine diamantjes, welligt zooveel 
als fijngestampte diamanten. Vergel. het Mal. torn- 
bokh, fijnstampen, (D. Moes., Tar.) 

(2** tdbmboe), ndhnboe, ergens met de vuist tegen 
stompen. Boeg. tdbóé, idem. 

(3"* tdfemboe). Vergel. het Mal. tomboh en het 
]Vlakas8. timho N^. 1. 

Tdbmboe-k&rro, welligt lett.: hel opwellen uit 
de keel (, verg. kdrró N°. 3); v. d.: pal&mpa tdfem- 
boe-kSlrró, lett.: woorden uit de keel doen opwellen, 
d. i.: in gezelschap een mooi verhaal doen, of: een 
aardig raadsel opgeven, of: een' mooye kélo^ reci- 
teren, en deigel. meer. 

\y\X (tebd), houwen, hakken, inhouwen, qf- 
houwen, doorhouwen, — Tébana djambdfewa, bak- 
sel van de ^dmboe. NB. niet slechts van den bast, 
maar ook van een gedeelte van 't hout des (fjdmqf 
boe-hoomB mee. — Tebaki tadfewa, naar iemand 
houwen, — Teba-pldaiïg, met een swaard houwen, 

38» 



300 



^ .^ V. 5 J éoofhompen. — 
^ .^ *.-«■*'- "■■" i.' 

^^,^iw-*^»j*Ji*a. mm lü^ ttM beide zyden 
^ y^ j^^ ^ifcie liein later met meer ge- 
, ..,-^« ,:*ac4*«i« (Kap. K. G.) 
,^^.%A.^*.t;.. Mt: ijTiUAw/, oiaffiouwsel; v. 

>^fs^ ^ï^ha), ecMeten, Boeg. idem. Mal: 

,^m44. • r^iiW-mi. Deze uitdrukking, gebe- 

^ \^ ^Mjang-s^l^ wanneer men aan zyne 

^^^ j|fvV in een' leêge opening uittelt, of ddtjo 

«v<^l. «^li j"*8* ^^^ tegen-o ver, aan de z^de van 

^ f^^füparf^ eene met boontjes gevulde opening 

lifvA; alsdan moet men wel insgelijks vooreerst 

iL\jue ^urt voorbij laten gaan, maar mag toch 

ook tegelijkert^d die boontjes er uitnemen. Deze 

boontjes worden alzoo als 't ware gescholen y v. d. 

welligt de phrase: témbd-mi. 

\r\S: (têmbang), naam eener soort van kleine 
visckjea. Boeg. idem. — Têmbang-mó^tjoSgt en: 
têmbang-Dj^wa, namen van soorten van témhang, 
AJc^waiïg-têmbang-mi n&oeng, zij dalen neder 
in Iroepen, zoo grool als de menigte van têmbaf^- 
vischjes in het UHxter. (M^di.) 

'^ •NX'N (têmbd), bep. têmboka, mumr. Jav. 
tembok, scheiding tusschen de rijstvelden, Sund. tim- 
hok, muur. Mal. timboekhy muur, dyk, wal. 

•\ 'N X (1** tol)a), ergens een fclein stukje af- 
mijden, v. d.: z^n' nagels snijden, of knippen, en: 
hoeven van een beest sneden. Boeg. idem. 

Pab&lle nitoba, geneesmiddel, dat ergens bij 

^^PdaiBe ttolgea afgesneden wordt; ook eenvoudig 

^^^^gmomd: tóbd46bd. (S, fjin.) — ijjinjtling 

^!||ft2U» ïing waar de goudsmid kleine stukjes heeft 



uitgesneden, ring met kleine kerQes; v.d. deszelfs 
Maleiache naam tjintjin doeri-pandang , d. i.: ring 
met pandang-doren^s. — Tjinjti^^ tob4-tobi, = 
Qtnjijing niióbd, — Tjinjtjing t^d-intang, een ring 
welks diamant niet rond maar aan de kanten hier 
en daar een weinig afgesneden is. 

liUling patdba, mes voor het snijden van de nagels. 

(2° tóbd), bep. tobaka, het Sund., Mal., Jav., 
Arab. tobai, bekeering, verbetering van gedrag, v. d.: 
bekeerd, zich bekeeren; v. d.: z^n vorig gedrag ver- 
wenschen; v. d. in het algemeen: venoenschen, ver- 
vloeken, verwenscht, vervloekt, verachtdtjk, Byv.: 
koetóbaki ^Lnggoroka, ik verwensch het drinken van 
w^'n. — Tob^-tobd badjina, welf hoe mooi! lelt.: 
vervloekt! verdomd! hoe mooi! — T6ba-t6bd kodina, 
verdomd! Jioe Uelijk! — T6ba-t6bé panritlina, ver- 
domd! hoe geleerdl — Tóba-tobd pangassenna, 
verdomd I hoe beleefd! — T6bd-ko, foei jij! lett.: 
vervloeid jij ! — Tob^-kobell&naGowa, wel foei! wat 
is Gdwa ver! lelt.: verdomd, jy Oówa! wat is dat 
ver! 

Tob&kkai^, verwenschingen uitbraken tegen 
iemand, of iets, d. i.: iemand, of iets, vervloeken; 
by V.: koetob^kkang-ko, ik vervloek u. — Na^ta-na- 
kêinre bawiya Nabi Moeh^ma, léb^na-dji nato- 
bakkang pintMloe, Mohammed at geen varkens- 
vUesch, nadat hij het tot drie keeren toe verwenscht 
had. 

Patdba, iemand zich doen bekeeren, tot bekeering 
brengen, (Rap. K. G.) 

•N'NX (tobang), rijstpol. Boeg. idem. 

•N'NX (tomba), tombaya, dobber van een' 
hengel; boei van een anker; !ioiit dat bovendrijft 
op de plaats, waar de bóhto-pandmbe zich bevindt. 
Boeg. idem. 



301 



•s •s \ X (tombe), bep. tómbeka, leüen (on- 
derkam) van een' haan. Boeg. idem. Ook gebezigd 
van het vel^ dat bij sommige, vooral oude, men- 
schen , onder de kin hangt. Ook «gebezigd van het 
vel onder aan het scrotum, 

•N'NX'N (rtobo), bep. toboka, kris, steken, 
doorboren ; bijvoorb. : tobóki sanggênna m&te, steek 
kem dood, 

Sit6b<5, elkander steken. 

Patobd , bezigen om te steken; bijvoorb. : na- 
tobd napatobo, hij bezigt een kris om te steken, 
(Inl. Wetb.) 

(2" tobo), bep. toböwa, bloementros, van klap- 
per' en pinm^'hoom, (Tar.) 

(3® tobo). Tobo-tobo, naam eener soort van 
medicinalen straik, Ficus sp. 

•\ 'N X 'N (1" tombong), = kdmpong, helpen 
met werkvolk, of hulptroepen, of dergel. Boeg. idem. 

(2° tómbong), vermeerderen, bijdoen; bijv. eene 
armee; bijv.: de geweren; bijv.: den leeftogt, enz. 
Djamang ta-po^epoeso'e, na-k&nre ta-nitombong, 
veel werk, en weinig inkomen; lett. zonder vermeer- 
dering van ryst. 

Tomböngi, ergens bij doen, bijv. : kitomböngi 
poie djjne, wjj doen er weder water bij, (Rap. 
K. G.) 

Katomböngang, aan het toenemen zijn ; bijv.: 
katombongangi garrinna, z^ne ziekte neemt toe, 

Ampatombongang, ergens iets bijvoegen, (M^di.) 

^\ X •• 'N (tamb&ko), bep. tambakowa, ta- 
bak, — Tamb&ko-rokd-maki, rook een cigaar, — 
Tamb&ko-Kadiri, Boeg. itJo-Kadiri, de gewone In- 
landsche tabak. NB. welligt afkomstig van Këdiri 
op Java. — Tamb&ko-Saiïggalêya, Chinesche tabak. 
— Tambako-kamol?roe, snuif tabak. — Pamonêyang 



tambako-kamdbroe , snuif doosje, zoo als de geeste- 
lijken dikwijls dragen. 

^\X^f (tambo'bkoe), bep. tamboekdëwa, 
even als de tatanpang, doch in de pangépé4dhtasd, 
NQTg.êpéW. 1. 

'^>\ X •• \ ^^ (tambangk&le) , de sarong over 
regter- of linkerschouder vastknoopen, zooals de 
vrouwen gewoonlijk doen, wanneer zg zwaar werk 
te verrigten hebben. Vergel. het Mak. dmbang, = 
het Boeg. tdmpang, vastbinden, en kéile N^. 1. 

•\ X ^ (tambèga), bep. tambag^ya, rood ko- 
per, Sund., Mal., Jav. temhdga idem. 

y\ X ^ (tambaiigang) , 't Mal. en Jav. tam- 
bdngan, veer schuit, vaartuig, waarin men overvaart, 
vrachtschuit, 

/^XX^ (1" timboeboero'e), opwel^m, h^Y. 
water. (Djay.) 

(2'' timlKlbboerde), Sal. koude koorts, 

AA ^^ 

/^X'N^sX'N/O/O (tunbo-timbo-pSLdja). 
Men zie timbo N^. 1. 

•\ ^ X «^ (tabêya) , bep. tabeyaya , groete. 
Jav. tabe. Mal. tdbekh, oïtdbeh, idem. ^ 

/\ X ^ (t&mbard), bep. tiLmbaraka, tegengift. 
Boeg. tdmpd, idem. Soms beeld van een ^o^(/maiMcA 
in tegenstelling van: rd^oeng, vergift, als beeld 
van een doortrapt slecht mensch. (Bid.) 

X\ X ^ (tamb&roe) , het Mal. tdhoen bhdroe , 
't Nieuwe jaar, 

^^^% (t&boero'e), 't Mal. tdboer, zaayen, 
spreiden, strooien, 

T^boerde moetiyilra, m>et parels als bezaaid; 
van een kleedje gebezigd. 

X\ ^ X ^ (tambêraüg), het Mal. iambieranfl 
de touwen, welke op groote schepen dienen om den 
mast te houden. Boeg. tambêra, idem. Dus ook ge- 



303 



noemd de banden van IfindroUing f om dt gdnrany ; rdppoW. 2, (Dat. Moes.) — Koetimbarangi-ko 
= ganidyang W, 2. i döwang» ik schenk u m^ne voorbede, ik bid voor u, 

^\\X\^ (tl.beré), bep. tóbereka, eenig i (Tjcibwi.) 
t)wwtfr«tfZ, bij voorb. Tan gouddraad, of : zijde; of:| >\ X ^ 'N (timWlrrd) , bep. tijnb&rroka, ~ 
verguldsel, dat op den rand van een koeldmboe (gor- 1 kdrró-kdrró, strot. Vergel. kdrró N®, 3. 



dijn), en dergel., ook wel tot afzetting yan de fer- 
schillende vakken van een kadó-pdle, hetzij los op^ 
genaaid, hetz^ los opgeplakt, wordt, zoodat men 
het er gemakkelijk weder kan afnemen. Men ver- 
gel, het Mal. tdbir, gorden, behangsel. Men zie 
voorts boven op pwggirt, 

^X^ (V timb&rang), gebezigd van eene 
soort van plotselinge ongesteldheid b^* kleine kin- 
deren, welke door de s^nro's, of aan het betrekken 
van eene nieuwe woning, of aan andere dergelijke 
bespottilijke redenen wordt toegeschreven. 

Teya-ko timb^rang, gebezigd tegen een kind 
dat uitgelaten vrolijk is, zoo veel als: Pas nuuir 
op dat gij geen timbérang krijgt I 

Papöle timb^rang, de timbdrang (die een jong 
kind bedreigt) doen terugkeer en , alzoo : afwenden. 
Dit geschiedt doorgaans op den derden dag na de 
geboorte. De sSjiro brandt haar van paarden, buf- 
fels, enz., in een sahingang, en na hare hand bo- 
ven de rook gehouden te hebben, drukt zg daar- 
mede zachtjes het voorhoofd, den navel en de 
beentjes van het kind, onder het opnoemen van al 
de beesten, wier haar gebrand wordt, by elk de 
woorden bezigende: timbarang-pi djaranga (, of: 
têdonga, of welk beest ook), noetimbarang tong, 
lett. : zoo het paard die giekte mogt krijgen, dan eerst 
krijgt ook gij haar. 

* (2** timbirang). Timbaringi, synoniem met 
rappówi, kiyóri, en dergelgke meer, als: koetimba- 
rlngi-ko ^ini, = koerappóm-ko §2»/. Vergelyk 



>\ X ^ (timbcferoe^), bamboe om het vuur 
meê aan te blazen. 

A A 

>N X 'N ^ 'N (timboro), bep. tlmboroka, H Zui- 
den, Zuidwaarts, 

NB. Ttmboróhdie&, in het Bonth. de beteekenis 
van Oostwaarts, 

Timboro-sako , ga gij eens naar het Zuiden, of 
Zuidwaarts, (NB. te Bant^ng : Oostwaarts.) 

Fatimbori , heengaan tot iemand die ten Zuiden 
van ons woont. (D. M.) 

•\X^ (to'bbin), bep. tdbbirika, stal, on- 
doorgrondelyk. Boeg. idem. Mal. tdibor, grondeloos, 
onpeilbaar, diepte, afgrond. 

•\ \ X ^ (toembêra) , bep. toemberilya , lood. 
Boeg. toemira, idem. — Toembêra-kêbó, tin. Verg. 
het Mal. tiemah poeUh, 

•\X ^ (t^bató),' bep. tSbalaka. — lloe-t^ 
balaka, het volk, de tnenigte, de manschap, in te- 
genstelling van de hoqfden en bevelhebbers. Boeg. 
tilbd, idem. 

Patéb^Uang, soort van damspel , als 't ware het 
spel, dat enkel met tdoe-tabald gespeeld wordt, 
waarbg niet, even als in het schaakspel, van hoof- 
den, als een koning en koningin, raadsheeren enz., 
gesproken wordt. NB. Het bord evenals bg ons 
van hout en vierkant; by het /?aé^«^a^-spel daar- 
entegen wordt slechts eene figuur op het zand ge- 
trokken en bedient men zich van stukken steen. 

/N X ^ (tambala), = t&b^, bi^fel. (Madi.) 

>\ X ^ (timballaiïg) , iemand, of iels, door- 



303 



gronden , in {emancTs binnenste lezen , vMien wat hij 
wil^ off» den zin heeft; v. d.: ta-koewassengaï koe- 



y\ X O (1° tabasa), vergel. tdba NM. — 
Natabasa b6si, bevochtigd ^ besproeid door den 



timb&Uangi, ik weet niet wat hij in den zin heeft. — ; regen. 

P&oe ta«nitimbSJlang , woorden ^ wier bedoeling niet (2° tlibasi), de gedroogde langa-plant uitklop- 
te peilen^ of te doorgronden is. pen, opdat de vrucht er afvalle. 



•\X*^ (tcfembala) , bep. tdfembalaka, de 
dwarsbalken Tan het schip, die het ruim formeren. 
Bo^. idem. — To'fembala m^nêlrroesde , de tótmba- 
Wêy die van buiten een weinig uilsteken. 

^\ 'N X 'N ^^ •s (tómbotó), bep. tomboloka , 
het knopjehoven op een glas, of deksel, op een tol, 
op een sóngkó-gddoe , of wat het ook zij. NB. de 
gouden tómbolóo]^ de sStigkó-gddoe van de kinderen 
des konings van Gówa bestaat uit v^, en bij min- 
der voornamen uit twee a drie lagen. Boeg idem. 
— Tómbolo-bay^wo , een klein stukje gekleurd 
papier, dat onder en boven tegen het op de 
adjdkrang (, vergelijjk beneden,) gestoken W aan- 
komt. 

•\ X ^ <^ (tabaliyang), soort van plant, 
wier bladen gebezigd worden voor het djéné-panli, 
vergel. sili N°. 1, Oendarussa vulgaris. 

Tabaliyaiig-langi, insgelijks soort van heester, 
OratophyUum hortense Nees v. E. 

4f\ X ^^^ 'N (timb&wo) , bep. timbawdwa, ge- 
hemdte, bijvoorb. boven een ledikant of een troon. 
(Djay.) — Timbdwo ook gebezigd van het doek dat 
in de huizen van voorname Inlanders bij wijze 
van plafond boven het hoofd is uitgespannen in 
het receptie-locaal. Boeg. idem. 

>\ X 'N ^N^ (tibowang), 't Mal. kdf^ang , 
boenen, phaseolus sp. — Tibówaiïg-lómpo, of: kopé, 
groote-, en: tibówang-tj^di, kleine soort van tibd- 
wang^ — Tibówafig-Qikd, im^elijks eene soort van 
tib(hoang» 



•\XO (tambdbsé), bep. tambdfesaka, = 
bo^esd N°. 2, vermolmd; doch in minder graad, en 
meer van binnen in het hout , zoodat het niet ter- 
stond in het oog valt^ 

/^ X O (timboesoe) , = timboeboeróe; bijv. : 

— A t 

djenë timboesde, waier dat uü den grond opweli. — 
Timboesoe ilor<^oe, ik heb een* smaak in m^ 
mond, ah of het eten er wéér uit sal komen , d. i. : 
ik ben misselijk, 

/^ X \ O (timbdfeseng), =<t«ióoJ3otfr(v, N*. 1, 
opwdlen. 

Gdëroe-gdëroe timbd^seng, gebezigd van alles, 
tot zelüs steen en hout toe, hetgeen de Inlander 
aanroept, in het volle vertrouwen, dat hierdoor 
als *t ware geld uit den grond zal opwellen. Ook 
aldus genoemd een mensch, die ons altoos hulp 
verleent, wanneer wij die van noode hebben. '- 

•\ X O (tdfebasi), a) afbrokkelen, naar bene- 
den vallen, storten; bijv.: tdbbas^ birïnna pangêm- 
panga, de rand van den v^ver brokkelt af, valt naar 
beneden. — Têya-k6 mangêi; toeb&ssaï, ga daar 
niet heen; het mogt eens instorten. 

b) doen afbrokkelen, doen naar beneden storten, 
byv.: de verhevenheden van een weg, v. d..- effenen, 
slechten, byv.: de ontffenheden, oï hoogten. 

Katoeb&ssang, a) H naar beneden vallen , bijv. van 
een berg. (Sinr. K. Q.) 

b) aan het naar beneden vallen zijn; byv.: ktf- 
toebltesang tibiiïg, een steüte (, steile oever,) stort 
naar beneden, valt weg, v. d.: ovcrdragtelijk: een* 



304 



geregteUjke verwlging stort naar beneden^ d. i.: valt 
weg^ houdt op^ toordt geschorst. (Rap.) 



omgeveft van sterren, (Ojay., Bid.) — Lêko t&in- 
i moe-dëra. Men zie lekó N**. 3. — Tammoeliling. 



^\\X (1° tórama), bep. tammaka, einde, het Vei^el. Itlii^, — Tammoesïssi , lett.: rondom ge- 
Arab. E^; V. d. de 'iói^ oï geloof sbelijdenis,^f^^^^y v. d. naam eener soort van slang, vergel. 



als het eind€ van de opleiding voor den Islam, 
Boeg. iammd, idem; v. d. moslem worden , zyne he- 
lijdenis doen. (Djay.) 

Pat^mma, a) het moslem Korden* 

b) iemand aannemen als moslem , lett.: moslem 
doen worden, 

Papatammd, het als moslem aannemen; v. d.: 
pasllre-pat&mmd, of: papatlLmm^, geschenk, dat 
men den Priester geeft, als men zijne bel^'denis 
gedaan heeft, bestaande meestal in vier of acht 
reaal, alsmede in een stuk linnen. 

(2^ tUmma). — T&mma-tllmma , uitknijpen, 
uitdrukken; bijv.: goed, bij het wasschen, (Madi.) 

•\vv (t4mang), 't Mal. en Jav. iaman, tuin, 
hqf met een vyver, gewoonlyk met een speelhuisje 
daarop, hof om zich te vermaken, 

•N\X (1® tammoe), omgeven, rondom. Boeg. 
tammoe, idem; bijv.: t&mmoewi, nalari kotaya, hy 
loopt rondom het fort. — Lompona ^njdjo kayo'bwa 
koes&waldki koetammoe, ik ben niet bij magte 
om dien boom te omvatten. — T^mmoe-taclbnna, 
zijne verjaardag. — Tammoe-mi baQana, h^ heeft 
rond, of aües, gelezen; = tdmmA-mi, hy is volleerd 
in den Koran. — Atêlmmoewi sassanga, het is rond- 
om, d. i. geheel, of: volkomen duister. — T^mmoe- 
mata-mi> of: tllmmoe-mat&nna-mi, zooveel als: A(/, 
of: zij, trekt rondom, d. i.: van alle kanten, de oogen 
tot zich; v. d.: h^, of: zij, is al op zijn, of: htiar, 
mooist. NB. geb. van jongens en meisjes, die wel- 
dra besneden zullen worden. Vergel. stfenting, — 
Bdblang nat^mmoe-tllmmoe bintöêng, eene Maan 



sissi W. 2. Dus genoemd de toemdlaboe of tamé- 
laboe, wanneer zij reeds oud is. (Sinr.) 

Pitslmmoe, doen omgeven, rondom doen z^; 
bijv.: pitllmmoewi b^, maak het rondom, d. i.: 
overal, nat. 

(2° t^mmoe), bep. tanmidbwa, geb. van eene 
plant en wel te onderscheiden van hare wortels. 
De appèl, oï vrucht bijv. van de Idme-lême die on- 
der den grond gevonden wordt, is een tdmmoe. 
Boeg. tammoe, idem. 

y\\^ {V timang), opvangen, bijv. iets dat 
men in de hoogte gegooid heefk, B. idem; zoo on- 
der anderen gebez. van goed, dat men onder het 
wasschen in de hoogte gooit, en weer opvangt. (Midi.) 
— Simboleng pangg^oekannoe, natimang-timang 
bamne, uip^ haarvlecht, die, loshangende , van ach- 
teren door een meisje wordt opgevangen, opdat die 
niet langs den grond slcpe. (D. M.) 

Bainne timang-timangaiïg, eene vrouw die b^- 
zonder Ugt en fijn van maaksel m, als 't ware zoo 
ligt, dat men haar in de hoogte gooyen en weer 
opvangen kan. 

(2° timang). Mal. spelen, dartelen. 

Timang-timangang, het Mal. tiemang-timangan, 
bijnaam, geliefkoosde naam, (Djay.) 

/^ %• (timoe), Boeg. en Sal. mond. 

^ A A ^ 

Timoe-timoe, bep. timoe-timo'bwa, voornaam- 
woord timoe-timdbngkoe, oorlogsverklaring, NB. 
Hy die dezelve overbrengt, neemt den brief, 
waarin zij vervat is, tusschen den duim en 
den middelsten vinger van de regterhand, terwijl 



306 



hij den wijsvinger vooruit gestoken daarboven op- 
legt. Op deze wijze overhandigt de gezant het 
stnk zonder een woord ie spreken, het alleen eenig- 
zins opligtende en dan als 't ware uit de hoogte en 
met zekere verachting overreikende. (Rap.) 

•WX (timoeng). — Timdbngang, opening^ 
poort. — Tiraoeng^nna paboenddfekaiiga, eene ope" 
nmg midden ittsschen de verschillende corpsen eener 
armee. NB. soms ontstaat die opzettelyk, ten ein- 
de den vi^jand in te sluiten en dan van alle kanten . 
aan te vallen; bijv.: mate-mi ri-timoeng^nna pa- 
boenddbkanga, hij is omgekomen door zich in zulk 
eene opening ie voagen. 

•NN^^y (ta-maka). — Td-maka-maka. Ver- 
gd. maka N°. 3. 

•s s-f •• 'N *ö (tlLmmoekónj^O» ^ep. t&m- 
moekonjtjiya, soort van plant, wier wortels zeer 
geschikt zijn om a^ar of rirf/f van temaken, Kaemp- 
feria pandurata. Roxh, 

•N \^ i^ O (toemigisi), regts, of Hnks^ liggen, 
= ügiiï. 

y\\^ X (timd^ngaiïg). Men zie timoeng. 

y\\^ X^ (toemiHgara), aehterooerUggen . — 
Toemiiigara g^nggang, geheel achterover, uitge- 
strekt op den grond liggen. Men zie géwggang 'S"" . 2. 

Patoeming^ra, achterover doen liggen; bijv.: 
ampatompang patoeming^raï lyllnoc. Vei^cl. tdm- 
pa>0 N^ 2. 

^\ \X ^ ^N^ 'N (tammoepÊLwo), medicinale 
plant, ook gcb. voor lapdkkang. Vergel. Zfljfw^ N°. 2. 

•\ >V X (timiLboeng). — B6si-4imllboeng, = 
hóei sdrro. Vergel. sdrro N". 2. 

^ \X \^ (timd^moeng), zich vereenigen. Boeg. 
idem. 

r\\A\^\ (ta-mate). Vergel. male. 



•\\xvv (toemindd), dtoemindd, of: t£toe- 
minda, achterover vallen. 

^\ \x /^. (iam&nang). Men zie dnd. 

•\\x^ (1* toem&ning), bedienen. Boeg. 
idem. 

A 

Antoemaningi ani-^nd, een klein kind op- 
passen. 

Patoemaning, bediende, hetzij van het vrouwe- 
lijk of mannelijk geslacht. 

(2° toem^ning), den schijn van iets aannemen, 
voorgeven iets te zijn of te doen, kwansvijs iets zijn 
of doen; b^jv.: asaile-s^ri-mftmi, toemUningi kari 
bobowang, hij keek maar op z\j, hij deed als of hij 
vuiligheid in zijn oog gekregen had. (S. Tj.) 

•\ \X /^ /^. ^ (tamdnancfenroeng). Vergel. 
naw^roe^. 

A 

•\ vv *Ö /^ (tamatjlnna). — I-dfilëng ri-ta- 
noidtjïnna, een silé tdtardpatïg, behoorende tot 
G6wa*s r^kssieraden. 

•\ ^s^ ^^ ^^ (tamd^aia), naam van een piek, 
eertijds tot de rijkssieraden van B&djeiig behoo- 
rende, thans in 's Gouvemements handen. 

r\\\^ «^ (tdmêya). Men zie méya. 

^\\y^ (tdmcferi), bep. tómoeriya, eene Co- 
ntfza sp. Vergel. mdSsri N*. 1. 

>\ \X ^ (1° timdferocng), welligt = /nc^ow^; 
bijv.: bosi-tiradferoeng, regen die met geraae naar 
beneden komt, ndschende regen. (Sinr.); welligt 
ook is het = het Mal. tóbron, nederdalen. 

(2**timdferoeng),=hetMal.<««o^a»»;bgv.: tolong 
timdéroeng, van oudsher, altijd, zoo. Vergel. ook het 
Mal. tdkron4emdhron, nageslacht, nakomelingschap. 

(3* timdferoeng), soort van klein insekt. (Sinr.) 

Volgens sommigen = bdngkeüg-bêrd, 1. a. Vcrgel. 

bdtTgk^. 

39 



306 



>^ sX ^ ^ % (timorü), Ooêienunitd, zeewind. \ •^^ "N %• O (tdmisi). — Katómisi , iets dat 
Boeg. txMÓt idem. — W&ttoe-tiinoró, de Oostmoe- uitgekaautcd , of uitgeperèi is; bijvoorb.: katomisi- 
40». — Timorö battang, tijd van de Oostmoeson, paiigadjaï, een uiigekaautod pruimpje sierih, (Djay.) 
waarop men op Saleijer de battang oi gierst plant, — Katdmisi-kalo'bkoe, het binnenste van de ko- 
ala wanneer de Oostenwind reeds van tijd tot tyd kosnoot, dat men overhoudt, nadat het uitgeperst 
begint te waaijen, doch spoedig weder ophoudt.— is. — Katomisi-Q^mba, hetgeen er van de tama- 
Timor<5 k&rrïng, een sterke Oostmoeson. Vergel. rinde overblijft, nadat zij uitgeperst is. 
karring N°. 2); ook als eigennaam van paarden ge- A\\^ O O (t&mmoesïssi). Men zie tdmmoe 
bezigd. N^ 1 en«w«N^ 2. 

Lêko-kayoe katimórang, bladeren in de Oost- y\y\ (1® t&ta), inleggen, beleggen met goud ^ 

moeson, d. i. verdorde blaren. (Sinr. K. G.) zilver, enz. Boeg. idem. Sund. en Jav. taiak, 

Timo-timoro, soort van vogeltje, rood geelach- beitel. Mal. inbeitelen, ook: inleggen met goud, 

tig, maakt zijn nest in den grond en vertoont zich züver, enz. — Selé t&ta-rapang, een kris wier heft 

zelden anders dan in de Oostmoeson, v. d. de en scheede geheel verguld en van fraai snijwerk voor- 

naam timo-timoró, zien zijn. Vergel. rdpang. — Men heeft ook een' 

>S \> 'N ^ % (timorong), welligt = mérong, bddUgdhroe tdta-rdpang en sdnri idtardpar^. — 

zitten; b^v.: timdro^-m^m^ angkamasêyang ka- Kompöngang t&ta-rftpang, een met goud beslagen 

lêngkoe, ik zit maar, mij zelven beklagende. (Sinr.) kompöngang. (S. Tjin.) Vergel. boven op kómpong. 

•N v> ^ /si "V (ta-mMppo). Vergel. rdppo — B^lla nitatarapangi. Vergel. bdUd W. 3. 

N**. 2. (2° tAta), zich gereed houden op iets. 

y\\^ ^^X (ta-mal2boe). Men zietóóoeN". 1. Patata, zich doen gereed houden, iemand waar- 

•\ v> ^ X (toe-mdl^boe). Men zie laèoe'S''. 1. schuwen dat hij zich gereed houde. 

•N N^ ^ \ •% (ta-maldte). Men vergel. late Sipat&ta, elkander waarschuwen om zich gereed 

N*. 1. te houden. 

•N \X *^ /s^ (tammoel^wa), bep. t^nmoc- (3** tUtta), afhottwen, a/snijden, omhouwen. Boeg. 

lawaya, medicinale wortel. w^tta, idem. Vergel. het Jav. tétak, besMJdenis, 

^\\y^^^^ (Tamalao'bloeng), naam van en het Mal. tetakh, houwen, hakken. Bijv.: toe- 
een' buffel, die volgens de legende, eertijds van ménattaka bir&Ue, iem/ind di^ d/agoiig afsnydt. 
(lówa naar Bone liep, en van daar terugkeerende, (D. Moes.) — Tatt^ óterena, het touwtje van iets 
cene groote menigte andere buffels meêbragt. afsnijden, te weten: om het te laten vallen. (Bid.) 

•N N^ O (tSlmas^), doortrekken, geb. van wa- — Tatta kanjina, de vleugels van een' vogel afsny- 

ter en al wat maar vloeibaar is; bijv.: natRmasaki den. (Bid.) — Badjiki tattana bisêyanga, goed is 

b6si, regen heeft het doortrokken, het is doortrokken het afsnijden van 't vaartuig, d. i.i het is goed ge- 

van regen. Boeg. tamti, idem. ; bouwd. — Kongkong m^te nitatta kallonna, een 

•N \y O (to'bmisi), 't Mal. tifhnis, siooven. hond, wien men den hah heeft afgesneden. (Tjc^wi.) 



307 

Tatt&kang, kreupelhout. (M^di, Kei.) aan een ontfermend Qod vc^t u. (Sinr.) — TiLoe- 



(4" t&tta), gebezigd van ésd (, vergel. beneden), 
om aan te dniden, dat het water bijzonder laag 
staat. (Kap. T. Dj.) 

(S"" tatta), mat^tta, bep. matattaka, leiL gewoon 
zijn^ V. d. : a) iets lang, ja tot vervelens toe, doen; 



tahtafïg rew^na , iemand die zgn* moed gespannen 
houdt, d. i.: die dapper ie. — Taëna-pi tantang 
rew^na , zijn moed is nog niet gespannen , zoo veel 
als : zyn moed is nog niet onltcaakt. NB. gebezigd 
van een' haan, die nog niet geheel tot den strijd 



byvoorb.: tfiittaki matlLngkoe anjöiniki iLnoe, mijne 1 gezind is. — ïantllnna ri-gaoe kar^nga ri-Gówa, 
oogen zien het een of ander tot vervelens toe. \2Lïi\ de vasthoudendheid, de onverzettelijkheid, van den 
daar: patattllkki m&ta, de oogen ergens lang op ge- ■ koning van Gdwa. — Taoe-t&ntang pam&ï, letterl. : 
vestigd houden , ergens lang op staren. Boeg. paidt- iemand, wiens gemoed zich regt uitstrekt , v. d. mH 
iirri, idem. geen slenters omgaat, alzoo : een opregt mensch, NB. 

b) bedreven zijn, hetzij in goed of kwaad, door- het Boeg. mMiitang op gelijke wijze gebezigd. 
trapt, ervaren, gereed, geschikt, A:kw%. (Kap.) Boeg. Tantangi, spannen voor iemand, of iets; bijv. : 
mdtattd, idem. — Tatta ri, geschikt voor. (Kap. K* 1 tantangi bilang-bilang, ergens voor, of: tot het tel- 
G.) — Padj^rang t&tta, een goed ruiter. — Tatta- len van iets, de bttang-btUmg van bómbong spannen, 
kllna, bedreven in het spreken, welsprekend. — KÉlna- I d. i.: er knoopeti in leggen, en dus natuurlijk ook, 
m^t&tta, een geschikt woord; v. d.: nipakana-ma- j tot het maken of leggen van die knoopen, de bilang- 
t&tta, lett. iemand geschikt , d. i. geheel overeenkom- I bilang gedurig spannen. (Kei.) Yergel. op bilang. 
süg de waarheid, laten spreken, v. d. ook: hem een* Patantang, zich doen uitstrekken, d. i. iets uil- 
eed laten doen. (Kap.) — T^tta-mêmang boeleksLng- ; strekken, v. d.: a) strak spannen, sterk aanhalen; 
Vfye, m{fn lijkkoets staat reeds lang gereed. (Midi.) b) verspreiden; bijv.: patantang bila-bilaya, de 

Angkatattakki , ergens bedreven in zijn; bijv. ïnla-btta overal luien rondgaan. Yergel. btla N**. 4. 
angkatattakkiyaï tanggadbkangi kodiya; angkatat- (D. Moes., Midi.) 

takkiyaï anggao'fekangi badjika, het bedreven zijn \ Tatantang, a) uitgestrekt, gespannen, strak gezet 
in het niet-doen van het kwade, en het bedreven zijn zijn, bijv.: tatSintang baya-bay§Lna, zijne schoten z\j)i 
in hel doen van het goede (Rap.) sterk gespannen, staan strak. (Tar.) 

^\^\ (1° tantang), a) uitstrekken, uittrek- h) verspreid zyn. 
ken, uitrekken, strak spannen ; h) zich uitstrekken , Tantangang, ergens vetst bij blijven , bijvoorb.« 
uitgestrekt, strak gespannen, vast zijn. Bijv.: ^t&q- tantangangi leba kanannoe, blijf vast bjj, d. i.: 
tang lêkd keké , een blad zoo uittrekken dat het \ houd u aan, hetgeen gjj vroeger gezegd hebt. 
scheurt ; v. d.: een blad stuk trekken. (D. Moes.) — ; (2° tantang), Bonth. = töégoerdé, vallen; v. d. 
Tantang bslya-bayana , de schoten van het vaartuig \ tantanna djene-matslnna, het vallen, het vloeyen, zij- 
staan strak. (Bid.) — Bamne tantang imanna ri- j ner tranen. (Madi, Sinr. K. G.) — Tantang-alinta- 
Alla-kamase , eetie vrouw die haar geloof aan een ma-anne. Men zie altnla. — Tantang-ri-p^rakaï 
cnifermend God, gespannen houdt, d. i. : wier geloof \ papiïnrannoe, Ictt. het geld d<it gy geleend hebt, valt 

I 39* 



308 



als kd tcare op de markt ; v. d. : het geleende geld oorlellen, — Tinting patóngkó, patdiigkó^ of dek- 
te 800 goed als weg, of verloren, (Bap.) riel^ doorsteken met jonge bamboe, of met rottan. 



A\ XN (t&ntoe), bep. tantcfewa, zeker, vast, he- 
pacUdf Mal. idem. — Taëna^t&ntoe, niet zeker, v. d. 
tijdel^k, 

Pat&ntoe, of: tantdfewi, zeker maken, vaststellen, 
bepalen, 

Tantdbwang, zeker maken, v. d. verzekeren, 
stellig verklaren; v. d. ook: iets voor zeker houden, 
zich ergens van overtuigd kouden; bijv. : koetantd^- 
wang-dji pa^inikoe ri-tdbwang siyagang ri-toe- 
mdlomp6wa, angk&na : taëna bc/btta nakeMï pSlnra; 
&pa-pa-iya &la bonêna na-napasiyara, ik houd mij 
stellig overtuigd, dat gy en de Gouverneur het ver- 
derf eens lands niet verlangt, veel min desielfs bewo- 
ners wenscht te verstrooijen; lett. t^ houd steckis 
voor zeker mifn zien aan u en den Gouverneur, enz. 

Patantdbwang, a)iets zeker maken voor, enz.; 
b) het zeker zijn, zekerheid; bijv. : ds&re patanto'fe- 
wang, een vaste tijdsbepaling opgeven , een* tijd be- 
palen; bijv.: Kipinrangi-ma djar^nta . . . B^dji- 
mi; sare-mamo patantc^^wafïg , leen gij mij uw 
paard .... Goed, bepaal slechts den i^d,{tJtg9\ec\i\A 
wanneer gij het gebruiken wilt.) 

<\ •% (titafïg), naam eener soort van visch. 

r\r\ (y titi), bep. titika, a) droog, opge- 
droogd, zweet bijv. (D. Moes.) B. tatti, idem. 

b) opdroogen, v. d. t^titi , opgedroogd zijn. 

{T titi), bep. titika, tittel. (Rap. T. DJ.) 

(8° titi), onophoudelijk slaan, bjjv.: nititi g&n- 
ranga, de gdnrafig wordt aanhoudend geslagen, — 
Van daar overdragtelijk : nititi ri-bahnna, door 
zijn* vijand onophoudelijk geslagen, v. d. vervolgd, 
worden, 

•s <\ (tinting), steken, doorsteken ; bijvoorb. : 



of met boeroeng vooral. Vergel. boeroeng N®. 2, — 
Sompó-tinting. Men zie : sémpó N". 3. — Nitin- 
ting kamoerdbnna, zijn neus wordt doorstoken, NB. 
dit geschiedt bijv., wanneer iemand's hoofd in den 
str^'d afgehouwen , en van te weinig haar voorzien 
is, om het daar bij vast te houden. 

Patintingang, letterl. doorsteking, v. d. plaats 
van doorsteken , kleine opening, b|jv. : patinting&nna 
mo^Qongkoe , de kleine openingen in de huid waar 
het haar door te voorsehyn komt. (Djay., Sinr.) 

y\y\ (1* td^toe), zorgen, voorzigtig t^n. 
Boeg. idem ; bijv. : tdfetoe-ko, pas op, wees voorii^' 
tig f krjjg geen ongeluk, — THoe-tc^toe, iemand die 
zijne betrekking met ijver waarneemt. — Katoetdbwi, 
zorgen voor, beschermen ; bijv. : katoetcfewi karaën- 
noe, kenang, = karimanSngi karaennoe^ hénaSg; 
vergel. karimdnang. — Katoetdfewi kalênna, voor 
zich zelven zorgen, voorzigti^ zyn, — Katoctcfewi 
anjdjo lanterlLya, pas op die stolp, dat gij er niet 
tegen stoot. — Katoetdfewi lil&na, zorgen voor t^ne 
tong, d. i. : haar bedwingen, (Bap.) — Katoetdfewi 
m&tenêya, poet op het geluk, dat het u niet ont- 
slippe, d. i.: zorgt dat gij niet ongelukkig wordt. — 
Katoetdfewi rasanna, lett. zorgen voor z^* geur, 
dat die niet verloren ga; v. d. : zijn* geur wat by 
zich houden, dien niet verspreiden, (Kei.) — Katoe- 
to'bwi tinggina, zorgen voor z^jne hoogte, d. i. op- 
passen dat men niet al te hoog zich verheffe. (Kei.) 
— T^oe-nikatoeto'fewi, lett. : iemand, dien men bij- 
zonder moet oppassen, v. d.: die gevaarlijk ziek is. 

Pangalle-toetcifewangi, zorg op zich nemen voor, 
zorg dragen voor , zorgen voor ; bijvoorb. : mate-mi 
manggênoe , taëna-mo pang^lle-toeto'fewang-ko> 



309 



utc vader is dood, er is niemand meer die voor 
u zorgt, 

K4toe-pêpë, welligt «zamengetrokken uit ka- 
U^toe-pêpéy de plaats van het huis, vlak boven de 
kookplaats, waar het roet blijft hangen, v. d. ook 
het roet zelf. 

Otoe-m^m^ï, (welligt samengesteld mi katdeloe 
en mdmdif men zie mat op at) = katoei(fem , ver- 
zorgen^ zorg dragen voor, enz., bijv. : k&toe-mim&i 
s&ï &njdjo slnaka, zorg eens voor dat kind. 

(2* tdbtoe), spreken, (Bap.) Jav. en Boegin. 
idem. 

Patoetdbwang, spreken voor iemand ^ zijne voor- 



"dapperheid verloren." Bocgineesch tóhtoeng , 
idem. 

Toentcfengi, zoeken, v. d. onderzoeken, naar, 
(2° to'bntocng), geheel, tot aan het einde toe, tot 
aan het einde van iets komen ; bijv. : to'^ntoeng allo» 
of: mano'bntoeng slUo, den ganschen dag door. 
(Sinr.) — Toentdënna allówa koetlLyang-ko , ik 
wacht u den ganschen dag, — Tdfentoeng lino, m^n 
gansche leven door, lett. : zoo lang als ik in de tce- 
reldben. (Kei.) — Tcfentoeng-tête, alles brug; v. 
d.: overal vrijen toegang hebben, v. d. : iets verma- 
ken töenioeng-téte, d. i.: iets geheel vermaken. (G.G.) 
— Ta-noetol;ntoengi linowa, gy zult niet tot aan 



spraak zijn ; bijv.: ^patoetclëwang sawinna ri-ka- het eind van de wereld komen, d. i.; g^ zult niet zoo 



Iftmboesinna, voor zijne matrozen spreken by den 
Regter, wanneer zij gelijk hebben (Rap. T. Dj.) 

(3* to'btoe), geb. van het vervolg, of het reste- 
rende, van een geschrift of boek, bijvoorbeeld : tdb- 
toiéna^a sinrilika, het vervolg van de stnrilt, het 
resterende van de smr'di , wier eerste gedeelte reeds 
vroeger gecopiëerd is. 

(4^ tdbtoe), het Mal. t(^top, sluiten; v. d.: sa- 
matdbtoe soelengkiLna, zij zitten met de beenen van 
voren gekruist, en dat wel, niet los, maar vast, of 
ffoed, gesloten. (Siti Tjina.) 

(5* tdbttde). Sagoe si-tdfettde, of: si-patdl'tto'e, 
een twintigtal platte sago-koekjes, 

^ yN (tdëtoeng). — Sitdbtoeng-toetdbngang, 
= dróèroeng-riferoeng, (Tjdbwi.) 

•N^N (1" tdbntoeng), zoeken; bijv. iy&nna 
koetc^ntoeng kale-kaboeranney^ngkoe. Soort van 
verwensching van zich zei ven, letterl. : moge ik niet 
zoeken myn dapper ligchaamf Zin: "het komt niet 
"meer te pas, dat ik van mijne dapperheid ge- 
"wage; ik heb alle aanspraak op den naam van 



lang leven als de wereld bestaat. — To'fentoengi bi- 
nangaya, geheel tot aan het einde der rivier komen, 
d. i. : de rimer geheel afvaren tot aan het einde toe, 
of: de gansche rivier langs wandelen (gaan). — 
Ngapa taëna natdbntoengi badjdbnnoe bangkên- 
noe ?, waarom komt uw kleed niet tot aan het einde 
uwer voeten toe?, d. i. : waarom reikt het niet Ud 
aan uwe voeten toe? — Ngipa kip&ke b^djoe 
andëntoeng? waarom draagt gij een kleed, dat ge- 
heel tot aan de voeten (, tot onder toe ,) reikt ? — 
Bassi-mano^ntoeng, een meetsnoer dat genoegzame 
lengte heeft, een goed meetsnoer, v. d. overdragtelyk 
gebezigd van een regent, die berekend is voor zijne 
taak. (Rap. K. G.) 

(3" to'fentoeiïg) , Bonth. , Toer. == dppd N^ 3 , 
uiteinde. Jav. toentoeüg, de bovenste, oi uiterste, punt 
van iets, — Tdëntoeng-k&nj5^^» ^ uiteinden der 
wenkbraauwen , b|j de slapen van het hoofd. (Sinr.) 
— Tdbntoeng-lêbong , lett. het uiteinde der jonge 
bamboe (, men zie: lébong), en wegens de overeen- 
komst in vorm met een mooijen vinger , die aan 



310 



den top zeer dun is, wordt de lóentoeny-lêbony me- 
nigmaal gebezigd, nu eens om de vingers daarmede 
te vergelijke^ dan eens om ze daardoor aan te 
duiden. (Sinr.) 

(4° to'fentoeng). — Patdfentoeiïg, eene soort van 
sdnro^ die uit het gebergte afkomstig is, en geen 
ander geneesmiddel kent dan water, waarbij hij 
uit het hoofd eenige formulieren prevelt. 

(5° to'^ntoeng). — Patdfentoeng, op en neer schud- 



begeeft. (Tar.) — Natête dfedjoe, mijne geoUtehten, 
de gevoelens van mijn hart, komen over de brug, d. i.: 
worden op het papier gehragt, (Tar.) — Atête ri-ta- 
k^dderéna, over zijn lot, als ware het eefC brug, 
heenloopen, d. i.: in sijn lot berusten, (Tar.) — Man- 
na na-to'bboe koetête, al moet ik ook over ligcha- 
men, d. i. lijken, aU over een brug, heenloopen. 
(Sinr.) — MUnna na-bd^koe koetête, al moest ik 
ook over beenderen, d. i. insgel^ks: over lijken, heen. 



den, bijv.: een' ra* (ballosse), opdat de inhoud zich i enz. (Sinr. K. G.) 



meer en meer in elkander voege; bijv. een^Jlesch, 
wel te verstaan : met den hals naar beneden , ten 



Patête, over een brug, als over een brug, doen gaan ^ 
Sipatête, elkander over een brug, als over een 



einde het water, of wat er anders in zy , uit te la- | brug, doen gaan; bijv.: sipatête ri-dëdjoeng-t6bd, 

ten loopen. elkander over de punt der kris, als over een brug, 

\y\^\ (tetta), vader, alleen van vorstelijke ; doen heenhopen, d. i.: met de kris te zamen veck- 



personen gebezigd. 

\ •N XN (tênta), bep. tentftya, geb. van iets 
dat niet gelijk met eenig ander voorwerp loopt, 
maar langer of korter is. (Tar.) 

"^ ^\\ <\ (1** tête), bep. tetêya, brug, en wel 
een klein bruggetje, bijv. een plank die men over 
het water of de diepte gelegd heeft, Mal. tietie, 
idem ; v. d. in het algemeen gebez. van iederen 
overgang, v. d. geb. van een bijzonder gevaarlijk 
tijdstip, byv. van cene derde, vijfde of zevende, be- 
valling, die volgens de Inlanders meer dan een' 
vroegere of latere hagchelijk , en dus eene soort 
van overgang, of brug, over een gevaarleken afgrond 
te noemen is. — Têt€ b^dji, brug tot, aanleiding 
tot, oorzaak van, goed, d. i.: van zegen, of: voorspoed. 

M^tête, lett.: met een brug zijn, een brug hebben, j 
over een brug gaan, over de brug komen, gaan als 



ten. (M^di.) 

VoXeièi, iemand, of: iets, als *t ware tot brug ge- 
bruiken om over te gaan; v. d. overdragt.: iemand, 
of iets, tot oorzaak hebben; bijv.: ikaoe napatetêï na- 
p&nra tadfewa, lett.: het verderf der menschen, het 
heeft u tot brug, of oorzaak, gehad; gjj zyt de oor- 
zaak, dal de menschen in het verderf gekomen zijn. 

Patetêyang, brug; van daar: brug tot, aanlei- 
ding tot, oorzaak van. Vergel. téte. — Patetêyang 
lanri ik^tte na-koekaloemanjnjang, g^ zijt als 't ware 
de brug, waarover ik gegaan ben, om rijk te worden ^ 
d. i.: ik heb het aan u te danken,gjj zijt de oorzaak, 
dat ik rijk geworden ben. — Barang patetêyaiïg lanri 
ik&tte s^llang, tdfewang, naniyd todong tenc koe- 
bo'bntoelo'e, welMgt zou ik door u ook geluk deelach^ 
tig worden. (Brief.) 

(2° teté), tikken, slaan, Boeg. idem, Jav. ietek. 



over een brug; bijv.: matête tingkasana, over de op iets dat hard is slaan, kloppen, aankloppen, aan- 
rijM^mm>etjes even als over een brug gaan. NB. ziet tikken. Bijv.: tete serc-mi, het is reeds één ure ge- 
op iemand die zich tot zijn werk op de rijstvelden dagen, het is cm ure. — Bo'^iiga teté appa, het 



311 



'Mul. poekol ampatf eene soort van bloem. — Si- 
kanre-teté. Vergel. kdnre, — f/te ook gebez. 
van het slaan met de balira onder het weven; v.d. 
teté-Bontobiraënnoe , uw slaan mei de balira op de 
wijze der menschen van Bónto-birdèng, (Madi.) 

Tétêki, ergens op slaan, v. d.: téteki giginna, 
iemand de tanden uitslaan. (Kap.) 

Pateté, een slaander , v. d.: een vuur slag, 

\^W^\ (têteng), op de hand nemen , zonder 
vast te houden. Boeg. têteng. Mal. taling, (Sinr.) 

Tetë^ang poke, handvatsel, of: hout van de 
piek, 

\^\\^\ (tênteng), abówar^, gebakken, en 
dan, nog heet zijnde, in de suiker gerold. 

•\ 'N •S 'N (1° toto), = patetéyang, van téte 
N". 1, in de beteekenis van brug tot, aanleiding 
M, oorzaak van; bijv.: koebllsa-ng^engi oeldfeng- 
koe djené siyagang kalêngkoe iya-ng^eng, na- 
totd sLnne, b^dji koes^ring, ik maak mijn gansche 
hoofd, ja mijn geheele ligchaam, nat met toater, en 
dÜ is de oorzaak, dat ik mij beier gevoel. (Brief.) 

(2° toto), afsnijden; v. d.: s) tot den grond toe 
glad afsnijden, omhouwen, een* boom bijv. (Tar., 
M^i.) Boeg. idem. Jav. toetoeh, snoeyen. Mal. 
tobtoer, snoeijen , aftoppen. — Kappala nitoto. Deze 
uitdrukking gebezigd van Europesche schepen, 
die door roovers buit gemaakt zijn en waarvan 
deze de masten voor een gedeelte afgekapt hebben, 
ten einde ze vervolgens op zijn Inlandsch op te 
tuigen. 

b) snoeijen; bijv.: toto saï anjdjo pokd-kaydfewa, 
snoei eens dien boom. 

liLding panoto, snoeimes. 

Bdfelo totowaiig, soort van bamboe, = bifeloka^ 
linting. Men zie katinting. 



(3° toto). — Pi toto, weeklagten aanheffen over 
eerC doode. (M^di.) 

(4° totto), bep. tottoka, «navel; v. d.: ^tóttd, 
pikken met den bek; gebez. van het eten van hoen- 
ders. Jav. ioiok, met den bek of snavel pikken. 
Bijvoorb.: natóttó djafïgang mdtjöra, een glansrijke 
haan, d. i.: een haan van edele afkomst, pikt, d. i. 
overdragtelijk : een man van goede af komst pikt uit, 
d. i. unjst aan den schuldige, (Eap. T. Dj.) 

Nóttó, lett. pikken, op zee uit bijgeloof gebez. 
voor: f^dnre, eten. 

Atóttó insgelijks gebez. van het b^ten van de 
slang. (Kap.) 

Tóttó, snavel, ook overdragtelijk gebez. van de 
pwit van een kalêwang, bddi, bérang of sónri. NB. 
van de punt van een piek of kris heb ik het nooit 
gebez. gevonden; dan gewoonl^k gebruikt : (fedjoeOg. 
(D. Moes.) 

•N *s <\ *s (tóntong), kijken , door een venster 
kyken, uOk^jken; bigv.: ka-kÉlmma-dji mdtontong 
AUa-taala, lett.: zoo God uit het venster keek, d. i.: 
zich vertoonde, of: zigtbaar ware. (Kap. K. G.) — 
Tóntong atênna, lett.: in zyn hart, of: binnenste, 
kyken, NB. sommige Inlanders verbeelden zich, 
dat zij door middel van een éra^ in hun bin- 
nenste kunnen lezen, hoeveel tijd zij nog te leven 
hebben. (D. Moess.) 

PatontÖngi, iets bezigen om uit te kyken; bijv.: 
djadj&rang napatontöngi, een djadjarang, waar zij 
door het venster ziet, of: kijkt, lett.: die zij bezigt 
om door het venster te' kijken. (Kei.) 

Tontongang, een venster, lett.: uitkijking, plaats 
van uitkijken; v. d.: apê.rë tontongang roep&nna, 
iemand' s gelaat tot een venster maken, om naar bin- 
nen te kijken, d. i.: maken dat men iemand's inborst 



312 



op zyn gelaat kan lezen. (Rap. K. G.) — Ton- 
töiïgang sala, lett.: een valsch vensier; gebez. van 
een langwerpig venster dat bij bijzondere gelegen, 
heden, onder andere, wanneer er een lijk uitge- 
voerd moet worden, tot deur dient. — Ana-ton- 
töngang, lett.: kinderen van een venster; v. d.: de 
opstaande middenhoitten, of: bamboezen, van een 
venster. — Anrong-tontöngang, lett-: de moeder van 
een venster; v. d.: het boven- en benedenhout, oï bam- 
boe y van een venster. 

^\^\X (tato'femboe), bep. tatoembo'bwa, soort 
van Moluksche koffer, van roembit/a-hl^Uy en met 
schelpen belegd. Men zie kanddga. 

NE. Volgens sommigen heeft men te lezen : 
katdkmboe; en zou dit Boeg. wezen, = kanddga. 

/N •N •N rs ^ (tdfetoe-tdfetoero'e). Men zie : 
idkroi, 

r\ r\ ^ (t^ttara), bep. tèttaraka, vlak; byv.: 
p&rang tiLttar&y vlakveld. — Agang t4ttar£, een' 
vlakke open weg zonder boomen. — N&nrowi badji 
tattar^na sai^djai^ya, lett.: maak het scheepstuig 
goed vlak, of: gelijk; d. i. : breng alles aan boord 
behoorlijk in orde (D. Moes.) 

Tdttard in de Sinrili's ook gebez. van het glad, 
ofvlak maken, d. i. spannen, van het weefgetouw; 



gUssiiïg-mi, mingka ddjappa tdtiti-titiri-idji, hij is 
al weer beter, doch hij loopt nog waggelende. 

Patitin, doen slingeren, v. d. : wegslingeren, neer- 
smijten, wegsmijten. (Tam., Rap. K. G.) 

>\ •N 'N ^ 'N (tïtord), brokkelen, afbrokke- 
len ; bijv. : titoro-ng^ng-mi giginna, al zijne tan- 
den zijn afgebrokkeld. 

Titoró ook gebez. van het afbrokkelen , of: af- 
vallen, van de hoornen van een hert. 

Fatitoro, doen afbrokkelen ; bijv. : patitoro ka^« 
djoli, eene kanjdjóli ontdoen van de kool. Wij zou- 
den zeggen : de kaars snuiten. 

•N rs ^ (toetdferaiïg). Men zie tdhoe. 

\^\^^\\^ (têtteré), bep. têttereka, spoe- 
dig; bijv.: têtteré M^ri-l&ri, hard, ving, loopen. 

Tétteré, vlug, op zee uit zeker bijgeloof gebe- 
zigd voor dj drang, paard. 

Apatêtteré, met de beenen staan, of: zitten, wie- 
gelen. 

r\ 'N r\ 'N ^ 'N (totoro), = tónda , voorttrek- 
ken, voortslepen; mange nótoro djcibkoe, al zei- 
lende met hengels visschen; lett.: de visschen voort- 
trekken. 

•N •N ^ ^ (tata-rapang). Vergel. tdlaW.l. 

X\^\^^ (tataripang), = tdri-taripang . 



V- d.: tattara-toe-S&mbaopdënoe, uw op de wijze der \ Vergel. taripang. 

menschen van Sdmbaópoe (, d. i.: op geschikte wijze,) \ y\y\^^ (t^tala), bep. tatalaka, = 't Jav., 

gespannen weefsel. (M^di.) ; Sund. en Mal. tatal, spaander, splinter, krullen. — 

i 

Sintattara, = singkdmma, = sangkdmma, ge- Arappoeiïg taltala, krullen oprapen. 

lijk aan. (Tar.) — Sintattard boettèya, gelijk aan Tdtald ook gebezigd van den cirkel, oi kring, 

de aarde; v. d.: begraven. (Kei.) , in het zand, dien men door middel van een stuk 

X\X\^ (iiiin), slingeren. touw om den tol getrokken heeft; leit: datgeen, 

T^titin, aan het slingeren gebragt zijn, slinge- wat als 't ware eenigermate den vorm van een krul 

ren, zwaaijen, waggelen; bijvoorb.: koedj^oeroe-ko heeft. 

noeiaXiim, ik stomp u, dat gij waggelt. — Gassing- /^xs^^ (titili), bep. titilika, tittel, sHp, 



313 



medicinale stippm, d&i is: sUppen, welke de sanro Tatónda, schuins gesteld zijn, v. d.: schuins 



iemand hier en daar op het ligchaam , vooral op 
het voorhoofd, maakt tegen de kaserówang, alzoo 
een: pabdlle ta-kaserówang ^ of middel tegen de ka- 
aerdwang. Vergel. séro N°. 2. Boegin. idem. — 
M&ngko-titili , een Chinesche kom met sterretjes ^ of 
stipjes, 

•\^^^ (tdbtoeloe), bep. tdfetoeloeka, loom^ 
zwaky bijv.: ka-k&mma-idji koes^ring tdfetoeloe 
bcrêkoe-boekdfeiigkoe, daar ik nog een gevoel heb, 
alsof myne beenderen loom, zwak, zijn, d. i.: daar 
ifs mij nog zwak gevoel, 

•\^^N^*^% (tottold), bep. tottoloka, 
eene machine om buffels en andere beesten, als 
ook om misdadigers, te binden en alzoo te vervoe- 
ren. Boeg. tóttó, idem. Er zijn twee soorten van 
ióttMi Y. een ring van rotting, die om den hals 
van den misdadiger gaat , en in een bamboezen 
stok gestoken wordt, dien de geleider vasthoudt; 
2^. een bamboezen stok waar men de armen van 
den misdadiger langs uitstrekt , terwijl men zyne 
handen daaraan vastmaakt door middel van ringen 
van rotting. 

X\ •N ^ O (tant&lisi), bep. tantaiisika, 
plant , wier bladen veel overeenkomst hebben met 
die van de pdttjó, en gebezigd worden als genees- 
middel tegen kapedloe. Men zie boven. 

^s^N^"^ (t&toewa), bep. t&toewaka, soort 
van roofvogel, grijs en gespikkeld, en ter grootte 
van een' huisduif. 

Xnv (rtanda), bep.tandSlya, 't Mal. tdnda, 
en 't Jav. ionda, teeken, merk. — Dj&rang-t^nda , 
paard met een vlek van voren op den kop. 

(2° t^dd), schuins stellen, geb. van zeilen, B. 
idem; bijv.tanda-mi sombalaka, breng het zeil schuins. 



staan; bijv.: tatandd sombatókoe, mijne zeilen staan 
schuins, te weten : om onder zeil te gaan. (Tar.) 
NB. een sómèald tdtdndd staat tegenover: een 
sómbald tdpdmpdiig. Vergel. pdmpang N**. 1. 

r\ ^ (t^di). Tadi-tadi, bep. tadi-t^ika, soort 
van kleine praauwtjes, of: sloepen, door de zeeroo- 
vers gebezigd bg de bintd's. Vergel. bintd. 

•\>VN (tado), bep. t&doka, strik, val, strik- 
ken. Boeg. idem; bijv.: tóddki djöngaya, het hert 
strikken. — Öteré-tadó, het touw van de siriklans. 

Patadókaiïg, iemand maken tot het voorwerp, 
waarvoor men strikt, d. i.: voor iemand, f^n gevalle 

van iemand, strikken, 

^ a ü 

•\ ^V (tinda). Titinda), achterover hellen, 

y\ ^V (tindang), Mal. trappen, schoppen. (S. 
'Win.) 

•\ ^ (Tidoeiïg), naam eener plaats bij G6wa, 
waar de Toe-ri-^jené's, of: Bdyds, eenigen tijd ge- 
vestigd zijn geweest ; van daar worden deze men- 
schen ook wel Tufoew^cr* genoemd. (Ko'brro'e-ko'br- 
rde djangang.) Er bestaat insgelijks een landschap 
Tidoeng op de Oostkust van Bomeo. Vergel. Be- 
drag, tot de taal- land- en volkenkunde van Neêr- 
landsch Indië, Tijdschrift van het Koninklijk In- 
stituut, Deel IV, N°. 3, bl. 250 en 255 ; waar o. 
a. gezegd wordt, dat de Tidoengsche stammen zee- 
praauwen bouwen. Dit doet ons onwillekeurig aan 
de Toe-ri-é^éné^s denken. Welligt heeft het land- 
schap Tidoeng op Bomeo zijn' naam aan een volk- 
planting van Ttdoenger^s, of Toe-ri-djen^s te dan- 
ken. Het zou ook kunnen zijn , dat TtdoeOg in 
G6wa een volkplanting van de Tidoeiïgsche stam- 
men op Borneo is. 

/^ \ ^V (tide), Sal., niet. 



3U 



/^NVN (tindo). — Tindo-lmdo, bcp. tindo- 
tindöwa, kruidje roer mij niet. Boeg. idem. Zoo ook 
genoemd zekere soort van hoorn , welks bout gebe- 
zigd wordt voor halêmbeng en dergel. 

•\^y (rto'feda), bep. toed&ya, = ttnditmg' 
hdli , a) een bamboe dat in dezelfde rigting en ne- 
vens de paldngga tjadi loopt , doch niet als deze 
doorgaat. Het dient slechts om van beide zijden 
de palen te stennen ; 

b) het hout dat mea soms van boven aan de 
deur tusschen de beide stalen aanbrengt. Boegin. 
idem. 

(2"tc^di), fitcfedi, met de hoomen stooten ; v. 
d. ook gebezigd van jongens, die uit gekheid, bok- 
heuy of koeien, nadoen; van daar ook nUfedd ge- 
bezigd van menschen die elkander als 't ware atoo- 
ten toebrengen^ d. i. te zamen zwaar overhoop lig- 
gen , bijv. met elkander in proces 2^n, 

/N vv (tdbdang), Boeg. titten, (Sinr., Tar.) 

Sitoedangang, zaïinen zitten met, (Kei.) 

^"C/ (toedo'e), schoppen, trappen, stampen, 
(Midi.) Boeg. idem. 

Toeddbki, schoppen tegen , iemand een schop 
geven, 

Patoedo'e, een schappen , een schop , bijv. : i^re 
patoedo'e , een schop geven, — Si-patc^oe d&lle- 
k&nna, het was alsof er vóór hem gestampt wierd, 
d. i. hij had eene groote menigte mensehen vóór zich 
uittoopen, (Midi) 

•N ^ (td^ndoe). Pandbndo'e, bep. pandbn- 
doeka, het voorste van de drie bamboezen, waaruit 
de mast van een vaartuig bestaat, en dat gewoon- 
lijk rust op een' vooruitstekenden arm, béU^oe- 
hdngoe genaamd. Boeg. idem. 



Boegineesch idem. — Kdëli-tdbde, mossdschdp. 

— Tdfede-lat^óe, tc^de-bómbang, tdbde-gangi, 
tdëde-bilngko (veel gevonden bij de boesehen vm 
bdngko-honi), tdbde-b4yang , tdëde-bdbloe, soorten 
van tóhde, — Bciënga-tdbde, soort van bloem, 

Tdëde-tdbde, soort van medicinale slingerplant. 

/N vy "N (td^dong), Mal. zonnehoed, 

^ XNVV (têd6), bcp. têdaka, = pd^d N*. 2 , 
doch grooter, en van tikdrroeSfs vervaardigd. 

\ •N \ ^V (t^é). Rïnrïiïg-tödé, een wand die 
gemaakt is door heele bamboe's als 't ware tot 
splinters plat te slaan en dan te spouwen. Boegio. 
idem. 

\ ^s vv •s (têdong), karbaamo, oiheffd. Boeg. 
idem. — B&^keng-têdong, buffel-poot; v. d. pari^ 
yolówangi bllngkeng-tedonna , lett.: zijn* buffet' 
pooten vooruit laten gaan, v. d. waarschijnlijk we- 
gens den bijzonder zwaren tred van dit beest: im^ 
zettend veel leven maken en tegen iedereen uitvaren, 
ten einde te voorkomen , dat men ons wegens een' 
beganen misslag onderhoude. Een man bijvoor- 
beeld die buitenshuis ongeoorloofde gemeensdiap 
gehad heeft, en weet, dat zulks aan zqne vrouw 
niet onbekend gebleven is, zal t'huis kommde, de 
huisgenooten om allerlei gezochte redenen be- 
straffen en uitschelden, opdat de vrouw, zijn' drift 
bespeurende, maar stilzwijge over haar* grieve. 
Dit dan genoemd: zijn bvffèl4red vooruit laten gaan. 
Deze phrase ook wel soms gebezigd van iemand 
die op minder gewelddadige wijze een verw^'t voor- 
komty dit als 't ware even als een karbaauw vertreedt. 

— Mllte-mi na-ö^djd têdong. Vergel. ónjdjó. — 
Têdong bouar^ ri-DJakfttartl n&ra, têdong m^ ri- 
Sjoerd^na ta-nftii, lett. : een' huff^el die te Batavia 



•N X ^V (tdfede) , bep. toedêya , schelpdier, Ugt te rotten, ruikt hij , doch een dooden btrgel onder 



315 



dm buUauten rand va» iet dak ruikt htj niet, 2iin : 
''hij siet wel den splinter in een's ander^s oog, 
"doch bemerkt niet den balk in zijn eigen oog." 
- Têdong-DJawa, = rjapi N^ 1, em koeèeest, 

Têdong-têdong, soort van schelp. (Lijst.) 

<\ 'N ^V (tonda), voorttrekken, voortdepen^ een 
/ys, af: touw bijv., op sleeptouw nemen , een schip 
boegaeren. Mal. idem. Boegin. t^nra. Van daar: 
tdnda, bep. tondHya, een van een haak voorziene 
viBehlijn , die in volle zee wordt voortgetrokken. 
NB. deze tónda niet van om, maar boven de haak 
van eene veer van den kéro-kaan voorzien. Deze 
heeft in het water eenige overeenkomst met den 
visch Qdemt'tjdhni f en wordt alzoo door de groote 
viaachen voor een goeden bnit gehouden ! 

SMuèa, elkander voortslepen^ bijvoorbeeld: bisê- 
jang sitonda, lett.: vaartuigen, die elkander voort- 
slepen , = bislang smkó-stkó. Verg. sikv, — Si- 
tondai kongkonga, per euphemisme gebez. van het 
spdem van twee honden, lett.: de honden slepen dk- 
ander voort, 

^\ "N ^VN (t&ló), n3dó, steken^ ergens in ste- 
ken, ergens doorsteken, aanrijgen, bijv.: kralen, 
(Sim.) of: een doosje (Bap.) Boeg. idem. Van daar 
ook: de stok die m den grond gestoken wordt om de 
praau» voet te leggen. Van daar ook titel van hoof- 
den, die als 't ware even als stokken in den grond 
geplant, d. i. door de daartoe bevoegde autoriteit aan- 
gesteld, zijn. Zoo bijvoorbeeld genoemd oy/ van de 
regenten van 's Gouvernement's Noorder-Distrikten, 
te weten : de l3mó van Maros , de galltoang van 
Bontowa, de gallarrang van Tangkdferoe, de ka- 
rftëng van Tanralili, en de karaëng van Simbang. 
Zoo ook de vie?' kiesheer en, of ryksgrooten van Bi- 
nimo. (Madi, Djay.) — Van daar ook: iemand, die 



even als een vast in den grond gestoken stok bljjjt